Posts tonen met het label cassatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label cassatie. Alle posts tonen

vrijdag 16 juni 2017

Rechtsmiddelen in het burgerlijk procesrecht (1): verzet

Overzicht 
1. Verzet;
1.1. Samenloop hoger beroep en verzet;
1.2. Samenloop cassatie en verzet;
2. Termijn voor verzet;
3. Procedure


1. Verzet

Tegen een op verstek gewezen vonnis staat het rechtsmiddel hoger beroep niet open, omdat het verstekvonnis géén vonnis op tegenspraak is. De gedaagde die bij verstek is veroordeeld, kan daartegen verzet doen (art. 143 lid 1 Rv). Verzet is een mogelijkheid voor de niet-verschenen gedaagde (1), die is veroordeeld (2) en tegen wie verstek is verleend (3), om bij wijze van heropening (art. 147 Rv) het geding op tegenspraak bij dezelfde rechter voort te zetten.

Het verstek heeft schorsende werking, tenzij het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard (art. 145 Rv). Na berusting in het vonnis, kan niet meer in verzet worden gekomen (art. 143 lid 4 Rv).

Verzet is alleen mogelijk in dagvaardingszaken, niet in verzoekschriftprocedures.

1.1. Samenloop hoger beroep en verzet

Voor de eiser is verzet geen mogelijkheid om op te komen tegen het verstekvonnis waarbij zijn vordering (ten dele) is afgewezen; voor de eiser staat slechts hoger beroep of beroep in cassatie open. Het hoger beroep, ingesteld door eiser, kan samenlopen met het verzet, ingesteld door de gedaagde tegen wie in de eerste instantie verstek is verleend.

In deze situatie voorziet art. 335 lid 1 Rv: "Van veroordeelingen bij verstek valt geen hooger beroep, doch indien de oorspronkelijke eischer van het vonnis in hooger beroep komt, zal dan gedaagde alle zijne verdedigingen insgelijks in het hooger beroep kunnen doen gelden, zelfs bij wege van incidenteel beroep, zonder van het middel van verzet in eersten aanleg meer gebruik te kunnen maken".
Het recht om zich in hoger beroep, ingesteld door de oorspronkelijk eiser, te verdedigen en het recht om incidenteel beroep in te stellen, doet het recht van verzet aldus vervallen.

1.2. Samenloop cassatieberoep en verzet
Ten aanzien van cassatie geven de artikelen 401b en 401c Rv eenzelfde regeling. Tegen een bij verstek gewezen uitspraak kan de niet-verschenen partij geen cassatieberoep instellen (art. 401b lid 1 Rv); zij kan echter, indien één der andere partijen cassatieberoep instelt, bij de Hoge Raad verweer voeren en incidenteel beroep instellen (art. 401b lid 2 Rv). Gebruik van deze bevoegdheid in cassatie doet het recht van verzet vervallen  (art. 401c lid 1 Rv).

1.2.1. Beëindiging geding in cassatie vóór het doen van verzet

Eindigt het geding bij de Hoge Raad nog vóór het verzet is gedaan, dan belet dit niet het alsnog doen van verzet. Indien de Hoge Raad ten principale uitspraak deed, moet het verzet bij hem worden gedaan. De rechter is in alle gevallen gebonden aan hetgeen de Hoge Raad omtrent de rechtspunten had beslist (art. 401c lid 3 Rv).

2. Termijn voor verzet (art. 143 lid 2-3 Rv)
Het verzet moet worden gedaan bij exploot van dagvaarding:

a. binnen vier weken (veroordeelden in Nederland) en binnen acht weken (veroordeelden in het buitenland) na de betekening van het vonnis of van uit enige kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon.

"In persoon" moet in de letterlijke zin des woords worden opgevat, betekening aan de woonplaats is niet "in persoon". Een betekening aan een gedaagde in het buitenland ex. art. 55 lid 1 Rv is evenmin "in persoon". Betekening conform art. 5 van het Haags Betekeningsverdrag 1965 kan wél worden aangemerkt als betekening in persoon.

b. binnen vier weken na het plegen door gedaagde van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is.

De bekendheid met het vonnis moet blijken uit een door de veroordeelde verrichte daad (HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4071, r.o. 2.7; zie ook HR 27 november 1953, NJ 1955, 251).
Uit vaste rechtspraak volgt, dat het kennis nemen van de inhoud van een verstekvonnis door het lezen van dit vonnis door de veroordeelde zelf een daad oplevert, waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis hem bekend is (HR 11 mei 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC2014).
         Het aangetekend versturen van een geschrift, met vermelding van het verstekvonnis, dat niet in persoon is betekend en niet in ontvangst is genomen door de veroordeelde, zal in beginsel niet tot een daad van bekendheid leiden. Een daad van bekendheid mag echter worden verondersteld, als de kinderen van gedaagde het schrijven in ontvangst hebben genomen en gedaagde zélf ter zitting heeft verklaard kennis te hebben genomen van het verstekvonnis (Rb. Limburg, 8 maart 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:2042
(Daad van bekendheid).

c.  buiten de gevallen bedoeld in art. 143 lid 2 Rv, vanaf de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd (art. 143 lid 3 Rv).

Met deze regel is beoogd, mede tegen de achtergrond van art. 6 lid 1 EVRM, de toegang tot de rechter in geval van een verstekvonnis beter te waarborgen door, buiten de gevallen waarin er sprake is van betekening in persoon of een daad van bekendheid (art. 143 lid 2 Rv), de verzettermijn niet te laten eindigen, maar te laten ingaan op de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd.
                Op grond van art. 144 onder b Rv wordt het vonnis geacht ten uitvoer te zijn gelegd, als de derdebeslagene uitbetaalt aan de beslaglegger. In de regel kan worden aangenomen dat de veroordeelde op de hoogte raakt van de executie en daardoor kennis neemt van het vonnis. In dergelijke gevallen is art. 143 lid 3 Rv in beginsel gerechtvaardigd.
                 Deze aanname geldt niet voor het geval, waarin de executie van een verstekvonnis geschiedt door uitbetaling van hetgeen de derdebeslagene meent aan de veroordeelde verschuldigd te zijn, terwijl achteraf blijkt dat de derdebeslagene in het geheel niets aan veroordeelde verschuldigd was. In een dergelijk geval bestaat de mogelijkheid dat de verzettermijn is verstreken voordat veroordeelde met het verstekvonnis bekend is geraakt, zodat toepassing van art. 143 lid 3 Rv niet is gerechtvaardigd (HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2629 (Morning Star International Corp./ Republiek Gabon), r.o. 3.6.4).

3. Procedure
Verzet wordt door de opposant gedaan bij exploot van dagvaarding (art. 146 lid 1 Rv). Op het exploot is art. 111 lid 2 onder a tot en met c en e tot en met h van overeenkomstige toepassing; in het exploot hoeft niet te worden vermeld op welke wijze de oorspronkelijk eiser kan antwoorden.
Indien de partij die in verzet komt, een eis in reconventie instelt, dient het exploot de gronden hiervan te vermelden; art. 111 lid 3 is van overeenkomstige toepassing (art. 146 lid 2 Rv).

Het geding in verzet verloopt als in de Vijfde Afdeling (art. 125-135 Rv) bepaald. Het exploot van verzet heeft te gelden als conclusie van antwoord (art. 147 lid 1 Rv).
Derhalve dient de opposant bij wijze van concentratie van verweer (art. 128 lid 3 Rv) alle excepties en zijn antwoord ten principale tegelijk naar voren te brengen en op grond van de bewijsaandraagplicht (art. 128 lid 5 Rv) alle bewijsmiddelen ter staving van het verweer te vermelden.

zondag 5 februari 2017

Strafprocesrecht: het aanwenden van gewone rechtsmiddelen (3)

3. Behandeling van het hoger beroep: ott en formaliteiten
De voorzitter bepaalt op voordracht van de advocaat-generaal, de dag van de terechtzitting, art. 412 lid 1 Sv, tenzij art.408a Sv reeds is toegepast. Voorwerp van het beroep zijn de feiten die de verdachte in eerste aanleg ten laste zijn gelegd (artt. 412 lid 2 en 415 lid 2 Sv). Er dienen minstens 10 dagen tussen de dagvaarding en de terechtzitting te verlopen, art. 413 lid 1 Sv. Er kunnen in hoger beroep nieuwe processtukken worden overlegd, art. 414 lid 1 Sv. De A-G geeft de gelegenheid om bezwaren tegen het vonnis toe te lichten, art. 416 lid 1 Sv.

3.1. competentie
In beginsel behandelt de meervoudige kamer het hoger beroep in strafzaken, art. 411 lid 1 Sv. De strafzaak kan door een enkelvoudige kamer worden behandeld, indien (art. 411 lid 2 Sv):

a. de zaak naar oordeel van het OM van eenvoudige aard is en de verdachte in eerste aanleg is veroordeeld tot straf of maatregel;
b. de zaak in eerste aanleg door de kantonrechter of politierechter is behandeld en daarbij niet een gevangenisstraf van meer dan 6 maanden is opgelegd.
Dat niet meer dan zes maanden vrijheidsstraf is opgelegd, staat er niet aan in de weg dat de enkelvoudige kamer in hoger beroep tot een hogere vrijheidsstraf komt. Het is wenselijk dat de enkelvoudige kamer gebruik maakt van de mogelijkheid om de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer (art. 411 lid 3 Sv).

Bij verwijzing dient de dag van de terechtzitting vanwege het OM aangezegd te worden aan de verdachte, waarbij de artt. 412 lid 3 en 413 Sv van overeenkomstige toepassing worden verklaard (art. 411 lid 4 Sv). Artt. 377 lid 2 t/m 4 Sv gelden onverkort voor de behandeling door de meervoudige kamer na verwijzing.

3.2. benadeelde
De benadeelde (ruimere definitie dan "slachtoffer") die zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, krijgt een mededeling van de A-G, art. 413 lid 2 Sv. De benadeelde kan zich niet eerst in hoger beroep voegen, art. 421 lid 1 Sv! Het is dus raadzaam dat de benadeelde altijd de procedure van art. 51g Sv e.v. volgt. De voeging in eerste aanleg duurt overigens van rechtswege voort in hoger beroep, art. 421 lid 2 Sv. De benadeelde/ het slachtoffer kan geen hoger beroep aantekenen, wanneer zij in haar vordering niet ontvankelijk is verklaard, art. 421 lid 4 Sv. Is geen hoger beroep ingesteld door de verdachte of het OM, dan wordt het hoger beroep door de benadeelde behandeld overeenkomstig civiel recht, zie art. 421 lid 4 Sv, artt. 343 en 407 Rv en art. 60 lid 2 Wet RO.

De niet-ontvankelijkheid is iets anders dan afwijzing van de vordering: blijkens lid 4 kan de benadeelde wel in hoger beroep komen tegen het deel van het vonnis waarbij haar vordering is afgewezen. Het recht van het slachtoffer om te verklaren ex. art. 51e Sv, kan in hoger beroep te gelde worden gemaakt op grond van art. 414 lid 3 Sv. Hij dient zijn voornemen schriftelijk kenbaar te maken aan de A-G of het gerechtshof.

3.3. toelaatbaarheid verkort vonnis, stempelvonnis, e.d.

In eerste aanleg kan worden volstaan met het wijzen van een verkort vonnis, d.w.z. een opgave van de bewijsmiddelen (art. 359 lid 3, laatste volzin jo. art. 365a lid 2 Sv). Wordt een gewoon rechtsmiddel aangewend, dan dient het vonnis gewoonlijk te worden aangevuld. De schakelbepaling,  art. 415 lid 1 Sv, verklaart art. 365a Sv echter van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Bij het hoger beroep kan dus ook worden volstaan met een kop-staart vonnis, tenzij cassatie wordt ingesteld.

Overigens kan alleen een kop-staart vonnis worden opgemaakt, voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, nadien niet anders heeft verklaard dan wel vrijspraak heeft bepleit.

donderdag 2 februari 2017

Het aanwenden van gewone rechtsmiddelen in het strafproces (2)

1. Hoger beroep
Hoger beroep kan worden ingesteld, tegen vonnissen betreffende misdrijven, door de OvJ bij het gerecht dat het vonnis heeft gewezen en voor de verdachte die niet van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken, zo luidt art. 404 lid 1 Sv. Vervolgens bepaalt art. 407 lid 1 Sv, dat het hoger beroep slechts kan worden ingesteld tegen het vonnis als geheel.

1.1. primair/ subsidiair: appelleren is riskeren?
Waar verwijst de uitdrukking "appelleren = riskeren" naar? Hoger beroep kan niet door de verdachte worden ingesteld tegen het ten laste gelegde feit waarvan hij is vrijgesproken. Gaat het echter om een primair/ subsidiaire tenlastelegging waarbij de verdachte gedeeltelijk is veroordeeld, dan komt de verdachte op grond van artt.  404 lid 1 jo. 407  lid 1 Sv het recht toe om, als gezegd, tegen het vonnis als geheel beroep in te stellen. Omdat het vonnis als geheel door het hof zal worden behandeld, kan de verdachte ten aanzien van de tenlastelegging waarvan hij is vrijgesproken, alsnog worden veroordeeld.  Let erop, dat zulks slechts anders is, wanneer het om een cumulatieve tenlastelegging van gevoegde feiten (zie art. 404 lid 5 Sv) gaat. In dat geval bepaalt art. 407 lid 2 Sv, dat het hoger beroep kan worden beperkt!

1.1.2. een hoofdstraf bij samenloop van feiten en vernietiging vonnis
Bij samenloop van meerdere feiten kan één hoofdstraf worden opgelegd. Is het hoger beroep slechts ingesteld ten aanzien van één of meerdere feiten, dan wordt in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, bij het arrest de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald, art. 423 lid 4 Sv.

1.2. verlofstelsel: de "goede rechtsbedeling" in bagatelzaken (art. 410a Sv)

Om te bepalen of hoger beroep kan worden ingesteld door verdachte, dient eerst naar de nieuwe verlofregeling in art. 410a Sv gekeken te worden. Art. 410a Sv maakt een aantal uitzonderingen op de hoofdregel uit art. 404 Sv.

Volgens art. 404 Sv kan hoger beroep worden ingesteld tegen:
1. alle misdrijven (lid 1);
2. overtredingen, waarbij met toepassing van art. 9a Sr wél straf of een maatregel werd opgelegd
(lid 2 sub a);
3. overtredingen, waarbij een straf of maatregel werd opgelegd, bestaande uit een geldboete van meer dan 50 Euro (lid 2 sub b);
4. bij verstek gewezen vonnissen ten aanzien van overtredingen, waarbij de verdachte niet van tevoren met de dag der terechtzitting bekend kon zijn (lid 3).

De verlofregeling van art. 410a Sv maakt het mogelijk om beroep in te stellen in zogeheten "bagatelzaken":
1. tegen overtredingen of misdrijven waarop naar de wettelijke regeling een gevangenisstraf van niet meer dan vier jaren is gesteld of waarbij een geldboete van niet meer dan 500 Euro is opgelegd, wordt het hoger beroep slechts ter terechtzitting aanhangig gemaakt en behandeld, indien zulks naar het oordeel van de voorzitter in het belang van een goede rechtsbedeling is vereist (lid 1);
2. de behandeling van hoger beroep tegen een bij verstek gewezen vonnis van de rechtbank, niet zijnde de kantonrechter, is in ieder geval in het belang van een goede rechtsbedeling, indien de verdachte niet met de dag van de terechtzitting in eerste aanleg bekend kon zijn (lid 2).

De geldboetes als bedoeld in art. 404 lid 2 Sv cumuleren niet, als zij afzonderlijk voor overtredingen en misdrijven zijn opgelegd. De boetes voor misdrijven en overtredingen kunnen niet bij elkaar worden gesprokkeld om aan het "appellabele" minimumbedrag van 50 Euro te voldoen.

2. Procedurele behandeling hoger beroep
2.1. processtukken

De griffier van de rechtbank zendt de stukken "zoo spoedig mogelijk aan den griffier van het gerechtshof", art. 409 lid 1 Sv. Is het hoger beroep alleen door de OvJ ingesteld, dan geschiedt de inzending niet, of wordt aan de inzending slechts gevolg gegeven, nadat het beroep aan de verdachte is betekend, art. 409 lid 2 Sv.  Leden 3 en 4 van dit artikel bieden de nodige waarborgen om de verdachte bekend te maken met het hoger beroep- en daarmee is de vlotte afhandeling van termijnen gediend.

2.1.1. appelschriftuur
De wet schrijft dwingend voor dat de OvJ een schriftuur met grieven indient na het instellen van hoger beroep, art. 410 lid 1 Sv. Voor de verdachte is het indienen van schriftuur met grieven facultatief, zo blijkt uit art. 410 lid 3 Sv. De verdachte riskeert evenwel  dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, wanneer hij verzuimt om mondeling of schriftelijk grieven in te dienen, zie art. 416 lid 2 Sv.  Ook het hoger beroep door de OvJ kan niet-ontvankelijk worden verklaard, wanneer hij geen schriftuur houdende grieven indient, art. 416 lid 3 Sv. Het gaat in beide gevallen om een discretionaire bevoegdheid van de rechter.

Toepassing van artikel 410a lid 1 Sv noopt de verdachte er in ieder geval toe om op grond van
art. 410 lid 4 Sv, schriftuur in te dienen.

2.1.2. voortbouwend appel: voortvarendheid als uitgangspunt
2.1.2.1. oproeping en weigering getuigen/ deskundigen in HB

In hoger beroep kan de verdachten, evenals in eerste aanleg, getuigen (doen) oproepen. De verdachte geeft daartoe in de schriftuur op welke getuigen en deskundigen hij ter terechtzitting wil doen oproepen, art. 410 lid 3 Sv. De opgave van de getuigen bij appel wordt als een opgave in de zin van art. 263 lid 2 Sv aangemerkt én art. 264 Sv is van overeenkomstige toepassing. De A-G kan de oproeping weigeren, indien de getuige/ deskundige in eerste aanleg of door de R-C is gehoord en horen ter terechtzitting niet noodzakelijk is te achten.

Op grond van art. 414 lid 1 Sv kunnen de A-G en verdachte zowel ter terechtzitting in eerste aanleg gehoorde, als nieuwe getuigen/ deskundigen doen dagvaarden of oproepen; artt. 236 lid 2 t/m 5 Sv en 264 Sv zijn van overeenkomstige toepassing. Is het de verdachte die hoger beroep heeft ingesteld, dan kan de A-G een niet bij schriftuur door de verdachte opgegeven getuige/ deskundige weigeren te doen oproepen, indien het horen niet noodzakelijk is te achten, zie art. 414 lid 2 Sv.

Andere weigeringsgronden voor het oproepen van getuigen zijn te vinden in art. 418 Sv:
a. de oproeping van niet verschenen getuigen kan worden geweigerd in de gevallen ex. art. 288 Sv;
b. heeft de berechting in eerste aanleg op tegenspraak plaatsgevonden, dan kan oproeping worden geweigerd indien de getuige/ deskundige in eerste aanleg of door de R-C is gehoord en het hof het horen ter terechtzitting niet noodzakelijk acht;
c. heeft de verdachte hoger beroep ingesteld en de getuigen/ deskundigen niet bij schriftuur opgegeven, dan kan de oproeping van getuigen worden geweigerd als het horen niet noodzakelijk is te achten.

2.1.2.2. vgl. eerste aanleg

Bij een voortvarende behandeling van het hoger beroep, ofwel het voortbouwend appel, past dat het gerechtshof gebruikt maakt van de discretionaire bevoegdheden ten aanzien van art. 415 lid 2 Sv: "het onderzoek ter terechtzitting wordt gericht op...hetgeen overigens nodig is". De processtukken die in eerste aanleg zijn voorgelezen, behoeven in hoger beroep niet opnieuw te worden voorgelezen, zie art. 417 lid 1 Sv. De verdachte kan het gerechtshof wel verzoeken om de processtukken nogmaals voor te lezen (lid 2).

woensdag 1 februari 2017

Strafprocesrecht: het aanwenden van gewone rechtsmiddelen (1)

Algemene opmerkingen: hoger beroep (art. 404 Sv) en cassatie (art. 427 Sv)
Tegen het vonnis van de rechter in eerste aanleg is beroep opengesteld, art. 404 Sv en art. 60 Wet RO. In hoger beroep wordt de zaak opnieuw behandeld op de grondslag van de tenlastelegging, zie de schakelbepaling, art. 415 lid 2 Sv. Cassatie staat open tegen arresten van de gerechtshoven, art. 427 Sv en art. 78 Wet RO. Cassatie ziet niet op een hernieuwde feitelijke behandeling van de zaak; artt. 431 Sv en 79 Wet RO wijzen op de mogelijkheid van vernietiging wegens vormverzuimen.

Het recht op het aanwenden van rechtsmiddelen hangt samen met het recht op "fresh determination" en het verwezenlijken van de verdedigingsrechten uit art. 6 EVRM. Het oneigenlijke "rechtsmiddel" der verzet kan worden uitgelegd in het licht van het recht op "fair and public hearing", zoals dat voortvloeit uit art. 6 van het EVRM.

1. Verzet tegen strafbeschikking
Tegen de strafbeschikking ex. art. 257a Sv, kan door de verdachte verzet worden gedaan, art. 257e Sv. Verzet moet worden gedaan binnen een termijn van veertien dagen, nadat het afschrift van de beschikking in persoon aan de verdachte is uitgereikt, dan wel zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte met de strafbeschikking bekend is (lid 1). Een uitzondering is te vinden in de tweede volzin van lid 1: "tegen een strafbeschikking waarin een geldboete van niet meer dan 340 Euro is opgelegd, wegens een overtreding welke ten hoogste vier maanden voor toezending is gepleegd, kan verzet worden gedaan tot uiterlijk zes weken na toezending". Dat de termijn alsdan ook veertien dagen is, blijkt uit de zinsnede "onverminderd de vorige zin".

De tenuitvoerlegging van de beschikking geschiedt veertien dagen na de uitreiking in persoon of toezending van het afschrift, art. 257g lid 1 Sv. Het verzet schorst of schort de tul op, zie lid 2.

1.2. afstand van verzet
Voldoet de verdachte "vrijwillig" aan de strafbeschikking, dan doet hij daarmee afstand van de bevoegdheid tot verzet, art. 257e lid 1, laatste volzin. Hoewel dat niet logisch lijkt, kan de verdachte ook schriftelijk afstand doen van de bevoegdheid tot verzet. Hij moet dan wel worden bijgestaan door een raadsman. In het eerste geval kan de verdachte "per ongeluk" afstand doen van zijn recht door te menen dat hij tot voldoening gehouden is; in het tweede geval eist de wet expliciet dat de verdachte zijn wil tot het doen van afstand uitdrukkelijk kenbaar maakt.

1.3. het doen van verzet
Het verzet wordt gedaan bij het parket; wordt verzet gedaan bij het verkeerde parket, dan dient het verzet te worden doorgeleid naar de OvJ die het verzet bij de bevoegde rechter aanhangig kan maken, art. 257e lid 2 Sv. Het verzet kan door de verdachte of door een bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde, in persoon op het parket worden gedaan, art. 257e lid 3 Sv. Er kan direct gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om de oproeping tot de verschijning ter terechtzitting aan de verdachte te betekenen. Schriftelijk verzet is mogelijk, door de verdachte of een advocaat die verklaart bepaaldelijk door hem te zijn gevolmachtigd. De brief, die aan de OvJ wordt gericht, moet voldoen aan de criteria in art. 257e lid 4 Sv. Mededeling van de bezwaren tegen de beschikking is optioneel.

1.4. behandeling van het verzet ter terechtzitting
De OvJ brengt het verzet ter kennis van de rechtbank, art. 257f lid 1 Sv. De artt. 260 lid 5 en 265 lid 2 Sv worden van overeenkomstige toepassing verklaard. Tussen de oproeping van de verdachte en de dag der terechtzitting moeten ten minste tien dagen verlopen. De omschrijving van de gedraging in de oproeping wordt als een tenlastelegging aangemerkt, art. 257f lid 3 Sv. Deze is gelijk aan de korte omschrijving van de gedraging in de strafbeschikking of betreft een opgave die voldoet aan de eisen van art. 261 lid 1 en 2 Sv. Daarbij moet worden opgemerkt dat de korte omschrijving ter terechtzitting met deze eisen in overeenstemming kan worden gebracht, zie de verwijzing van art. 314a naar 257a lid 6 Sv.

De behandeling van de zaak ter terechtzitting verloopt, zoals gebruikelijk, via de bepalingen uit titel V en titel VI, met dien verstande dat de nietigheid ex. art. 257f lid 3 Sv afwijkt van art. 349 lid 1 Sv. De niet-onvankelijkheid wordt uitgesproken op grond van art. 257f lid 4 Sv; wordt het OM niet ontvankelijk verklaard, dan wordt de strafbeschikking vernietigd. Uitspraken op grond van art. 257f lid 3 en 4 Sv worden gelijkgesteld met einduitspraken; tegen een uitspraak op verzet kan dan ook beroep worden ingesteld.

2. Gewone rechtsmiddelen
2.1. algemene opmerkingen

De gewone rechtsmiddelen kunnen worden aangewend tegen einduitspraken in de zin van art. 138 Sv. Nevenuitspraken, waaronder een uitspraak op de vordering tot schadevergoeding door een benadeelde, alsmede tussenuitspraken (waaronder uitspraken als bedoeld in art. 283 en 313 Sv), worden ingevolge art. 406 Sv slechts gelijktijdig met het hoger beroep tegen een einduitspraak behandeld.

2.2. uitzonderingen op de beperkingen inzake hoger beroep en cassatie

Tegen vonnissen betreffende overtredingen kan  hoger beroep worden ingesteld, tenzij:
1. met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel werd opgelegd (art. 404 lid 2 sub a Sv);
2. geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete of geldboetes met een maximum van vijftig Euro (art. 404 lid 2 sub b Sv).

Uitzonderingen op de beperkingen uit lid 2 worden gemaakt in art. 404 lid 3 en lid 4 Sv. Lid 3 van art. 404 Sv ziet op een bij verstek gewezen vonnis, indien de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg niet in persoon is gedaan of betekend én de verdachte niet anderszins met de dag van de terechtzitting bekend kon zijn.
Lid 4 van art. 404 Sv bepaalt dat tegen de vonnissen die onder de beperking van lid 2 sub a of b vallen en waartegen geen hoger beroep openstaat, beroep in cassatie openstaat, indien het overtredingen betreffen van een verordening van een provincie, gemeente of waterschap.

2.3. het aanwenden van gewone rechtsmiddelen
Hoger beroep en cassatie worden ingesteld door een verklaring af te leggen op de griffie van het gerecht, art. 449 Sv. Wordt het rechtsmiddel niet door de verdachte in persoon aangewend, dan bepaalt de wet expliciet dat:
1. een advocaat de rechtsmiddelen kan aanwenden, indien deze verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd (art. 450 lid 1 sub a Sv);
2. een vertegenwoordiger, bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigd (art. 450 lid 1 sub b Sv).

De gemachtigde neemt de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep in ontvangst (lid 2 ); de uitreiking van de oproeping aan gemachtigde geldt als een uitreiking in persoon aan verdachte, art. 450 lid 4 Sv. Opvallend is de bepaling, dat aan de schriftelijke bijzondere volmacht, verleend aan de medewerker van de griffie, tot het voor de verdachte aanwenden van het rechtsmiddel slechts gevolg wordt gegeven, indien de verdachte instemt met het door deze medewerker voor de verdachte aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping, zie art. 450 lid 3 Sv. Daarmee wordt beoogd, dat de verdachte zich niet eenvoudig aan de bekendmaking van de dag van de terechtzitting kan onttrekken door niet in persoon te verschijnen.

Bij weigering van het in ontvangst nemen van de oproeping door de gemachtigde, wordt de oproeping geacht te zijn uitgereikt, art. 450 lid 5 Sv, om te bereiken dat onder meer de termijn van veertien dagen voor het instellen van cassatieberoep ex. art 432 lid 1 Sv van kracht wordt.

2.4. afstand doen/ intrekken van de bevoegdheid tot het instellen van rechtsmiddelen
Afstand kan worden gedaan door een verklaring of te leggen op de griffie, art. 454 lid 1 Sv. Het is mogelijk om ter terechtzitting afstand te doen van de rechtsmiddelen, zie in het bijzonder artt. 381 en 397a Sv. De advocaat-generaal kan het hoger beroep, ingesteld door de OvJ, intrekken op grond van art. 453 lid 2 jo. 454 lid 2 Sv. Intrekking is afstand, zo volgt uit art. 453 lid 1 Sv.

2.5. termijnen
De bepalingen over de termijnen voor het instellen van hoger beroep of cassatie zijn nagenoeg identiek, vgl. art. 408 Sv met 432 Sv.
Hoger beroep of cassatie moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld, indien, lid 1:
a. de dagvaarding of oproeping aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de terechtzitting is verschenen;
c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat de verdachte met de dag der terechtzitting bekend  was;
d. de dagvaarding of oproeping binnen zes weken nadat door de verdachte verzet ex. art. 257e Sv
is gedaan, rechtsgeldig aan verdachte is betekend met inachtneming van art. 588 a Sv en in eerste aanleg geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming meebrengt van langere duur dan zes maanden.

In 432 lid 1 sub d Sv zijn de woorden "verzet" en "eerste aanleg" uiteraard vervangen door "hoger beroep" resp. "hoger beroep".

Het uitgangspunt is dat het niet bekend raken met de dag van de terechtzitting, in beginsel niet tegen de verdachte mag worden gebruikt. Artt. 408 lid 2 en 432 lid 2 Sv formuleren het dan ook zo, dat in andere gevallen hoger beroep moet worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich "een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat de verdachte met de einduitspraak bekend is". Omwille van de voortvarendheid wordt de verstekverlening dan ook aan de verdachte medegedeeld, art. 366 Sv. De nodige waarborgen worden voorts ingebouwd door te bepalen dat:
a. de verdachte voor hoger beroep dient te worden opgeroepen (art. 408 a Sv);
b. indien alleen door de OvJ hoger beroep is ingesteld, het beroep aan verdachte wordt betekend
(art. 409 lid 2 Sv);
c. het beroep in cassatie aan de verdachte in persoon wordt aangezegd (art. 433 sv).

Aan de contradictoire procedure, zoals bedoeld in art. 279 lid 2 Sv, wordt het argument ontleend dat de termijn voor het instellen van een gewoon rechtsmiddel, veertien dagen na de einduitspraak beloopt, indien de verdachte op de dag van sluiting van het onderzoek ter terechtzitting is vertegenwoordigd door een uitdrukkelijk gemachtigde raadsman.