Posts tonen met het label CAS. Alle posts tonen
Posts tonen met het label CAS. Alle posts tonen

zaterdag 19 december 2020

Long COVID Awareness #1 (post-COVID-19 syndroom)/ COVID-19 long haulers

Overzicht
1. Wat is long COVID?
2. Wat melden rapportages over patiënten met post-COVID-19-syndroom?
3. Wat is MIS-A?
4. Ontstekingen aan het hart door COVID-19: verwijs patiënten door voor onderzoek;
5. Waar moet nog meer op worden gelet?
6. Is het een nieuw verschijnsel? Over de gevolgen van het eerste SARS-coronavirus, 2003;
7. Is verbetering van de longcapaciteit mogelijk?
8. Hoe moet post-COVID/ long COVID worden behandeld?
9. Nader te onderzoeken: hyperferritinemie (ijzerstapeling), vetmetabolisme, EGFR en "mitochondrial health"

1. Wat is long COVID?
Long-COVID is geïntroduceerd door mensen die COVID-19 hebben gehad en na weken of maanden nog met gezondheidsklachten te maken hebben. Het kan gaan om vermoeidheid, om uitputting bij matige inspanning, afname van longcapaciteit, een aanhoudende hoest, pijn op de borst, terugkerende koorts en andere ziekteverschijnselen. De officiële term is "Post acute COVID-19" of "Post-COVID-19 syndroom". De Long Alliantie Nederland gebruikt de term "COVID-19 Associated Syndrome", CAS.

Long-COVID is niet specifiek. In sommige gevallen kunnen aanhoudende klachten het gevolg zijn van een longontsteking (Persistent Symptoms in Patients After Acute COVID-19, JAMA 2020;324(6):603-605). COVID-19 geeft in alle gradaties (mild tot ernstig) risico op schade aan het hart, de longen, nieren en de hersenen. Omdat COVID een microtrombotische ziekte is, kunnen kleine "klonters" ontstaan in de fijne vaten. Psychische en motorische problemen die ontstaan tijdens en ná COVID-19, kunnen het gevolg zijn van neurologische schade door het virus. Ook bij jongeren kunnen hersenbloedingen, epilepsie en het Guillain-Barré-syndroom (een neurologische ziekte) voorkomen. COVID-19 geeft een verhoogd risico op het ontwikkelen van Parkinson en Alzheimer op lange termijn (COVID-19 (coronavirus): Long-term effects, Mayo Clinic, 17 november 2020).

Long-COVID wordt wel als verzamelnaam gebruikt voor systemische ziekten, immuunstoornissen en ontstekingsreacties die het gevolg zijn van COVID-19. Onder long-COVID kunnen ook het post-IC-syndroom en post-viraal-vermoedheidssyndroom worden geschaard. Een voorbeeld van een ontstekingsziekte die het gevolg kan zijn van COVID, is MIS-A (Multisystem Inflammatory Syndrome in Adults).

2. Wat melden rapportages over patiënten met Post-COVID-19-syndroom?
In een vervolgstudie onder 150 mensen die niet-kritieke COVID-19 hebben gehad, meldt 30% op dag 60 ná de eerste symptomen ademnood (dyspnoe); 40% meldt algehele zwakte (asthenie) op dag 60. De helft van deze patiëntengroep werkt in de medische sector en de helft heeft minimaal één onderliggende ziekte  (Follow-up of adults with noncritical COVID-19 two months after symptom onset, Clinical Microbiology and Infection, 5 oktober 2020). Hetzelfde beeld wordt geschetst in een evaluatie van patiënten die in 2020 in  het ziekenhuis opgenomen zijn geweest voor COVID-19 (IC- en niet-IC-patiënten). Het nadeel van deze en andere recente evaluaties is dat de details ontbreken, dat patiënten zelf rapporteren, dat géén controle plaatsvindt en dat er ook geen controlegroep ter vergelijking is betrokken bij de studie. De comorbiditeiten in deze groep zijn een hoge bloeddruk (46,7%), een hoog BMI (47,5%) en diabetes (21,7%) (Post-discharge persistent symptoms and health-related quality of life after hospitalization for COVID-19, Journal of Infection Vol. 81, Issue 6, 1 december 2020).

In een groep van 143 patiënten die eerder waren opgenomen voor COVID en van wie 35% een hoge bloeddruk heeft, 18% schildklieraandoeningen, 11% immuunaandoeningen, 9% COPD en 7% diabetes, worden vermoeidheid (53%), ademhalingsproblemen (43%) en gewrichtspijn (artralgie, 27%) gerapporteerd. Ook in deze studie ontbreken de nodige details, de studie zelf meldt dat de longontsteking die het gevolg is van COVID-19, de aanhoudende klachten kan veroorzaken (Persistent Symptoms in Patients After Acute COVID-19, JAMA 2020;324(6):603-605).

Specifieker is de follow-up van 384 voormalig COVID-patiënten tussen dag 47 en dag 59 ná ontslag uit het ziekenhuis. 7,3% van 247 patiënten heeft een aanhoudend laag niveau van witte bloedcellen, 30,1% van 229 patiënten heeft een verhoogde D-dimeerwaarde (D-dimeerverhoging duidt op de afbraak van bloedstolsels in het lichaam) en 9,5% van 190 patiënten heeft een verhoging van het C-reactief proteïne (CRP, een eiwit dat door de lever wordt geproduceerd bij ontstekingen). Van 244 patiënten bij wie tijdens de evaluatie een thoraxfoto werd afgenomen, is bij 9% het longweefsel verslechterd en bij 14,8% is nader onderzoek nodig (Long-COVID: a cross-sectional study of persisting symptoms, biomarker and imaging abnormalities following hospitalization for COVID-19, Thorax, 10 november 2020).

3. Wat is MIS-A?

MIS-A staat voor Multi Inflammatory Syndrome in Adults. Tot voor kort was bekend dat kinderen dit systemische syndroom ná infectieziekten kunnen ontwikkelen, bij kinderen heet het "MIS-Children". Het houdt in dat het lichaam in een staat blijft verkeren waarin het probeert om een infectie op te ruimen. Deze ontstekingsreactie is anders dan ontstekingen en verstoorde werking van de organen die toe te schrijven zijn aan hypoxie. In de schaarse literatuur over MIS-A wordt een variatie aan symptomen vermeld. Patiënten kunnen zich melden met aanhoudende keelpijn, koorts, zwakte, algehele malaise, stijfheid, diarree, uitslag, shock, nierfalen, eetproblemen, druk, palpitaties van het hart ("overslagen"), oorsuizen, hemofilie, een zwakke pols, lage bloeddruk, misselijkheid, zeer donkere urine, pijn bij het slikken en een brandend gevoel bij het plassen.

Om te bepalen of het MIS-A is, moeten een RT-PCR en antigeentest worden afgenomen, aangevuld met een meting van de ontstekingsmarkers en trombosemarkers CRP (C-reactief proteïne), ferritine, D-dimeer, alanine aminotransferase (leverfunctie), absolute aantal lymfocyten (ALC) en troponine (hartfunctie). Het onderzoek wordt aangevuld met CT-scans om de organen te beoordelen, een thoraxfoto om eventuele matglasvlekken op de longen te ontdekken, een echo van het hart (TTE), ECG van het hart en ejectie-fractieonderzoek van het hart.

In de gerapporteerde gevallen van MIS-A waren de ontstekingsmarkers duidelijk verhoogd en was beschadiging van het endothelium of coagulopathie door SARS-CoV-2-infectie de aanleiding. In één van de gevallen werden deeltjes van het complementsysteem teruggevonden in de bloedvaten. Behandeling met onder meer corticosteroïden, heparine, fenylefrine, dobutamine, Remdesivir, tocilizumab, midodrine, norepinefrine en vasopressine brachten verbetering (Case Series of MIS-A Associated with SARS-CoV-2 Infection-- United Kingdom and United States, March-August 2020, Morbidity and Mortality Weekly Report CDC, 9 oktober 2020; 69(40): 1450-1456).

4. Ontstekingen aan het hart door COVID-19: verwijs patiënten door voor onderzoek

In herstelde COVID-patiënten kunnen ontstekingen aan de hartspier optreden. Een MRI-onderzoek onder 100 patiënten die hersteld zijn van COVID, toonde dat 78% hartproblemen had en 60% een aanhoudende ontsteking aan het hart. In de patiëntgroep werden aanwezigheid van LGE (Late Gadolinium Enhancement, een marker voor fibrose en oedeem door ontsteking van het hartzakje) en een duidelijke verhoging van troponine (Outcomes of Cardiovascular MRI in Patients Recently Recovered from COVID-19, JAMA Cardiology 2020;5(11):1265-1273). Artsen moeten COVID-19-verdenking betrekken in nieuwe cardiologische klachten van patiënten die zich bij hen melden (Myocardial injury and COVID-19: Possible mechanisms, Life Sciences 2020, 15 juli 2020; 253).

In een onderzoek onder competitiesporters en duursporters werden bij 15% afwijkingen gevonden op de Cardio-MR, die op myocarditis duiden, terwijl bij 30,8% LGE aanwezig is. Ook bij deze groep traden fibrose en oedeem door ontsteking van het hartweefsel als gevolg van COVID op (Cardiovascular Magnetic Resonance Findings in Competitive Athletes Recovering from COVID-19 Infection, JAMA Cardiology, 11 september 2020).

Er is thans geen richtlijn die terugkeer naar competitiesport en duursport ná COVID-19 reguleert. De afname van troponine, ECG en een echo wordt in alle gevallen (van asymptomatische COVID-19 tot COVID met ernstige klachten) aanbevolen. Minimaal wordt 2 weken rust na de infectie aangeraden. In geval van myocarditis (ontsteking van de hartspier) kan 3 tot 6 maanden rust worden aanbevolen. Als er "milde" COVID-19-infectie is geweest, kan het sporten worden hervat volgens het "50/30/20/10-principe": in de eerste week worden de normale intensiteit en duur gehalveerd, tot in de vierde week nog maar 10% van de intensiteit en duur van de sportactiviteiten wordt verminderd (Considerations for Return to Exercise Following Mild-to-Moderate COVID-19 in the Recreational Athlete, Muscoskeletal Journal of Hospital for Special Surgery 2020 nov;16(Suppl 1): 102-107).

5. Waar moet nog meer op worden gelet?
In 15% van de COVID-patiënten treedt spierpijn op. Deze gaat in de meeste gevallen over. Als de spierpijn aanhoudt door ontstekingsmechanismen ná COVID, worden warmte, ijskoeling, eventueel topische niet-steroïde ontstekingsremmers (NSAIDs) en strekoefeningen toegepast.

Omdat COVID-19 een ziekte is met een verhoogd risico op trombo-embolische aandoeningen, dienen artsen alert te zijn op sporters die pijn aan het kuitbeen melden en onderzoek naar VTE (veneus trombo-embolisme) te overwegen (Considerations for Return to Exercise Following Mild-to-Moderate COVID-19 in the Recreational Athlete, Muscoskeletal Journal of Hospital for Special Surgery 2020 nov;16(Suppl 1): 102-107).

Aanhoudende vermoeidheid zou het gevolg kunnen zijn van Auto-Immuun Hemolytische Anemie (AIHA) (Autoimmune haemolytic anaemia associated with COVID-19 infection, British Journal of Haematology Vol. 190, Issue 1, juli 2020, p. 29-31). Het hemoglobine moet worden gecontroleerd om bloedarmoede uit te sluiten.

6. Is het een nieuw verschijnsel? Over de gevolgen van het eerste SARS-coronavirus, 2003
Nee. Het virus dat COVID-19 (Coronavirus Disease-2019) veroorzaakt is SARS-CoV-2, een familielid van SARS-CoV-1. In 2003 werden Azië en Canada sterk getroffen door de SARS-1-epidemie. In 2006 en 2010 zijn internationaal onderzoeken uitgevoerd onder mensen die waren hersteld van SARS-1.

Een evaluatie uit 2005 meldt dat in 15,5% van de SARS-overlevers een achteruitgang in de gastransmissie in de longen werd waargenomen (Impact of SARS on pulmonary function, functional capacity and quality of life in survivors, Thorax mei 2005;60(5): 401-409). In een groep van 37 patiënten werd 3 jaar na SARS-CoV-1-infectie in 20-30% van de gevallen stabiliteit van de verslechtering gemeld (de functies FVC, VC en met name FEF vertoonden na drie jaar nog geen verbetering), (Changes in pulmonary function in SARS patients during the three-year convalescent period, Zhongguo Wei Zhong, september 2007;19(9):536-8).

In een studie uit 2010 wordt bij 52% van de SARS-overlevers een verslechtering van de diffusiecapaciteit van de longen geconstateerd (DLCO). Bij ARDS heeft 76% van de patiënten na 5 jaar een beperking in DLCO. Op de CT-scans werden matglasvlekken in de longen (ground glass opacities), matglasvlekken tussen de longen en verstoring van de druk in de longen (air trapping) gezien (Pulmonary sequelae in convalescent patients after SARS: evaluation with thin-section CT, Radiology, 1 september 2005). Beschadiging van het epitheel weefsel en longfibrose verklaren deze aanhoudende beperkingen van de longcapaciteit, terwijl gebrek aan conditietraining de toestand verergert. De gemiddelde prestatie op de 6-minuten-looptest (6MWT) blijft ondermaats  (The long-term impact of SARS on pulmonary function, exercise and health status, Respirology april 2010; 15(3): 543-550).

In februari 2020 werd een evaluatie van 15 jaar gepubliceerd, die gaat over voormalig SARS-patiënten die tussen 2003 en 2005 zijn behandeld. De longfunctie (totale longcapaciteit, TLC en koolmonoxidediffusie, DCLO) is over de afgelopen 15 jaar niet significant verbeterd in SARS-patiënten met longfibrose. Directe behandeling van een longontsteking kan voorkomen dat de longfunctie van SARS-/COVID-overlevers verslechtert. In 15 van de 71 geëvalueerde patiënten is necrose in de heup opgetreden (femoral head necrosis) door een stootkuur corticosteroïden, maar opmerkelijk genoeg (gunstig gesproken) kan deze heupnecrose afnemen. Met gecontroleerde dosering van corticosteroïden kan dit risico worden verkleind (Long-term bone and lung consequences associated with hospital-acquired SARS: a 15-year-follow-up from a prospective cohort study. Bone Research 2020; 8:8).

7. Is verbetering van de longcapaciteit mogelijk?
Patiënten die beademd zijn, kunnen post-IC-syndroom vertonen. In patiënten die voor COVID-19 op de IC zijn opgenomen en mechanisch beademd zijn, kan ook post-IC-syndroom (PICS) optreden. Het verdient aanbeveling om een speciaal rehabilitatiecentrum in te richten om patiënten na ontslag uit van de ziekenhuisafdeling op te vangen. Patiënten die zijn beademd, dienen te worden onderzocht op barotrauma en afzetting van melkzuur door uitputting van de ademhaling. Het is een algemeen beeld dat COVID-patiënten die van de IC komen, ondermaats scoren op de 6-minuten-looptest (6MWT).

Revalidatiespecialisten dienen te controleren op neuropathie, myopathie (ontsteking van de spieren), op cognitieve en neurologische functies, op de ademhaling, de werking van het hart en spier-skeletfuncties. Neuromotorische oefeningen moeten worden gedaan om ziekte en verslechtering van de lichaamsfuncties door inactiviteit te voorkomen (Early Rehabilitation in post-acute COVID-19 patients: data from an Italian COVID-19 Rehabilitation Unit and proposal of a treatment protocol, Edizioni Minerva Medica 2020 oktober;56(6):633-41).

Een recente evaluatie van 145 COVID-19 patiënten na 100 dagen wordt geconcludeerd dat de cardiopulmonaire schade (schade aan longen en hart) is afgenomen en geen belemmering meer oplevert. Hoewel de CT-scans erop lijken te duiden dat géén sprake is van longfibrose, is het onderscheid tussen ontstekingen in het longweefsel en beginnende longfibrose moeilijk te maken (Cardiopulmonary recovery after COVID-19-- an observational prospective multi-center trial, European Respiratory Journal 2020 december 10).

8. Hoe moet post-COVID/long COVID worden behandeld?
Patiënten die "milde" of geen COVID-klachten hebben gehad, hebben meestal geen beeldvormend onderzoek gehad. Fibrose, trombose-activiteit en eventuele neurologische gevolgen kunnen over het hoofd worden gezien. Er is op dit moment een onderzoeksvoorstel van het AMC om patiënten met aanhoudende COVID-gerelateerde klachten aan gedragstherapie te onderwerpen.

Om misdiagnoses te voorkomen, kunnen onderzoek op ontstekingsmarkers (inflammatoire markers), trombotische activiteit/pulmonair trombo-embolisme (D-dimeer en C-reactief proteïne), neurologisch onderzoek en beeldvormend onderzoek (CT/MRI) aan longen uitsluitsel geven. Als de klachten 3 weken na de eerste COVID-19-symptomen aanhouden, kan het bloed worden gecontroleerd op het totaalbeeld, electrolytes, lever- en nierfunctie, troponine, D-dimeer, brain natriuretic peptides (BNP), CRP en ferritin om ontstekingen en trombose-activiteit te beoordelen. Aanvullend kunnen thoraxfoto's, urine-onderzoek en een ECG worden uitgevoerd, evenals onderzoek naar de schildklierfunctie. Patiënten moeten niet van verwijzing worden uitgesloten op de grond dat een RT-PCR een negatieve uitslag geeft (National Institute for Health and Care Excellence, COVID-19 Guideline: Managing the long-term effects of COVID-19, NICE Guideline 188). Nederland heeft geen richtlijn voor de behandeling van long COVID-19, de Royal College of General Practitioners (RCGP) heeft daarentegen een overzichtelijke module voor huisartsen en verwijzers (Course: Long COVID-19). De BMJ heeft ook een advies voor management van post-acute COVID-19 uitgegeven (Management of post-acute COVID-19 in primary care, BMJ 2020;370).

Immuungerelateerde verstoring van het autonome systeem moet worden overwogen als orthostatische intolerantie (orthostatische hypotensie, een daling van de bloeddruk), flauwvallen en tachycardie optreden (Autonomic dysfunction in 'long COVID': rationale, physiology and management strategies, Clinical Medicine Journal, 28 november 2020).

Als de patiënt slik- en spraakproblemen heeft ten gevolge van COVID-19, wordt voorgesteld om door te verwijzen naar de logopedist. Fysiotherapie wordt aanbevolen voor opbouw van de conditie onder begeleiding (monitoring hart-/longfunctie), 2 maal per week (A proposal for multidisciplinary tele-rehabilitation in the assessment and rehabilitation of COVID-19 survivors, International Journal of Environmental Research and Public Health, juli 2020; 17(13): 4890).

9. Nader te onderzoeken: hyperferritinemie (ijzerstapeling), vetmetabolisme, EGFR en "mitochondrial health"

Hyperferritinemie en CoVILD (Interstitial Lung Disease)
Hyperferritinemie kan optreden tijdens en ná infecties, zoals infectie met het coronavirus. Het houdt in dat er op bepaalde delen in het lichaam een overschot aan ijzer ontstaat. Hyperferritine, ijzerstapeling, wordt geassocieerd met aanhoudende ontstekingen en aanhoudende longaandoeningen ná infectieziekten (The Hyperferritenemic Syndrome: macrophage activation syndrome, Still's disease, septic shock and catastrophic antiphospholipid syndrome, BMC Medicine 2013; 11: 185).

Het is nog niet helemaal duidelijk of hyperferritine een gevolg is van een ontsteking, of juist ontstekingsbevorderend werkt; het wordt aangenomen dat hyperferritine bijdraagt aan de "cytokine storm" die in ernstige COVID-19 optreedt (Severe COVID-19, Another Piece in the Puzzle of the Hyperferritinemic Syndrome. An Immunomodulatory Perspective to Alleviate the Storm, Frontiers in Immunology 2020; 11; 1130). Op dit moment wordt de invloed van een door SARS-CoV-2 verstoorde ijzerhuishouding op aanhoudende longproblemen/longfibrose onderzocht (Persisting alterations of iron homeostasis in COVID-19 are associated with non-resolving lung pathologies and poor patients' performance: a prospective cohort study, Respiratory Research 2020; 21: 276). Het onderzoek is geregistreerd onder de trial "Development of Interstitial Lung Disease (ILD) in Patients with Severe SARS-CoV-2 Infection (COVID-19) (CovILD)". 

Vetmetabolisme
In patiënten die het eerste SARS-coronavirus (2003) hebben overleefd, wordt een verstoord vetmetabolisme waargenomen, 12 jaar na infectie. Langdurige behandeling van SARS-patiënten met Methylprednisolon wordt geassocieerd met veranderingen in het vetmetabolisme (Altered Lipid Metabolism in SARS Patients Twelve Years after Infection, Scientific Reports 2017;7: 9110).

Fibrose door overactivering van de epidermale groeifactor-receptor
In een studie uit 2017 werd geconstateerd dat overactivering van de epidermale groeifactor-receptor (EGFR) ná infectie met het SARS-coronavirus voor fibrose zorgt. Het moduleren van de activiteit van de EGFR is een mogelijke behandeloptie om fibrose als gevolg van COVID-19 te voorkomen/beperken (Overactive Epidermal Growth Factor Receptor Signaling Leads to Increased Fibrosis after SARS Coronavirus Infection, Journal of Virology 2017 jun 15; 91(12)).

Verstoorde werking van mitochondria en oxidatieve stress
Ten slotte is duidelijk dat de gezondheid van mitochondria tijdens en ná COVID-19 een belangrijke factor is in het ziekteproces en het herstel. Mitochondria regelen de energiehuishouding van de cel en zij zijn betrokken bij immuniteit en ontstekingsreacties. Het afvalproduct van de cellen is oxidatieve stress of, specifieker, Reactive Oxygen Species (ROS). Als de werking van mitochondria wordt verstoord door een indringer, bijvoorbeeld het coronavirus, neemt de oxidatieve stress toe en kunnen mitochondria afsterven. Door verstoring van de normale werking van de mitochondria zijn deze energieregelaars minder goed in staat om de cellen te weren tegen ontstekingen en infecties. Lichamelijke activiteit, de opname van antioxidanten, waaronder melatonine, Vitamine C, de steroïde Vitamine D3 en fenolen zijn van belang voor het onderhoud van gezonde mitochondria. De exacte rol van mitochondria in long COVID wordt nader onderzocht. 

Colchicine, een ontstekingsremmer
Vermelding verdient de herwaardering van colchicine voor de behandeling van ontstekingen. Dit middel zou kunnen worden toegediend om pericarditis en myocarditis (ontstekingen van het hartzakje resp. ontsteking van de hartspier) te kunnen behandelen.









zaterdag 27 juli 2019

4-4.1 De verenigbaarheid van de toepassing van Big Data in het strafrecht met het recht op privéleven: conclusies en aanbevelingen

4.1 Conclusie
In deze bijdrage heb ik onderzocht, in hoeverre de toepassing van Big Data-analyses en predictive policing-methoden in het kader van strafrechtelijke opsporing en vervolging, verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM en artikel 10 van de Grondwet. Daarbij is de invloed van de nieuwe, nog in werking te treden Wpg en het gemoderniseerde Boek 2 van het Wetboek van Strafrecht beoordeeld. 

Om antwoord te kunnen geven op de hoofdvraag, is in het eerste hoofdstuk ingegaan op de technische aspecten en de strafvorderlijke relevantie van enkele in de Nederlandse strafrechtelijke praktijk toegepaste Big Data-analysetechnieken en predictive policing-methoden. Het begrip ‘Big Data’ is niet te definiëren, omdat over dit abstracte begrip, dat zich voortdurend blijft ontwikkelen door uitdijende informatie en een veelheid aan bronnen, geen consensus zal worden bereikt. Die onuitputtelijkheid neemt niet weg dat een benadering mogelijk is met factoren als Volume (de kwantiteit van de data), Velocity (de snelheid waarmee de hoeveelheid data toeneemt) en Variety (de verscheidenheid aan bronnen). Het doel van de verkrijging van Big Data is de Value; in het strafrecht is de Value gelegen in betrouwbaar bewijsmateriaal.

Enkele voorbeelden van Big Data-analyses die met het oog op strafvordering worden ingezet, zijn uitgelicht. Hansken is een methode om databestanden van inbeslaggenomen datadragers te analyseren; de geanalyseerde data kunnen als bewijsmateriaal in een strafzaak dienen. iColumbo en het netwerk iRN dienen ertoe om (groepen van) personen te profileren en systematisch op geautomatiseerde wijze data betreffende personen of groepen via internet te verzamelen, te analyseren en te presenteren aan opsporingsinstanties. iColumbo kan worden ingezet om ‘verdacht’ gedrag via internet te detecteren. Typerend aan iColumbo is dat dit instrument continu het internet afspeurt om data van een betrokkene, die geen verdachte in de zin van artikel 27 Sv hoeft te zijn, te verzamelen en te analyseren. 


De Raffinaderij is een instrument waarin Big Data-analysemethoden worden samengevoegd om de capaciteit van het geautomatiseerde proces van het vinden van patronen tussen data en het vormen van informatie uit data te vergroten. De Nederlandse toepassingen van predictive policing-methoden zijn onder meer PredPol en het Criminaliteits Anticipatie Systeem (CAS), te verrijken met het systeem Cognos. De mogelijkheden en beperkingen van door algoritmen aangedreven predictive policing-methoden zijn besproken. Een belangrijke beperking van allerlei algoritmische toepassingen is dat onderzoek naar het causaal verband tussen oorzaak en gevolg buiten beschouwing blijft. Het verklaren van fenomenen blijft noodzakelijk en hoofdzakelijk afhankelijk van menselijke interventie.

In het tweede hoofdstuk is het wettelijke kader voor de regulering van de inzet van Big Data-analyses voor strafvorderlijke doeleinden toegelicht. Bij gebreke van een wettelijke definitie van Big Data, wordt aansluiting gezocht bij het begrip ‘persoonsgegeven’ als bedoeld in artikel 4 onder 1 AVG. De verzameling van data in het kader van strafrechtelijke data-analyses wordt gebaseerd op de algemene politietaak, de handhaving van de openbare orde en veiligheid (artikel 3 Politiewet in samenhang met artikel 142 Sv). De verwerking van persoonsgegevens, waaronder de opslag, het gebruik en de automatische vergelijking begrepen, wordt bestreken door de Wpg en Wjsg. Onder de huidige wettelijke regulering bestaan knelpunten ten aanzien van de inzetvan Big Data-analyses in het strafrecht. 

Een belangrijk knelpunt is dat het doelbindingsprincipe, dat inhoudt dat de gegevensverzameling en -verwerking wordt beperkt door een vooraf bepaalde doelstelling, onder druk komt te staan door het karakter van Big Data-analyse. Big Data-analyse kan tot doel hebben om (zoveel mogelijk) data te verzamelen, maar ook meebrengen dat data-analyse met het oog op de dagelijkse politietaak in de handhaving van de openbare orde, wordt gebruikt voor de bewijsverzameling voor eventuele strafvorderlijke beslissingen. Opsporingsambtenaren die de Raffinaderij gebruiken, drukken zelfs uit ‘booming informatie’, ofwel een zo groot mogelijke verzameling persoonsgegevens om verbanden uit te construeren met gecombineerde data-analyses, als doel te beschouwen. 

Het Moderniseringsproject van Boek 2 van het Wetboek van Strafvordering en de nieuwe, nog in werking te treden Wpg zijn ter discussie gesteld, evenals deadviezen van de Commissie-Koops, die volgens de wetgever grotendeels directzullen worden opgenomen in de wet. De gegevensbeschermingseffectbeoordeling (PIA) die in artikel 4c van de nieuwe Wpg zal worden opgenomen, dwingt de gegevensverwerkende instantie om alle belangen af te wegen. De proportionaliteit en subsidiariteit van een methode voor gegevensverwerking, waaronder gegevensverwerking in het kader van strafrechtelijke Big Data-analyses, moeten standaard worden getoetst voorafgaand aan de inzet. De privacy van de burger is één van de belangen die tegen het belang van de inzet van de methode moet worden afgewogen. Een ‘soft-law’-instrument is de aanbeveling om een Kafkaknop in te bouwen, voor de situatie waarin een systeemfout optreedt. De fout moet natuurlijk wel worden ontdekt en het systeem zou direct moeten worden uitgeschakeld bij een geconstateerde fout, anders kan de Kafkaknop weer tot Kafkaëske toestanden leiden. 

Een sterk punt is het voorstel van de Commissie-Koops, om een expliciteringseis in het Wetboek van Strafvordering op te nemen. Deze houdt in dat bij een beslissing die is genomen naar aanleiding van de uitkomst van geautomatiseerde besluitvorming, waaronder de inzet van een predictive policing-methode of het instellen van de vervolging, uitdrukkelijk uitgelegd zal moeten worden hoe en waarom tot de strafvorderlijke beslissing is gekomen. Een zwakte is dat géén normering voorafgaand aan de inzet van data-analyses inhoudt, zodat het risico blijft bestaan dat begrippen als doelbinding, dataminimalisatie en subsidiariteit niet (voldoende) worden toegepast.

In het derde hoofdstuk is uiteengezet hoe het recht op eerbiediging van het privéleven van burgers en de bescherming van persoonsgegevens zich tot elkaar verhouden en hoe de bescherming van persoonsgegevens bij de geautomatiseerde verwerking, in het Europese recht geïntroduceerd met het Dataprotectieverdrag/Conventie 108, in de zaak-Amann/Zwitserland expliciet onder de reikwijdte van artikel 8 EVRM inzake het recht op eerbiediging van het privéleven van de burger is gebracht. Artikel 10 van de Nederlandse Grondwet heeft ten aanzien van het recht op eerbiediging van de privacy vooral een formele functie, in die zin dat overheidsinmenging slechts geoorloofd is als de bevoegdheid waarmee de inmenging wordt gemaakt, in een wet in formele zin is neergelegd. Voor de materiële rechtsbescherming van de privacy van burgers is artikel 8 EVRM van de grootste betekenis.

Concreet zijn de inzet van iColumbo en het gebruik van het iRN-netwerk voor Big Data-analyse voor strafvorderlijke doeleinden, getoetst aan artikel 10 van de Grondwet en de EHRM-criteria inzake het recht op eerbiediging van het privéleven van burgers. Ten aanzien van artikel 10 van de Grondwet is het voldoende dat de inzet van iColumbo en iRN worden gebaseerd op de Politiewet, de Wpg en Wjsg, omdat daarmee is voldaan aan de eis van een wettelijke grondslag in formele zin. 

Ten aanzien van artikel 8 EVRM zijn iColumbo en iRN onderworpen aan het toetsingskader van het EHRM inzake de beoordeling van overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven van burgers. Het eerste criterium houdt in, dathet overheidsoptreden met iColumbo en iRN een inmenging moet opleveren in het privéleven van de betrokkene. In de opvatting van het EHRM moet het privéleven zo worden uitgelegd, dat niet slechts het leven binnen de muren van de eigen woning of het leven binnen de eigen familie beschermd wordt door artikel 8 EVRM; de burger mag ook redelijkerwijs verwachten dat contacten die worden onderhouden in een werkomgeving en overige ‘buitenwereld’, onder de privésfeer vallen. Betoogd is dat het handelen van de burger in een internetomgeving, als een digitale plaats bestemd voor communicatie met de ‘buitenwereld’, onder de reikwijdte van het privéleven valt. Het privéleven van de burger wordt geraakt als iColumbo persoonlijke informatie over het leven van de burger via internet verzamelt en analyseert. iColumbo levert daarnaast een inmenging in het privéleven van de burger op, door het continue karakter (stelselmatige ‘dataveillance’) waarmee de data van de burger worden verzameld en geanalyseerd. 

Het tweede criterium van het EHRM-toetsingskader houdt in, dat inmenging geoorloofd is, mits het overheidsoptreden aan drie subcriteria voldoet: het overheidsoptreden moet gebaseerd zijn op een wettelijke basis, die toegankelijk is voor de burger en het overheidsoptreden moet voorzienbaar zijn. De wettelijke basis voor de inzet van iColumbo en iRN en de toegankelijkheid van de wet zijn niet problematisch. Voldoende is dat de inzet wordt gebaseerd op een wettelijke bepaling. Sinds de Politiewet, Wpg en Wjsg aan het strengere vereiste van een ‘wet in formele zin’ als bedoeld in artikel 10 van de Grondwet voldoen én deze wetten voor een ieder in Nederland toegankelijk zijn, is aan de eerste twee subcriteria voldaan. De voorzienbaarheid van de inzet van iColumbo en iRN levert een eerste probleem op. Het is voor burgers niet voorzienbaar welke categorieën van burgers kunnen worden geprofileerd met iColumbo, op grond van welke gedragingen de burger aan deze Big Data-analysemethoden kan worden onderworpen. 

De inmenging door het overheidsoptreden in het recht op eerbiediging van het privéleven van de burger hoeft geen schending van artikel 8 EVRM te betekenen. De inmenging is geoorloofd als wordt voldaan aan één van de legitimerende grondenvan artikel 8 lid 2 EVRM (waaronder de bescherming van de democratische samenleving) en de inmenging strikt noodzakelijk is voor het bereiken van dit legitieme doel. Het is onduidelijk, in hoeverre de inzet van iRN en iColumbo voldoet aan de eis van strikte noodzakelijkheid. Eén van de genoemde doelen van iRN is het verzamelen van gegevens van betrokkene die eventueel als strafvorderlijk bewijs kunnen dienen. De mogelijkheid om de democratische rechtsorde beter te beveiligen kan daarnaast worden vergroot door de uitvoering van stelselmatige data-analyses op grond van iColumbo en het iRN-netwerk. Niet is gebleken of gebruikers van deze methoden (opsporingsambtenaren) in overweging nemen dat het stelselmatig verzamelen, opslaan en analyseren van persoonsgegevens, zonder dat sprake is van een verdenking in de zin van artikel 27 Sv, strikt noodzakelijk is om de veiligheid in de democratische samenleving te waarborgen. 

Tot slot kunnen compenserende factoren maken dat een inbreuk op het privéleven vande burger geoorloofd moet worden geacht. De compensatie van de onmogelijkheid van de burger om zijn recht op eerbiediging van het privéleven ingevolge artikel 8 EVRM uit te oefenen, kent een aantal minimumvereisten. Zo dient in ieder geval onafhankelijk en effectief toezicht te bestaan. De Autoriteit Persoonsgegevens is belast met het toezicht op de naleving van de Wpg bij de inzet van iColumbo. De effectiviteit van het toezicht kan in het gedrang zijn komen bij Big Data-analyses. Bij de vergaande automatische analyse van persoonsgegevens in de Fietstas van iColumbo bestaat het risico op ontoereikend toezicht, zoals onderkend is door het EHRM. Dat risico heeft te maken met met het gebrek aan inzicht in de geautomatiseerde processen die plaatsvinden na de menselijke interventie, die ‘verdwijnt’ na het invoeren van de zoekopdracht in het netwerk iRN en pas weer terugkeert in de fase van de beoordeling van de resultaten van een volledig automatische analyse van de data van betrokkene. 

Op grond van de overwegingen tot dusver is mijn conclusie, dat de inzet van Big Data-analysemethoden zoals iColumbo en het netwerk iRN, op een aantal punten niet verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven van de burger als bedoeld in artikel 8 EVRM. Aan artikel 10 van de Grondwet is wel voldaan. De inzet van iColumbo en iRN doorstaat de EHRM-toets niet op het punt van de voorzienbaarheid, omdat het voor betrokkene onduidelijk en niet inzichtelijk is onder welke omstandigheden hij aan de instrumenten kan worden onderworpen. Onduidelijk is hoe de ‘fair balance’-test als bedoeld in S. en Marper/Verenigd Koninkrijk door de opsporingsinstanties concreet wordt toegepast.

Duidelijke, gedetailleerde regels omtrent de gedragingen van de burger die aanleiding kunnen geven tot de inzet van iColumbo, zouden de onmogelijkheid tot de uitoefening van het recht op eerbiediging van het privéleven kunnen compenseren, ware het niet dat dergelijke regels ontbreken. Het onafhankelijke toezicht op de inzet van data-analysemethoden als iColumbo komt in gevaar door het gebrek aan inzicht in volledig geautomatiseerde processen die plaatsvinden na de invoering van de zoekopdracht. Een ‘karaktertrek’ van Big Data-analyse bemoeilijkt zoals gezegd de proportionaliteit en subsidiariteit van het onderzoek: het doel van data-analyse kan gelegen zijn in het zoveel mogelijk en ongericht verzamelen van gegevens.[1] Het doelbindingsprincipe als onderdeel van de proportionaliteit komt op losse schroeven te staan door het formuleren van nieuwe doeleinden voor hergebruik van data.[2] Onder 4.2 zet ik uiteen hoe de overheid bij de toepassing van methoden voor Big Data-analyse, waaronder iColumbo, kan voldoen aan de eisen die het EHRM stelt aan het overheidsoptreden.


[1] WRR, Big Data in een vrije en veilige samenleving, Den Haag/Amsterdam 2016, p. 106 en 109.
[2] WRR, Big Data in een vrije en veilige samenleving, Den Haag/Amsterdam 2016, p. 108-109.

vrijdag 12 juli 2019

1 Predictive policing in de strafrechtelijke praktijk


1.4 Predictive Policing
Algoritmen construeren uit de analyse van Big Data (waaronder historische gegevens over gepleegde delicten, tijdstippen, locaties en slachtoffers)[1] patronen, op grond waarvan formules kunnen worden ontwikkeld die weergeven hoe groot de kans op een bepaald type delict op een bepaalde locatie is.[2] In de evaluatie van de Nederlandse pilot Criminaliteits Anticipatie Systeem (CAS) wordt predictive policing nadrukkelijk niet getypeerd als een voorspeller, maar als een risicotaxatiemiddel.[3] Het taxeren van het risico op incidentie van delicten heeft tot doel om de inzet van een bepaalde strategie ter preventie van misdrijven te ondersteunen of om aanhoudingen op heterdaad te bespoedigen.[4] Het National Intelligence Model voor een landelijk informatiegestuurde politie is overigens sinds 2008 een vast begrip, waarbij CAS als voornaamste succes wordt geciteerd.[5]
De gemene deler van alle predictive policing-instrumenten is dat zij draaien op (Big) Data-analyse en daarbij gebruikmaken van een digitaal warenhuis voor opslag en verversing van data. De data in dit Warehouse dienen als referentiepunt om patronen te kunnen vormen met nieuwe data.
Eerder heb ik aangegeven dat een onderzoek naar de oorzaak van een bepaald resultaat, of het causaal verband tussen oorzaak en gevolg, buiten beschouwing blijft bij de inzet van een door algoritmen gedreven analyse. Opmerkelijk zijn enkele praktijksituaties die zich voor hebben gedaan als gevolg van het kritiekloos op predictive policing-systemen leunen. Zo werden bij gebreke van actuele informatie over de omgeving, viswinkels als trekpleisters voor crimineel gedrag aangewezen[6] en door onvoldoende variabelen toe te voegen aan het systeem is een vrouw met medicijnen voor haar hondje als drugsrunner uit een heroïnedetectiesysteem gerold.[7] Deze beperkingen van actuele predictive policing-systemen worden in de evaluatie van de landelijke pilot onderkend, waarbij het belang van de menselijke waarneming wordt benadrukt. De aanbeveling in de pilotevaluatie is dat geautomatiseerde predictive policing wordt verrijkt met het ‘Wandelgangeninformatiesysteem’, de kennis uit de dagelijkse praktijk van menselijke interventies door opsporingsambtenaren. Gepleegde interventies, inclusief resultaten, moeten als variabelen worden toegevoegd aan het predictive policing-instrument.[8]

1.4.1 PredPol
In 2008 is korpschef Bratton van de Los Angeles Police Department een samenwerkingsverband aangegaan met Jeffrey Brantingham, onderzoeker aan de Californische Universiteit, met het doel het statistiekprogramma COMPSTAT te gebruiken voor het doen van voorspellingen over de kans dat bepaalde misdrijven zich op een bepaalde plaats en tijd voordoen (‘de kans op criminaliteit’ is geen accurate term, want te aspecifiek).[9] Het resultaat van dit samenwerkingsverband is het systeem PredPol. PredPol dient ertoe om de politiecapaciteit zo efficiënt en effectief mogelijk te benutten, door te anticiperen op mogelijke delicten.[10] PredPol analyseert historische gegevens over inbraken en projecteert vervolgens op een landkaart op welke locaties (coördinaten) de kans op prevalentie van misdrijven het hoogst is.[11] Volgens de evaluatie van de Nederlandse landelijke pilot ‘Predictive Policing’ draait PredPol op een ontoereikend systeem, omdat PredPol alleen zogeheten ‘near-repeat-gegevens’[12] gebruikt: locaties en tijd van vorige inbraken. Door deze beperking is het beeld ontstaan dat PredPol niet meer voorstelt dan het handmatig inkleuren van vakjes op een landkaart waar de meeste inbraken hebben plaatsgevonden; dat PredPol nog in gebruik is, zou vooral komen door het gebruiksgemak van een dergelijk weinig complex systeem.[13] In een aanbeveling om PredPol te verbeteren, wordt in de Nederlandse pilotevaluatie gewezen op het belang van het meewegen van geografische data (waaronder uitvalswegen), omgevingsfactoren (aanwezigheid straatverlichting), demografische en economische data in de analyse.[14]

1.4.2 Criminaliteits Anticipatie Systeem (CAS)
Een Nederlandse vinding is het Amsterdamse CAS[15], ontworpen door dataminer Willems.[16] CAS dient het risico op de incidentie van high impact crimes, zoals woninginbraken, straatroven en overvallen te voorspellen.[17] Een belangrijk doel van CAS is het bewerkstelligen van prescriptive policing, het vinden van de meest geschikte strategie om opsporingsambtenaren en middelen efficiënt in te zetten ter preventie van delicten of om delicten op heterdaad te ontdekken (artikel 128 Sv) in het kader van de handhaving van de openbare orde. CAS verdeelt een gebied in vlakken van 125 bij 125 meter en verwijdert weilanden en open water van de kaart, omdat het risico op delictsincidentie op deze locaties laag wordt ingeschat. Na deze verwijdering worden data van ieder deelgebied verzameld: historische gegevens over gepleegde delicten, afstanden tot bij de politie bekende verdachten, uitvalswegen, soorten bedrijven bekend bij de politie en sociaal-economische gegevens die worden betrokken van het Centraal Bureau voor de Statistiek.[18] 

CAS maakt gebruik van een Warehouse, een database met historische gegevens die regelmatig wordt ververst. Algoritmen die door feedback zijn getraind, leggen per vlak van 125 bij 125 meter patronen tussen peilmomenten tot drie jaar terug en peilmomenten tot een halfjaar terug.[19] De algoritmen kunnen een formule met een voorspelling van delictsincidentie op een bepaalde locatie geven. Vervolgens krijgen de algoritmen informatie aangevoerd over de daadwerkelijke prevalentie van delicten op de gegeven locatie. Met deze feedback worden de algoritmen getraind om fouten op te sporen en verbeteringen aan te brengen. CAS geeft voor twee weken een risicotaxatie weer in ‘heat maps’, locaties waar de hoogste delictsincidentie wordt verwacht.[20] Anders dan het eenvoudige PredPol, dat slechts historische gegevens over data en locaties van inbraken gebruikt om te taxeren, werkt CAS met data uit een variatie aan bronnen. 
De politiekorpsen hebben CAS in de praktijk verrijkt, zoals blijkt uit de pilotevaluatie. Adressen, aangiften, gegevens over gestolen goederen, getuigenissen en signalementen worden aan CAS gekoppeld door het systeem Cognos. Over de werking van Cognos geeft de pilotstudie geen uitleg, maar via een drie jaar oude vacature op Linkedin verneem ik dat het om IBM Cognos gaat, een systeem dat gebruikmaakt van een Warehouse met nieuw te ontsluiten databronnen.[21] Het verdient opmerking dat een van de onderzoekers die de pilotevaluatie voor de Politieacademie heeft geschreven, de aanbeveling doet dat ook particulieren in predictive policing worden betrokken. Het is volgens hem de bedoeling dat particuliere beveiligingsbedrijven een bijdrage leveren aan het toezicht, het analyseren en verrijken van data. Daarbij zouden prognoses uit CAS moeten worden gedeeld met particulieren. Welke informatie precies gedeeld zal worden met particulieren en hoe een eventuele verspreiding van persoonsgegevens voorkomen of beperkt zal worden, is niet bekend.[22]

1.5 Deelconclusie
Over de verschillende begrippen die nauw samenhangen met Big Data-analyses en predictive policing voor strafvorderlijke doeleinden is uitleg gegeven: het fenomeen Big Data, de inzet van dataminingtechnieken om patronen in data te ontdekken, predictive policing en belangrijke predictive policing-instrumenten die in de strafrechtspraktijk worden toegepast, PredPol en CAS. De essentie van Big Data-analyses en predictive policing binnen het strafrecht is gelegen in het verhogen van de efficiëntie van de inzet van opsporingsambtenaren om idealiter delicten te voorkomen of op heterdaad te ontdekken (artikel 128 Sv) en in het vergaren van bewijs ten behoeve van de strafvordering. Hansken is een voorbeeld van een data-analysetechniek die wordt ingezet om strafvorderlijk bewijs te verzamelen. Ook iColumbo kan worden ingezet voor de strafrechtelijke bewijsgaring. 

In hoofdstuk 2 ga ik in op de nationale wettelijke grondslagen voor de inzet van Big Data-analyses. In het navolgende zal in overweging worden genomen wat in dit hoofdstuk duidelijk is geworden over Big Data-analyses voor strafvorderlijke doeleinden: datamininginstrumenten, bijvoorbeeld crawlers die het internet afspeuren, worden continu ingezet om data van betrokkenen in een Warehouse op te slaan; in iColumbo wordt gericht naar gegevens over bepaalde personen gezocht, waarbij relaties met derden in kaart worden gebracht; bovendien worden persoonsgegevens in de digitale database, het Warehouse, voor onbekende duur bewaard.


[1] R. Rienks, ‘Predictive Policing. Kansen voor een veiligere toekomst’, Politieacademie 2015, p. 18-20.
[2] A.R. Lodder en M.D. Schuilenburg, ‘Politie-webcrawlers en Predictive policing’, Computerrecht 2016/81-3, p. 153.
[3] B. Mali, C. Bronkhorst-Giesen, M. den Hengst, ‘Predictive policing: lessen voor de toekomst. Een evaluatie van de landelijke pilot’ (2017), p. 60.
[4] D. Willems en R. Doeleman, ‘Predictive Policing- wens of werkelijkheid?’, Tijdschrift voor de Politie 2014/76-4/5, p. 40; B. Mali, C. Bronkhorst-Giesen, M. den Hengst, ‘Predictive policing: lessen voor de toekomst. Een evaluatie van de landelijke pilot’ (2017), p. 67.
[5] S. den Hengst en I. Walraven, ‘Datagovernance bij de Rijksoverheid’, RADIO-Module 2 oktober 2018, presentatie via https://www.it-academieoverheid.nl/documenten/presentaties/2018/10/02/presentatie-politie-over-data-governance-bij-de-rijksoverheid.
[6] B. Mali, C. Bronkhorst-Giesen, M. den Hengst, ‘Predictive policing: lessen voor de toekomst. Een evaluatie van de landelijke pilot’ (2017), p. 68.
[7] R. Rienks, ‘Predictive Policing. Kansen voor een veiligere toekomst’, Politieacademie 2015, p. 48.
[8] B. Mali, C. Bronkhorst-Giesen, M. den Hengst, ‘Predictive policing: lessen voor de toekomst. Een evaluatie van de landelijke pilot’ (2017), p. 68 en 74.
[9] S. Smit, A. de Vries, R. van der Kleij, H. van Vliet, ‘Van predictive naar prescriptive policing: verder dan vakjes voorspellen’, (TNO) 2016, p. 15; vgl. https://www.predpol.com/about/ (geraadpleegd op 21 mei 2019).
[10] D. Willems en R. Doeleman, ‘Predictive Policing- wens of werkelijkheid?’, Tijdschrift voor de Politie 2014/76-4/5, p. 40-41.
[11] S. Smit, A. de Vries, R. van der Kleij, H. van Vliet, ‘Van predictive naar prescriptive policing: verder dan vakjes voorspellen’, (TNO) 2016, p. 16-17.
[12] A. de Vries en S. Smit, ‘Predictive policing: politiewerk aan de hand van voorspellingen’, Justitiële Verkenningen 2016/42-3, p. 10.
[13] S. Smit, A. de Vries, R. van der Kleij, H. van Vliet, ‘Van predictive naar prescriptive policing: verder dan vakjes voorspellen’, (TNO) 2016, p. 14 en 28.
[14] B. Mali, C. Bronkhorst-Giesen, M. den Hengst, ‘Predictive policing: lessen voor de toekomst. Een evaluatie van de landelijke pilot’ (2017), p. 66.
[15] ‘Criminaliteits Anticipatie Systeem verder uitgerold bij Nationale Politie’, Politie, 16 mei 2017, via https://www.politie.nl/nieuws/2017/mei/15/05-cas.html (laatstelijk geraadpleegd op 18 mei 2019).
[16] D. Willems en R. Doeleman, ‘Predictive Policing- wens of werkelijkheid?’, Tijdschrift voor de Politie 2014/76-4/5, p. 39.
[17] A. de Vries, ‘Predictive policing: een overzicht’, 25 april 2016, via https://socialmediadna.nl/predictive-policing-overzicht/ (laatstelijk geraadpleegd op 19 mei 2019).
[18] D. Willems en R. Doeleman, ‘Predictive Policing- wens of werkelijkheid?’, Tijdschrift voor de Politie 2014/76-4/5, p. 41.
[19] B. Mali, C. Bronkhorst-Giesen, M. den Hengst, ‘Predictive policing: lessen voor de toekomst. Een evaluatie van de landelijke pilot’ (2017), p. 93.
[20] D. Willems en R. Doeleman, ‘Predictive Policing- wens of werkelijkheid?’, Tijdschrift voor de Politie 2014/76-4/5, p. 41.
[21] ‘Politie zoekt senior Cognos developer’, Linkedin, mei 2016, via https://nl.linkedin.com/jobs/view/senior-cognos-developer-at-politie-ict-132384637 (geraadpleegd op 22 mei 2019).
[22] ‘Predictive Policing: niet alleen een zaak van de politie’, Security Management 2017/9, p. 28-31.