Posts tonen met het label internationaal privaatrecht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label internationaal privaatrecht. Alle posts tonen

woensdag 7 februari 2018

European Account Preservation Order (EAPO). Grensoverschrijdend conservatoir bankbeslag

Overzicht
1. Inleiding: toepassingsgebied EAPO;
2. Procedure voor het verkrijgen van het bevel tot grensoverschrijdend conservatoir beslag;
3. Erkenning, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging

1. Inleiding
Verordening (EU) nr. 655/2014 tot vaststelling procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken, "EAPO" of "Verordening Europees bankbeslag", uniformeert een procedure waarmee een schuldeiser een Europees bevel tot conservatoir bankbeslag kan verkrijgen, waarmee wordt verhinderd dat de schuldenaar tegoeden op een door of namens hem in een lidstaat aangehouden bankrekening verplaatst of onttrekt (art. 1 lid 1 EAPO). De EAPO is een alternatief voor conservatoire maatregelen uit hoofde van nationaal recht (art. 1 lid 2 EAPO).

Het formele toepassingsgebied wordt bestreken door art. 3 EAPO. Een zaak is voor de toepassing van de Verordening grensoverschrijdend, indien de bankrekening waarop het bevel betrekking heeft, wordt aangehouden in een andere lidstaat dan:
a. de lidstaat van het gerecht waarbij het verzoek om het bevel tot conservatoir beslag overeenkomstig art. 6 EAPO is ingediend; of
b. de lidstaat waar de schuldenaar zijn woonplaats heeft.

2. Procedure voor het verkrijgen van een bevel tot conservatoir beslag
De schuldeiser kan een bevel tot conservatoir beslag verkrijgen (art. 5 EAPO):
a. vóór of tijdens elke fase van een door hem in een lidstaat tegen de schuldenaar ingestelde bodemprocedure, zolang geen rechterlijke beslissing is gegeven of geen gerechtelijke schikking is goedgekeurd of getroffen;
b. nadat hij in een lidstaat een rechterlijke beslissing heeft gekregen op grond waarvan de schuldenaar de vordering moet voldoen.

Het onderscheid tussen de reeds verkregen rechterlijke beslissing en nog niet verkregen rechterlijke beslissing (art. 5 EAPO) is relevant voor de rechterlijke competentie, zo volgt uit art. 6 EAPO.
Heeft de schuldeiser nog géén rechterlijke beslissing verkregen, dan zijn de gerechten van de lidstaat die overeenkomstig de toepasselijke regels bevoegd zijn om van het bodemgeschil kennis te nemen, tevens bevoegd tot de uitvaardiging van het bevel tot conservatoir beslag (art. 6 lid 1 EAPO). Op lid 1 van art. 6 EAPO wordt een uitzondering gemaakt in het kader van beschermende bepalingen: is de schuldenaar een consument die een overeenkomst met de schuldeiser heeft gesloten voor niet-bedrijfs- of beroepsmatige doeleinden, dan zijn de gerechten van de lidstaat waar de schuldenaar zijn woonplaats heeft, bij uitsluiting bevoegd (art. 6 lid 2 EAPO). Zie ook punt 13 van de preambule over het vereiste van voldoende connexiteit tussen de bodemprocedure en de uitvaardiging van het bevel tot conservatoir beslag.

Heeft de schuldeiser wél een rechterlijke beslissing verkregen, dan zijn de gerechten van de lidstaat waar de beslissing is gegeven, bevoegd tot het uitvaardigen van het bevel tot conservatoir beslag, betreffende de in de beslissing bedoelde vordering (art. 6 lid 3 EAPO). Een authentieke akte, tenslotte, wijst de gerechten in de lidstaat waar de akte is opgesteld aan als zijnde bevoegd tot de uitvaardiging van het bevel tot conservatoir beslag (art. 6 lid 4 EAPO).

Het bevel mag slechts worden uitgevaardigd onder voorwaarden die een juist evenwicht bewerkstelligen tussen het belang van de schuldeiser dat hij een bevel verkrijgt en het belang van de schuldenaar dat het bevel niet wordt misbruikt. Derhalve moet de schuldeiser, indien hij het bevel verzoekt vóórdat de rechterlijke beslissing is verkregen, kunnen aantonen dat hij in de bodemprocedure tegen de schuldenaar waarschijnlijk zal winnen (art. 7 lid 2 EAPO, als uitwerking van punt 14 van de preambule). In alle gevallen, ook als de rechterlijke beslissing is verkregen, zal de schuldeiser het gerecht moeten overtuigen van de behoefte aan dringende bescherming van de vordering én van het reële risico dat de schuldenaar de vermogensbestanddelen zal onttrekken (art. 7 lid 1 EAPO). Onder punt 14 van de preambule worden voorbeelden van bewijsmateriaal aangereikt. De overlegging van het bewijsmateriaal geschiedt volgens het nationale recht (art. 9 lid 1 EAPO).

Niet-contradictoire procedure (ex parte) en rechtswaarborgen voor de schuldenaar
De procedure tot verkrijging van het bevel tot conservatoir beslag is niet-contradictoir (art. 11 EAPO), uiteraard om het verrassingseffect te sorteren (punt 15 preambule). De procedure is daarom met een aantal rechtswaarborgen ten behoeve van de schuldenaar omkleed. Ten eerste: als het bewijsmateriaal het gerecht er niet van kan overtuigen dat het beslag gerechtvaardigd is, mag het bevel niet worden uitgevaardigd (punt 15 preambule, laatste volzin). Ten tweede: is de bodemprocedure nog niet ingesteld, dan moet de schuldeiser binnen uiterlijk binnen dertig dagen nadat hij het verzoek tot het bevel heeft ingediend, of, indien dit later is, uiterlijk binnen veertien dagen na uitvaardiging van het bevel, de bodemprocedure instellen (art. 10 lid 1 EAPO), zulks op straffe van intrekking van het beslagbevel (art. 10 lid 2 EAPO; vgl. punt 16 preambule).

Ten derde wordt op grond van punt 17 en 18 van de preambule zekerheidstelling vereist, indien nog geen rechterlijke beslissing is gegeven (art. 12 lid 1 EAPO). Voorts wordt, vanuit het oogpunt van een passend evenwicht tussen de belangen van de schuldeiser en schuldenaar (punt 19 preambule), de schuldeiser aansprakelijk gesteld voor schade die te wijten is aan de schuldeiser (art. 13 lid 1 EAPO). In art. 13 lid 2 onder a-d EAPO wordt aangegeven in welke gevallen de schuldeiser wordt verondersteld aansprakelijk te zijn, behoudens door hem te leveren tegenbewijs. De aansprakelijkheid wordt beheerst door nationaal recht (art. 13 lid 3 EAPO) en wel het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging (art. 13 lid 4 EAPO). Het gerecht kan bovendien, met inachtneming van het ex parte karakter van de procedure, trachten om op andere wijzen bewijsmateriaal te verkrijgen (art. 9 lid 2 EAPO).

Géén parallelle verzoeken mogelijk
Overigens moet worden vermeld dat de schuldeiser niet, ten behoeve van een zo groot mogelijke verzekering tegen het verduisteren van vermogensbestanddelen, bij verschillende gerechten van verschillende lidstaten parallelle verzoeken tot afgifte van beslagbevelen in kan dienen. De EAPO maakt met een dergelijke strategie korte metten (art. 16 EAPO). Naar Nederlands recht dienen reeds ingediende verzoeken tot het conservatoir beslagverlof te worden vermeld (zie de meest recente Beslagsyllabus). In art. 16 leden 2-4 EAPO zijn gelijke bepalingen opgenomen.

Beslissing over het verzoek tot uitvaardiging van het conservatoir beslagbevel
Het gerecht waar het verzoek om het bevel is ingediend, onderzoekt of aan de in de EAPO gestelde voorwaarden is voldaan (art. 17 lid 1 EAPO). Het gerecht moet onverwijld beslissen over het verzoek (art. 17 lid 2 EAPO); uiterlijk op de tiende werkdag nadat de schuldeiser die nog géén rechterlijke beslissing heeft verkregen, het verzoek heeft ingediend of aangevuld (art. 18 lid 1 EAPO). Heeft de schuldeiser wel reeds een rechterlijke beslissing verkregen, dan beslist het gerecht uiterlijk op de vijfde werkdag nadat het verzoek tot het verkrijgen van beslagverlof is ingediend (art. 18 lid 2 EAPO).

Beroepsmogelijkheid tegen weigering uitvaardiging van het bevel
De schuldeiser kan hoger beroep instellen tegen iedere beslissing van het gerecht waarbij het verzoek om het bevel geheel of ten dele is afgewezen (art. 21 lid 1 EAPO). Het beroep moet worden ingesteld binnen dertig dagen, bij het door de betrokken lidstaat overeenkomstig art. 50 lid 1 onder d EAPO, aan de Commissie gemeld gerecht (art. 21 lid 2 EAPO). Is het verzoek geheel afgewezen, dan wordt het beroep overeenkomstig art. 11 EAPO ex parte behandeld (art. 21 lid 3 EAPO).

3. Erkenning, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging
Een in een lidstaat uitgevaardigd bevel tot conservatoir beslag wordt in andere lidstaten zonder speciale procedure erkend en is zonder exequatur uitvoerbaar (art. 22 EAPO). De tenuitvoerlegging geschiedt volgens de procedures die gelden voor de tenuitvoerlegging van gelijkwaardige nationale bevelen (beslagverloven) (art. 23 lid 1 EAPO). Het bevel tot conservatoir beslag heeft dezelfde rangorde als gelijkwaardige nationale bevelen in de lidstaat van uitvoering (art. 32 EAPO).

De bank dient na ontvangst van het beslagbevel onverwijld aan het bevel uitvoering te geven (art. 24 lid 1 EAPO). Behoudens art. 31 EAPO (niet voor conservatoir beslag vatbare bedragen) houdt dit in, dat de bank (art. 24 lid 2 EAPO) verplicht is:
a. te verhinderen dat het in het bevel bepaalde bedrag van de vermelde rekening naar een andere rekening wordt overgeboekt of wordt opgenomen; of
b. indien het nationaal recht daarin voorziet, het vermelde bedrag over te maken op een daartoe aangewezen rekening.

Vóór het einde van de derde werkdag na de uitvoering van het bevel, dient de bank de derdenverklaring af te leggen (art. 25 lid 1 EAPO). Kan de bank in een uitzonderlijk geval de verklaring niet binnen drie dagen afleggen, dan dient zij de verklaring uiterlijk op de achtste werkdag na uitvoering van het bevel af te leggen.

Voldoet de bank niet aan haar verplichtingen, dan kan zij volgens het nationale recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging (art. 26 EAPO). Naar Nederlands recht kan de derdenverklaring in het geval van conservatoir beslag niet in een verklaringsprocedure worden afgedwongen (art. 477a lid 2 Rv), zie mijn eerdere bericht over executoriaal en conservatoir derdenbeslag.

Uiterlijk op de derde werkdag, volgend op de dag van de ontvangst van de bankverklaring als bedoeld in art. 25 EAPO, moeten het beslagbevel, de bankverklaring en overige stukken worden betekend of op andere wijze bekendgemaakt aan de schuldenaar (art. 28 EAPO).

EAPO: European Account Preservation Order
Procedure verkrijging en tenuitvoerlegging EAPO

vrijdag 2 februari 2018

Het toepasselijke recht op de internationale onrechtmatige daad: Rome II

Overzicht 
1.       Materieel en formeel toepassingsgebied Rome II;
2.       Algemene regel: lex loci damni;
2.1.    Uitzonderingen op de hoofdregel;
2.1.1. Gewone verblijfplaats beide partijen in hetzelfde land;
2.1.2. Nauwere band;
3.       Rechtskeuze door partijen;
4.       Bijzondere regimes onder Rome II;
4.1.    Productaansprakelijkheid (art. 5 Rome II);
4.2.    Oneerlijke concurrentie en kartelvorming (art. 6 Rome II);
4.3.    Milieuschade (art. 7 Rome II)

1. Materieel en formeel toepassingsgebied Rome II
Verordening (EG) nr. 864/2007, Rome II is van toepassing op niet-contractuele verbintenissen in burgerlijke en handelszaken (art. 1 Rome II). Uitgezonderd zijn niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit het familierecht, huwelijksvermogensrecht, trusts, wisselbrieven, orders en cheques (art. 1 lid 2 onder a-g Rome II).

Hoewel Rome II in beginsel niet van toepassing is op vorderingen uit onrechtmatige daad wegens een inbreuk op de persoonlijkheidsrechten (art. 1 lid 2 sub g Rome II), wordt Rome II naar Nederlands recht langs de weg van art. 10:159 BW van overeenkomstige toepassing verklaard. In smaadzaken kan de benadeelde dus een vordering instellen op grond van art. 4 Rome II (vgl. HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1054 (X/Dahabshiil Transfer Ltd.)), waarover later meer.

Het formele toepassingsgebied van Rome II blijkt uit art. 3: Rome II heeft een universeel karakter. Het recht dat door Rome II wordt aangewezen is van toepassing, ongeacht of dit het recht is van een EU-lidstaat.

Toepassing van het door Rome II aangewezen recht kan terzijde worden gesteld, indien deze toepassing in strijd is met de openbare orde van het land van de aangezochte rechter (art. 26 Rome II). 

Let bij de toepassing van Rome II op samenloop met andere internationale overeenkomsten. Op grond van art. 28 lid 1 Rome II jo. art. 10:158 BW hebben de "Haagse Verdragen", het Haags Verkeersongevallenverdrag (4 mei 1971) en Haags Productaansprakelijkheidsverdrag (2 oktober 1973), voorrang op Rome II. 

2. Algemene regel: lex loci damni
Zoals uiteengezet in een eerder bericht, speelt ten aanzien van de internationale rechterlijke bevoegdheid, het onderscheid tussen Handlungsort en Erfolgsort een relevante rol. Onder Brussel I-Bis worden aan de benadeelde alternatieve fora geboden (art. 7 lid 2 Brussel I-Bis). Het slachtoffer kan bij de gerechten van de Handlungsorte een vordering tot volledige schadevergoeding indienen en bij de gerechten van de Erfolgsorte een vordering tot vergoeding, beperkt tot de schade die is veroorzaakt op het grondgebied van de aangezochte rechter.

Bij de vraag naar het toepasselijke recht op de onrechtmatige daad (Rome II) is slechts het land waar de schade intreedt relevant. Het recht dat van toepassing is op de onrechtmatige daad, is het recht van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht het Handlungsort (art. 4 lid 1 Rome II). De landen waar zich de indirecte gevolgen van de gebeurtenis voordoen, zijn irrelevant. Het uitgangspunt is dus lex loci damni. De lex loci delicti commissi (vgl. "Handlungsort" bij de alternatieve forumkeuze) wordt met zoveel woorden van de hand gewezen in punt 15 van de preambule bij Rome II. Zijn de elementen van de onrechtmatige daad verspreid over meerdere lidstaten, dan leidt lex loci delicti commissi tot rechtsonzekerheid.

Het voorkomen van divergentie is niet het enige argument om lex loci damni als hoofdregel te voeren. De voorspelbaarheid van rechterlijke uitspraken en een redelijk evenwicht tussen de belangen van de aansprakelijkgestelde en de benadeelde dienen te worden bevorderd onder Rome II (punt 16 preambule Rome II). Opvallend is dat benoemd wordt, dat moderne opvattingen van het aansprakelijkheidsrecht en de ontwikkeling van stelsels van risicoaansprakelijkheid ertoe nopen om aanknoping te zoeken met het land waar de directe schade zich heeft voorgedaan.

Bij gebrek aan uitlegregels over de "indirecte gevolgen" is punt 17 van de preambule bij Rome II wat lastiger te doorgronden.  'In geval van letselschade en vermogensschade moet het land waar het letsel of de materiële schade is opgelopen, gelden als het land waar de schade zich voordoet'. Deze regel laat zich interpreteren als 'de locus damni is de plaats waar de directe letselschade of materiële schade zich voordoet'.  Daarmee is nog niets gezegd over uitsluitend vermogensrechtelijke schade.

2.1. Uitzonderingen op de hoofdregel
2.1.1. Gewone verblijfplaats beide partijen in hetzelfde land
Indien degene die aansprakelijk wordt gesteld en degene die schade lijdt, hun gewone verblijfplaats in hetzelfde land hebben op het tijdstip van het schadevoorval, dan is het recht van dat land van toepassing (art. 4 lid 2 Rome II). Lex loci damni wordt terzijde gesteld. Het recht van het Erfolgsort kan dus van toepassing worden verklaard. De plaats van de hoofdvestiging van een vennootschap of rechtspersoon wordt gelijkgesteld met de gewone verblijfplaats (art. 23 Rome II).

2.1.2. Nauwere band
Zoals uit punt 18 van de preambule blijkt, moet art. 4 lid 3 Rome II als een ontsnappingsclausule ten opzichte van art. 4 leden 1 en 2 Rome II worden opgevat, zo uit alle omstandigheden van het geval blijkt dat de onrechtmatige daad kennelijk een nauwere band heeft met een andere lidstaat dan de locus damni of de gemeenschappelijke verblijfplaats van partijen.

Een nauwere band met een ander land zou met name kunnen berusten op een reeds bestaande, nauw met de onrechtmatige daad samenhangende betrekking tussen partijen, zoals een overeenkomst (tweede volzin van art. 4 lid 3 Rome II).

3. Rechtskeuze door partijen
Partijen kunnen overeenkomen om niet-contractuele verbintenissen aan het door hen gekozen recht te onderwerpen (art. 14 Rome II). De overeenkomst kan worden gesloten nadat de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan (art. 14 lid 1 sub a Rome II). De mogelijkheid tot het maken van de rechtskeuze is beperkt tot na het schadevoorval, om zwakke partijen te beschermen (preambule punt 31).

Indien elk van de partijen handelsactiviteiten verricht, kan de rechtskeuzeovereenkomst worden gesloten vóórdat de schadeveroorzakende gebeurtenis zich voordoet (art. 14 lid 1 sub b Rome II).
De keuze dient uitdrukkelijk te geschieden of voldoende duidelijk te blijken uit de omstandigheden van het geval (vgl. art. 3 lid 1 Rome I en (HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1523 (Rasheed Bank/Solvochem-Holland)).

Net als onder Rome I geldt: de rechtskeuze derogeert niet aan dwingende regels van nationaal en Gemeenschapsrecht (art. 14 leden 2 en 3 Rome II). Bovendien kan de rechtskeuze niet derogeren aan bijzonder dwingend recht, de zogenaamde "voorrangsregels" (art. 16 Rome II).

De geldigheid van de overeenkomst wordt beheerst door de regels van het gekozen recht (vgl. art. 3 lid 5 jo. 10 lid 1 Rome I).

Van het recht dat krachtens art. 6 op de oneerlijke concurrentie en beperking van de vrije concurrentie van toepassing is, kan niet worden afgeweken (art. 6 lid 4 Rome II). Evenmin bestaat rechtskeuzevrijheid ten aanzien van inbreuken op IE-rechten (art. 8 lid 3 Rome II).

4. Bijzondere regimes onder Rome II
4.1. Productaansprakelijkheid (art. 5 Rome II)
Hebben de aansprakelijkgestelde en de benadeelde hun gewone verblijfplaats in hetzelfde land, dan geldt de algemene uitzondering van art. 4 lid 2 Rome II, namelijk dat het recht van het land van het gemeenschappelijk verblijf van toepassing is (art. 5 lid 1 Rome II, aanhef).
In de overige gevallen wordt de niet-contractuele verbintenis (onrechtmatige daad) die voortvloeit uit de door een product veroorzaakte schade, beheerst door:
a. primair: het recht van het land waar de benadeelde op het tijdstip waarop de schade zich voordeed, zijn gewone verblijfplaats had, indien het product in dat land op de markt is gebracht (art. 5 lid 1 sub a Rome II);
b. subsidiair: het recht van het land waar het product is verkregen, gesteld dat het product in dat land op de markt is gebracht (art. 5 lid 1 sub b Rome II);
c. subsidiair: het recht van het land waar de schade zich heeft voorgedaan, indien het product in dat land op de markt is gebracht (art. 5 lid 1 sub c Rome II).

Voor toepassing van a-c is beslissend of de producent in alle redelijkheid heeft kunnen voorzien dat het product, of een soortgelijk product, in de bedoelde landen op de markt zou worden gebracht. Is dat niet het geval, dan is het recht van het land waar de producent zijn gewone verblijfplaats heeft van toepassing.

Ook art. 5 Rome II kent, evenals art. 4 lid 3 Rome II, de "kennelijk nauwere band met (het recht van) een ander land" als ontsnappingsclausule (art. 5 lid 2 Rome II).

Let op! Via art. 28 lid 1 Rome II heeft het Haags Productaansprakelijkheidsverdrag voorrang op de bijzondere bepaling van art. 5 Rome II. Controleer bij een voorgelegde zaak of de lex fori naar het verdragsrecht verwijst. Naar de Haagse Verdragen wordt in het Nederlands recht expliciet verwezen in art. 10:158 BW.

4.2. Oneerlijke concurrentie en kartelvorming (art. 6 Rome II)
Uit punt 21 van de preambule blijkt, dat de bijzondere regel van art. 6 niet gelezen moet worden als een uitzondering op de algemene regel in art. 4 lid 1, maar juist als een verduidelijking. Het goed functioneren van de markteconomie is de doelstelling, die dient te worden bereikt door aanknoping bij het recht van het land waar de concurrentieverhoudingen en collectieve belangen (dreigen te) worden aangetast. Een en ander heeft gevolgen voor het verwijzingsregime van art. 4 en 6 Rome II:

a. de onrechtmatige daad die voortvloeit uit oneerlijke concurrentie, wordt beheerst door het recht van het land waar de concurrentieverhoudingen of de collectieve belangen van consumenten worden geschaad of dreigen te worden geschaad (art. 6 lid 1 Rome II);
b. ontbreekt het collectieve element, dus worden slechts de belangen van één bepaalde concurrent geschaad, dan is de algemene regel van art. 4 Rome II van toepassing (art. 6 lid 2 Rome II).

Onder daden die de mededinging beperken (art. 6 lid 3 Rome II) moeten worden verstaan, inbreuken op nationale en communautaire mededingingsregels (punt 22 van de preambule). Het van toepassing zijnde recht is het recht van het land waar de markt wordt of waarschijnlijk wordt beïnvloed (art. 6 lid 3 sub a Rome II).
Wanneer de markt beïnvloed wordt in meer dan één land, mag de persoon zijn vordering tot schadevergoeding gronden op het recht van de woonplaats van de verweerder. Voorwaarde is dat de markt in die lidstaat een van de markten is die rechtstreeks en aanzienlijk wordt beïnvloed door de beperking van de mededinging (art. 6 lid 3 sub b Rome II).

Zijn er meerdere verweerders die beweerlijk de mededinging beperken, dan kan de eiser zijn vordering slechts gronden op het recht van de lidstaat van het aangezochte gerecht, indien de beperking van de mededinging door elk van de verweerders, ook de markt van de lidstaat van het aangezochte gerecht rechtstreeks een aanzienlijk beïnvloed (art. 6 lid 3 sub b Rome II, laatste volzin).

4.3. Milieuschade (art. 7 Rome II)
Het hoge beschermingsniveau van art. 191 VWEU berust op een aantal beginselen in de bestrijding van milieuschade: het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantasting bij voorrang aan de bron wordt aangepakt en het beginsel dat de vervuiler betaalt. Hieruit volgt onder Rome II het beginsel dat de persoon die schade lijdt, voorrang krijgt (preambule punt 25 Rome II).

Het uitgangspunt is dat de lex loci damni (art. 4 lid 1 Rome II), het land waar de schade zich voordoet, het toepasselijke recht beheerst. De benadeelde heeft op grond van de hierboven genoemde doelstelling van Rome II ten aanzien van milieubescherming, ook het recht om een vordering te baseren op het recht van het land waar de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan, de lex loci delicti commissi.

De mogelijkheid om de lex loci damni of lex loci delicti commissi toe te passen onder Rome II, loopt gelijk aan de mogelijkheid om het forum van het "Handlungsort" of "Erfolgsort" aan te zoeken onder Brussel I-Bis (HvJ 30 november 1976, zaak no. 21/76, Bier/Mines de Potasse d'Alsace of Kalimijnen). 
Divergentie van de bevoegde rechter en het toepasselijke recht kan dan ook worden voorkomen.

Rome II: het toepasselijke recht op de internationale onrechtmatige daad




woensdag 31 januari 2018

Het toepasselijke recht op (internationale) overeenkomsten uit verbintenis: Rome I en Weens Koopverdrag

Overzicht
      
A.   Het toepasselijke recht op verbintenissen uit overeenkomst: Rome I;
1.    Materieel en formeel toepassingsgebied Rome I;
2.1. Rechtskeuze door partijen;
2.2. Beperkingen;
3.    Objectieve verwijzing bij ontbreken rechtskeuze;
3.1. Kenmerkende prestant en nauwere band met het recht van een ander land;
4.    Uitzonderingen

B.   Het toepasselijke recht op internationale koopovereenkomsten: Weens Koopverdrag
1.   Materieel en formeel toepassingsgebied;
2.   Uitsluiting WKV

Inleiding: internationale overeenkomsten uit verbintenis
Brussel I-Bis (EEX-Vo II) strekt zich uit over de rechterlijke bevoegdheid, alsmede de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in grensoverschrijdende burgerlijke en handelszaken. De vraag, welk recht van toepassing is op de internationale verbintenis uit overeenkomst, wordt beheerst door Rome I (Verordening (EG) nr. 539/2008); voor de internationale (niet-consumenten)koopovereenkomst betreffende roerende zaken is het Weens Koopverdrag van 11 april 1989 relevant.

A. Het toepasselijke recht op verbintenissen uit overeenkomst: Rome I

1. Materieel en formeel toepassingsgebied Rome I
Rome I biedt de conflictregel in gevallen waarin het recht van verschillende landen moet worden gekozen en is van toepassing op internationale verbintenissen uit overeenkomst in burgerlijke en handelszaken (art. 1 lid 1 Rome I). De verordening is niet van toepassing op de gevallen genoemd in lid 2, maar let op: wordt de Nederlandse rechter aangezocht, dan gelden art. 10:154 e.v. (algemene regels) en 10:166 BW (lex specialis). De materiële reikwijdte die op grond van art. 1 lid 2 Rome I wordt ingeperkt, wordt op grond van art. 10:154 BW weer uitgebreid ten aanzien van het nationale Nederlandse recht. Rome I is niet van toepassing op de staat en bevoegdheid van natuurlijke personen (art. 1 lid 2 sub a Rome I), maar de handelingsonbekwaamheid en -onbevoegdheid wordt wel door Rome I bestreken, zie art. 13 Rome I.

Het formele toepassingsgebied van Rome I is universeel (art. 2 Rome I).

2.1. Rechtskeuze door partijen
Partijen zijn vrij om een bepaald rechtsstelsel van toepassing te verklaren op hun overeenkomst. De overeenkomst hoeft niet op enige wijze verbonden te zijn met het gekozen recht. De rechtskeuze dient wel expliciet te worden gedaan, of duidelijk uit de bepalingen van de overeenkomst of uit omstandigheden van het geval te blijken (art. 3 lid 1 Rome I). Van een stilzwijgende rechtskeuze kan slechts sprake zijn als deze blijkt uit concrete feiten en omstandigheden, die erop wijzen dat partijen deze keuze hebben gewild (HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1523 (Rasheed Bank/Solvochem-Holland), r.o. 3.6.3, vgl. HR 28 maart 2008, LJN BC2726, NJ 2008/191).

De enkele omstandigheid dat één der partijen in de dagvaarding stelt dat de wederpartij een bepaalde rechtskeuze heeft aanvaard, terwijl tegen laatstgenoemde verstek is verleend, rechtvaardigt niet het oordeel dat van een stilzwijgende rechtskeuze sprake is. Blijkens punt 12 van de preambule bij Rome I is het forumkeuzebeding een factor waarmee rekening gehouden dient te worden bij de vaststelling van de rechtskeuze.

Uit art. 3 lid 1 Rome I blijkt dat partiële rechtskeuze mogelijk is. Wijziging van de rechtskeuze ná sluiting van de overeenkomst is toegestaan (art. 3 lid 2 Rome I).

Partijen zijn vrij om niet-statelijk recht op hun overeenkomst toe te passen (punt 13 preambule Rome I). De rechtskracht die aan een dergelijke keuze toekomt, is niet sterk: het niet-statelijke recht kan niet aan de dwingendrechtelijke bepalingen van het eigenlijk toepasselijke rechtsstelsel derogeren. Partijen kunnen verdragen van eenvormig recht (voorbeeld: Weens Koopverdrag) van toepassing verklaren op de overeenkomst, zelfs als de overeenkomst buiten het formele toepassingsgebied van het verdrag valt. Voorwaarde is wel, dat het verdrag de mogelijkheid tot rechtskeuze biedt.

2.2. Beperkingen
Bevinden alle overige op het tijdstip van de rechtskeuze bestaande aanknopingspunten zich in een ander land dan het land waarvan het recht is gekozen, dan laat de door partijen gemaakte rechtskeuze het dwingend nationaal recht onverlet (art. 3 lid 3 Rome I). Deze bepaling dient te worden gelezen als 'in uitsluitend nationale gevallen kan de rechtskeuze niet derogeren aan regels van dwingend nationaal recht '.  Eenzelfde beperking van de werking van het rechtskeuzebeding, geldt ten aanzien van dwingend Gemeenschapsrecht in EU-gevallen (art. 3 lid 4 Rome I).

Bepalingen van bijzonder dwingend recht moeten worden toegepast op elk geval dat onder de werkingssfeer ervan valt, ongeacht de rechtskeuze die van toepassing is verklaard op de overeenkomst (art. 9 leden 2 en 3 Rome I).

Voorts kan de keuze voor een bepaald rechtsstelsel niet tornen aan bepalingen die beogen economisch "zwakkere" partijen te beschermen: zie art. 5 lid 2 Rome I (overeenkomsten voor passagiersvervoer); art. 6 lid 2 Rome I (consumentenovereenkomsten); art. 7 lid 2-3 Rome I (verzekeringsovereenkomsten); art. 8 lid 1 Rome I (arbeidsovereenkomsten).

3. Objectieve verwijzing bij ontbreken rechtskeuze
Hebben partijen geen rechtskeuze overeenkomstig art. 3 Rome I gemaakt, dan wordt het op de overeenkomst toepasselijke recht aan de hand van objectieve factoren vastgesteld. In de eerste plaats dient te worden gekeken of de "beschermende bepalingen" van de artikelen 5 tot en met 8 Rome I van toepassing zijn. Is dat niet het geval, dan wordt het toepasselijke recht als volgt vastgesteld (art. 4 lid 1 onder a-h Rome I):
1. de overeenkomst tot verkoop van roerende zaken en de overeenkomst inzake dienstverlening worden beheerst door het recht van het land waar de verkoper resp. de dienstverlener zijn gewone verblijfplaats heeft. Voor uitleg van de begrippen 'verkoop van roerende zaken' en 'verrichten van diensten' wordt aansluiting gezocht bij art. 7 sub 1 onder b Brussel I-Bis (punt 17 preambule Rome I). Divergentie van de bevoegdheidsregeling van Brussel I-Bis en de rechtskeuzeregeling van Rome I wordt zo voorkomen.

Let op het verschil tussen Brussel I-Bis en Rome I ten aanzien van de plaatsbepaling. Onder Brussel I-Bis is de woonplaats van de verweerder bepalend, bijvoorbeeld de statutaire zetel van de rechtspersoon (art. 63 Brussel I-Bis) of de woonplaats van de natuurlijke persoon naar nationaal recht (Nederland: art. 1:10 BW) relevant (art. 62 Brussel I-Bis). Onder Rome I is gekozen voor het begrip "gewone verblijfplaats", waaronder moet worden verstaan de plaats van het hoofdbestuur van vennootschappen, verenigingen en rechtspersonen of de hoofdvestiging van de bedrijfsactiviteiten van een natuurlijk persoon (art. 19 lid 1 Rome I) en het filiaal of agentschap of andere vestiging (art. 19 lid 2 Rome I).

2. De overeenkomst die een zakelijk recht op of de huur van een onroerend goed tot onderwerp heeft, wordt beheerst door het recht van het land waar het onroerend goed is gelegen (lex rei sitae) (art. 4 lid 1 onder c Rome I). De huurovereenkomst voor tijdelijk particulier gebruik voor een duur van ten hoogste zes maanden wordt beheerst door het recht van het land waar de verhuurder zijn gewone verblijfplaats heeft, mits de huurder een natuurlijke persoon is en in hetzelfde land zijn gewone verblijfplaats heeft (art. 4 lid 1 onder d Rome I);
3. Franchise- en distributieovereenkomsten worden beheerst door het recht van het land waar de franchisenemer resp. de distributeur zijn gewone verblijfplaats heeft (art. 4 lid 1 onder e en f Rome I);
4. Veilingovereenkomsten worden beheerst door het recht van het land waar de veiling plaatsvindt (art. 4 lid 1 onder g Rome I);
5. Overeenkomsten inzake financiële instrumenten als bedoeld in MiFID II worden beheerst door het recht van de financiële markten (art. 4 lid 1 onder h Rome I).

3.1. Kenmerkende prestant en nauwere band met het recht van een ander land
Valt de overeenkomst niet onder art. 4 lid 1 Rome I, of vallen delen van de overeenkomst onder meer dan één van de punten a t/m h van lid 1, dan wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land van het gewone verblijf van de kenmerkende prestant (art. 4 lid 2 Rome I); vgl. HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1523 (Rasheed Bank/Solvochem-Holland), r.o. 3.7.3.

Blijkt uit alle omstandigheden dat de overeenkomst een nauwere band heeft met een ander land dan bedoeld in lid 1 of 2, dan is het recht van dat andere land van toepassing (art. 4 lid 3 Rome I), HvJ 6 oktober 2009, zaak C-133/08, ICF/Balkenende en MIC, punt 63. Zie tevens punt 20 van de preambule bij Rome I.

Is het toepasselijke recht niet overeenkomstig lid 1 of lid 2 vast te stellen (bijvoorbeeld omdat geen kenmerkende prestatie kan worden aangewezen), dan wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waarmee zij het nauwst verbonden is (art. 4 lid 4 Rome I).

4. Uitzonderingen
Rome I kan de toepassing van bijzonder dwingend recht van de rechter bij wie de zaak aanhangig is, niet beperken (lex fori, art. 9 lid 2 Rome I). Wat onder 'bijzonder dwingend recht' wordt verstaan, blijkt uit art. 9 lid 1 Rome I. Beperkingen aan de rechtskeuze als neergelegd in art. 9 Rome I, worden wel aangeduid als 'voorrangsregels', vgl. HR 13 mei 1966, NJ 1967/3 (Alnati).

De toepassing van een bepaling van het door Rome I aangewezen recht kan terzijde worden gesteld, indien deze toepassing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde van het land van de aangezochte rechter (art. 21 Rome I).

B. Het toepasselijke recht op internationale koopovereenkomsten: Weens Koopverdrag 1980

1. Materieel en formeel toepassingsgebied
Anders dan Rome I, bevat het Weens Koopverdrag géén conflictregels. Het Weens Koopverdrag bevat uniform kooprecht. Het Koopverdrag is van belang voor het inroepen van onder meer het recht op ontbinding en schadevergoeding. Valt de overeenkomst onder het Weens Koopverdrag, beide partijen zijn bijvoorbeeld afkomstig van een lidstaat bij het Weens Koopverdrag, dan zijn de conflictregels van internationaal privaatrecht niet langer aan de orde.

Het materieel toepassingsgebied wordt bestreken door art. 2-5 Weens Koopverdrag. Het Verdrag is niet van toepassing op overeenkomsten betreffende consumentenkoop.

Het formele toepassingsgebied wordt bepaald door art. 1 Weens Koopverdrag. Het Verdrag is van toepassing op koopovereenkomsten betreffende roerende zaken tussen partijen die in verschillende Staten gevestigd zijn:
a. wanneer die Staten Verdragsluitende Staten zijn (art. 1 lid 1 sub a);
b. wanneer volgens de regels van internationaal privaatrecht van de aangezochte rechter, het recht van een Verdragsluitende Staat van toepassing is (art. 1 lid 1 sub b). Voor Nederland gelden de verwijzingsregels die volgen uit Rome I.

Onder a is geen twijfel mogelijk: nu beide partijen in een andere lidstaat zijn gevestigd, is het Weens Koopverdrag onomstotelijk van toepassing. Onder sub b hangt het af van de toepasselijke conflictregels, of het Weens Koopverdrag volgens de regels van internationaal privaatrecht van toepassing worden verklaard. Daarbij is steeds van belang dat het WKV materieel slechts van toepassing is op professionele koopovereenkomsten.

Een voorbeeld. Het Nederlandse loodgietersbedrijf A koopt van verkoper B een set ladders. Verkoper B is gevestigd in Engeland. Engeland is géén partij bij het Weens Koopverdrag. De sporten van meerdere ladders breken al na een week gebruik doormidden. A stelt dat de non-conformiteit van de geleverde ladders een wezenlijke tekortkoming opleveren en eist voor de Nederlandse rechter schadevergoeding van verkoper B. Welk rechtsstelsel is van toepassing op de overeenkomst, het Nederlandse rechtsstelsel van koper A, of het Engelse rechtsstelsel van verkoper B? Het verwijzingsschema is als volgt:

Valt de overeenkomst onder de materiële reikwijdte van het Weens Koopverdrag?
Ja, het betreft een handelskoop van roerende zaken, art. 1 WKV;
Zijn de uitzonderingen van art. 2 WKV van toepassing?
Nee, het betreft geen consumentenkoop of overige soorten koop als bedoeld in art. 2 WKV;
Valt de overeenkomst onder het formele toepassingsgebied van het WKV?
Art. 1 lid 1 sub b WKV verwijst naar de conflictregels van Internationaal Privaatrecht (Rome I). Op grond van art. 4 lid 1 sub a Rome I is het recht van het land van de verkoper van toepassing, dus het Engelse recht. De overeenkomst valt dus niet onder het formele toepassingsgebied van het Weens Koopverdrag.

2. Uitsluiting WKV
Valt de koopovereenkomst onder het formele toepassingsgebied van het WKV, dan kan het WKV door partijen worden uitgesloten van toepassing. Partijen kunnen de toepassing van het Verdrag uitsluiten, afwijken van elk van de bepalingen van het Verdrag, dan wel het gevolg daarvan wijzigen (art. 6 Weens Koopverdrag). Het bepaalde in art. 12 Weens Koopverdrag moet wel in acht worden genomen.

Toepasselijkheid van het Weens Koopverdrag


zaterdag 13 januari 2018

Internationale rechterlijke bevoegdheid op grond van EEX-Vo II/ Brussel I-Bis

Overzicht
1.    Inleiding;
2.    Materieel toepassingsgebied Brussel I-Bis;
3.    Formeel toepassingsgebied Brussel I-Bis;
4.    Bevoegdheid algemeen: hoofdregel en uitzonderingen;
5.    Alternatief forum: verbintenissen uit overeenkomst;
5.1. De kwalificatie van de verbintenis;
5.2. Uitgesloten van toepassing van art. 7 punt 1 Brussel I-Bis;
5.3. Verschillende plaatsen van uitvoering;
5.4. Onduidelijkheden over de plaats van uitvoering: Besix en Tessili/Dunlop;
5.5. De categorieën van art. 7 punt 1 sub a-c Brussel I-Bis

1. Inleiding
Verordening (EU) nr. 1215/2012 (Herschikking EEX) betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, in het kort EEX-Vo II of Brussel I-Bis, beperkt het internationale commune bevoegdheidsrecht van de lidstaten. De term "internationaal commuun bevoegdheidsrecht" is verwarrend, omdat hieronder de bepalingen inzake de rechtsmacht van de nationale rechter worden begrepen. Het commune bevoegdheidsrecht voor de Nederlandse rechter is neergelegd in art. 1-14 Rv.

EEX-Vo II brengt uniformering in het internationaal bevoegdheidsrecht binnen de Europese lidstaten. De bevoegdheidsbepalingen van art. 1-14 Rv zijn in grote mate afgestemd op de Verordening, al zijn er enkele belangrijke afwijkingen die in een volgend bericht zullen worden behandeld.

Let erop, dat sinds 1 oktober 2015 het Verdrag inzake bedingen van forumkeuze 's Gravenhage van 1 oktober 2015 (Haags forumkeuzeverdrag) van toepassing is op partijen bij het verdrag. Het Haags forumkeuzeverdrag komt in grote lijnen overeen met de herschikte EEX-Vo: zo bevat art. 1 en 2 van het Haags forumkeuzeverdrag soortgelijke beperkingen van het materiële toepassingsgebied en worden aan het forumkeuzebeding (art. 3 Haags forumkeuzeverdrag) vergelijkbare eisen gesteld. Het formele toepassingsgebied, de exclusieve bevoegdheid van de rechter, wordt bepaald door art. 5 van het forumkeuzeverdrag. Wordt, ondanks het forumkeuzebeding, een andere rechter aangezocht, dan dient deze de procedure te schorsen of de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij het beding nietig is (art. 6 Haags forumkeuzeverdrag). Brussel I-Bis kan opzij worden gezet, als een partij van buiten de EU woonplaats heeft op het grondgebied van een partij bij het Haags Forumkeuzeverdrag.

Op grond van de forumkeuzebevoegdheid van art. 25 Brussel I-Bis kunnen partijen van buiten de EU ook binnen de EU procederen. Het verstrekkende internationale bereik van Brussel I-Bis kan dus niet worden onderschat.

De bevoegdheidstoetsing in internationale casus geschiedt volgens een bepaald schema. Voordat aan de bijzondere bevoegdheidsregels (alternatieve fora en exclusieve fora) wordt toegekomen, dienen het materiële en formele toepassingsgebied van de zaak te worden vastgesteld.

2. Materieel toepassingsgebied (art. 1 Brussel I-Bis)
Brussel I-Bis wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht.  De toepassing ervan wordt uitgesloten in fiscale zaken, douanezaken en administratiefrechtelijke zaken, evenals in zaken betreffende de aansprakelijkheid van de staat wegens handelen of nalaten bij acta iure imperii, het handelen door de Staat in de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden (vgl. HvJ 16 december 1980, zaak 814/79, Staat der Nederlanden/Rüffer; HvJ 28 april 2009, zaak C-420/07, Apostolides/Orams).

De verordening is ook niet van toepassing op de staat en bevoegdheid van natuurlijke personen, huwelijkvermogensrecht, arbitrage, faillissementen en akkoorden, sociale zekerheid, testamenten, onderhoudsverplichtingen en erfrecht (art. 1 lid 2 Brussel I-Bis).

Let op het onderscheid tussen het materiële en formele toepassingsgebied. Het materiële toepassingsgebied ziet niet op de bevoegdheid van het gerecht, maar op de toepassing van de herschikking van EEX-Vo op in de verordening bepaalde zaken. Het formele toepassingsgebied ziet daarentegen wél op de bevoegdheid van het gerecht. De hoofdregel voor de internationale rechterlijke bevoegdheid wordt in art. 4 Brussel I-Bis gegeven. De bevoegdheidsregeling valt onder het 'formele toepassingsgebied', al wordt dit begrip niet met zoveel woorden in art. 4 Brussel I-Bis genoemd.

3. Formeel toepassingsgebied (art. 4 e.v. Brussel I-Bis)
De woonplaats van de verweerder is bepalend voor het formele toepassingsgebied van de bevoegdheidsregeling (art. 4 Brussel I-Bis). De nationaliteit is niet van betekenis (art. 4 lid 2 Brussel I-Bis). Forum actoris is onder de voorganger van EEX-Vo II exorbitant verklaard, forum rei is dus de hoofdregel.

De woonplaats van een natuurlijke persoon wordt vastgesteld volgens het interne recht van de lidstaat (art. 62 Brussel I-Bis). Woont de verweerder buiten de EU, dan valt de zaak niet onder het formele toepassingsbereik van Brussel I-Bis en is het commune internationale bevoegdheidsrecht beslissend (art. 6 lid 1 Brussel I-Bis).

De woonplaats van een rechtspersoon wordt autonoom bepaald; Brussel I-Bis geeft aan dat de woonplaats van de rechtspersoon wordt bepaald aan de hand van de statutaire zetel, het hoofdbestuur of de hoofdvestiging (art. 63 lid 1 Brussel I-Bis).

Op de hoofdregel van het formele toepassingsgebied bestaat een aantal uitzonderingen. Zo kan de gedaagde worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van eiser in zaken betreffende consumentenovereenkomsten (art. 18 Brussel I-Bis) en in zaken betreffende arbeidsovereenkomsten (art. 21 Brussel I-Bis). Deze bepalingen geven uitdrukking aan de beschermingsgedachte, waarmee kan worden geconstateerd dat forum actoris niet geheel van het internationale toneel is verdwenen. Andere uitzonderingen op de hoofdregel zijn de exclusieve bevoegdheid (art. 24 Brussel I-Bis) en de forumkeuzebepaling (art. 25 Brussel I-Bis).

4. Bevoegdheid algemeen: hoofdregel en uitzonderingen
De hoofdregel voor de internationale rechterlijke bevoegdheid is gegeven in art. 4 Brussel I-Bis: forum rei. Bijzondere bevoegdheden zijn gegeven in art. 7 en 8 (alternatieve fora) en 9 Brussel I-Bis. Deze bevoegdheidsregels derogeren niet aan de hoofdregel, maar worden als alternatief geboden.
Uitzonderingen op de hoofdregel worden gevormd door bevoegdheden betreffende verzekeringszaken (art. 10-16), consumentenovereenkomsten (art. 17-19) en arbeidsovereenkomsten (art. 20-23), exclusieve bevoegdheid (art. 24), forumkeuze (art. 25) stilzwijgende forumkeuze (art. 26), litispendentie (art. 29-34) en voorlopige maatregelen (art. 35).

Hieronder zal ik nader ingaan op twee belangrijke alternatieve fora, te weten de bevoegdheid inzake de verbintenis uit overeenkomst en onrechtmatige daad. Daarna zal ik achtereenvolgens aandacht besteden aan de exclusieve bevoegdheidsregeling, forumkeuzebevoegdheid en litispendentie.

5. Alternatief forum: verbintenissen uit overeenkomst
5.1. de kwalificatie van de verbintenis
Alternatief bevoegd is de rechter van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd (art. 7 punt 1 sub a Brussel I-Bis). Aan het begrip "verbintenissen uit overeenkomst" wordt een autonome uitleg gegeven, waarbij aansluiting moet worden gezocht bij het stelsel en doelstellingen van het verdrag; de kwalificatie mag niet worden bepaald door het nationale recht van de aangezochte rechter (lex fori) of het op de rechtsbetrekking van toepassing zijnde rechtsstelsel (lex causae) (HvJ 17 juni 1992, zaak C-26/91, Handte&Co/Traitements Mécano-Chimiques, punt 10).

Veel duidelijkheid schept deze regel niet. Het begrip "verbintenissen uit overeenkomst" wordt door het Hof slechts negatief geformuleerd: het begrip mag niet aldus worden uitgelegd, dat verbintenissen uit onrechtmatige daad daaronder worden begrepen (daarvoor zij verwezen naar art. 7 punt 2 Brussel I-Bis). Civiele aansprakelijkheidsvorderingen vloeien wel voort uit "verbintenissen uit overeenkomst", indien de verweten gedraging kan worden beschouwd als niet-nakoming van de contractuele verbintenis (HvJ 13 maart 2014, zaak C-548/12, Brogsitter/Fabrication de Montres Normandes). De term 'contractuele verbintenis' wordt gebruikt om onderscheid met de onrechtmatige daad aan te brengen.

5.2. uitgesloten van toepassing van art. 7 punt 1 Brussel I-Bis
Ook als bepaalde rechtsverhoudingen als verbintenis uit overeenkomst kwalificeren, kan de toepassing van art. 7 punt 1 worden uitgesloten. Zo kan de verbintenis buiten het materiële toepassingsgebied van Brussel I-Bis vallen (bijv. acta iure imperii) of onder de bijzondere bevoegdheidsregels worden gebracht. De consumentenovereenkomst valt dus niet onder het alternatieve forum van art. 7 Brussel I-Bis, maar onder de bevoegdheidsregels van art. 17-19 Brussel I-Bis, die aan de hoofdregel en de alternatieve bevoegdheidsbepalingen derogeren.

5.3. verschillende plaatsen van uitvoering
De plaats waar de verbintenis is of moet worden uitgevoerd, is bepalend voor de bevoegdheid van de rechter. In de praktijk is het gebruikelijk dat uit een overeenkomst tussen twee ondernemingen, meerdere verbintenissen voortvloeien, die niet ieder op één plaats worden uitgevoerd. Twee oplossingen zijn mogelijk. Is uit meerdere verbintenissen één aan te wijzen die de overeenkomst het meest karakteriseert, dan is de rechter van de plaats van uitvoering van de verbintenis die de overeenkomst karakteriseert, bevoegd om kennis te nemen van alle verbintenissen. Bij het bepalen van zijn bevoegdheid zal de rechter zich dus moeten laten leiden door het beginsel dat de bijzaak de hoofdzaak volgt, "accessorium sequitur principale" (HvJ 15 januari 1987, zaak 266/85, Shevanai/Kreischer, punt 19).

Is geen hoofdzakelijke verbintenis aan te wijzen, dan is steeds de rechter van de plaats van uitvoering van de verbintenis bevoegd (HvJ 5 oktober 1999, zaak C-420/97, Leathertex/Bodetex). Het moet niet uit het oog worden verloren, dat de bevoegdheid op grond van art. 7 punt 1 Brussel I-Bis alternatief is. Om te voorkomen dat in meerdere lidstaten moet worden geprocedeerd, biedt de hoofdregel, forum rei, uitkomst: de eiser brengt zijn vordering aan bij de woonplaats van gedaagde (art. 4 Brussel I-Bis).

5.4. Onduidelijkheden over de plaats van uitvoering: Besix en Tessili/Dunlop
De bijzondere bevoegdheidsregel van art. 7 punt 1 Brussel I-Bis is niet van toepassing, indien de plaats van uitvoering niet kan worden bepaald, omdat de litigieuze verbintenis uit overeenkomst bestaat uit een overeenkomst om niet te doen, zonder enige geografische beperking (HvJ 19 februari 2002, zaak C-256/00, Besix/WABAG).

Voor het geval waarin de verbintenis niet is uitgevoerd en in de overeenkomst niets is opgenomen omtrent de plaats van uitvoering, is de Tessili/Dunlop-leer richtinggevend. De 'plaats van uitvoering van de verbintenis' is geen autonoom begrip. Om aan de hand van de wet te kunnen bepalen waar de verbintenis moet worden uitgevoerd, is de lex causae, het op de overeenkomst toepasselijke recht, doorslaggevend: de verwijzing in het verdrag naar de plaats van uitvoering van contractuele verbintenissen kan slechts worden opgevat als een verwijzing naar het volgens de collisieregels van de aangezochte rechter toepasselijke materiële recht.

Om zijn bevoegdheid op grond van art. 7 punt 1 vast te kunnen stellen, dient de rechter:
1. naar zijn eigen conflictregels/collisieregels te bepalen welk rechtsstelsel op de gegeven rechtsbetrekking van toepassing is;
2. overeenkomstig dit rechtsstelsel de plaats van uitvoering van de litigieuze verbintenis vast te stellen.
(HvJ 6 oktober 1976, zaak 12-76, Tessili Italiana Como/Dunlop AG)

5.5. De categorieën van art. 7 punt 1 sub a-c Brussel I-Bis
Op grond van art. 7 punt 1 sub a is bevoegd, de rechter van de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag is gelegd. Het systeem van de verwijzingscategorieën van art. 7 sub 1 onder a-c brengt mee, dat Tessili/Dunlop onder categorie a ondergebracht moet worden.

In Tessili/Dunlop is géén plaats van uitvoering afgesproken. In eerste instantie valt categorie a dus af. Categorie b bepaalt dat de plaats van uitvoering de plaats is, waar volgens de verbintenis uit koop en verkoop of uit de dienstenovereenkomst, roerende lichamelijke zaken geleverd, respectievelijk diensten verstrekt dienen te worden. Bij zowel koop als dienstverlening dient de uitvoering binnen een EU-lidstaat plaats te vinden.

Is niet voldaan aan één van deze criteria (koop of dienst, plaats van levering vastgelegd in de overeenkomst, uitvoering binnen de EU), dan wijst categorie c terug naar categorie a.  In Tessili/Dunlop wordt aan de hand van de lex causae vastgesteld welk recht toepasselijk is en waar de verbintenis uitgevoerd had moeten worden. Dit oordeel leidt ertoe dat de bevoegdheid op art. 7 punt 1 sub a gegrond wordt.

5.5.1. Categorie b
De formulering van art. 7 punt 1 sub b ('categorie b') Brussel I-Bis is helder. Is de plaats van levering of de dienstverlening in de overeenkomst vastgelegd, is de levering of verrichting binnen de EU bepaald en is sprake van een overeenkomst tot koop of dienstverlening, dan kan de bevoegdheid van de aangezochte rechter in beginsel worden vastgesteld via sub b.

Er kunnen ten aanzien van de plaats van levering of verstrekking van diensten onduidelijkheden bestaan, bijvoorbeeld wanneer meerdere plaatsen van levering of dienstverlening zijn afgesproken.
Het Hof geeft de volgende oplossingen:

a. Kan de plaats van levering niet uit de overeenkomst worden opgemaakt, dan is de plaats van de materiële (feitelijke) overdracht van de goederen de plaats van levering in de zin van sub b (HvJ 25 februari 2010, zaak C-381/08, Car Trim/KeySafety);
b. Is een verscheidenheid van leveringsplaatsen binnen één EU-lidstaat afgesproken, dan is het gerecht binnen het rechtsgebied van de hoofdlevering bevoegd. Wat de 'plaats van hoofdlevering' is, moet aan de hand van economische factoren worden vastgesteld. Bij gebrek aan doorslaggevende factoren mag de eiser de verweerder voor het gerecht van de leveringsplaats van zijn keuze oproepen (HvJ 3 mei 2007, zaak C-386/05, Color Drack/Lexx);
c. Vindt de levering c.q. dienstverrichting plaats in meerdere lidstaten, dan is het gerecht van de lidstaat van de hoofdzakelijke verrichting bevoegd (HvJ 11 maart 2010, zaak C-19/09, Wood Floor Solutions/Silva Trade);
d. Voor een agentuurovereenkomst is die plaats de plaats waar de diensten van de handelsagent hoofdzakelijk worden verricht, zoals die blijkt uit de bepalingen van de overeenkomst, alsmede, bij gebreke van dergelijke bepalingen, uit de daadwerkelijke uitvoering van de overeenkomst en, indien de plaats op die grondslag niet kan worden bepaald, de woonplaats van de handelsagent (Wood Floor/Silva Trade).

Conclusie: alternatieve fora niet mogelijk? Forum rei biedt uitkomst
Bij dit alles moet niet uit het oog worden verloren, dat art. 7 Brussel I-Bis een alternatief forum biedt. Wanneer het in het geheel niet mogelijk is om een zaak betreffende verbintenissen uit overeenkomst onder de bevoegdheidsbepalingen van art. 7 punt 1 sub a of b onder te brengen, dan rest nog altijd de hoofdregel: forum rei, het gerecht van de woonplaats van verweerder, art. 4 Brussel I-Bis.

Internationale bevoegdheid: hoofdregel en uitzonderingen binnen het systeem van Brussel I-Bis



donderdag 11 januari 2018

Beginselen van internationaal privaatrecht

Internationaal privaatrecht bestaat uit drie pijlers:
1. Internationale bevoegdheid (forum/jurisdictierecht);
2. Conflictenrecht of verwijzingsrecht (het van toepassing zijnde recht);
3. Recht inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse rechterlijke beslissingen (internationaal erkennings- en executierecht).

Hieronder worden de belangrijkste begrippen en beginselen die betrekking hebben op de pijlers van het internationaal privaatrecht uitgelicht.

Acta iure gestionis (materieel toepassingsgebied EEX)
Handelingen die door de staat zijn verricht in privaatrechtelijke hoedanigheid; rechtsbetrekkingen door de staat, verricht op voet van gelijkheid met de burger. De aard van de rechtsbetrekking en het voorwerp van het geschil zijn bepalend voor het onderscheid tussen acta iure imperii en acta iure gestionis (HvJ 16 december 1980, zaak 814/79, Staat der Nederlanden/Rüffer, punt 14). Heeft de rechtsbetrekking een civielrechtelijke grondslag en handelt de staat niet in de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden, dan kan de zaak worden gebracht onder 'burgerlijke en handelszaken'.  Acta iure gestionis vallen derhalve binnen het materiële toepassingsgebied van EEX-Verordening II (art. 1 lid 1 EEX-Vo II).

Acta iure imperii (materieel toepassingsgebied EEX)
Handelingen, door de staat verricht in de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden. Voor deze handelingen geldt immuniteit van jurisdictie (art. 13a Wet Algemene Bepalingen. Toepassing van EEX-Vo II is uitgesloten (art. 1 lid 1 EEX-Vo II); zie HvJ 28 april 2009, zaak C-420/07, Apostolides/Orams, punt 42, 43 en in het bijzonder punt 44.

Forum actoris (bevoegdheid rechter op grond woonplaats eiser)
Internationale bevoegdheid van de rechter van de woonplaats van de eiser. In dagvaardingsprocedures als exorbitant aangemerkt en op 1 januari 2002 afgeschaft (zie PG Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart Rv, p. 86-88; ECLI:NL:PHR:2016:935, 2.4 (ii)).

Forum arresti (beslag schept bevoegdheid)
Bevoegdheid op grond van vreemdelingenbeslag. Conservatoir beslag kan op grond van art. 765 Rv worden gelegd op goederen van de schuldenaar die zich in Nederland bevinden, ook al heeft de schuldenaar geen bekende woonplaats in Nederland. De rechtbank waarvan de voorzieningenrechter het verlof tot beslag heeft verleend, is bevoegd om kennis te nemen van de hoofdzaak (art. 767 Rv). Deze bevoegdheid kan alleen bestaan wanneer niet langs andere weg een executoriale titel in Nederland verkregen kan worden (zie ECLI:NL:HR:2013:CA3741 (Dongray Industrial Ltd/Gécamines), r.o. 3.2.3 en 3.4.2). De rechter zal zich onbevoegd verklaren wanneer een exequatur is of kan worden verkregen.

Forum conveniens (bevoegdheid op grond van rechtssfeer)
De rechter is bevoegd, indien de zaak voldoende met de rechtssfeer van het forum verbonden is. Voor Nederland is deze regel vastgelegd in art. 3 sub c Rv; de forum conveniens-regel heeft in Nederland alleen betrekking op verzoekschriftprocedures.

Forum necessitatis (bevoegdheid uit noodzaak)
Geen enkele bepaling van internationaal bevoegdheidsrecht verleent de rechter bevoegdheid. De rechter mag zich evenwel bevoegd verklaren om van de zaak kennis te nemen, indien het feitelijk of praktisch onmogelijk is om de zaak aan een wél bevoegde buitenlandse rechter voor te leggen. Bij feitelijke onmogelijkheid zal het gaan om overmacht (natuurgeweld, oorlog) en bij praktische onmogelijkheid om (rechts)politieke redenen die het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM geweld aandoen. Voor deze bedreigingen van een behoorlijke procesgang biedt art. 9 sub c Rv een oplossing, zij het dat voor de praktische onmogelijkheid de aanvullende voorwaarde dat de zaak "voldoende met de rechtssfeer" van het forum necessitatis is verbonden (vgl. art. 3 sub c Rv).

Forum non conveniens (bevoegde rechter verklaart zich onbevoegd)
Een zeldzaam geworden, maar niet geheel in onbruik geraakt beginsel.  De bevoegde rechter mag zich onbevoegd verklaren, indien de zaak onvoldoende verbonden is met de rechtssfeer van het aangezochte forum. De rechtsmachtafdeling van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gaat thans uit van een positieve formulering (vgl. art. 3 sub c Rv) en biedt concrete criteria voor het bepalen van de bevoegdheid (zie bijv. art. 10 Rv). Forum non conveniens is niet geheel in onbruik geraakt: in art. 4 lid 3 sub b Rv komt het beginsel duidelijk tot uitdrukking.

EEX-Vo II/Brussel I-Bis kent geen toepassing van het forum non conveniens-beginsel. Van de discretionaire bevoegdheid zoals die aan de rechter wordt toegekend in art. 4 lid 3 sub b Rv is onder EEX-Vo II geen sprake, omdat een dergelijke exceptie de rechtszekerheid te zeer in het geding zou brengen. De Verordening verzet zich ertegen dat een rechterlijke instantie van een verdragsluitende staat de bevoegdheid die zij aan artikel 2 van dit verdrag ontleent, niet uitoefent op grond dat een gerecht van een niet-verdragsluitende staat een geschikter forum zou zijn om van het betrokken geschil kennis te nemen, ook wanneer de bevoegdheid van een gerecht van een andere verdragsluitende staat niet aan de orde is of wanneer het geschil geen andere aanknopingspunten heeft met een andere verdragsluitende staat (HvJ 1 maart 2005, zaak C-281/02, Owusu/Jackson "Villa Holidays").

Forum prorogatum (bevoegdheid rechter door verschijnen verweerder)
De verweerder verschijnt voor het gerecht en aanvaardt daarmee de jurisdictie. Deze 'stilzwijgende forumkeuze' (art. 26 EEX-Vo II) mag niet worden aangenomen, indien de verweerder verschijnt om de competentie van het forum te betwisten of een andere rechter op grond van art. 24 EEX-Vo II exclusief bevoegd is.

Forum rei (bevoegdheid rechter op grond woonplaats gedaagde)
Internationale bevoegdheid van de rechter van de woonplaats van gedaagde. Universeel aanvaard vanuit de beschermingsgedachte (de kans dat de vordering door de eiser ongegrond is, is reëel) en vanuit praktische overwegingen (de kans dat de goederen van gedaagde zich op het grondgebied van de lidstaat bevinden, is groter, zodat eventueel beslag en executie geëffectueerd kunnen worden). Uitgangspunt in dagvaardingszaken (art. 2 Rv) en bij het formele toepassingsgebied van EEX-Vo II (art. 4 EEX-Vo II).

Forum rei sitae (bevoegdheid)
Internationale bevoegdheid van de rechter van de lidstaat waar een onroerend goed is gelegen of waar het daarop betrekking hebbende register is gevestigd.

Lex causae (toepasselijk recht)
De kwalificatievraag dient te worden beslist door het op de rechtsverhouding toepasselijke rechtsstelsel. Tegengesteld aan lex fori.

Lex fori (toepasselijk recht)
Het rechtsstelsel van het aangezochte forum is van toepassing. Beginsel met een nationalistische inslag. Tegengesteld aan lex causae.

Lex loci delicti (toepasselijk recht)
De rechtsvordering wordt beheerst door het recht van het land waar de onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden.

Litispendentie (bevoegdheid hangende de behandeling van een reeds aangebrachte zaak)
Een rechter wordt geadieerd terwijl de zaak reeds aanhangig is bij een andere rechter. De handelswijze bij litispendentie wordt geregeld door art. 29-34 EEX-Vo II.

Locus delicti (bevoegdheid rechter op grond plaats schade)
Alternatieve bevoegdheid van de rechter van de plaats waar het schadeveroorzakende feit zich heeft voorgedaan of waar het zich kan voordoen (art. 7 lid 2 EEX-Vo II). Onderscheid moet worden gemaakt tussen Handlungsort en Erfolgsort, met dien verstande dat een regel is gegeven voor gevallen van divergentie. Uiteraard is divergentie gebruikelijk bij grensoverschrijdende zaken, zoals milieuvervuiling en internetschandalen.

Locus protectionis (toepasselijk recht en bevoegdheid IE-zaken)
Locus protectionis is een belangrijk begrip in zaken van intellectuele eigendom. Het begrip impliceert dat de intellectuele eigendomsrechten op enigerlei wijze met een territorium zijn verbonden (is dit in het virtuele tijdperk nog houdbaar?). Om twee redenen is de locus protectionis relevant. Ten eerste bepaalt de lex loci protectionis welk recht van toepassing is (art. 8 Rome II-Vo). Ten tweede bepaalt de locus protectionis welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van de schending. Hierbij is het Handlungsort de woonplaats of vestiging van de inbreukpleger en het Erfolgsort de plaats waar het IE-recht bescherming geniet (art. 7 lid 2 EEX-Vo II)

Perpetuatio fori (voortdurende bevoegdheid)
De rechter die eenmaal bevoegd is, blijft bevoegd, ook als de grond voor de bevoegdheid wijzigt.