Posts tonen met het label strafrecht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label strafrecht. Alle posts tonen

donderdag 4 oktober 2018

Het ambtshalve oproepen van getuigen in hoger beroep (annotatie strafrecht)


HR 03-07-2018, ECLI:NL:HR:2018:1055
Noot

1. De Hoge Raad doet met dit arrest een bijdrage aan de jurisprudentie inzake de plicht van de rechter om ambtshalve getuigen op te roepen voor verhoor, bezien in het licht van het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM. Hoewel de Raad in 2017 een overzichtsarrest heeft gewezen dat betrekking heeft op het onderwerp van deze zaak en belangrijke vingerwijzingen bevat, doet zich hier een situatie voor die niet met behulp van het ‘standaardarrest’ kan worden beantwoord en- voor zover ik heb kunnen ontdekken- niet in overige uitspraken aan de orde is gesteld.

De rechtsvraag die hier centraal staat, is of het hof in het licht van het recht van verdachte op een eerlijk proces als neergelegd in art. 6 EVRM, gehouden was om ambtshalve de getuigen te horen, nu het hof in afwijking van de rechtbank tot een veroordeling van de verdachte in twee zaken is gekomen en daartoe getuigenverklaringen zijn gebezigd die volgens appellant door de rechtbank ongeloofwaardig werden geacht. Voordat ik de relevantie van onderhavige zaak voor het bepalen van de reikwijdte van de plicht van de appelrechter om ambtshalve getuigen te horen in het licht van art. 6 EVRM bespreek, ga ik in op wat de verplichting tot het ambtshalve oproepen van getuigen voor verhoor door de rechter inhoudt. 

2. In art. 315 Sv wordt de rechter de bevoegdheid, geen verplichting, gegeven om ambtshalve getuigen op te roepen, zo hij het getuigenverhoor ter terechtzitting noodzakelijk acht vanuit het oogpunt van de volledigheid van het onderzoek. Het gaat dus om een discretionaire bevoegdheid die wordt toegepast vanuit het perspectief van de rechter, die de verantwoordelijkheid draagt voor de volledigheid en zorgvuldigheid van het onderzoek. In HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440 m.nt. T. Kooijmans, r.o. 3.9, heeft de Hoge Raad overwogen dat de rechter zich ervan dient te vergewissen dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en dat de rechter zo nodig ambtshalve op de voet van art. 315 lid 1 Sv overgaat tot het oproepen en horen van de getuige. Ziet de rechter af van het ambtshalve horen van een getuige, dan zal hij bij zijn beslissing omtrent de bewezenverklaring moeten overwegen welke consequenties worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdachte, die het nodige initiatief daartoe heeft genomen, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de getuige in enig stadium van het proces te ondervragen.[1]

In het overzichtsarrest van 2017 wordt de plicht tot het ambtshalve horen van getuigen ter zitting dus slechts impliciet tot uitdrukking gebracht. Onderstreept wordt dat het in de eerste plaats om een bevoegdheid gaat die de rechter naar eigen inzicht toepast: ‘..zo nodig gaat de rechter over tot het oproepen van de getuige.’
In het nog altijd relevante standaardarrest Grenzen getuigenbewijs uit 1994 heeft de Hoge Raad met het oog op het ondervragingsrecht van de verdachte ingevolge art. 6 EVRM overwogen, wanneer op de rechter een plicht rust tot het ambtshalve oproepen en horen van getuigen. Een dergelijke plicht bestaat slechts indien aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan: (i) een ambtsedig proces-verbaal van het ten overstaan van een opsporingsambtenaar afgelegde getuigenverklaring is het enige bewijsmiddel; (ii) deze verklaring is het enige bewijsmiddel waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks blijkt; (iii) de getuige heeft zijn verklaring nadien ten overstaan van een rechter ingetrokken, heeft geweigerd te verklaren of op essentiële punten een nadere ontlastende verklaring heeft ingetrokken.[2] De Hoge Raad maakt in Grenzen getuigenbewijs duidelijk dat deze criteria voor het bepalen van de verplichting tot het ambtshalve oproepen van getuigen óók voor de appelrechter gelden.

3. De toegevoegde waarde van het arrest van 3 juli 2018 is gelegen in de bepaling van de reikwijdte van de plicht van de appelrechter om ambtshalve getuigen te horen. De specifieke situatie, dat de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, vervolgens in hoger beroep is veroordeeld en een cassatiemiddel heeft ingesteld vanwege de vermeende schending van het recht op een eerlijk proces conform art. 6 EVRM, heeft zich naar ik meen niet eerder voorgedaan. De jurisprudentie van het EHRM is bestendig ten aanzien van deze situatie: op de appelrechter rust steeds de plicht om uit eigen beweging getuigen op te roepen, ook als de verdachte daartoe geen verzoek heeft gedaan en een in een eerder processtadium afgelegde getuigenverklaring ongewijzigd is gebleven.[3] Dat een getuige in eerste aanleg is ondervraagd, neemt niet weg dat de appelrechter verplicht is om de getuigen op te roepen.[4] De opvatting van het EHRM lijkt te zijn dat de enkele omstandigheid dat een verdachte in een hogere instantie wordt veroordeeld zonder dat de getuigen nogmaals zijn verhoord, tot een schending van het recht van verdachte op een ‘fair trial’ leidt.[5]

De Hoge Raad gaat genuanceerder te werk. Bij de beoordeling van het recht van verdachte op een eerlijk proces als vervat in art. 6 EVRM, hanteert de Hoge Raad, onder vermelding van een citaat uit het overzichtsarrest uit 2017, de ‘Schatschaschwili-maatstaf’: beslissend is of het strafproces als geheel beschouwd eerlijk is verlopen.[6]  Voor het Nederlandse strafprocesrecht geldt dat de verdachte zijn verzoek aan de rechter tot het ambtshalve oproepen van getuigen voldoende dient te motiveren.[7] In het kader van de ‘overall fair procedure’ is de rechter gehouden de afwijzing van een dergelijk verzoek te motiveren.[8]

4. Ik acht het oordeel van de Raad billijk en wel om de volgende redenen. De getuigenverklaringen zijn ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegd in aanwezigheid van de verdachte. De verdachte heeft de mogelijkheid om een verzoek te doen om de getuigen door de appelrechter ambtshalve te doen oproepen voor verhoor, onbenut gelaten. De ‘Schatschaschwili-maatstaf’ biedt de verdachte dan ook geen soelaas. 

De rechtbank is, anders dan appellant stelt, niet tot vrijspraak gekomen op de grond dat de getuigenverklaringen ongeloofwaardig zijn.[9]  De getuigenverklaringen vinden voldoende steun in de overige bewijsmiddelen, terwijl de door de verdachte geschetste alternatieve scenario’s niet aannemelijk kunnen worden geacht.  Daarbij heeft de verdachte tegenstrijdige verklaringen afgelegd en feiten onvoldoende weerlegd.[10]
Al deze specifieke kenmerken van de zaak in acht genomen, meen ik dat niet kan worden gesteld, dat het niet overgaan tot het ambtshalve horen van de getuigen door de appelrechter onverenigbaar is met het recht op een ‘overall fair procedure’ ingevolge art. 6 EVRM.


Mercedes Bouter LL.M.


[1] HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440 m.nt. T.Kooijmans (Overzichtsarrest oproepen getuigen), r.o. 3.9.
[2] HR 1 februari 1994, NJ 1994, 427, m.nt. G.J.M. Corstens (Grenzen getuigenbewijs), r.o. 6.3.3.
[3] EHRM 16 september 2014, no. 50224/07 (Mischie/ Roemenië); EHRM 26 juni 2012, no. 26082/05 (Găitănaru/Roemenië);
[4] EHRM 15 juli 2003, no. 44671/98 (Arnarsson/IJsland), § 31-32.
[5] EHRM 5 maart 2013, no. 36605/04 (Manolachi/Roemenië), § 49-52.
[6] HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1055, r.o. 2.4.2.
[7] HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440 m.nt. T.Kooijmans (Overzichtsarrest oproepen getuigen), r.o. 3.6.
[8] HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440 m.nt. T.Kooijmans (Overzichtsarrest oproepen getuigen), r.o. 3.8.1.
[9] HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1055, overweging 20 van het hof.
[10] HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1055, overweging 16 van het hof.

dinsdag 3 april 2018

De rechtspositie van gevangenen krachtens de Penitentiaire beginselenwet (PBW) en Penitentiaire Maatregel (PM) II: bezwaar, beklag en beroep

Overzicht
Deel I: rechtspositie van gevangenen en a-dwangbehandeling en b-dwangbehandeling van gedetineerden met een psychische stoornis
7.      Beklag en beroep;
7.1    Beklag (commissie van toezicht);
7.2    Beroep (commissie Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming, RSJ);
7.3    Bezwaar- en verzoekschriftprocedure (selectiefunctionaris);
7.3.1 Beroep inzake plaatsing, overplaatsing, deelname aan een penitentiair programma of verlof (beroepscommissie RSJ);
7.4    Klachten- en beroepsprocedure medisch handelen (Medisch Adviseur);
7.4.1 Beroep (commissie RSJ)

7. Beklag en beroep
7.1 Beklag (commissie van toezicht)
Een gedetineerde kan bij de beklagcommissie beklag doen over een hem betreffende beslissing (art. 60 lid 1 PBW). De directeur dient de gedetineerde in de gelegenheid te stellen om beklag te doen (art. 60 lid 3 PBW). Het klaagschrift wordt uiterlijk op de zevende dag nadat de gedetineerde kennis heeft gekregen van de beslissing, ingediend (art. 61 lid 5 PBW).

De beklagcommissie bestaat uit drie leden, benoemd door de commissie van toezicht die is toegewezen aan de inrichting (vgl. art. 1 onder k en l en art. 7 PBW) (art. 62 lid 1 PBW). In art. 11-20 PM zijn de regels te vinden over de samenstelling van de commissie van toezicht en de beklagcommissie en de bevoegdheden van de commissie van toezicht.

Indien het beklag van kennelijk eenvoudige aard, kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of gegrond wordt geacht, kan de voorzitter van de beklagcommissie het klaagschrift enkelvoudig afdoen (art. 62 lid 2 PBW). In dat geval kan van de mondelinge behandeling worden afgezien (art. 64 lid 1 PBW). De behandeling kan te allen tijde worden verwezen naar de voltallige beklagcommissie (art. 62 lid 3 PBW).

De directeur dient zo spoedig mogelijk inlichtingen te doen aan de beklagcommissie, tenzij hij het klaagschrift niet-ontvankelijk of ongegrond acht of bemiddeling wordt beproefd. Het klaagschrift geeft de directeur aanleiding tot het toevoegen van opmerkingen (art. 63 lid 2 PBW). De beklagcommissie kan het klaagschrift in handen stellen van de maandcommissaris (art. 7 lid 3 PBW), om een bemiddeling op te zetten (art. 63 lid 4 PBW).

Hangende de uitspraak van de beklagcommissie kan de voorzitter van de (door de RSJ benoemde) beroepscommissie, op verzoek van de gedetineerde, de tenuitvoerlegging van de beslissing schorsen (art. 66 PBW). 

De beklagcommissie doet in ieder geval binnen vier weken na ontvangst van het klaagschrift uitspraak en onder bijzondere omstandigheden in ieder geval binnen acht weken (art. 67 lid 1 PBW).
Is de beklagcommissie van oordeel dat de beslissing waarover is geklaagd:
a. in strijd is met een in de inrichting geldend wettelijk voorschrift of een een ieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag, dan wel
b. bij afweging van alle belangen (inclusief de belangen van slachtoffers en nabestaanden) de beslissing onredelijk moet worden geacht, kan de beklagcommissie de directeur opdragen om een andere beslissing te nemen met inachtneming van de uitspraak, bepalen dat de uitspraak in de plaats komt van de beslissing of volstaan met gehele of gedeeltelijk vernietiging (art. 68 leden 2 en 3 PBW).

7.2 Beroep (commissie Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming, RSJ)
Tegen de uitspraak van de beklagcommissie kan door de directeur of de klager, uiterlijk op de zevende dag na ontvangst van het afschrift van de uitspraak, een beroepschrift worden ingediend bij de beroepscommissie (art. 69 lid 1 PBW). De beroepscommissie, bestaande uit drie leden, wordt benoemd door de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming (RSJ, zie art. 1 onder j PBW voor de definitie) (art. 69 lid 2 PBW).

Uit art. 71 lid 1 PBW blijkt dat aan de uitspraak van de beroepscommissie geen termijn wordt gesteld. Net als onder de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, is géén cassatieberoep opengesteld voor de betrokken. Slechts de Procureur-Generaal kan cassatie in het belang der wet instellen (vgl. art. 33 Instellingswet RSJ).

Het indienen van het beroepschrift schorst de tenuitvoerlegging van de uitspraak van de beklagcommissie niet, tenzij de uitspraak een toekenning van financiële compensatie aan de gedetineerde (art. 68 lid 7 PBW) inhoudt (art. 70 lid 1 PBW). De voorzitter van de beroepscommissie kan de tenuitvoerlegging van de uitspraak evenwel geheel of gedeeltelijk schorsen op verzoek van degene die het beroep heeft ingesteld, nadat de andere betrokkene in de procedure is gehoord (art. 70 lid 2 PBW).

7.3 Bezwaar- en verzoekschriftprocedure (selectiefunctionaris)
Hoofdstuk IV van de Penitentiaire beginselenwet kent een eigen bezwaar- en verzoekschriftprocedure, die is toegesneden op de selectie en selectieprocedure. Het gaat in dit geval niet om de beklag- en beroepsprocedure van art. 60-71 PBW, maar om procedures die samenhangen met Hoofdstuk XIII van de PBW (zie hierna onder 7.3.1). Op het bezwaar- of verzoekschrift wordt niet beslist door een commissie, maar door de selectiefunctionaris.

Een uitzondering op deze regel wordt gemaakt voor de deelnemer aan een penitentiair programma (PP). De deelnemer aan een PP kan geen beroep doen op art. 60 e.v. PBW, omdat "deelnemer". Hij heeft wel de mogelijkheid om bij de beklagcommissie een klacht in te dienen over een door de directeur aan hem gegeven waarschuwing of door de directeur gewijzigde bijzondere voorwaarden als bedoeld in art. 9 lid 2 onder a en b PM (art. 10 lid 1 PM). Tegen de beslissing van de beklagcommissie kan beroep worden ingesteld bij de commissie van de RSJ. Voor klachten over de beëindiging van de PP moet de weg van art. 17 en 18 van de Penitentiaire beginselenwet worden gevolgd.

De betrokkene heeft het recht om een bezwaarschrift in te dienen tegen de beslissing (art. 17 lid 1 PBW):
a. tot plaatsing of overplaatsing als bedoeld in art. 15 lid 1 PBW;
b. tot beëindiging van deelname aan een penitentiair programma.

Overeenkomstig art. 61 lid 5 PBW, wordt het bezwaarschrift uiterlijk op de zevende dag na kennisname van de beslissing ingediend (art. 17 lid 2 PBW). De selectiefunctionaris stelt de betrokkene in de gelegenheid om toelichtingen te geven (art. 17 lid 3 PBW). Binnen zes weken neemt de selectiefunctionaris een beslissing op het bezwaar (art. 17 lid 4 PBW). Daarbij wordt de betrokkene gewezen op de mogelijkheid om beroep als bedoeld in hoofdstuk XIII (art. 72 en 73 PBW) in te stellen.

De betrokkene heeft tevens het recht om bij de selectiefunctionaris een verzoekschrift in te dienen, strekkende tot (art. 18 lid 1 PBW):
a. plaatsing in dan wel overplaatsing naar een inrichting of afdeling;
b. deelname aan een penitentiair programma.

7.3.1 Beroep inzake plaatsing, overplaatsing, deelname aan een penitentiair programma of verlof (beroepscommissie RSJ)
De betrokkene heeft het recht om tegen de beslissing van de selectiefunctionaris op bezwaar of verzoekschrift, voor zover dit betreft een ongegrondverklaring of afwijzing als bedoeld in art. 17 en 18 PBW een beroepschrift in te dienen bij de door de RSJ benoemde commissie (art. 72 lid 1 PBW).
Als het indienen van bezwaar achterwege is gebleven omdat de gedetineerde naar het oordeel van de selectiefunctionaris voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn klacht te uiten (art. 17 lid 5 PBW), staat ook de weg van het beroep open voor de betrokkene (art. 72 lid 1 laatste volzin PBW).

Indien de directeur een beslissing tot het verlenen van verlof heeft genomen, dient de gedetineerde eerst de beklagprocedure van art. 60 lid 1 PBW te doorlopen (art. 72 lid 2 eerste volzin PBW). Heeft de minister van Justitie en Veiligheid het verlof verleend, dan kan de betrokkene direct beroep instellen bij de commissie van de RSJ (art. 72 lid 2 laatste volzin jo. 73 lid 1 PBW). Hetzelfde geldt ten aanzien van de beslissing van art. 46e lid 1 PBW (art. 72 lid 3 PBW).

In alle gevallen wordt het beroepschrift ingediend uiterlijk op de zevende dag na kennisname van de aangevochten beslissing (art. 73 lid 2 PBW). De inhoud van de uitspraak van de commissie van RSJ wordt bestreken door art. 68 PBW, uitgezonderd het vijfde lid van dat artikel (art. 73 lid 4 PBW).

7.4 Klachten- en beroepsprocedure medisch handelen (Medisch Adviseur)
Over beslissingen die door de aan de inrichting verbonden arts zijn genomen over de medische verzorging van de gedetineerde (anders dan de geneeskundige handeling als bedoeld in art. 32 PBW), heeft de gedetineerde het recht om zich te beklagen. De klachtenprocedure wordt geëist in 42 lid 5 en vindt nadere uitwerking in art. 28-34 van de Penitentiaire Maatregel.

Op grond van art. 28 PM kan de gedetineerde een beroepschrift indien tegen het medisch handelen van de inrichtingsarts. Ook het nalaten om te handelen, in strijd met de zorg die een medisch hulpverlener hoort te betrachten, valt onder "medisch handelen" (art. 28 lid 2 PM).

Voordat het beroepschrift ingediend wordt, dient bemiddeling te worden beproefd. Binnen veertien dagen na de dag waarop het medisch handelen of nalaten plaatsvond, dient de gedetineerde een schriftelijk verzoek te doen aan de Medisch Adviseur bij het ministerie van Justitie en Veiligheid (art. 29 lid 1 PM). Tenzij de Medisch Adviseur het aanstonds duidelijk acht dat de klacht zich niet voor bemiddeling leent, wordt de betrokkene in de gelegenheid gesteld om schriftelijk of mondeling toelichting te geven (art. 29 lid 2 PM). De Medisch Adviseur streeft ernaar om binnen vier weken een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te geven (art. 29 lid 4 PM). De Medisch Adviseur sluit de bemiddeling af met een mededeling van zijn bevindingen aan de arts en de gedetineerde (art. 29 lid 5 PM). De gedetineerde wordt gewezen op de mogelijkheid om beroep in te stellen (art. 29 lid 5 PM).

Een alternatieve procedure, namelijk de klachtenprocedure, is ook mogelijk, indien de Medische Adviseur van oordeel is dat de klacht vatbaar is om via de "gewone" klachtenprocedure te worden afgewikkeld. De gedetineerde kan zich niet zelf tot de beklagcommissie richten. De Medisch Adviseur is bevoegd om de klacht door te verwijzen naar de beklagcommissie (art. 29 lid 7 PM).

7.4.1 Beroep (commissie RSJ)
Binnen zeven dagen na ontvangst van het afschrift van de Medisch Adviseur dient het beroepschrift te worden ingediend bij een door de RSJ benoemde beroepscommissie (art. 30 lid 2 PM). De directeur draagt er zorg voor dat een gedetineerde die wenst om beroep in te stellen, zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld. Ten behoeve van de behandeling van het beroepschrift, kan de commissie het medisch dossier van de gedetineerde inzien (art. 31 lid 1 PM). De klager en de arts worden in de gelegenheid gesteld om schriftelijk of mondeling toelichting te geven, tenzij het beroep aanstonds kennelijk niet-ontvankelijk, ongegrond of kennelijk gegrond wordt geacht (art. 31 lid 4 PM). Aan de uitspraak van de beroepscommissie wordt geen termijn gesteld (art. 32 lid 1 PM).

Wat met de medische beslissing dient te gebeuren in het geval het beroep gegrond wordt verklaard, wordt niet vermeld in de Penitentiaire Maatregel (vgl. art. 33 PM). Slechts de (financiële) compensatie wordt als remedie genoemd (art. 33 lid 2 PM).

De gedetineerde heeft tijdens de beroepsprocedure recht op bijstand door een rechtsbijstandverlener (art. 31 lid 8 PM). Tenzij, naar het oordeel van de Medisch Adviseur, zwaarwegende belangen van de gedetineerde zich daartegen verzetten, kunnen de rechten van art. 28-31 PM ook worden uitgeoefend door de curator, mentor, ouders of voogd (art. 34 PM).


maandag 2 april 2018

De rechtspositie van gevangenen (PBW) I: a-dwangbehandeling en b-dwangbehandeling van gedetineerden met een psychische stoornis (PM)

Overzicht
1.       Inleiding: grondslag van de Penitentiaire Beginselenwet en de Penitentiaire Maatregel;
2.       Soorten inrichtingen;
3.       Inrichtingen voor stelselmatige daders (ISD);
4.       Selectie en selectieprocedure;
5.       Bewegingsvrijheid;
6.       Controle;
6.1     Onderzoek in het lichaam en gedogen geneeskundige handeling;
6.2     Dwangbehandeling psychiatrisch patiënten;
6.2.1  a-dwangbehandeling en b-dwangbehandeling bij psychiatrische problematiek;
6.2.2  Toezicht op de geneeskundige dwangbehandeling

1. Inleiding: grondslag van de PBW en PM
De Penitentiaire Beginselenwet, die de interne rechtsbescherming van de gedetineerde regelt, loopt vrijwel parallel aan de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden. Er zijn enkele nuances aan te brengen; ik behandel de PBW daarom in de specifieke strafrechtelijke (procedurele) context.

De basis voor de Penitentiaire Beginselenwet wordt gevonden in art. 11 Sr: "Bij of krachtens wet worden regels gesteld ten aanzien van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen. Deze betreffen in elk geval de aanwijzing en bestemming van inrichtingen, bestemd voor de tenuitvoerlegging"(art. 11 aanhef en onder a Sr).

Met handhaving van het karakter van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, wordt de tenuitvoerlegging zoveel mogelijk en afhankelijk van het gedrag van de betrokkene, dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer in de maatschappij (art. 2 lid 2 PBW). Daarbij dient voorop te worden gesteld dat rekening moet worden gehouden met de veiligheid van de samenleving en de belangen van slachtoffers en nabestaanden. Het is de bedoeling dat zo snel mogelijk wordt aangevangen met de tenuitvoerlegging (art. 2 lid 3 PBW). De beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zijn neergelegd in art. 2 lid 4 PBW.

2. Soorten inrichtingen 
De minister van Justitie en Veiligheid is verantwoordelijk voor het bepalen van de bestemming van elke inrichting of afdeling (art. 8 PBW). Een deel van een inrichting kan als afdeling met een aparte bestemming worden aangewezen.
Penitentiaire inrichtingen worden onderscheiden in huizen van bewaring (HvB), gevangenissen en inrichtingen voor stelselmatige daders (ISD) (art. 9 lid 1 PBW).

In het geval van oplegging van een combinatie van een vrijheidsstraf en TBS met verpleging kan de betrokkene na ommekomst van de termijn van detentie in de gevangenis verblijven, zolang opname in de TBS-kliniek niet mogelijk is (art. 10 lid 1 PBW).

3. Inrichtingen voor stelselmatige daders (ISD)
Inrichtingen voor stelselmatige daders zijn bestemd voor personen aan wie de maatregel van art. 38m Sr is opgelegd (art. 10a PBW). Toepassing van art. 39 Sr kan ertoe leiden dat van de maatregel tot plaatsing in een ISD wordt afgezien. De maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive (art. 38m lid 2 Sr). De ISD strekt er mede toe om verslavingsproblematiek aan te pakken (art. 38m lid 3 Sr).

De maatregel ISD kan worden opgelegd, indien (art. 38m lid 1 onder 1-3 Sr):
1. het door de verdachte begane feit een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;
2. de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit minstens driemaal onherroepelijk is veroordeeld, het feit is begaan na tenuitvoerlegging van de straffen of maatregelen en er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan en;
3. dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist.

Voor de oplegging laat de rechter zich een met redenen omkleed advies over de wenselijkheid en noodzakelijkheid van de maatregel overleggen (art. 38m lid 4 Sr). Anders dan bij de oplegging van TBS (art. 13 Sr), wordt de inbreng van een gedragskundig advies niet vereist. Weigert de betrokkene om medewerking te verlenen aan het onderzoek ten behoeve van het advies, dan doet de rechter zich andere adviezen overleggen (art. 38m lid 5 Sr). Overigens moeten alle bestaande rapportages in aanmerking worden genomen, evenals de veelvuldigheid van voorafgegane veroordelingen (art. 38m lid 6 Sr).

De ISD-maatregel duurt maximaal twee jaren (art. 38n Sr). De rechter kan een voorwaardelijke niet-tenuitvoerlegging bepalen (art. 38p lid 1 Sr). De proeftijd is ten hoogste drie jaren (art. 38p lid 2 Sr). Aan het gedrag van de veroordeelde worden voorwaarden gesteld (art. 38p lid 4 Sr). Een voorwaardelijke oplegging van de ISD-maatregel kan inhouden dat de veroordeelde zich ambulant of intramuraal laat behandelen. Opname in een inrichting duurt ten hoogste twee jaren en is alleen mogelijk als de veroordeelde zich bereid verklaart om een behandeling te ondergaan (art. 38p lid 5 Sr). Een weigerachtige houding van de veroordeelde impliceert niet dat hij onbehandeld of ongestraft op straat komt te staan. Bij weigering zal de veroordeelde ofwel een straf in de gevangenis ondergaan, ofwel een niet-voorwaardelijke maatregel ISD opgelegd krijgen.

De rechtspositie van gedetineerden in de ISD wordt specifiek geregeld in art. 18a-18c PBW en art. 44b-44q van de Penitentiaire Maatregel (PM).
Vermelding verdient art. 44l PM, waarin is bepaald dat de selectiefunctionaris beslist over plaatsing buiten de inrichting in de laatste fase (art. 44l lid 1 PM). De betrokkene kan een verzoek tot plaatsing buiten de inrichting indienen; art. 18 tweede en derde lid is van overeenkomstige toepassing (art. 44l lid 5 PM).

4. Selectie en selectieprocedure
Onder verantwoordelijkheid van de minister worden selectiefunctionarissen met de plaatsing in en overplaatsing naar de inrichting belast (art. 15 lid 3 PBW). De selectiefunctionaris kan bepalen dat gedetineerden met een geestesstoornis naar een psychiatrisch ziekenhuis (art. 1 onder h Bopz) worden overgebracht (art. 15 lid 5 PBW). De selectiefunctionaris kan een voordracht doen voor deelname aan een penitentiair programma (art. 7 lid 1 Penitentiaire Maatregel). Het penitentiair programma is geregeld in de  artikelen 5-10 PM, de plaatsing van veroordeelden in een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden (op grond van art. 13 of de schakelbepaling van art. 19 Sr) in art. 41-44a PM. De bijzondere bepalingen met betrekking tot veroordeelden tot de maatregel ISD zijn te vinden in art. 44b-44q PM.

De gedetineerde kan klachten over plaatsing, overplaatsing, beëindiging of weigering van het verzoek tot deelname aan een penitentiair programma niet voorleggen aan de beklagcommissie, maar dient zijn verzoek in te dienen bij de selectiefunctionaris; de termijn voor bezwaar en beroep is zeven dagen, overeenkomstig art. 61 leden 2, 4 en 5 PBW (art. 17  en 18 PBW). 

5. Bewegingsvrijheid
De tenuitvoerlegging van de straf of maatregel in een inrichting vindt plaats in algehele (art. 20 PBW) dan wel beperkte gemeenschap (art. 21 PBW), tenzij plaatsing in een individueel regime (art. 22 PBW) noodzakelijk is (art. 19 lid 1 PBW). De directeur kan een gedetineerde uitsluiten van deelname aan activiteiten (art. 23 PBW) of hem in afzondering plaatsen (art. 24 PBW), indien de orde en veiligheid van de inrichting, de bescherming van de gedetineerde of ziekte van de gedetineerde dit eist of de gedetineerde hierom verzoekt (art. 23 lid 1 onder a-d PBW).

De uitzondering van activiteiten in het kader van de orde in de inrichting of de bescherming van de gedetineerde, duurt maximaal twee weken. Is de uitsluiting na twee weken nog noodzakelijk, dan kan de termijn steeds met twee weken worden verlengd (art. 23 lid 2 PBW). De plaatsing in afzondering op diezelfde gronden duurt ook maximaal twee weken (art. 24 lid 1 PBW). Indien onverwijlde uitsluiting of afzondering vereist is, is een ambtenaar bevoegd om de gedetineerde uit te sluiten of af te zonderen. De uitsluiting of afzondering door een ambtenaar kan ten hoogste vijftien uren; de directeur dient onverwijld op de hoogte te worden gesteld (art. 23 lid 3 en 24 lid 4 PBW).

Duurt de afzondering langer dan vierentwintig uur, dan worden de commissie van toezicht en de aan de inrichting verbonden arts in kennis gebracht (art. 24 lid 6 PBW). De directeur kan in overleg met de selectiefunctionaris bepalen, dat de gedetineerde voor afzondering naar een andere inrichting of afdeling wordt overgeplaatst (art. 25 PBW).

6. Controle
De gedetineerde kan aan lichaam en kleding worden onderzocht (art. 29 PBW). Voorwerpen die in lichaamsopeningen en -holten worden aangetroffen mogen worden verwijderd, indien deze zonder hulpmiddelen te verwijderen zijn. De directeur is bevoegd tot de inbeslagneming van voorwerpen die niet in het bezit van de gedetineerde mogen zijn (art. 29 lid 4 PBW). Indien dit noodzakelijk is in verband met de orde en veiligheid of de verlening van verlof, kan de directeur de gedetineerde verplichten om urine af te staan (art. 30 PBW).

6.1 Onderzoek in het lichaam en het gedogen van een geneeskundige handeling
Onderzoek in het lichaam is mogelijk ter afwending van ernstig gevaar voor de orde in de inrichting of de gezondheid van de gedetineerde. Het onderzoek wordt verricht door een arts of een verpleegkundige (art. 31 lid 1 PBW). De beslissing tot onderzoek in het lichaam is voorbehouden aan de directeur van de inrichting (art. 5 lid 4 onder e PBW). Indien onverwijld onderzoek nodig is, kan een ambtenaar of medewerker van de inrichting de beslissing nemen (art. 31 lid 2 PBW).

Is naar het oordeel van een arts een geneeskundige handeling volstrekt noodzakelijk ter afwending van gevaar, dan kan de directeur de gedetineerde verplichten om een geneeskundige handeling te gedogen (art. 32 lid 1 PBW). De handeling kan alleen worden verricht door een arts of verpleegkundige (art. 32 lid 2 PBW). De regelgeving omtrent de toepassing van een onvrijwillige geneeskundige behandeling is nader uitgewerkt in art. 21-23 PM (art. 32 lid 2 PBW).

6.2 Dwangbehandeling (psychiatrisch patiënten)
In art. 21 van de Penitentiaire Maatregel wordt onderscheid gemaakt tussen de a-dwangbehandeling en b-dwangbehandeling (art. 21 onder a en b PM). Een a-dwangbehandeling is een behandeling als bedoeld in art. 46d onder a PBW, een b-dwangbehandeling is een behandeling als bedoeld in art. 46d onder b PBW. De directeur draagt zorg voor de vaststelling van het geneeskundig behandelplan (art. 46b PBW). De a-behandeling vindt plaats na een schriftelijke beslissing van de directeur, voorzien van een termijn (art. 46e lid 1 PBW).  De beslissing wordt voorzien van een verklaring van de behandelend psychiater en een verklaring van een psychiater die de gedetineerde heeft onderzocht, maar niet betrokken is bij de behandeling (art. 46e lid 2 PBW).

6.2.1 a-dwangbehandeling en b-dwangbehandeling
Buiten de hiervoor besproken geneeskundige behandeling op grond van art. 32 PBW kan, indien niet is voldaan aan art. 46c onderdelen b en c PBW (met de mentor, curator en gedetineerde wordt dus geen overeenstemming bereikt over een geneeskundig behandelingsplan), kan als uiterste middel geneeskundige behandeling plaatsvinden:
a. voor zover aannemelijk is dat zonder die behandeling het gevaar van de geestesstoornis van gedetineerde niet binnen redelijke termijn wordt weggenomen (a-behandeling), of
b. indien de directeur daartoe een besluit heeft genomen en dit naar het oordeel van een arts noodzakelijk is om het gevaar dat de geestesstoornis doet veroorzaken, af te wenden (b-behandeling).

Ingeval een a- of b-dwangbehandeling wordt toegepast, wordt in het behandelplan opgenomen (art. 22 lid 1 PM):
a. welke minder bezwarende middelen zijn aangewend om het gevaar dat wordt veroorzaakt door de geestelijke stoornis, weg te nemen of af te wenden;
b. de wijze waarop rekening wordt gehouden met de voorkeuren van de gedetineerde ten aanzien van de behandeling.
Wordt geen overeenstemming bereikt met de gedetineerde dan wel diens curator of mentor, dan wordt het (deel van het) behandelplan slechts vastgesteld door de psychiater na multidisciplinair overleg met een psychiater, een arts, een psycholoog en een verpleegkundige. Ingeval van een a-behandeling worden de verklaringen van de betrokken psychiater en onafhankelijke psychiater (art. 46e lid 2 PBW) in het overleg betrokken (art. 22 leden 2 en 3 PM).

Voordat de directeur tot een b-dwangbehandeling beslist ter afwending van gevaar dat uit de psychische stoornis van de gedetineerde voortvloeit, wordt overleg gepleegd met de behandelend arts, het afdelingshoofd en de verantwoordelijke psychiater (art. 22a lid 2 PM). De subsidiariteit van de behandeling wordt in het overleg betrokken (art. 22a lid 3 PM). Met het oog op het gewenste tijdelijke karakter van de dwangbehandeling wordt zo spoedig mogelijk een plan opgesteld, gericht op de beëindiging van de geneeskundige dwangbehandeling door verbetering van de toestand van de psychiatrisch geaffecteerde gedetineerde (art. 22b PM).

Voordat de directeur tot voortzetting van een a-dwangbehandeling beslist, wordt overleg geplaagd met de verantwoordelijke psychiater en het afdelingshoofd. De uitkomsten van het tweewekelijkse multidisciplinaire overleg (art. 21a lid 4 PM) dienen in de beslissing tot de a-behandeling te worden meegenomen (art. 22c PM).

6.2.2 Toezicht op de geneeskundige dwangbehandeling
De directeur stelt de voorzitter van de commissie van toezicht, de raadsman, de curator en mentor in kennis van de voorgenomen beslissing tot a-dwangbehandeling, uiterlijk drie dagen voor het nemen van de beslissing. De voorzitter van de commissie doet hiervan melding aan de maandcommissaris, die de gedetineerde dient te bezoeken.

Van de toepassing van een a-dwangbehandeling, b-dwangbehandeling, gedwongen geneeskundige handeling (art. 32 PBW) of voortzetting van een a-dwangbehandeling, wordt melding gedaan aan de minister en de commissie van toezicht. Ingeval van een a- of b-dwangbehandeling of een geneeskundige handeling die wordt toegepast in verband met het gevaar dat voortvloeit uit een psychische stoornis, wordt melding gedaan aan de inspecteur voor de gezondheidszorg (art. 22e lid 3 PM).

De verantwoordelijke arts zorgt voor registratie van de melding van de toepassing van een a- of b-dwangbehandeling of gedwongen geneeskundige handeling en het (multidisciplinair) overleg in het medisch dossier (art. 22f PM). De inspecteur voor de gezondheidszorg stelt onderzoek in naar de zorgvuldigheid van de beslissing tot en uitvoering van de behandeling (art. 22g PM). Duurt de b-dwangbehandeling of geneeskundige handeling langer dan twee weken, dan stelt de directeur een adviescommissie in, bestaande uit ten minste een afdelingshoofd, arts, psychiater en psycholoog (art. 23 PM).

Tegen de beslissing tot een a-dwangbehandeling kan rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming (RJS) (art. 72 lid 3 PBW). Tegen de toepassing van de b-behandeling moet eerst de weg van het beklag worden bewandeld.

vrijdag 23 maart 2018

Formele aspecten aan de terbeschikkingstelling (TBS); rechtsbescherming krachtens de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (BVT)

Overzicht
1. TBS in combinatie met gevangenisstraf;
2. TBS met verpleging;
3. TBS met voorwaarden;
4. Voorwaardelijke beëindiging;
5. De Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (BVT);
6. Bemiddeling, beklag en beroep;
7. Rechtsplegingen in verband met TBS en plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis

1. TBS in combinatie met gevangenisstraf
De verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan op last van de rechter ter beschikking worden gesteld (art. 37a lid 1 Sr). Bij toepassing van lid 1 kan de rechter afzien van het opleggen van straf, ook indien hij bevindt dat het feit wel aan de verdachte kan worden toegerekend (art. 37a lid 2 Sr). Legt de rechter TBS met voorwaarden op, dan kan de vrijheidsstraf maximaal vijf jaar duren (art. 38 lid 3 Sr).

Een veroordeelde tot gevangenisstraf die wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens daarvoor in aanmerking komt, kan worden geplaatst in een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden (art. 13 lid 1 Sr). Is een combinatie van gevangenisstraf en TBS met verpleging van overheidswege opgelegd, dan wordt regelmatig beoordeeld of de veroordeelde dient te worden geplaatst in een inrichting voor verpleging (art. 13 lid 2 Sr). De plaatsing ingevolge art. 13 lid 1 Sr geschiedt na rapportage van ten minste twee gedragskundigen, waaronder een psychiater (art. 13 lid 3 Sr).

De plaatsing van een veroordeelde tot gevangenisstraf die tevens de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege is opgelegd, geschiedt indien het ten uitvoer te leggen gedeelte van de gevangenisstraf is ondergaan (art. 42 lid 1 Penitentiaire Maatregel), of eerder, indien er dringende medische redenen aanwezig zijn, de veroordeelde jonger is dan 23 jaar, of de rechter op grond van art. 37b lid 2 Sr een advies met betrekking tot tijdsbepaling heeft opgenomen in zijn vonnis.

2. TBS met verpleging
Het bevel tot TBS met verpleging van overheidswege wordt gegeven, indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist (art. 37b lid 1 Sr). Wordt de verpleging niet vereist, dan kan de rechter TBS met voorwaarden opleggen ter bescherming van de veiligheid van anderen (art. 38 lid 1 Sr).

De verpleging vindt plaats in een inrichting, aangewezen conform art. 37d Sr. Zolang opname in de inrichting niet mogelijk is, kan verblijf plaatsvinden in een huis van bewaring (art. 9 lid 2 onder f Penitentiaire Beginselenwet (PBW)). Tot gevangenisstraf veroordeelden aan wie tevens de maatregel van TBS met verpleging is opgelegd, kunnen na het einde van de gevangenisstraf tijdelijk in de gevangenis verblijven (art. 10 lid 1 PBW). De plaatsing van de ter beschikking gestelde geschiedt voordat de termijn van TBS zes maanden heeft belopen (art. 12 lid 1 Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (BVT)). De Minister kan, met inachtneming van art. 11 lid 2 BVT, deze termijn telkens met drie maanden verlengen (art. 12 lid 2 BVT). De totale duur van de TBS met verpleging is maximaal vier jaar, tenzij de TBS is opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de lichamelijke integriteit (art. 38e lid 1 Sr). Het vonnis geeft onder opgaaf van redenen aan of hiervan sprake is (art. 359 lid 7 Sv). Ten aanzien van TBS met verpleging geldt niet de bepaling dat de TBS maximaal negen jaar kan belopen (art. 38e lid 2 Sr).

Met het vervallen van art. 38j lid 2 Sr is na voorwaardelijke beëindiging van de verpleging, verlenging van de TBS met telkens een of twee jaren mogelijk (art. 38j Sr).

3. TBS met voorwaarden
Indien de rechter niet een bevel tot tbs met verpleging als bedoeld in art. 37b Sr geeft, stelt hij ter bescherming van de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van goederen, voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde (art. 38 lid 1 Sr). Voorwaarden kunnen slechts worden gesteld, indien de tbs'er zich bereid heeft verklaard tot naleving (art. 38 lid 6 Sr). De inhoud van de voorwaarden wordt vermeld in art. 38a Sr. Op vordering van het OM of de ter beschikking gestelde, kan de rechter de voorwaarden wijzigen, aanvullen of opheffen (art. 38b Sr).

De regelgeving met betrekking tot de invulling en uitvoering van de voorwaarden vindt nadere uitwerking in art. 62 van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden. Wordt de voorwaarde niet nageleefd of is de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar, dan kan de rechter, op vordering van het OM, alsnog TBS met verpleging bevelen (art. 38c Sr).

Indien TBS met voorwaarden met een vrijheidsstraf wordt gecombineerd, is het maximum van de vrijheidsstraf vijf jaar (art. 38 lid 3 Sr). Is de opgelegde vrijheidsstraf meer dan drie jaar, dan wordt in de uitspraak tevens de aard van de zorgverlening vastgesteld (art. 38 lid 4 Sr). Zo nodig worden voorafgaand aan het ontslag uit detentie opnieuw voorwaarden vastgesteld (art. 38 lid 5 Sr).

Uit de strekking van artikel 38 Sr blijkt dat de tenuitvoerlegging van de TBS met voorwaarden niet tijdens de detentie kan geschieden. De rechter kan op vordering van het OM of ambtshalve bevelen dat de TBS met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is (art. 38 lid 7 Sr). De terbeschikkingstelling geldt voor de tijd van twee jaar en kan telkens met één of twee jaar worden verlengd (art. 38d lid 2 Sr). Voor TBS met voorwaarden geldt art. 38e lid 2 Sr: de terbeschikkingstelling met voorwaarden gaat de periode van negen jaar niet te boven (art. 38e lid 2 Sr). Zoals hiervoor gezegd, kan alsnog TBS met verpleging worden bevolen, in dat geval is de mogelijkheid tot verlenging op grond van art. 38e lid jo. 3 Sr onbeperkt.

4. (Voorwaardelijke) beëindiging
Bij de beslissing tot verlenging van de TBS met verpleging, kan de rechter de TBS voorwaardelijk beëindigen (art. 38g lid 1 Sr). In dat geval stelt de rechter voorwaarden betreffende het gedrag (art. 38g lid 2 Sr). "Voorwaardelijke beëindiging bij de vordering tot verlenging" klinkt als een behoorlijke contradictie; bedoeld wordt dat de TBS met verpleging onder begeleiding zal verlopen. De enkele verlenging van de TBS, gevolgd door het aflopen van de terbeschikkingstelling, is evenals het van rechtswege aflopen van de termijn wanneer géén verlenging is bevolen, te abrupt.

Wordt de voorwaarde niet nageleefd of is de veiligheid van anderen of goederen in gevaar, dan kan de rechter een last tot hervatting van de TBS met verpleging geven (art. 38k Sr). Indien het proefverlof  ten minste twaalf maanden heeft voortgeduurd, zonder dat in deze periode de TBS is verlengd, kan de rechter de verpleging voorwaardelijk beëindigen (art. 38h lid 1 Sr). In het geval van voorwaardelijke beëindiging van de verpleging kan de TBS telkens met een of twee jaar worden verlengd (art. 38j Sr). De beperking die voordien op grond van lid 2 van art. 38j Sr bestond, is vervallen. De beëindiging van de TBS vindt plaats nadat de verpleging minimaal een jaar voorwaardelijk beëindigd is geweest (art. 509t lid 2 Sv).

5. De Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (BVT)
Het doel van de TBS wordt genoemd in art. 2 Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden: de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel in een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden wordt zoveel mogelijk dienstbaar gemaakt aan de behandeling van de veroordeelde en de voorbereiding op diens terugkeer naar de maatschappij. Bij het verlenen van vrijheden aan de TBS'er wordt rekening gehouden met de veiligheid van de samenleving en de belangen van slachtoffers en nabestaanden (art. 2 lid 1 BVT). Verpleegden worden aan geen andere beperkingen onderworpen dan die welke in het belang van de handhaving van de orde of veiligheid in de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden nodig zijn (art. 2 lid 2 BVT).

Bij de plaatsing in de inrichting worden de bescherming van de maatschappij tegen de gevaarlijkheid van de TBS'er en de aard van de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de ter beschikking gestelde in de overwegingen betrokken (art. 11 lid 2 onder a en b BVT). Uitgangspunt is dat de TBS'er binnen een termijn van zes maanden geplaatst zal worden in een inrichting, maar de plaatsingstermijn kan door de minister steeds met drie maanden worden verlengd (art. 12 leden 1 en 2 BVT). Wordt binnen de zesmaandentermijn géén beslissing genomen, dan geldt alsnog dat de termijn wordt verlengd volgens het tweede lid (art. 12 lid 3 BVT).

5.1 Huisregels en melding voorvallen in de inrichting
Het hoofd van de inrichting is verantwoordelijk voor het opstellen van de huisregels en het instrueren van het personeel (art. 7 BVT), het melden van ongeoorloofde afwezigheid van de TBS'er en bijzondere voorvallen aan de minister (art. 7a BVT) en het opstellen van codes ter signalering en melding van huiselijk geweld en kindermishandeling (art. 7b BVT).

De minister is verantwoordelijk voor het toezicht op de verpleging van ter beschikking gestelden (art. 8 BVT). De minister wijst de ambtenaren aan die met de controle zijn belast en te allen tijde toegang hebben tot de inrichting. In een daartoe bestemd register worden de aantekeningen van voorvallen (art. 509o lid 2 onder 2 Sv) bijgehouden (art. 8 lid 3 BVT). De minister stelt bovendien een commissie van toezicht in, die is belast met het toezicht op de uitvoering van de behandeling en verpleging van ter beschikking gestelden en door de verplegers gemelde grieven (art. 10 BVT).

5.2 Verpleging en behandeling
Het hoofd van de inrichting draagt zorg voor het zo spoedig mogelijk (binnen drie maanden na binnenkomst van de TBS'er) opstellen van het verpleeg- en behandelplan (art. 16 lid 1 BVT). Behandeling is gericht op het wegnemen van het gevaar dat door de geestelijke stoornis van de verpleegde wordt veroorzaakt, zodanig dat de terbeschikkingstelling kan worden beëindigd. De behandeling kan bestaan uit het wegnemen van het gevaar en het behandelen van de stoornis (art. 16 lid 2 BVT.

5.2.1 Behandeling tegen de wil van de ter beschikking gestelde
Behandeling kan in beginsel niet plaatsvinden, indien de verpleegde (dan wel curator, voogd/ouders of mentor, art. 16 lid 4 BVT) zich tegen behandeling verzet (art. 16a BVT). Niettemin kan de behandeling als uiterste middel aan de TBS'er worden opgelegd, voor zover het aannemelijk is dat het gevaar dat door de stoornis wordt veroorzaakt, niet kan worden weggenomen (art. 16b onder a BVT). Behandeling tegen de wil van de TBS'er is ook mogelijk, indien het hoofd van de inrichting daartoe een besluit, onderworpen aan het oordeel van een arts, heeft genomen (art. 16b onder b BVT).

De dwangbehandeling ingevolge art. 16b onder a BVT vindt slechts plaats na een schriftelijke beslissing van het hoofd van de inrichting, met termijnstelling (art. 16c lid 1 BVT). De beslissing wordt voorzien van een verklaring van een psychiater die de verpleegde heeft onderzocht, maar die niet bij de behandeling van de TBS'er betrokken was (art. 16c lid 2 BVT). De dwangbehandeling duurt maximaal drie maanden (art. 16c lid 4 BVT), maar kan verlengd worden bij schriftelijke beslissing door het hoofd van de inrichting (art. 16c lid 5 BVT). De beslissing wordt gemeld aan de Commissie van Toezicht (art. 16c lid 4 BVT). Bij AMvB wordt de invulling van de toepassing van de dwangmaatregelen bepaald. In ieder geval worden regels gesteld betreffende de melding en registratie van de dwangbehandeling, alsmede de taak van de behandelend arts (art. 16c lid 7 BVT).

De verpleegde heeft recht op een periodieke evaluatie, die ten minste eenmaal per jaar plaatsvindt en in ieder geval tijdig voor de opmaking van een advies als bedoeld in art. 509o lid 2 onder 1 Sv (art. 18 BVT). De verpleegde heeft recht op kennisneming van het hem betreffende dossier. De kennisneming van bepaalde gegevens mag hem worden onthouden, voor zover dit noodzakelijk is ter afwending van ernstig gevaar voor de handhaving van de orde in de inrichting en ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van anderen (art. 20 BVT). De inzage in het dossier kan worden beperkt tot de verstrekking van een samenvatting door het hoofd van de inrichting (art. 20 lid 3 BVT).

5.3 Toepassing van geweld
Het grondwettelijke recht op onaantastbaarheid van het lichaam van de TBS'er kan worden beperkt (art. 21 BVT), in overeenstemming met de clausule in art. 15 van de Grondwet. Het hoofd van de inrichting is bij binnenkomst, voorafgaand aan en na afloop van bezoek van de TBS'er bevoegd om onderzoek aan zijn lichaam en kleding te onderzoeken (art. 23 BVT). Voorwerpen die zonder hulpmiddel uit de lichaamsholten kunnen worden verwijderd, vallen onder de bevoegdheid, niettegenstaande dat de lichaamsopeningen alleen uitwendig worden beschouwd. Onderzoek in het lichaam wordt uitgevoerd door een arts of een verpleegkundige in opdracht van de art. (art. 25 BVT).

Het hoofd van de inrichting kan de verpleegde verplichten tot het gedogen van een geneeskundige behandeling, indien dit naar het oordeel van de arts noodzakelijk is ter afwending van gevaar (art. 26 lid 1 BVT). Voor een ingreep in het lichaam, anders dan de geneeskundige behandeling als bedoeld in art. 26, is toestemming van de verpleegde nodig (art. 28 lid 2 BVT). Het advies van een onafhankelijke arts dient te worden ingewonnen door de arts die in opdracht van de inrichting de ingreep uit zal voeren (art. 28 lid 3 BVT).

De verpleegde kan worden gesepareerd (art. 34 BVT), waarbij de verpleegde tijdens de separatie door mechanisme middelen ten hoogste vierentwintig uren in zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt (art. 27 lid 1 BVT). Het hoofd van de inrichting mag tegen de verpleegde geweld gebruiken. Van het toegepaste geweld wordt schriftelijk melding gemaakt (art. 30 lid 3 BVT).

5.4 Beperking van vrijheden en separatie
Buiten twijfel wordt gesteld dat de bewegingsvrijheid van verpleegden per inrichting en per afdeling kan verschillen (art. 31 lid 1 BVT). Behoudens separatie, intensieve zorg of een disciplinaire maatregel, heeft de verpleegde recht op minimaal vier uren per dag contact met medeverpleegden (art. 31 lid 2 BVT).

Als de veiligheid van de inrichting, de bescherming van de maatschappij en de afwending van ernstig gevaar voor de gezondheid van de verpleegde dit vergen, kan de verpleegde op een afdeling voor intensieve zorg worden geplaatst (art. 32 lid 1 BVT). Binnen zes maanden dient te worden geëvalueerd of voortzetting van de intensieve zorg nodig is (art. 32 lid 2 BVT). De verpleegde op de afdeling voor intensieve zorg heeft recht op minimaal tweemaal per dag een half uur contact met medeverpleegden (art. 32 lid 3 BVT).

Met het oog op de belangen, genoemd in art. 32 lid 1 BVT, kan het hoofd van de inrichting besluiten om de verpleegde af te zonderen of te separeren. Duurt de separatie langer dan vierentwintig uren, dan worden de aan de inrichting verbonden arts en de Commissie van Toezicht onverwijld van de separatie in kennis gebracht (art. 34 lid 5 BVT). De verpleegde kan dag en nacht onder cameratoezicht worden gesteld (art. 34a BVT). Daarbij wordt het advies van de voor de behandeling verantwoordelijke psychiater of een aan de inrichting verbonden arts ingewonnen.

5.4.1 Toezicht op post, bezoek en telefoonverkeer
De verpleegde heeft het recht om brieven en poststukken te verzenden en ontvangen (art. 35 lid 1 BVT). Zoveel mogelijk in de aanwezigheid van de verpleegde, kan de post door het hoofd van de inrichting worden geopend om de aanwezigheid van voorwerpen te onderzoeken (art. 35 lid 2 BVT), met dien verstande dat voor vrijwillig opgenomen verpleegden toestemming door de kantonrechter is vereist. Met het oog op de bescherming van de maatschappij, de veiligheid in de inrichting en de bescherming van de rechten van slachtoffers kan voor een periode van telkens ten hoogste vier weken, toezicht worden gehouden op de verzending en ontvangst van poststukken (art. 35 lid 3 onder a-e BVT). Indien dit noodzakelijk is, wordt de verzending en ontvangst van poststukken geweigerd (art. 35 lid 5 BVT).

Het recht op minimaal een uur per week ontvangen van bezoek kan worden ingeperkt met het oog op de belangen, genoemd in art. 35 lid 3 BVT; zo kan telkens voor een periode van vier weken bezoek worden geweigerd (art. 37 lid 3 BVT) en toezicht worden gehouden, bijvoorbeeld in de vorm van het afluisteren of opnemen van gesprekken. Van de aard en reden van het toezicht moet tevoren aan de verpleegde melding worden gedaan (art. 37 lid 4 BVT).

Ook het telefoonverkeer van de verpleegde met personen buiten de inrichting kan, met het oog op de belangen genoemd in art. 35 lid 3 BVT, aan toezicht en weigering worden onderworpen (art. 38 leden 2 en 3 BVT).

5.4.2 Uitbreiding van vrijheden onder voorwaarden
Het hoofd van de inrichting kan aan de verpleegde onder voorwaarden meer vrijheden toekennen (art. 31 lid 4 BVT). Een voorwaarde kan bestaan uit het verrichten van betaald gevangeniswerk (art. 46 lid 2 BVT). De uitbreiding van de vrijheden brengen verplichte deelname aan activiteiten of arbeid mee (art. 46 lid 1 onder a BVT). Ook bij voorwaardelijk verlof of voorwaardelijk proefverlof (art. 50 lid 2 resp. art. 51 lid 2 BVT) kan de verpleegde worden verplicht tot verrichting van arbeid buiten de inrichting (art. 46 lid 3 BVT).

6 Bemiddeling, beklag en beroep
6.1 Bemiddeling en voor beklag vatbare beslissingen
Uit de plaatsing van artikel 55 BVT blijkt dat aan bemiddeling de voorkeur wordt gegeven, indien de verpleegde het oneens is met de bejegening door het hoofd van de inrichting. Gedragingen van personeelsleden hebben te gelden als gedragingen van het hoofd van de inrichting, die de verantwoordelijkheid ter zake draagt. Bij beslissingen die vatbaar zijn voor beklag, wordt de verpleegde door de Commissie van Toezicht gewezen op de mogelijkheid van beklag (art. 55 lid 5 BVT), dit ter voorkoming van het onbenut laten verstrijken van de termijn waarbinnen beklag moet worden gedaan.

De verpleegde kan op grond van art. 56 lid 1 BVT bij de Beklagcommissie beklag doen over de beslissing tot oplegging van een disciplinaire straf (art. 49 BVT), de plaatsing of voortzetting van de behandeling op een afdeling voor intensieve zorg (art. 32 leden 1 en 2 BVT), de beperking van briefcontact, telefonisch contact, bezoek en contact met de pers (art. 35 t/m 39 BVT) en de weigering om een kind in de inrichting op te voeden (art. 47 BVT). De verpleegde kan voorts beklag doen over de intrekking van verlof als bedoeld in art. 50 lid 3 BVT (indien het verlof meer dan een week heeft geduurd) en over de intrekking van proefverlof als bedoeld in art. 51 lid 3 BVT (art. 56 lid 2 BVT). De door het hoofd van de inrichting betrachte zorgplicht is niet vatbaar voor beklag (art. 56 lid 4 BVT).

De beklagmogelijkheden in het geval van beperking tot de afdeling, separatie en afzondering zijn gebonden aan de in art. 57 leden 1-3 BVT genoemde termijnen. Over de beslissing tot verlenging van de separatie of afzondering op de voet van art. 34 BVT kan dadelijk beklag worden gedaan (art. 57 lid 5 BVT), evenals over de toepassing van cameratoezicht op grond van art. 34a BVT (art. 57 lid 6 BVT).

6.2. Klachtenprocedure
De beklagcommissie wordt gevormd uit de Commissie van Toezicht die aan de instelling is verbonden (art. 59 BVT). Tenzij het beklag aanstonds kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond wordt geacht, stelt de beklagcommissie de klager en het hoofd van de inrichting in de gelegenheid om mondeling opmerkingen te maken (art. 61 lid 1 BVT). Het horen kan afzonderlijk geschieden, waarbij de klager en het hoofd van de inrichting vooraf in de gelegenheid worden gesteld om vragen op te geven. De klager heeft recht op bijstand door een advocaat (art. 62 BVT).
Indien een bemiddelingsprocedure nog niet is afgesloten of de commissie van oordeel is dat het klaagschrift zich leent voor bemiddeling, kan de behandeling van het klaagschrift voor onbepaalde tijd worden uitgesteld (art. 63 BVT).

6.2.1 Schorsing van de tenuitvoerlegging van beslissingen
Hangende de uitspraak op het klaagschrift, kan de voorzitter van de beroepscommissie op verzoek van de klager en na het horen van het hoofd van de inrichting, de tenuitvoerlegging van de aangevochten beslissing geheel of gedeeltelijk schorsen (art. 64 BVT).

6.2.2 Beslissing en uitspraak door de beklagcommissie; belangenafweging
De beklagcommissie doet binnen vier weken vanaf de datum van ontvangst van het klaagschrift of vanaf de datum waarop een bemiddelingsprocedure is afgesloten, uitspraak (art. 65 lid 1 BVT). De gemotiveerde uitspraak bevat een vermelding van de mogelijkheid tot het instellen van beroep bij de beroepscommissie en de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit moet worden gedaan, alsmede de mogelijkheid van het doen van een verzoek aan de voorzitter van de beroepscommissie om hangende de uitspraak op het beroepschrift, de tenuitvoerlegging van de uitspraak van de beklagcommissie te schorsen (art. 65 lid 3 BVT).

De uitspraak door de geschillencommissie strekt tot gehele of gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van het beklag, ongegrondverklaring van het beklag of gegrondverklaring van het beklag (art. 66 lid 1 onder a-c BVT).
Indien de beklagcommissie van oordeel is dat de beslissing waarover is geklaagd:
a. in strijd is met een in de inrichting geldend wettelijk voorschrift of een een ieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag (art. 66 lid 2 onder a BVT), dan wel
b. bij afweging van alle belangen, waaronder de veiligheid van de samenleving en de belangen van de slachtoffers en nabestaanden, onredelijk of onbillijk moet worden geacht (art. 66 lid 2 onder b BVT), verklaart zij het beklag gegrond en vernietigt zij de beslissing geheel of gedeeltelijk.

De commissie kan het hoofd van de inrichting opdragen om een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van de uitspraak van de beklagcommissie, bepalen dat de uitspraak van de commissie in de plaats treedt van de vernietigde beslissing of volstaan met gehele of gedeeltelijke vernietiging (art. 66 lid 3 onder a-c BVT). Het hoofd van de inrichting heeft, in het geval van vernietiging van de aangevochten beslissing, de plicht om de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing zoveel mogelijk ongedaan te maken of in overeenstemming te brengen met de beslissing van de beklagcommissie (art. 66 lid 6 BVT). Is het niet mogelijk om de rechtsgevolgen ongedaan te maken, dan stelt de beklagcommissie vast of en in welke vorm aan de klager compensatie wordt geboden (art. 66 lid 7 BVT).

6.3 Beroep tegen de uitspraak van de beklagcommissie
Uiterlijk op de zevende dag na die van de ontvangst van de uitspraak (of de mondelinge mededeling van de uitspraak) kunnen het hoofd van de inrichting en de klager beroep instellen bij de beroepscommissie (art. 67 lid 1 BVT). De beroepscommissie is samengesteld uit een door de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming benoemde commissie (zie art. 1 onder n BVT) van tenminste drie leden of buitengewone leden, bijgestaan door een secretaris (art. 67 lid 2 BVT).

De indiening van het beroepschrift schorst de tenuitvoerlegging van de uitspraak van de beklagcommissie niet. De indiener van het beroepschrift zal dus bij de voorzitter van de beroepscommissie een verzoek tot schorsing in moeten dienen (art. 67 lid  4 BVT). De beroepscommissie doet zo spoedig mogelijk uitspraak.

6.3.1 Beroep tegen beslissingen waartegen geen beklag openstaat
Een ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde, kan bij de beroepscommissie beroep instellen tegen beslissingen waartegen géén beklag is opengesteld (art. 69 BVT). Voor beroep vatbare beslissingen zijn onder meer (art. 69 lid 1 onder a-g BVT):
a. plaatsing of overplaatsing overeenkomstig art. 11, 13 en 14 BVT;
b. de verlenging van de termijnen voor plaatsing in de inrichting (art. 12 lid 2 BVT) en observatie in een andere kliniek (art. 13 lid 2 BVT);
c. de intrekking door de minister van de machtiging tot verlof en proefverlof (art. 50 en 51 BVT).

De betrokkenen, het hoofd van de inrichting en de verpleegde, kunnen geen rechtsmiddel aanwenden tegen de uitspraak van de beroepscommissie. Die mogelijkheid komt slechts toe aan de P-G bij de Hoge Raad en wel als hij instelling van cassatie in het belang der wet acht.

7 Rechtsplegingen in verband met de terbeschikkingstelling en de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis
De (procedurele) rechtspositie van de ter beschikking gestelde is geregeld in Titel IIB, Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering (art. 509f-509x Sv).
Het OM kan, niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand vóór het tijdstip waarop de TBS door tijdsverloop zal eindigen, een vordering indienen tot verlenging van de TBS (art. 509o lid 1 Sv). Wordt de ter beschikking gestelde van overheidswege verpleegd, dan worden bij de vordering tot verlening overgelegd (art. 509o lid 2 Sv):
1. een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies van het hoofd van de inrichting;
2. een afschrift van de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de ter beschikking gestelde.

Indien de TBS'er niet van overheidswege wordt verpleegd, wordt bij de vordering overgelegd een recent opgemaakt, met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies van de reclassering en van een psychiater die zelf de ter beschikking gestelde heeft onderzocht (art. 509o lid 3 Sv).

Vordert het OM een verlening waardoor de totale duur van de TBS een periode van zes jaar of een veelvoud van zes jaar te boven gaat, dan legt het bij de vordering over een recent opgemaakt advies van twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, gezamenlijk, dan wel adviezen van ieder van hen afzonderlijk. De gedragsdeskundigen dienen op het ogenblik van het uitbrengen van het advies onafhankelijk te zijn, dus niet te zijn verbonden aan de inrichting waarin de TBS'er wordt verpleegd. Weigert de ter beschikking gestelde zijn medewerking te verlenen, dan vindt het voorgaande geen toepassing (art. 509o lid 4 Sv).

Wordt de vordering tot verlenging van de TBS niet tijdig ingediend conform art. 509o lid 1 Sv, dan is een vordering tot verlenging, ingediend binnen redelijke termijn, toch ontvankelijk, indien er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de algemene veiligheid verlenging van de TBS vereist (art. 509oa lid 1 Sv). De officier van justitie dient onverwijld een vordering tot voorlopige voortzetting van de TBS in (art. 509oa lid 2 Sv).

De rechtbank beslist binnen twee maanden na de dag waarop de vordering tot verlenging van de TBS is ingediend (art. 509t lid 1 Sv). Indien de rechtbank beslist tot verlenging van de terbeschikkingstelling voor één jaar dan wel twee jaren, kan zij, ambtshalve of op verzoek van het OM of de ter beschikking gestelde, tevens de verpleging van overheidswege voorwaardelijk beëindigen. Beëindiging van de terbeschikkingstelling vindt niet plaats dan nadat de verpleging gedurende ten minste een jaar voorwaardelijk beëindigd is geweest (art. 509t lid 2 Sv).

Wanneer het OM van oordeel is dat toepassing behoort te worden gegeven aan een der bepalingen van de artikelen 38c, 38i of 38k Sr (vordering (hervatting) verpleging), dient het een daartoe strekkende vordering in (art. 509j lid 1 Sv). Het OM kan dan tevens een vordering tot verlenging van de TBS indienen (art. 509m lid 3 Sv). Wanneer ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat hervatting van de verpleging zal worden gelast, kan de aanhouding van de verpleging worden bevolen door de officier van justitie (art. 509i lid 1 Sv). De officier van justitie kan, indien hij de aanhouding noodzakelijk blijft vinden, een vordering tot voorlopige (hervatting van de) verpleging indienen bij de rechter-commissaris (art. 509i lid 3 Sv).

Indien bevel wordt gegeven dat de TBS'er alsnog van overheidswege wordt verpleegd, de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging wordt opgeheven met last tot hervatting van de verpleging, dan wel de verpleging op grond van art. 38la lid 6 Sr wordt hervat, geeft de beslissing de bijzondere redenen aan die hiertoe hebben geleid (art. 509n lid 1 Sv).

7.1 Rechtsmiddelen en rechtsbijstand
De beslissing op de vordering of het verzoek tot toepassing van art. 38b Sr (wijziging voorwaarden TBS), dan wel art. 38i Sr (wijziging voorwaarden bij de voorwaardelijke beëindiging  van de verpleging of voorwaardelijke beëindiging van het proefverlof) is niet aan enig gewoon rechtsmiddel onderworpen (art. 509n lid 2 Sv).

Tegen de beslissing van de rechtbank kunnen de ter beschikking gestelde en het OM binnen veertien dagen beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (art. 509v lid 1 Sv). De beslissing van het gerechtshof is niet vatbaar voor hoger beroep (art. 509x lid 2 Sv).

De TBS'er krijgt een raadsman toegewezen (art. 509k en 509r Sv).

zondag 18 maart 2018

Juridische inbedding van psychiatrische rapportage pro Justitia

Inleiding
De rechter vermoedt dat de verdachte het ten laste gelegde feit mede onder invloed van een geestelijke stoornis heeft begaan. De eventueel toepasbare juridische fictie van de toerekeningsvatbaarheid is géén natuurwetenschappelijk gegeven; de juridische causaliteit is een andere dan de wetenschappelijke causaliteit, als in natuurwetten vervat. De mate van toerekeningsvatbaarheid, zoals die wordt vertaald in een drie- of vijfpuntsschaal, is evenmin wetenschappelijk gefundeerd. Dat neemt niet weg dat de strafrechtelijke toerekening een in het Nederlandse recht aanvaarde constructie is die het fundament vormt voor het opleggen van straf of strafmaat, dan wel een combinatie daarvan. De implicatie van deze rechtspolitieke keuze door de wetgever is dat de rapportage pro Justitia door de psychiatrisch deskundige zo opgesteld dient te worden, opdat de rechter zich een oordeel kan vormen over het vraagstuk van de toerekeningsvatbaarheid. De toerekeningsvatbaarheid werkt door in het format van de rapportage pro Justitia, verschaft door de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVVP), te vinden in de Richtlijnen database en geactualiseerd door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie (NIFP).

Overigens moet onderscheid worden gemaakt tussen de wettelijke bepalingen die strafrechtelijke rapportage pro Justitia vereisen. De ontoerekeningsvatbaarheid, als schulduitsluitingsgrond vervat in art. 39 Sr, vereist causaal verband tussen stoornis en delict. Toepasselijkheid van art. 39 Sr brengt ontslag van alle rechtsvervolging (OVAR) mee, maar géén vrijspraak; slechts in een uitzonderlijk geval wordt geoordeeld dat opzet niet kan worden bewezen omdat de geestelijk gestoorde elk (cognitief) inzicht ontbeert. Daarmee is direct gezegd dat ook de zwaar gestoorde dader een vrijheidsstraf kan worden opgelegd, voor zover de voorbedachte raad uit het delict kan worden geconstrueerd. Art. 39 Sr hangt nauw samen met art. 37 Sr, waarin is bepaald dat de rechter kan gelasten dat degene aan wie een strafbaar feit wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend, in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst. Ook in deze formulering is het causaliteitsvereiste expliciet vervat.

Bij de terbeschikkingstelling ontbreekt wettelijk gezien het causaliteitsvereiste. Aan de TBS wordt alleen het temporaliteitsvereiste gesteld: art. 37a Sr bepaalt dat de verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, op last van de rechter ter beschikking kan worden gesteld. De oplegging van TBS geschiedt in het kader van de voorkoming van recidive; het verband tussen de stoornis en het recidivegevaar is derhalve wel vereist (HR 9 november 1982, NJ 1983, 268).

Voor het geven van een last tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis of TBS dient de rechter zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines te doen overleggen (art. 37 lid 2 en 37a lid 3 Sr). Primair komt betekenis toe aan de psychiater als geneeskundige, zo blijkt uit het artikel. De rechter is niet verplicht om het advies van de gedragsdeskundige omtrent de toerekenbaarheid te volgen. De wet eist slechts dat de rechter zich heeft getroost zijn beslissing tot stand te doen komen onder voorlichting van de experts. Indien het gedragskundig advies eerder dan een jaar voor aanvang van de terechtzitting is gedagtekend, dan kan de rechter hiervan slechts gebruik maken met instemming van het OM en de verdachte (art. 37 lid 2 laatste volzin Sr). Ontbreekt de instemming door de verdachte, dan nog kunnen gedragskundigen oudere rapportages gebruiken ten behoeve van nieuw onderzoek (HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2743).

De weigerachtige verdachte: TBS blijft mogelijk
De eis van het multidisciplinair gedragskundig onderzoek geldt niet in het geval van een weigerende observandus (art. 37 lid 3 Sr). Wanneer de betrokkene weigert zijn medewerking te verlenen, wordt over de reden van deze weigering rapport opgemaakt. Anders dan de populaire opvatting staat de weigering door de verdachte om mee te werken aan het gedragskundig onderzoek, niet aan de oplegging van TBS in de weg. De rechter doet zich ingevolge art. 37 lid 3 Sr zoveel mogelijk een ander advies of rapport overleggen, dat hem over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van TBS kan voorlichten en aan de totstandkoming waarvan de verdachte wel bereid is om medewerking te verlenen. Bovendien geldt art. 37a lid 4 Sr onverkort: bij het geven van een last (TBS) neemt de rechter de inhoud van overige adviezen en rapporten die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, alsmede de ernst van het begane feit of antecedenten in aanmerking (art. 37a lid 4 Sr).

In een volgend bericht zal ik ingaan op de inhoud van psychiatrische rapportage pro Justitia. Hieronder schets ik de wettelijke kaders die de inbreng van de gedragsexperts in de strafrechtelijke zaak bepalen. 

1.1 Algemene bepalingen
De definities die betrekking hebben op de deskundige in algemene zin, zijn te vinden onder Titel IIIC Boek 1 Sv (art. 51i-51m Sv). De psychiatrisch deskundige wordt benoemd met een opdracht tot het geven van informatie over of het doen van onderzoek op het terrein, waarvan hij specifieke of bijzondere kennis bezit (art. 51i lid 1 Sv). Onder deze kennis wordt in het kader van de bewijsaanlevering ook wetenschap verstaan in de zin van art. 343 en 344 lid 1 onder 4 Sv. Aan de deskundige wordt opgedragen naar waarheid, volledig en naar het beste inzicht verslag uit te brengen (art. 51i lid 3 Sv). Ieder die tot deskundige is benoemd, is tegenover de rechter verplicht om de opgedragen diensten te bewijzen (art. 51j lid 1 Sv).

Wordt een deskundige benoemd die niet in het landelijk openbaar register van gerechtelijke deskundigen (NRGD) is opgenomen, dan dient te worden gemotiveerd op grond waarvan hij als deskundige wordt aangemerkt (art. 227 jo art. 51k lid 2 Sv). De kwaliteit van de inhoud van de strafrechtelijke rapportage wordt bewaakt door art. 51l lid 1 Sv, waarin is bepaald dat 'de deskundige aan zijn opdrachtgever een met redenen omkleed verslag uitbrengt. Hij geeft daarbij aan, welke methode is toegepast, in welke mate deze methode en de resultaten daarvan betrouwbaar kunnen worden geacht en welke bekwaamheid hij heeft bij de toepassing (art. 51l lid 1 Sv). Ten overvloede wordt benadrukt dat de deskundige verklaart het verslag te hebben opgesteld naar waarheid, volledig en gebaseerd op wat zijn wetenschap en kennis hem leren omtrent het aan zijn oordeel onderworpene (art. 51l lid 3 Sv).

1.2 Rechten van de verdachte
De officier van justitie kan ambtshalve of op verzoek van de verdachte, een deskundige die is opgenomen in het NRGD benoemen (art. 150 Sv). De verdachte heeft het recht om door de officier van justitie geïnformeerd te worden over de aan de deskundige verleende opdracht; tevens kan de verdachte verzoeken tot het doen van aanvullend onderzoek (art. 150a lid 1 Sv). Naar aanleiding van de uitslag van het rapport kan de verdachte binnen twee weken na kennisgeving, om een tegenonderzoek verzoeken; daarbij geeft hij aan, welke deskundige een aan het eerste onderzoek gelijkwaardig tegenonderzoek zou moeten uitvoeren (art. 150a lid 3 Sv). Weigert de officier van justitie een verzoek van de verdachte tot benoeming van een deskundige of tot het doen verrichten van contra-expertise, dan dient hij deze weigering te motiveren (art. 150b lid 1 Sv). Binnen twee weken na deze weigering kan de verdachte de rechter-commissaris verzoeken tot de benoeming van een deskundige over te gaan (art. 150b lid 2 Sv). Let op het verschil in rechtsbescherming van de verdachte op grond van art. 150 e.v. Sv in vergelijking met overige bepalingen. Dat heeft ermee te maken dat de officier van justitie beperkte bevoegdheden heeft. Titel IIIC van Boek 1 Sv is wel van toepassing, maar de deskundigenbepalingen van art. 227-236 Sv zijn niet van toepassing op de bevoegdheden van de OvJ.

De R-C beschikt over een breed scala aan bevoegdheden en dat komt tot uitdrukking in de mogelijkheden voor verdachte. Het recht van de verdachte op tegenonderzoek wordt onder meer bestreken door de artikelen 176 en 227 leden 1 en 2. De verdachte aan wie van de opdracht aan de deskundige tot strafrechtelijk onderzoek is kennisgegeven, is bevoegd om een deskundige aan te wijzen, die het recht heeft om bij het onderzoek van de deskundige aanwezig te zijn en daarbij aanwijzingen te geven en opmerkingen te maken (art. 228 lid 4 Sv).

De verdachte ontvangt een kopie van het rapport (art. 230 lid 1 Sv). Na uitbreng van het verslag van de deskundige, is de verdachte bevoegd om een deskundige aan te wijzen die de rapportage controleert (art. 230 lid 2 Sv). Naar aanleiding van het rapport kan de verdachte de R-C verzoeken om nader onderzoek op te dragen aan een of meer deskundigen (art. 231 lid 1 Sv).

De rechter-commissaris kan, onverminderd art. 591 Sv, beslissen dat een deskundige die op verzoek van de verdachte onderzoek heeft uitgevoerd dat in het belang van het onderzoek is gebleken, vergoed wordt uit 's rijks kas (art. 51j lid 4 Sv).

1.3 Onbevoegdheid en beperkingen van de officier van justitie
De OvJ kan slechts een deskundige benoemen die is opgenomen in het NRGD (art. 150 i.v.m. 51k lid 1 Sv). Het tweede lid van art. 51k Sv is derhalve niet van toepassing op de benoeming van deskundigen door de OvJ. De OvJ ontbeert de mogelijkheid om deskundigen te beëdigen (vgl. art. 216 en 216a lid 3 Sv). De officier van justitie is niet bevoegd om het bevel tot overplaatsing van de voorlopig gehechte ten behoeve van klinische observatie te gelasten; dit bevel kan slechts worden gegeven door de rechter-commissaris (art. 196 Sv) of zittingsrechter (art. 317 Sv; art. 509g Sv).

1.4 De deskundige als getuige-deskundige
Op het onderzoek ter terechtzitting zijn de bepalingen inzake getuigen en hun verklaringen, ook van toepassing ten aanzien van deskundigen en hun verklaringen (art. 299 Sv).

1.5 Wanneer is wel en wanneer geen (multidisciplinaire) rapportage vereist?
De oplegging van opname in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 37 Sr) of de terbeschikkingstelling (art. 37a Sr) vereist multidisciplinaire rapportage door gedragskundigen (art. 37 lid 2 jo. 37a lid 3 Sr). Het OM kan verlenging van TBS vorderen. Indien de ter beschikking gestelde niet van overheidswege wordt verpleegd, wordt bij de vordering tot verlenging van de TBS overgelegd, rapportage van de reclassering en de psychiater die zelf de ter beschikking gestelde heeft onderzocht (art. 509o lid 3 Sv). Vordert het OM een verlenging van de TBS waardoor de totale duur van de TBS een periode van zes jaar of een veelvoud van zes jaar te boven gaat, dan geldt het vereiste van de multidisciplinaire rapportage van ten minste twee gedragskundigen, waaronder een psychiater, die niet aan de inrichting zijn verbonden waar de ter beschikking gestelde wordt verpleegd (art. 509o lid 4 Sv).

Plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt voorafgegaan door rapportage door ten minste twee gedragskundigen, waarvan één psychiater dient te zijn (art. 77s lid 2 Sr). Weigert de jeugdige verdachte mee te werken aan het gedragskundig onderzoek, dan geldt op grond van art. 77s lid 5 Sr hetzelfde als ten aanzien van de weigerende meerderjarige observandus (art. 37 lid 3 Sr in het geval van TBS; art. 38m lid 5 Sr in het geval van isd). Niet onvermeld mag blijven dat de Maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige wordt opgelegd na voorafgaand advies van de Raad voor de Kinderbescherming, dat wordt ondersteund door ten minste één gedragskundige (art. 77w lid 2 Sr). 

De maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (isd) kan slechts worden opgelegd na overlegging van een rapport, maar de wet stelt niet het vereiste van multidisciplinaire gedragskundige rapportage (art. 38m lid 4 Sr). Voor OVAR op grond van ontoerekeningsvatbaarheid (art. 39 Sr) is géén rapportage vereist; onder toepassing van de voorwaardelijke veroordeling (art. 14a Sr) kan de verplichting tot psychiatrische behandeling worden opgelegd, zonder voorafgaand gedragskundig onderzoek (art. 14c lid 2 onder 11 Sr). Oplegging van psychiatrische interventie is dus een discretionaire bevoegdheid van de rechter. Uiteindelijk is niet de gedragskundige, maar de jurist aan het woord.