Overzicht
1. Derdenbescherming;
2. Toestemming voor rechtshandelingen en vernietiging van rechtshandelingen;
2.1 Bescherming van de echtelijke woning;
2.2 Bescherming tegen giften;
2.3 Bescherming tegen zekerheidstelling;
2.4 Bescherming tegen kredietovereenkomsten;
3. Vernietiging van onbevoegd verrichte rechtshandelingen
1. Derdenbescherming
Een derde die te goeder trouw is, wordt beschermd tegen de bestuursonbevoegdheid van de echtgenoot die een rechtshandeling verricht. Is aan een derde niet kenbaar wie van de echtgenoten bevoegd is tot het bestuur over een roerende zaak die geen registergoed is, of een recht aan toonder, dan mag hij de echtgenoot die de zaak of het papier aan toonder onder zich heeft, voor bevoegd houden (art. 1:92 lid 1 BW). De derdenbescherming op grond van art. 1:92 lid 1 BW werkt dus niet ten aanzien van de goederen, genoemd in art. 1:97 lid 1 eerste volzin BW (goederen op naam, krachtens erfopvolging verkregen goederen e.d.). Het gevolg van toepassing van art. 1:92 lid 1 BW is dat de overdracht door een onbevoegde echtgenoot, voor geldig moet worden gehouden. De bestuursbevoegde echtgenoot kan zich echter verzetten tegen de stoornis in het bestuur van het goed door een derde te goeder trouw (art. 1:92 lid 2 BW). Het recht van de bestuursbevoegde echtgenoot om de stoornis in het bestuur van zijn goed te beëindigen, gaat echter niet zo ver dat daarmee een inbreuk kan worden gemaakt op de bescherming van de derde te goeder trouw op grond van art. 3:86 lid 1 BW.
2. Toestemming voor rechtshandelingen en vernietiging van rechtshandelingen
Zoals in vorig bericht (Rechten en plichten van echtgenoten (II); bestuur van de gemeenschap, 1.3) is behandeld, ziet de bestuursbevoegdheidsregeling van art. 1:90 en de bestuursverdelingsregeling van art. 1:97 BW niet op de obligatoire handeling. De onbevoegde echtgenoot kan dus ten aanzien van het goed van de bestuursbevoegde echtgenoot een koopovereenkomst sluiten. Zo ontstaat de vreemde situatie dat de auto die door X in 2016 bij uitsluiting is geërfd, wel door Y verkocht kan worden, maar door Y niet bevoegdelijk overgedragen kan worden aan koper Z.
Om dergelijke complicaties in de dagelijkse gang van de huishouding te beperken, is in art. 1:88 BW aangegeven voor welke obligatoire handelingen de toestemming van de andere echtgenoot is vereist.
2.1 Bescherming van de echtelijke woning
Toestemming van de andere echtgenoot is vereist voor overeenkomsten strekkende tot vervreemding, bezwaring of ingebruikgeving en rechtshandelingen strekkende tot beëindiging van het gebruik van een door de echtgenoten tezamen of door de andere echtgenoot alleen bewoonde woning, of van zaken die tot de inboedel behoren. Uit de zinsnede 'door de andere echtgenoot alleen bewoonde woning' moet worden opgemaakt dat de echtgenoot die de woning heeft verlaten vóórdat de echtscheiding is uitgesproken, zonder toestemming van zijn echtgenoot geen rechtshandelingen met betrekking tot de woning kan verrichten (art. 1:88 lid 1 onder a BW).
2.2 Bescherming tegen giften
Toestemming van de andere echtgenoot is vereist voor giften, met uitzonderingen van de gebruikelijke, niet bovenmatige. Onder "giften" worden verstaan giften en schenkingen als bedoeld in art. 7:175 en 7:186 lid 2 BW. Bestaat de gift in een aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering die tijdens het leven van de verzekeringnemer is aanvaard of kan worden aanvaard, dan is toestemming vereist (art. 1:88 lid 4 BW) (art. 1:88 lid 1 onder b BW).
Voor giften die de strekking hebben om pas na de dood worden uitgevoerd,
aldus quasi-legaten, is toestemming van de echtgenoot niet vereist
(art. 1:88 lid 4 BW), dit in afwijking van de giften genoemd in art.
1:88 lid 1 BW. Dat neemt niet weg dat in beginsel het verblijvingsbeding,
een voorwaardelijke verdeling bij voorbaat, wordt aangemerkt als gift.
Toepassing van de benadering van het kanscontract kan tot een andere
conclusie leiden. Is de kans op nadeel voor de begunstigde even groot
als de kans op voordeel of is zelfs de kans op nadeel in overwegende
mate groter, dan is géén sprake van een gift. Wanneer het
verblijvingsbeding duidelijk tot een bevoordeling leidt is wel sprake
van een gift.
2.3 Bescherming tegen zekerheidstelling
De toestemming van de andere echtgenoot is vereist voor overeenkomsten die ertoe strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg (art. 7:850 BW) of hoofdelijk medeschuldenaar (art. 6:6 BW) verbindt, zich voor een derde sterk maakt, of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een derde verbindt (art. 1:88 lid 1 onder c BW).
Het artikellid moet strikt worden gelezen: géén toestemming is vereist, indien de borgstelling/zekerheidstelling/garantstelling tot de normale beroepsuitoefening behoort.
De toestemming van de andere echtgenoot is niet vereist, indien de rechtshandeling (tot zekerheidstelling/borg/garantstelling) wordt verricht door een bestuurder van een NV of van een BV, die daarvan alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen houdt en mits zij geschiedt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap (art. 1:88 lid 5 BW).
2.4 Bescherming tegen kredietovereenkomsten
De toestemming van de andere echtgenoot is vereist voor overeenkomsten van goederenkrediet als bedoeld in art. 7:84 BW, behalve indien zij zaken betreffen die kennelijk uitsluitend of hoofdzakelijk ten behoeve van de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf strekken (art. 1:88 lid 1 onder d BW).
3. Vernietiging van onbevoegd verrichte rechtshandelingen
Een rechtshandeling die een echtgenoot in strijd met art. 1:88 BW heeft verricht, is vernietigbaar. Slechts de andere echtgenoot kan een beroep doen op de vernietigingsgrond (art. 1:89 lid 1 BW). Indien de wederpartij bij een rechtshandeling, anders dan om niet, te goeder trouw was, dan kan géén succesvol beroep worden gedaan op bedoelde vernietigingsgrond (art. 1:89 lid 2 BW). In afwijking van art. 3:50 lid 1 en art. 3:51 lid 2 behoeft de verklaring of rechtsvordering tot vernietiging niet mede te worden gericht tot de echtgenoot die de handeling heeft verricht (art. 1:89 lid 4 BW).
Het einde van het huwelijk en scheiding van tafel en bed hebben géén invloed op de bevoegdheid tot een beroep op de vernietigingsgrond (art. 1:89 lid 3 BW).
200.000 bezoekers | Strafrecht & Privaatrecht | Juridisch: uitleg voor studenten die zich toeleggen op de togaberoepen |
Posts tonen met het label Mercedes Bouter privaatrecht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Mercedes Bouter privaatrecht. Alle posts tonen
vrijdag 30 maart 2018
Huwelijksvermogensrecht: rechten en verplichtingen van echtgenoten (III)
donderdag 9 november 2017
De uitleg van overeenkomsten: van Haviltex, via Kamsteeg/Lisser, tot Condor
Overzicht
1. Uitleg van contracten tussen partijen: de wilsvertrouwensleer (Bunde/Erckens);
2. De subjectieve Haviltexmaatstaf: geen zuiver taalkundige uitleg;
3. De objectieve CAO-maatstaf: werking ten opzichte van derden (Gerritse/Hydro Agri Sluiskil);
3.1. Ratio;
4. Geobjectiveerde Haviltex: een vloeiende overgang tussen Haviltex en CAO (DSM/Fox)?
5. Notariële akten: Haviltex en CAO in één overeenkomst (Kamsteeg/Lisser)?
5.1. HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1511 (Renteclausule in hypotheekakte)
6. 'Condormaatstaf': de bestaansgrond van de CAO-norm rechtvaardigt subjectieve uitleg;
7. Tot besluit: overzicht
1. Uitleg van contracten tussen partijen: de wilsvertrouwensleer
Hoe zorgvuldig partijen de bewoordingen van een contract ook formuleren, er kunnen altijd onduidelijkheden ontstaan over de interpretatie van de tekst. Het consensualisme brengt daarnaast met zich, dat partijen afspraken kunnen maken die niet in het contract zijn neergelegd. Bij conflicten over de interpretatie, dienen contracten te worden uitgelegd aan de hand van de wilsvertrouwensleer in de zin van de artikelen. 3:33 en 3:35 BW.
Dé klassieker op het gebied van de interpretatie van overeenkomsten is HR 17 december 1976, NJ 1977, 241 (Bunde/Erckens), waarin de vragen centraal staan, of in geval van een misverstand een overeenkomst tot stand is gekomen én hoe de inhoud van de overeenkomst moet worden uitgelegd. De Hoge Raad overweegt:
2. De subjectieve Haviltexmaatstaf: geen zuiver taalkundige uitleg
De in Bunde/ Erckens aangelegde maatstaf voor de uitleg van contracten op basis van de wilsvertrouwensleer, is 'verfijnd' in het welbekende Haviltex-arrest (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 (Ermes c.s./Haviltex)):
Tussen partijen geldt in beginsel onverkort de Haviltexmaatstaf. Overeenkomsten die de rechtspositie van derden beogen te beïnvloeden, worden echter in beginsel niet onderworpen aan subjectieve uitleg, maar aan de objectieve maatstaf die is aangelegd in HR 17 september 1993, NJ 1994, 173 (Gerritse/Hydro Agri Sluiskil):
3.1. Ratio
De derdenbescherming bij rechtshandelingen (art. 3:36 BW) gaat in dergelijke zaken vaak niet op. Zo staat de derde tot de overeenkomst (werknemer) in verhouding tot een partij die zelf derde is bij de overeenkomst (werkgever). Nu art. 3:36 BW niet van toepassing is op deze 'derdenverhouding' tot de overeenkomst, fungeert de objectieve CAO-maatstaf om het gebrek aan derdenbescherming te ondervangen.
4. Geobjectiveerde Haviltex: een vloeiende overgang tussen Haviltex en CAO (DSM/Fox)?
Bij geobjectiveerde Haviltex hoeven de bedoelingen van partijen bij de overeenkomst (subjectieve factoren) niet buiten beschouwing te blijven; dit is het verschil met de 'harde' CAO-maatstaf (waar objectieve factoren centraal staan). De geobjectiveerde Haviltex zou dus ook een "gesubjectiveerde CAO-maatstaf" genoemd kunnen worden.
De geobjectiveerde Haviltex is aangelegd in HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493 (DSM/Fox), waarin de Hoge Raad overweegt dat tussen de Haviltexnorm en de CAO-norm een vloeiende overgang bestaat. Het cassatiemiddel betoogt met succes, dat het hof onterecht heeft aangenomen dat de grammaticale uitleg voorop dient te staan:
(a) de overeenkomst is naar haar aard bestemd om de rechtspositie te beïnvloeden van derden die de bedoeling van de contracterende partijen uit dat geschrift en eventuele toelichting niet kunnen kennen;
(b) het door de opstellers voorziene aantal van die derden is groter;
(c) het geschrift is bedoeld om de rechtspositie van die derden te uniformeren.
De gemeenschappelijke grondslag van de Haviltex- en CAO-maatstaf houdt in, dat voor de uitleg van de overeenkomst alle omstandigheden van het geval beslissend zijn, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (r.o. 4.5.). De vermeende 'vloeiende overgang' tussen Haviltex en de CAO-norm valt sterk te relativeren: subjectieve aspecten moeten het immers afleggen tegen de CAO-norm, indien de subjectieve context slechts kenbaar is voor de onderhandelingspartners en niet voor derden. Een uitleg volgens de Haviltex-norm (aan de niet-kenbare bedoelingen van de onderhandelingspartners) zou tot ongewenst effect hebben dat de uniforme uitleg in de zin van de CAO-norm ondergraven wordt.
Hoewel de Hoge Raad uitvoerig over de Haviltexnorm betoogt, is de CAO-maatstaf in deze zaak doorslaggevend en wordt werknemer c.q. verweerder in cassatie (Fox) veroordeeld in de proceskosten. Dat heeft er naar alle waarschijnlijkheid mee te maken dat het om een pensioenregeling gaat, waarbij de rechtspositie van derden (overige werknemers) op uniforme wijze wordt geregeld. Een nadere motivering door de Raad ontbreekt helaas op dit punt.
5. Notariële akten: Haviltex en CAO in één overeenkomst?
Sommige zaken bevinden zich op het snijvlak van het verbintenissenrecht met het goederenrecht. De notariële akte leent zich meestal voor de toepassing van zowel de Haviltex- als de CAO-maatstaf. HR 22 oktober 2010, NJ 2011, 111 (Kamsteeg/Lisser) geeft belangrijke gezichtspunten op het gebied van de interpretatie van notariële akten.
De objectieve maatstaf is doorslaggevend voor de goederenrechtelijke overeenkomst (bijvoorbeeld de akte tot levering van een onroerende zaak), omdat derden op de inhoud van de transportakte af moet kunnen gaan. Logischerwijs moeten derden kunnen vertrouwen op wat zij uit de openbare registers hebben vernomen (HR 1 november 2013, NJ 2013/522 (Van Wijk/De Prinsenwerf)).
De verbintenisrechtelijke overeenkomst daarentegen heeft slechts betrekking op hetgeen partijen zijn overeengekomen (bijvoorbeeld de koopovereenkomst). Omdat de koopovereenkomst obligatoire partijafspraken betreft, is de Haviltexmaatstaf van toepassing.
5.1. HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1511 (Renteclausule in hypotheekakte)
Hetgeen in de hypotheekakte is vermeld ter zake van de vestiging van het hypotheekrecht, moet worden uitgelegd naar objectieve maatstaven. Dit geldt niet ten aanzien van de renteclausule, die tussen oorspronkelijk partijen is overeengekomen:
6. 'Condormaatstaf': de bestaansgrond van de CAO-norm rechtvaardigt subjectieve uitleg
Afwijking van de CAO-norm, door subjectieve uitleg van een sociaal plan, is gerechtvaardigd, indien daarmee juist recht wordt gedaan aan de bestaansgrond van de CAO-norm, zo is beslist in het vrij recente arrest-Condor (HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687 (FNV c.s./Condor):
Bij geschillen over de interpretatie van een overeenkomst kunnen, al naar gelang de omstandigheden van de zaak, verschillende maatstaven worden toegepast. De uiterst subjectieve maatstaf, een uitwerking van de wilsvertrouwensleer, is de Haviltexmaatstaf. De uiterst objectieve maatstaf is de CAO-maatstaf. Anders dan sommige arresten doen vermoeden, is een rigide onderscheid tussen kwesties die om een objectieve of subjectieve norm vragen, niet te maken. De omstandigheden van het geval bepalen welke maatstaf moet worden toegepast bij de uitleg van de overeenkomst, niet andersom. Samengevat levert de jurisprudentie het volgende beeld op:
a. bij uitsluitend obligatoire overeenkomsten komt de uitleg van een contract aan op hetgeen partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de bepalingen mogen toekennen en op hetgeen partijen te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mogen verwachten. Subjectieve factoren als de juridische kennis van partijen, gedraging na het sluiten van het contract en de totstandkomingsgeschiedenis, mogen worden meegewogen bij de uitleg (subjectieve Haviltexmaatstaf);
b. bij overeenkomsten die beogen de rechtspositie te beïnvloeden van derden, die géén partij zijn bij de totstandkoming van de overeenkomst en die geen derdenbescherming kunnen ontlenen aan art. 3:36 BW, geldt de objectieve maatstaf. De partijbedoelingen die voor derden niet kenbaar zijn, moeten niet aan derden kunnen worden tegengeworpen. Subjectieve factoren mogen alleen worden meegewogen, indien zij voor derden op objectieve wijze kenbaar zijn, bijvoorbeeld door opneming in de tekst van het contract of in de considerans. De objectieve maatstaf is géén grammaticale interpretatie; de bewoordingen van de tekst van de overeenkomst worden uitgelegd in de context als geheel (objectieve CAO-maatstaf);
c. indien de inhoud van een overeenkomst schriftelijk is vastgelegd, winnen de argumenten voor een objectieve uitleg in gewicht, indien de overeenkomst naar haar aard bestemd is de rechtspositie van derden te beïnvloeden, die de bedoeling van de contracterende partijen uit dat geschrift en een eventueel daarbij behorende toelichting niet kunnen kennen en het voor de opstellers voorzienbare aantal van die derden groter is, terwijl het geschrift ertoe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen. Dus: in beginsel kan Haviltex de aangewezen maatstaf zijn, maar de behoefte aan objectivering neemt toe, indien de overeenkomst is bestemd om de rechtspositie van derden op uniforme wijze te regelen en naarmate het aantal derden groter is (geobjectiveerde Haviltex);
d. de bestaansgrond van de CAO-norm is hierin gelegen, dat bescherming wordt geboden aan derden tegen een voor hen niet kenbare partijbedoeling. Als door een meer subjectieve uitleg recht wordt gedaan aan die bestaansgrond, mag de CAO-norm buiten toepassing worden gelaten (Condormaatstaf);
e. zaken die zich op het snijvlak van het goederenrecht met het verbintenissenrecht bevinden, worden beoordeeld aan de hand van zowel de Haviltex- als de CAO-maatstaf. Als een overeenkomst of een clausule obligatoire partijafspraken betreft (koopovereenkomst, renteclausule), dan is de Haviltexmaatstaf aangewezen. De goederenrechtelijke overeenkomst en bestanden in het register (hypotheekakte, transportakte, splitsingsakte en splitsingstekening (art. 5:109 lid 2 en 5:111 BW)) worden volgens de objectieve maatstaf uitgelegd, omdat in het handelsverkeer derden moeten kunnen vertrouwen op hetgeen in de openbare registers is vastgelegd (CAO of Haviltex bij goederenrecht vs. verbintenissenrecht in notariële zaken).
1. Uitleg van contracten tussen partijen: de wilsvertrouwensleer (Bunde/Erckens);
2. De subjectieve Haviltexmaatstaf: geen zuiver taalkundige uitleg;
3. De objectieve CAO-maatstaf: werking ten opzichte van derden (Gerritse/Hydro Agri Sluiskil);
3.1. Ratio;
4. Geobjectiveerde Haviltex: een vloeiende overgang tussen Haviltex en CAO (DSM/Fox)?
5. Notariële akten: Haviltex en CAO in één overeenkomst (Kamsteeg/Lisser)?
5.1. HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1511 (Renteclausule in hypotheekakte)
6. 'Condormaatstaf': de bestaansgrond van de CAO-norm rechtvaardigt subjectieve uitleg;
7. Tot besluit: overzicht
1. Uitleg van contracten tussen partijen: de wilsvertrouwensleer
Hoe zorgvuldig partijen de bewoordingen van een contract ook formuleren, er kunnen altijd onduidelijkheden ontstaan over de interpretatie van de tekst. Het consensualisme brengt daarnaast met zich, dat partijen afspraken kunnen maken die niet in het contract zijn neergelegd. Bij conflicten over de interpretatie, dienen contracten te worden uitgelegd aan de hand van de wilsvertrouwensleer in de zin van de artikelen. 3:33 en 3:35 BW.
Dé klassieker op het gebied van de interpretatie van overeenkomsten is HR 17 december 1976, NJ 1977, 241 (Bunde/Erckens), waarin de vragen centraal staan, of in geval van een misverstand een overeenkomst tot stand is gekomen én hoe de inhoud van de overeenkomst moet worden uitgelegd. De Hoge Raad overweegt:
"Indien partijen die een overeenkomst wensen te sluiten, daarin een voor misverstand vatbare uitdrukking bezigen, die zij elk in verschillende zin hebben opgevat, het antwoord op de vraag of al of niet een overeenkomst tot stand is gekomen, in beginsel afhangt van wat beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid"Uitgangspunt is het gerechtvaardigd vertrouwen van partijen over en weer. Niet de letter van het contract is beslissend, maar hetgeen partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs omtrent elkaars bedoelingen mochten afleiden.
2. De subjectieve Haviltexmaatstaf: geen zuiver taalkundige uitleg
De in Bunde/ Erckens aangelegde maatstaf voor de uitleg van contracten op basis van de wilsvertrouwensleer, is 'verfijnd' in het welbekende Haviltex-arrest (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 (Ermes c.s./Haviltex)):
"De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht"3. De objectieve CAO-maatstaf: werking van de overeenkomst ten opzichte van derden
Tussen partijen geldt in beginsel onverkort de Haviltexmaatstaf. Overeenkomsten die de rechtspositie van derden beogen te beïnvloeden, worden echter in beginsel niet onderworpen aan subjectieve uitleg, maar aan de objectieve maatstaf die is aangelegd in HR 17 september 1993, NJ 1994, 173 (Gerritse/Hydro Agri Sluiskil):
"De Hoge Raad stelt voorop dat het hier gaat om een bepaling in een CAO. Bij de totstandkoming van een dergelijke overeenkomst zijn de individuele werknemers niet betrokken, terwijl de individuele werkgever daarbij betrokken kan, maar niet hoeft te zijn. In het algemeen staan daarom aan de werknemers en werkgever, op wie de overeenkomst van toepassing is, bij het bepalen van inhoud en strekking daarvan geen andere gegevens ter beschikking dan haar tekst en de eventueel daaraan toegevoegde schriftelijke toelichting, die in deze zaak echter ontbreekt. Dit brengt mee dat voor de uitleg van de bepalingen van een CAO, de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn. Heeft de werkgever zelf aan de totstandkoming van de CAO meegewerkt, dan zal hij zijn eventueel daaraan ontleende bijzondere wetenschap te dier zake niet jegens de werknemer kunnen inroepen"In beginsel zijn de bewoordingen van de overeenkomst, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, van doorslaggevende betekenis (het komt dus niet aan op een uitsluitend grammaticale interpretatie, zoals de samenvatting bij het arrest ten onrechte aangeeft). Bij hantering van de CAO-maatstaf blijft de subjectieve context buiten beschouwing, voor zover de partijbedoelingen niet kenbaar zijn voor de derde, die geen partij was bij de totstandkoming van de overeenkomst. Objectief kenbare subjectieve bedoelingen van partijen bij de totstandkoming van de overeenkomst mogen dus wel in de uitleg van de overeenkomst worden betrokken. Met 'objectief kenbaar' wordt onder meer bedoeld: kenbaar uit de considerans,
3.1. Ratio
De derdenbescherming bij rechtshandelingen (art. 3:36 BW) gaat in dergelijke zaken vaak niet op. Zo staat de derde tot de overeenkomst (werknemer) in verhouding tot een partij die zelf derde is bij de overeenkomst (werkgever). Nu art. 3:36 BW niet van toepassing is op deze 'derdenverhouding' tot de overeenkomst, fungeert de objectieve CAO-maatstaf om het gebrek aan derdenbescherming te ondervangen.
4. Geobjectiveerde Haviltex: een vloeiende overgang tussen Haviltex en CAO (DSM/Fox)?
Bij geobjectiveerde Haviltex hoeven de bedoelingen van partijen bij de overeenkomst (subjectieve factoren) niet buiten beschouwing te blijven; dit is het verschil met de 'harde' CAO-maatstaf (waar objectieve factoren centraal staan). De geobjectiveerde Haviltex zou dus ook een "gesubjectiveerde CAO-maatstaf" genoemd kunnen worden.
De geobjectiveerde Haviltex is aangelegd in HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493 (DSM/Fox), waarin de Hoge Raad overweegt dat tussen de Haviltexnorm en de CAO-norm een vloeiende overgang bestaat. Het cassatiemiddel betoogt met succes, dat het hof onterecht heeft aangenomen dat de grammaticale uitleg voorop dient te staan:
"Tussen de Haviltexnorm en de CAO-norm bestaat geen tegenstelling, maar een vloeiende overgang. Enerzijds heeft ook bij toepassing van de Haviltexnorm te gelden dat, indien de inhoud van een overeenkomst in een geschrift is vastgelegd — nog afgezien van het bepaalde in art. 3:36 BW in de verhouding tot derden — de argumenten voor een uitleg van dat geschrift naar objectieve maatstaven aan gewicht winnen in de mate waarin de daarin belichaamde overeenkomst naar haar aard meer is bestemd de rechtspositie te beïnvloeden van derden die de bedoeling van de contracterende partijen uit dat geschrift en een eventueel daarbij behorende toelichting niet kunnen kennen en het voor de opstellers voorzienbare aantal van die derden groter is, terwijl het geschrift ertoe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen.De behoefte aan objectivering van de Haviltexnorm is, getuige deze rechtsoverweging, afhankelijk van de volgende factoren:
Anderzijds leidt de CAO-norm niet tot een louter taalkundige uitleg; in het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2002, nr. C00/186, NJ 2003, 110, is de hiervoor in 4.3 aangehaalde rechtspraak in die zin verduidelijkt dat hier sprake is van een uitleg naar objectieve maatstaven, waarbij onder meer acht kan worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. In het zojuist aangehaalde arrest is voorts nog beslist dat ook de bewoordingen van de eventueel bij de CAO behorende schriftelijke toelichting bij de uitleg van de CAO moeten worden betrokken. In een latere uitspraak (HR 28 juni 2002, nr. C01/012, NJ 2003, 111) werd geoordeeld dat, indien de bedoeling van de partijen bij de CAO naar objectieve maatstaven volgt uit de CAO-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, ook daaraan bij de uitleg betekenis kan worden toegekend." (r.o. 4.4.)
(a) de overeenkomst is naar haar aard bestemd om de rechtspositie te beïnvloeden van derden die de bedoeling van de contracterende partijen uit dat geschrift en eventuele toelichting niet kunnen kennen;
(b) het door de opstellers voorziene aantal van die derden is groter;
(c) het geschrift is bedoeld om de rechtspositie van die derden te uniformeren.
De gemeenschappelijke grondslag van de Haviltex- en CAO-maatstaf houdt in, dat voor de uitleg van de overeenkomst alle omstandigheden van het geval beslissend zijn, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (r.o. 4.5.). De vermeende 'vloeiende overgang' tussen Haviltex en de CAO-norm valt sterk te relativeren: subjectieve aspecten moeten het immers afleggen tegen de CAO-norm, indien de subjectieve context slechts kenbaar is voor de onderhandelingspartners en niet voor derden. Een uitleg volgens de Haviltex-norm (aan de niet-kenbare bedoelingen van de onderhandelingspartners) zou tot ongewenst effect hebben dat de uniforme uitleg in de zin van de CAO-norm ondergraven wordt.
Hoewel de Hoge Raad uitvoerig over de Haviltexnorm betoogt, is de CAO-maatstaf in deze zaak doorslaggevend en wordt werknemer c.q. verweerder in cassatie (Fox) veroordeeld in de proceskosten. Dat heeft er naar alle waarschijnlijkheid mee te maken dat het om een pensioenregeling gaat, waarbij de rechtspositie van derden (overige werknemers) op uniforme wijze wordt geregeld. Een nadere motivering door de Raad ontbreekt helaas op dit punt.
5. Notariële akten: Haviltex en CAO in één overeenkomst?
Sommige zaken bevinden zich op het snijvlak van het verbintenissenrecht met het goederenrecht. De notariële akte leent zich meestal voor de toepassing van zowel de Haviltex- als de CAO-maatstaf. HR 22 oktober 2010, NJ 2011, 111 (Kamsteeg/Lisser) geeft belangrijke gezichtspunten op het gebied van de interpretatie van notariële akten.
De objectieve maatstaf is doorslaggevend voor de goederenrechtelijke overeenkomst (bijvoorbeeld de akte tot levering van een onroerende zaak), omdat derden op de inhoud van de transportakte af moet kunnen gaan. Logischerwijs moeten derden kunnen vertrouwen op wat zij uit de openbare registers hebben vernomen (HR 1 november 2013, NJ 2013/522 (Van Wijk/De Prinsenwerf)).
De verbintenisrechtelijke overeenkomst daarentegen heeft slechts betrekking op hetgeen partijen zijn overeengekomen (bijvoorbeeld de koopovereenkomst). Omdat de koopovereenkomst obligatoire partijafspraken betreft, is de Haviltexmaatstaf van toepassing.
5.1. HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1511 (Renteclausule in hypotheekakte)
Hetgeen in de hypotheekakte is vermeld ter zake van de vestiging van het hypotheekrecht, moet worden uitgelegd naar objectieve maatstaven. Dit geldt niet ten aanzien van de renteclausule, die tussen oorspronkelijk partijen is overeengekomen:
"Het hof heeft in rov. 3.4 voor de toe te passen maatstaf aansluiting gezocht bij HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2904, NJ 2013/240. In dat arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat het bij de uitleg van een notariële akte waarbij een erfdienstbaarheid is vastgelegd, aankomt op de partijbedoeling voor zover die in de notariële akte tot uitdrukking is gebracht, en dat deze bedoeling moet worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte
Volgens vaste rechtspraak geldt deze maatstaf voor de uitleg van notariële akten die strekken tot levering van registergoederen en de vestiging van beperkte rechten daarop (zie onder meer Kamsteeg/Lisser). De ratio van deze objectieve uitlegmaatstaf is gelegen in het voor registergoederen geldende stelsel van publiciteit. Derden moeten kunnen afgaan op hetgeen in een – in de openbare registers ingeschreven – akte is vermeld ter zake van de overdracht van een registergoed of van de vestiging van een beperkt recht op een registergoed
In het onderhavige geval ziet het geschil van partijen niet op hetgeen in de hypotheekakte is vermeld ter zake van de vestiging van het hypotheekrecht, maar op de vraag of partijen zijn overeengekomen dat het in de hypotheekakte genoemde bedrag van NAF 720.000,-- inclusief rente is dan wel exclusief rente. Het gaat hier derhalve om de uitleg van een contractuele renteclausule die alleen een rol speelt in de verhouding tussen de oorspronkelijke contractspartijen. Bij de beantwoording van de vraag wat de inhoud is van de op dit punt door partijen gemaakte obligatoire afspraken komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze afspraken mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, zulks in het licht van alle omstandigheden van het geval (Haviltex)"
Afwijking van de CAO-norm, door subjectieve uitleg van een sociaal plan, is gerechtvaardigd, indien daarmee juist recht wordt gedaan aan de bestaansgrond van de CAO-norm, zo is beslist in het vrij recente arrest-Condor (HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687 (FNV c.s./Condor):
"Volgens vaste rechtspraak geldt voor de uitleg van een bepaling van een cao de zogeheten CAO-norm. Deze houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de7. Tot besluit: overzicht
rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden (Vgl. HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9889, NJ 2012/142)
Ook de bewoordingen van de eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de cao worden betrokken (vgl. HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2376, NJ 2003/110). Indien de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend
(vgl. HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4366, NJ 2003/111)
Blijkens deze rechtspraak strekt de CAO-norm in de eerste plaats ertoe te voorkomen dat die niet kenbare partijbedoeling wordt tegengeworpen aan zodanige derden. Voorts is in de hiervoor in 3.4 vermelde uitspraak van 26 mei 2000 beklemtoond dat niet kan worden aanvaard dat een bepaling van een cao op verschillende wijzen zou moeten worden uitgelegd al naar gelang de personen die bij een geschil daaromtrent als procespartijen in het geding zijn betrokken. Hieruit volgt dat de CAO-norm tevens ertoe strekt te verzekeren dat een cao voor alle onder de werkingssfeer daarvan vallende partijen op dezelfde wijze wordt uitgelegd.
Uit een en ander volgt dat de bestaansgrond van de CAO-norm is gelegen in de bescherming van derden tegen een uitleg van een bepaling in een overeenkomst waarbij betekenis wordt toegekend aan de voor hen niet kenbare partijbedoeling, en in de noodzaak van een eenvormige uitleg voor alle door die overeenkomst gebonden partijen.
Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de bestaansgrond van de
CAO-norm, is een van die norm afwijkende uitleg denkbaar voor een situatie als de onderhavige, waarin het gaat om de vraag of een groep werknemers die uitgaande van de tekst van een sociaal plan buiten de werkingssfeer daarvan valt, daaraan niettemin rechten kan ontlenen. De onderdelen klagen terecht dat het hof heeft miskend dat de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden meebrengen dat bij de uitleg van het Sociaal Plan mede betekenis toekomt aan de voor derden niet kenbare bedoelingen van de opstellers van het Sociaal Plan. In het licht van de hiervoor vermelde bestaansgrond van de CAO-norm is de toepassing daarvan in het onderhavige geval immers niet gerechtvaardigd."
Bij geschillen over de interpretatie van een overeenkomst kunnen, al naar gelang de omstandigheden van de zaak, verschillende maatstaven worden toegepast. De uiterst subjectieve maatstaf, een uitwerking van de wilsvertrouwensleer, is de Haviltexmaatstaf. De uiterst objectieve maatstaf is de CAO-maatstaf. Anders dan sommige arresten doen vermoeden, is een rigide onderscheid tussen kwesties die om een objectieve of subjectieve norm vragen, niet te maken. De omstandigheden van het geval bepalen welke maatstaf moet worden toegepast bij de uitleg van de overeenkomst, niet andersom. Samengevat levert de jurisprudentie het volgende beeld op:
a. bij uitsluitend obligatoire overeenkomsten komt de uitleg van een contract aan op hetgeen partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de bepalingen mogen toekennen en op hetgeen partijen te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mogen verwachten. Subjectieve factoren als de juridische kennis van partijen, gedraging na het sluiten van het contract en de totstandkomingsgeschiedenis, mogen worden meegewogen bij de uitleg (subjectieve Haviltexmaatstaf);
b. bij overeenkomsten die beogen de rechtspositie te beïnvloeden van derden, die géén partij zijn bij de totstandkoming van de overeenkomst en die geen derdenbescherming kunnen ontlenen aan art. 3:36 BW, geldt de objectieve maatstaf. De partijbedoelingen die voor derden niet kenbaar zijn, moeten niet aan derden kunnen worden tegengeworpen. Subjectieve factoren mogen alleen worden meegewogen, indien zij voor derden op objectieve wijze kenbaar zijn, bijvoorbeeld door opneming in de tekst van het contract of in de considerans. De objectieve maatstaf is géén grammaticale interpretatie; de bewoordingen van de tekst van de overeenkomst worden uitgelegd in de context als geheel (objectieve CAO-maatstaf);
c. indien de inhoud van een overeenkomst schriftelijk is vastgelegd, winnen de argumenten voor een objectieve uitleg in gewicht, indien de overeenkomst naar haar aard bestemd is de rechtspositie van derden te beïnvloeden, die de bedoeling van de contracterende partijen uit dat geschrift en een eventueel daarbij behorende toelichting niet kunnen kennen en het voor de opstellers voorzienbare aantal van die derden groter is, terwijl het geschrift ertoe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen. Dus: in beginsel kan Haviltex de aangewezen maatstaf zijn, maar de behoefte aan objectivering neemt toe, indien de overeenkomst is bestemd om de rechtspositie van derden op uniforme wijze te regelen en naarmate het aantal derden groter is (geobjectiveerde Haviltex);
d. de bestaansgrond van de CAO-norm is hierin gelegen, dat bescherming wordt geboden aan derden tegen een voor hen niet kenbare partijbedoeling. Als door een meer subjectieve uitleg recht wordt gedaan aan die bestaansgrond, mag de CAO-norm buiten toepassing worden gelaten (Condormaatstaf);
e. zaken die zich op het snijvlak van het goederenrecht met het verbintenissenrecht bevinden, worden beoordeeld aan de hand van zowel de Haviltex- als de CAO-maatstaf. Als een overeenkomst of een clausule obligatoire partijafspraken betreft (koopovereenkomst, renteclausule), dan is de Haviltexmaatstaf aangewezen. De goederenrechtelijke overeenkomst en bestanden in het register (hypotheekakte, transportakte, splitsingsakte en splitsingstekening (art. 5:109 lid 2 en 5:111 BW)) worden volgens de objectieve maatstaf uitgelegd, omdat in het handelsverkeer derden moeten kunnen vertrouwen op hetgeen in de openbare registers is vastgelegd (CAO of Haviltex bij goederenrecht vs. verbintenissenrecht in notariële zaken).
donderdag 21 januari 2016
(Consumenten)koop en productaansprakelijkheid I
Hoe komt de koopovereenkomst tot stand?
De koopovereenkomst ex. art. 7:1 richt zich op de overdracht van een zaak, art. 3:2. De koop kan echter ook op een vermogensrecht betrekking hebben, zie art. 7:47.
Voor de totstandkoming van de koopovereenkomst geldt het model van aanbod en aanvaarding, art. 6:217. Is er geen prijs vastgesteld bij het sluiten van de koopovereenkomst, dan bepaalt art. 7:4 dat de koper een redelijke prijs is verschuldigd. Tot zover het kader van de totstandkoming. Naar de veelgestelde vragen uit de rechtspraktijk:
Wat zijn mijn rechten als ik ongevraagd een product krijg toegezonden en de afzender mij tot betaling probeert te dwingen?
Het komt nogal eens voor dat een opdringerige afzender ongevraagd een product stuurt en in een begeleidende brief meent dat er zo spoedig mogelijk betaald dient te worden, anders komt het incassobureau eraan te pas. Laat u zich niet intimideren.
Art. 7:7 beschermt de consument tegen dergelijke praktijken, die de ontvanger pogen te bewegen tot koop. U bent bevoegd om de zaak te behouden zonder de afzender betaling verschuldigd te zijn. Hierbij moet worden opgemerkt dat voorwaarde is dat het u niet toe te rekenen valt dat de zending is geschied.
Wie is er aansprakelijk voor schade; verkoper of producent?
Voor het afleveren van een gebrekkige zaak (non-conformiteit) is de verkoper in beginsel wegens wanprestatie aansprakelijk, art. 7:24 lid 1 jo. 6:74. In het geval van een gevaarlijk product is de producent op grond van artt. 6:185 en 6:190 aansprakelijk. Om te voorkomen dat zowel de verkoper als de producent aansprakelijk wordt gesteld, verklaart art. 7:24 lid 2 afdeling 3 van titel 3 boek 6, "Produktenaansprakelijkheid", van toepassing.
De producent is gehouden de schade te vergoeden ex. 6:190, indien:
- Er schade bestaat in de vorm van sub a, aangebracht door de gevaarlijke zaak;
- De door het product toegebrachte schade aan een andere zaak (let op: bestemd tot gebruik in de privésfeer) meer dan 500 Euro bedraagt, zie sub b.
Gesteld dat is voldaan aan het vereiste van toerekening, art. 6:74, dan betekent dat de verkoper aansprakelijk is voor:
- Schade aan de zaak zelf;
- Schade, door de gevaarlijke zaak aangebracht aan andere zaken, onder de drempelfranchise van 500 Euro, zie art. 7:24 lid 2 sub c.
Wanneer zijn de producent én de verkoper aansprakelijk?
Normaliter is uitsluitend de producent aansprakelijk voor de schade uit art. 6:190 sub a en b. In bepaalde gevallen is de verkoper tevens aansprakelijk en wel:
- Indien de verkoper het gebrek kende of behoorde te kennen (normatief), art. 7:24 lid 2 sub a;
- Indien de verkoper de afwezigheid van het gebrek heeft toegezegd, art. 7:24 sub b.
De consument komt de mogelijkheid toe om óf de verkoper, óf de producent aan te spreken. In praktijk zal de consument eerder genegen zijn de schade bij de verkoper te melden.
Is het bijkopen van garantie noodzakelijk?
Het bijkopen van garantie op een product is vooral commercieel en niet noodzakelijk, zij het dat garantie als middel kan fungeren om eventuele strijd rond de bewijslast te voorkomen. Garantie door de producent heeft als bijkomend voordeel dat de consument kan kiezen of de verkoper, dan wel de producent aangesproken kan worden ingeval de zaak gebrekkig is.
Inzake art. 7:17 heeft de consument recht op een product dat aan de overeenkomst beantwoordt; zo niet, dan is er sprake van een non-conform product. De gevolgen van non-conformiteit bij koop zijn vastgelegd in art. 7:21. Lid 1 sub b van dit artikel geeft de consument recht op kosteloos herstel; sub c verklaart dat de koper vervanging van de zaak kan eisen, mits vervanging wordt gerechtvaardigd door de afwijking die aan het product kleeft.
De garantie dient in het geheel niet ter discussie te staan als de zaak binnen zes maanden gebreken vertoont, ex. art. 7:18 lid 2: in dat geval wordt vermoed dat de zaak reeds bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord. Een en ander wordt gerelativeerd door de aard van de zaak of de aard van de afwijking. Wat onder "aard van de zaak" en "aard van de afwijking" moet worden verstaan, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Van duurdere producten mag men betere prestaties verwachten en een kleine afwijking aan niet-essentiële onderdelen rechtvaardigt nog geen vervanging van de zaak of ontbinding van de koopovereenkomst.
Mag een garantie de rechten van de consument beperken?
Soms zal een garantie de rechten van de consument op impliciete wijze pogen te beperken. In de (bijgekochte) garantie staat bijvoorbeeld dat alle schade die zich na zes maanden openbaart, voor risico van de koper is. Garantiebepalingen die de rechten van de consument inzake art. 7:21 en 7:24 beperken, zijn ex. artt. 7:6 en 7:6a in strijd met het (dwingend) recht en derhalve vernietigbaar.
Waarom is een met de wet strijdige garantiebepaling, vernietigbaar in plaats van nietig? Slechts één partij geniet in bovengenoemde situatie bescherming: de consument.
De koopovereenkomst ex. art. 7:1 richt zich op de overdracht van een zaak, art. 3:2. De koop kan echter ook op een vermogensrecht betrekking hebben, zie art. 7:47.
Voor de totstandkoming van de koopovereenkomst geldt het model van aanbod en aanvaarding, art. 6:217. Is er geen prijs vastgesteld bij het sluiten van de koopovereenkomst, dan bepaalt art. 7:4 dat de koper een redelijke prijs is verschuldigd. Tot zover het kader van de totstandkoming. Naar de veelgestelde vragen uit de rechtspraktijk:
Wat zijn mijn rechten als ik ongevraagd een product krijg toegezonden en de afzender mij tot betaling probeert te dwingen?
Het komt nogal eens voor dat een opdringerige afzender ongevraagd een product stuurt en in een begeleidende brief meent dat er zo spoedig mogelijk betaald dient te worden, anders komt het incassobureau eraan te pas. Laat u zich niet intimideren.
Art. 7:7 beschermt de consument tegen dergelijke praktijken, die de ontvanger pogen te bewegen tot koop. U bent bevoegd om de zaak te behouden zonder de afzender betaling verschuldigd te zijn. Hierbij moet worden opgemerkt dat voorwaarde is dat het u niet toe te rekenen valt dat de zending is geschied.
Wie is er aansprakelijk voor schade; verkoper of producent?
Voor het afleveren van een gebrekkige zaak (non-conformiteit) is de verkoper in beginsel wegens wanprestatie aansprakelijk, art. 7:24 lid 1 jo. 6:74. In het geval van een gevaarlijk product is de producent op grond van artt. 6:185 en 6:190 aansprakelijk. Om te voorkomen dat zowel de verkoper als de producent aansprakelijk wordt gesteld, verklaart art. 7:24 lid 2 afdeling 3 van titel 3 boek 6, "Produktenaansprakelijkheid", van toepassing.
De producent is gehouden de schade te vergoeden ex. 6:190, indien:
- Er schade bestaat in de vorm van sub a, aangebracht door de gevaarlijke zaak;
- De door het product toegebrachte schade aan een andere zaak (let op: bestemd tot gebruik in de privésfeer) meer dan 500 Euro bedraagt, zie sub b.
Gesteld dat is voldaan aan het vereiste van toerekening, art. 6:74, dan betekent dat de verkoper aansprakelijk is voor:
- Schade aan de zaak zelf;
- Schade, door de gevaarlijke zaak aangebracht aan andere zaken, onder de drempelfranchise van 500 Euro, zie art. 7:24 lid 2 sub c.
Wanneer zijn de producent én de verkoper aansprakelijk?
Normaliter is uitsluitend de producent aansprakelijk voor de schade uit art. 6:190 sub a en b. In bepaalde gevallen is de verkoper tevens aansprakelijk en wel:
- Indien de verkoper het gebrek kende of behoorde te kennen (normatief), art. 7:24 lid 2 sub a;
- Indien de verkoper de afwezigheid van het gebrek heeft toegezegd, art. 7:24 sub b.
De consument komt de mogelijkheid toe om óf de verkoper, óf de producent aan te spreken. In praktijk zal de consument eerder genegen zijn de schade bij de verkoper te melden.
Is het bijkopen van garantie noodzakelijk?
Het bijkopen van garantie op een product is vooral commercieel en niet noodzakelijk, zij het dat garantie als middel kan fungeren om eventuele strijd rond de bewijslast te voorkomen. Garantie door de producent heeft als bijkomend voordeel dat de consument kan kiezen of de verkoper, dan wel de producent aangesproken kan worden ingeval de zaak gebrekkig is.
Inzake art. 7:17 heeft de consument recht op een product dat aan de overeenkomst beantwoordt; zo niet, dan is er sprake van een non-conform product. De gevolgen van non-conformiteit bij koop zijn vastgelegd in art. 7:21. Lid 1 sub b van dit artikel geeft de consument recht op kosteloos herstel; sub c verklaart dat de koper vervanging van de zaak kan eisen, mits vervanging wordt gerechtvaardigd door de afwijking die aan het product kleeft.
De garantie dient in het geheel niet ter discussie te staan als de zaak binnen zes maanden gebreken vertoont, ex. art. 7:18 lid 2: in dat geval wordt vermoed dat de zaak reeds bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord. Een en ander wordt gerelativeerd door de aard van de zaak of de aard van de afwijking. Wat onder "aard van de zaak" en "aard van de afwijking" moet worden verstaan, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Van duurdere producten mag men betere prestaties verwachten en een kleine afwijking aan niet-essentiële onderdelen rechtvaardigt nog geen vervanging van de zaak of ontbinding van de koopovereenkomst.
Mag een garantie de rechten van de consument beperken?
Soms zal een garantie de rechten van de consument op impliciete wijze pogen te beperken. In de (bijgekochte) garantie staat bijvoorbeeld dat alle schade die zich na zes maanden openbaart, voor risico van de koper is. Garantiebepalingen die de rechten van de consument inzake art. 7:21 en 7:24 beperken, zijn ex. artt. 7:6 en 7:6a in strijd met het (dwingend) recht en derhalve vernietigbaar.
Waarom is een met de wet strijdige garantiebepaling, vernietigbaar in plaats van nietig? Slechts één partij geniet in bovengenoemde situatie bescherming: de consument.
woensdag 20 januari 2016
Verbintenissenrecht: verzuim, onmogelijkheid en schadevergoeding I
Wanneer is er sprake van verzuim?
Nakoming die niet tijdig geschiedt, leidt niet per definitie tot verzuim. Verzuim is een gekwalificeerde vorm van niet tijdige nakoming. Wat verzuim inhoudt, is bepaald in art. 6:81:
- De verbintenis is opeisbaar;
- Hoewel art. 6:81 hierover zwijgt, valt niet slechts het uitblijven van de prestatie, maar ook de ondeugdelijkheid van de prestatie onder het verzuim;
- De vertraging in de nakoming valt toe te rekenen aan de debiteur. Daarmee is gezegd dat overmacht de wanprestatie uitsluit;
- Presteren door de debiteur is niet blijvend onmogelijk;
- Verzuim ontstaat eerst wanneer voldaan is aan de vereisten van art. 6:82 dan wel 6:83. De debiteur geraakt in verzuim indien de crediteur een ingebrekestelling heeft gezonden en de daarin gestelde termijn is verlopen (constitutieve werking). In het geval van de onrechtmatige daad is de ingebrekestelling niet vereist.
In welke situaties is een ingebrekestelling zonder aanmaning vereist?
Art. 6:82 lid 2 ziet op de volgende situaties waarin wel een ingebrekestelling, maar geen aanmaning noodzakelijk is. Bij tijdelijke onmogelijkheid dient er een ingebrekestelling te worden gestuurd, indien er schadevergoeding wordt gevorderd door de crediteur. Een aanmaning is daarbij niet nodig om het verzuim te bewerkstelligen. De ingebrekestelling is een middel om de debiteur aansprakelijk te stellen voor het vergoeden van schade door niet-nakoming van de verbintenis.
Ook kan een ingebrekestelling zonder aanmaning worden gericht aan de debiteur, als uit de houding van de debiteur blijkt dat aanmaning geen effect heeft. Maak onderscheid tussen "aannemen op grond van de houding van de debiteur" en "afleiden uit de mededeling van de debiteur". In het laatste geval is namelijk art. 6:83 sub c van toepassing, waarbij niet zal worden nagekomen en derhalve de ingebrekestelling niet aan de orde is (zie vervolg).
Wanneer is géén ingebrekestelling vereist?
Neem aan dat de onmogelijkheid van nakoming toe te rekenen valt aan de debiteur. Door de blijvende onmogelijkheid en de toerekenbaarheid, is voldaan aan de criteria voor het vorderen van schadevergoeding. Uit art. 6:74 lid 2 kan worden afgeleid, dat de verzuimregeling in paragraaf 2 van afdeling 9, niet in acht hoeft te worden genomen bij blijvende onmogelijkheid van nakoming van de verbintenis. Explicieter is artikel 83, waarin de gronden voor het intreden van verzuim van rechtswege zijn neergelegd:
6:83:
Sub a: is een in de verbintenis opgenomen bepaalde fatale termijn overschreden door de debiteur, dan geraakt de debiteur van rechtswege in verzuim;
Sub b: er is schade uit onrechtmatige daad of wanprestatie. Voor de onrechtmatige daad geldt dat deze niet hoeft te bestaan in de vorm van een verbintenis tot schadevergoeding;
Sub c: uit de mededeling van de debiteur valt op te maken dat hij tekort zal schieten in de nakoming van de verbintenis. Ook een mededeling met betrekking tot het later presteren dan bepaald in de verbintenis, wordt geschaard onder sub c.
Schadevergoeding: overzicht
Voor vergoeding van schade is ex. art. 6:74 lid 1, nodig dat de tekortkoming aan de schuldenaar kan worden toegerekend. Wanneer de tekortkoming niet-toerekenbaar is, is sprake van overmacht. Bij uitzondering is de schuldenaar in een overmachtsituatie, toch gehouden tot schadevergoeding. Voor toerekening van de tekortkoming is de eis van de condicio sine qua non, binnen het kader van de redelijke toerekening, ex. art. 6:98 relevant.
Als de prestatie blijvend onmogelijk is, kan vervangende schadevergoeding worden gevorderd. In dit geval is verzuim niet vereist, art. 6:74 lid 2.
Gevolgschade wordt als volgt getypeerd in HR 4 februari 2000, NJ 2000, 258, Kinheim/ Pelders: "..schade die de schuldeiser niet zou hebben geleden indien aanstonds deugdelijk was gepresteerd en die niet door de vervangende prestatie wordt weggenomen". De gevolgschade die is toegebracht door ondeugdelijk presteren, valt onder de onmogelijkheid van nakoming; daarmee is verzuim ook voor het vorderen van gevolgschade niet vereist.
De bovengenoemde vergoedingen dienen te worden onderscheiden van de schadevergoeding die kan worden gevorderd wanneer er de mogelijkheid is om nog te presteren, de vertragingsschade. De verzuimregeling is dan ook van toepassing bij vertraging in de nakoming door de debiteur. Soms kunnen vertragingsschade en gevolgschade worden samengevoegd tot aanvullende schadevergoeding.
Alleen als een fatale termijn is opgenomen bij de verbintenis, is verzuim niet nodig. In alle andere gevallen kan in beginsel worden uitgegaan van de verzuimregeling. Het kan zijn dat de crediteur vervangende schadevergoeding wenst, wanneer echter de prestatie niet blijvend onmogelijk is, maar er wel sprake is van vertraging in de nakoming. Naast verzuim is de schriftelijke mededeling, ex. art. 6:87, vereist om in een dergelijk geval vervangende schadevergoeding te eisen.
Dus:
Nakoming die niet tijdig geschiedt, leidt niet per definitie tot verzuim. Verzuim is een gekwalificeerde vorm van niet tijdige nakoming. Wat verzuim inhoudt, is bepaald in art. 6:81:
- De verbintenis is opeisbaar;
- Hoewel art. 6:81 hierover zwijgt, valt niet slechts het uitblijven van de prestatie, maar ook de ondeugdelijkheid van de prestatie onder het verzuim;
- De vertraging in de nakoming valt toe te rekenen aan de debiteur. Daarmee is gezegd dat overmacht de wanprestatie uitsluit;
- Presteren door de debiteur is niet blijvend onmogelijk;
- Verzuim ontstaat eerst wanneer voldaan is aan de vereisten van art. 6:82 dan wel 6:83. De debiteur geraakt in verzuim indien de crediteur een ingebrekestelling heeft gezonden en de daarin gestelde termijn is verlopen (constitutieve werking). In het geval van de onrechtmatige daad is de ingebrekestelling niet vereist.
In welke situaties is een ingebrekestelling zonder aanmaning vereist?
Art. 6:82 lid 2 ziet op de volgende situaties waarin wel een ingebrekestelling, maar geen aanmaning noodzakelijk is. Bij tijdelijke onmogelijkheid dient er een ingebrekestelling te worden gestuurd, indien er schadevergoeding wordt gevorderd door de crediteur. Een aanmaning is daarbij niet nodig om het verzuim te bewerkstelligen. De ingebrekestelling is een middel om de debiteur aansprakelijk te stellen voor het vergoeden van schade door niet-nakoming van de verbintenis.
Ook kan een ingebrekestelling zonder aanmaning worden gericht aan de debiteur, als uit de houding van de debiteur blijkt dat aanmaning geen effect heeft. Maak onderscheid tussen "aannemen op grond van de houding van de debiteur" en "afleiden uit de mededeling van de debiteur". In het laatste geval is namelijk art. 6:83 sub c van toepassing, waarbij niet zal worden nagekomen en derhalve de ingebrekestelling niet aan de orde is (zie vervolg).
Wanneer is géén ingebrekestelling vereist?
Neem aan dat de onmogelijkheid van nakoming toe te rekenen valt aan de debiteur. Door de blijvende onmogelijkheid en de toerekenbaarheid, is voldaan aan de criteria voor het vorderen van schadevergoeding. Uit art. 6:74 lid 2 kan worden afgeleid, dat de verzuimregeling in paragraaf 2 van afdeling 9, niet in acht hoeft te worden genomen bij blijvende onmogelijkheid van nakoming van de verbintenis. Explicieter is artikel 83, waarin de gronden voor het intreden van verzuim van rechtswege zijn neergelegd:
6:83:
Sub a: is een in de verbintenis opgenomen bepaalde fatale termijn overschreden door de debiteur, dan geraakt de debiteur van rechtswege in verzuim;
Sub b: er is schade uit onrechtmatige daad of wanprestatie. Voor de onrechtmatige daad geldt dat deze niet hoeft te bestaan in de vorm van een verbintenis tot schadevergoeding;
Sub c: uit de mededeling van de debiteur valt op te maken dat hij tekort zal schieten in de nakoming van de verbintenis. Ook een mededeling met betrekking tot het later presteren dan bepaald in de verbintenis, wordt geschaard onder sub c.
Schadevergoeding: overzicht
Voor vergoeding van schade is ex. art. 6:74 lid 1, nodig dat de tekortkoming aan de schuldenaar kan worden toegerekend. Wanneer de tekortkoming niet-toerekenbaar is, is sprake van overmacht. Bij uitzondering is de schuldenaar in een overmachtsituatie, toch gehouden tot schadevergoeding. Voor toerekening van de tekortkoming is de eis van de condicio sine qua non, binnen het kader van de redelijke toerekening, ex. art. 6:98 relevant.
Als de prestatie blijvend onmogelijk is, kan vervangende schadevergoeding worden gevorderd. In dit geval is verzuim niet vereist, art. 6:74 lid 2.
Gevolgschade wordt als volgt getypeerd in HR 4 februari 2000, NJ 2000, 258, Kinheim/ Pelders: "..schade die de schuldeiser niet zou hebben geleden indien aanstonds deugdelijk was gepresteerd en die niet door de vervangende prestatie wordt weggenomen". De gevolgschade die is toegebracht door ondeugdelijk presteren, valt onder de onmogelijkheid van nakoming; daarmee is verzuim ook voor het vorderen van gevolgschade niet vereist.
De bovengenoemde vergoedingen dienen te worden onderscheiden van de schadevergoeding die kan worden gevorderd wanneer er de mogelijkheid is om nog te presteren, de vertragingsschade. De verzuimregeling is dan ook van toepassing bij vertraging in de nakoming door de debiteur. Soms kunnen vertragingsschade en gevolgschade worden samengevoegd tot aanvullende schadevergoeding.
Alleen als een fatale termijn is opgenomen bij de verbintenis, is verzuim niet nodig. In alle andere gevallen kan in beginsel worden uitgegaan van de verzuimregeling. Het kan zijn dat de crediteur vervangende schadevergoeding wenst, wanneer echter de prestatie niet blijvend onmogelijk is, maar er wel sprake is van vertraging in de nakoming. Naast verzuim is de schriftelijke mededeling, ex. art. 6:87, vereist om in een dergelijk geval vervangende schadevergoeding te eisen.
Dus:
- Vervangende schadevergoeding: wel verzuim vereist als presteren door de debiteur nog mogelijk is;
- Vertragingsschade: mogelijk zodra de debiteur in verzuim verkeert, art. 6:74 lid 2 jo.art. 6:81 ;
- Gevolgschade: verzuim niet vereist aangezien nakoming onmogelijk is (prestatie neemt schade niet weg).
maandag 4 januari 2016
Verbintenissenrecht. Opschorting: algemene regeling en exceptio non adimpleti contractus
Opschorting
Opschorting kan worden gebruikt als pressiemiddel, wanneer nakoming van de verbintenis door een tegenpartij nog mogelijk is. Tevens dient de opschorting ter verzekering wanneer te vrezen is dat de prestatie door de tegenpartij niet geleverd zal worden; de opschorting gaat dan vooraf aan een eventuele verrekening, schadevergoeding of ontbinding.
De algemene wettelijke regeling inzake het opschortingsrecht is te vinden in afdeling 6.1.7. BW.
Art. 6:52 lid 1 vereist een voldoende samenhang tussen vordering en schuld, om opschorting te rechtvaardigen. In lid 2 van dit artikel wordt vervolgens aangegeven wat onder "samenhang" wordt verstaan; uit "onder meer" blijkt wel dat het om een indicatie gaat.
Is het leveren van een tegenprestatie onmogelijk, dan kan de eigen prestatie van een schuldeiser die tevens schuldenaar is, niet worden opgeschort op basis van de algemene regeling, ex. art. 6:54 sub b.
Exceptio non adimpleti contractus (ENAC)
Gaat het om een wederkerige overeenkomst, dan kan de schuldeiser een beroep doen op de exceptio non adimpleti contractus, ex. art. 6:262, ongeacht de definitieve onmogelijkheid van de wederpartij om te presteren. Voorwaarde voor de exceptio non adimpleti contractus is een nauw verband tussen de tegenover elkaar staande verplichtingen; de ontbindingsmogelijkheid ziet immers op de uiteindelijke bevrijding van de eigen verplichting tot presteren bij wederkerigheid van de verbintenis. Lid 2 van art. 6:262 bepaalt dat opschorting slechts is toegelaten, voor zover de tekortkoming haar rechtvaardigt.
Opschorting is slechts mogelijk indien de vordering van de opschortende partij opeisbaar is. Indien geen tijd voor de nakoming is bepaald, dan kan terstond nakoming worden gevorderd, zo is bepaald in art. 6:38. In art. 6:263 is een onzekerheidsexceptie bij wederkerige overeenkomsten opgenomen. Een partij die gehouden is het eerste te presteren, is niettemin bevoegd op te schorten als zij op goede gronden mag vrezen dat de wederpartij niet na zal komen.
Voor het opschortingsrecht is niet relevant, of de niet presterende schuldenaar in verzuim is.
Bepalend voor een geslaagd beroep op het opschortingsrecht zijn, naast de genoemde criteria, de redelijkheid en billijkheid, de proportionaliteit, de aard van de verbintenis en, niet te vergeten, de juiste rechtsgrond. Wanneer nu een schuldeiser op onjuiste gronden opschort, omdat hij meent dat er sprake is van een tekortkoming, dan verkeert hij door niet-nakoming zijnerzijds in schuldeisersverzuim.
Opschorting kan worden gebruikt als pressiemiddel, wanneer nakoming van de verbintenis door een tegenpartij nog mogelijk is. Tevens dient de opschorting ter verzekering wanneer te vrezen is dat de prestatie door de tegenpartij niet geleverd zal worden; de opschorting gaat dan vooraf aan een eventuele verrekening, schadevergoeding of ontbinding.
De algemene wettelijke regeling inzake het opschortingsrecht is te vinden in afdeling 6.1.7. BW.
Art. 6:52 lid 1 vereist een voldoende samenhang tussen vordering en schuld, om opschorting te rechtvaardigen. In lid 2 van dit artikel wordt vervolgens aangegeven wat onder "samenhang" wordt verstaan; uit "onder meer" blijkt wel dat het om een indicatie gaat.
Is het leveren van een tegenprestatie onmogelijk, dan kan de eigen prestatie van een schuldeiser die tevens schuldenaar is, niet worden opgeschort op basis van de algemene regeling, ex. art. 6:54 sub b.
Exceptio non adimpleti contractus (ENAC)
Gaat het om een wederkerige overeenkomst, dan kan de schuldeiser een beroep doen op de exceptio non adimpleti contractus, ex. art. 6:262, ongeacht de definitieve onmogelijkheid van de wederpartij om te presteren. Voorwaarde voor de exceptio non adimpleti contractus is een nauw verband tussen de tegenover elkaar staande verplichtingen; de ontbindingsmogelijkheid ziet immers op de uiteindelijke bevrijding van de eigen verplichting tot presteren bij wederkerigheid van de verbintenis. Lid 2 van art. 6:262 bepaalt dat opschorting slechts is toegelaten, voor zover de tekortkoming haar rechtvaardigt.
Opschorting is slechts mogelijk indien de vordering van de opschortende partij opeisbaar is. Indien geen tijd voor de nakoming is bepaald, dan kan terstond nakoming worden gevorderd, zo is bepaald in art. 6:38. In art. 6:263 is een onzekerheidsexceptie bij wederkerige overeenkomsten opgenomen. Een partij die gehouden is het eerste te presteren, is niettemin bevoegd op te schorten als zij op goede gronden mag vrezen dat de wederpartij niet na zal komen.
Voor het opschortingsrecht is niet relevant, of de niet presterende schuldenaar in verzuim is.
Bepalend voor een geslaagd beroep op het opschortingsrecht zijn, naast de genoemde criteria, de redelijkheid en billijkheid, de proportionaliteit, de aard van de verbintenis en, niet te vergeten, de juiste rechtsgrond. Wanneer nu een schuldeiser op onjuiste gronden opschort, omdat hij meent dat er sprake is van een tekortkoming, dan verkeert hij door niet-nakoming zijnerzijds in schuldeisersverzuim.
Abonneren op:
Posts (Atom)