Posts tonen met het label Autoriteit Persoonsgegevens. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Autoriteit Persoonsgegevens. Alle posts tonen

vrijdag 22 november 2019

Het 'black box'-karakter van geheime dataveillance & Big Data-analyse en uw rechten (deel IV)

Deel III: wettelijke grondslag voor de rechtmatigheid van de verwerking van uw persoonsgegevens, doelbinding, proportionaliteit en subsidiariteit (noodzaak en dataminimalisatie) 

Overzicht
1. Beperkingen op de transprantie- en informatieplichten in uitzonderlijke gevallen;
2. De uitzonderingsgronden in art. 41 Uitvoeringswet AVG (UAVG);
3. Behoefte aan rechtsvorming ten aanzien van art. 23 AVG;
3.1 Bureaucratie staat in de weg aan rechtsvorming en effectieve rechtsbescherming;
4. Specifieke gedragsregels van de Autoriteit Persoonsgegevens inzake de naleving van de AVG


1. Beperkingen op de transparantie- en informatieplichten in uitzonderlijke gevallen
In uitzonderlijke gevallen kunnen beperkingen worden aangebracht op de transparantie- en informatieverplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke, alsmede in uw recht van inzage, rectificatie en beperking van de verwerking van uw persoonsgegevens. De wezenlijke inhoud van de grondrechten van burgers mag door die beperking niet worden aangetast (art. 23 lid 1 AVG). 

De beperking moet een noodzakelijke en evenredige maatregel zijn ter waarborging van onder meer de nationale veiligheid, landsverdediging en openbare veiligheid (art. 23 lid 1 a-j AVG). Hoe de beperkingsgronden van art. 23 lid 1 AVG moeten worden ingevuld, is te vinden in punt 73 van de preambule. Onder de ‘bescherming van de openbare veiligheid’ moet voornamelijk worden verstaan de ‘bescherming van het menselijk leven’ en de ‘voorkoming van door de mens veroorzaakte rampen’. 

Maatregelen ter compensatie van de beperking van de transparantie- en informatieverplichtingen zijn opgenomen in art. 23 lid 2 AVG. Ten minste moeten de volgende maatregelen worden getroffen:
- de verwerkingsverantwoordelijke moet specifiek de doeleinden en categorieën van de verwerking aangeven;
- de categorieën van persoonsgegevens moeten worden omschreven;
- de verwerkingsverantwoordelijke en de categorieën van verwerkingsverantwoordelijken moeten worden gespecificeerd;
- de opslagperiodes moeten worden gespecificeerd;
- het recht van de betrokkene om van de beperking op de hoogte te worden gesteld, moet worden gewaarborgd.


2. De uitzonderingsgronden in art. 41 Uitvoeringswet AVG (UAVG)
De Nederlandse Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (UAVG) gaat verder dan de beperkingen die op grond van de AVG kunnen worden gemaakt op de transparantie- en informatieverplichtingen. In art. 41 UAVG is namelijk bepaald dat de verwerkingsverantwoordelijke de rechten en plichten van art. 12 tot en met 21 en art. 34 AVG buiten toepassing kan laten, voor zover deze uitsluiting van het recht noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van onder meer de nationale veiligheid, de openbare veiligheid en andere doelstellingen van algemeen belang (art. 41 lid 1 onder a-j UAVG). 
Het risico bestaat dat de verwerkingsverantwoordelijke de rechten en plichten van de AVG ten onrechte terzijde stelt met een beroep op ‘andere doelstellingen van algemeen belang’. Het is dan ook de vraag, of de uitsluiting van de transparantie- en informatieplichten in art. 41 lid 1 UAVG verenigbaar is met het doel en de strekking van de AVG. 

3. Behoefte aan rechtsvorming ten aanzien van art. 23 AVG
Ten aanzien van de uitleg van de beperkingsgronden van art. 23 AVG bestaat mijns inziens behoefte aan rechtsvorming. Raadpleging van de preambule van de AVG en Guideline WP260 rev.01 (11 april 2018, p. 33) verschaft niet voldoende duidelijkheid. Hoe moet bijvoorbeeld worden beoordeeld, of een beperking van de transparantieplicht een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter waarborging van één van de belangen van art. 23 lid 1 AVG? Wat kan precies worden verstaan onder ‘andere belangrijke doelstellingen van algemeen belang, met name een belangrijk economisch of financieel belang’? Is het gerechtvaardigd dat een verwerkingsverantwoordelijke informatie achterhoudt voor de betrokkene om een niet-specifiek geduid financieel belang te waarborgen? Juist in het geval van de inzet van een instrument voor dataveillance/Big Data-analyse/profilering met een ‘black box’-karakter is dringend behoefte aan duidelijkheid over de toelaatbaarheid van beperkingen op grond van art. 23 AVG. 


3.1 Bureaucratie staat in de weg aan rechtsvorming en effectieve rechtsbescherming
Hoe kan rechtsvorming en bovenal effectieve rechtsbescherming worden bereikt? Bureaucratie is een rampzalig obstakel voor de burger. Het normenkader voor de bescherming van de rechten van de burger is weliswaar in de AVG opgenomen, maar de formele hindernissen staan in de weg aan de rechtsbescherming en rechtsvorming:

A. Rechtsvorming kan worden bereikt door een zaak bij het EHRM aan te brengen. Het probleem is dat eerst de nationale procedure dient te zijn uitgeput. In de praktijk zal het EHRM zich na gemiddeld 10 jaar over een kwestie buigen. Dat duurt te lang voor de burger die zich in zijn/haar belangen geschaad ziet;

B. Burgers kunnen zich in een gerechtelijke procedure laten vertegenwoordigen door een belangenbehartiger of individueel een procedure aanspannen, maar voor de beantwoording van een rechtsvraag zijn civiele procedures te omslachtig. Bovendien kunnen betrokkenen hun verdedigingsrechten door het 'black box'-karakter van heimelijke dataveillance/analyse/profilering niet uitoefenen. Mocht een betrokkene namelijk niet aan heimelijke dataveillance zijn onderworpen en bij gebrek aan duidelijkheid toch een proces aanspannen, dan moet de vordering worden afgewezen wegens gebrek aan procesbelang;


C. Het Europees Comité voor Gegevensbescherming/European Data Protection Board hoort zich bezig te houden met het uitvaardigen van adviezen en leidraden voor de invulling van de AVG. De overwegingen van het EDPB geven aan hoe lidstaten om moeten gaan met de rechten en plichten in de AVG. 

In mijn te optimistische verwachting dat het EDPB wellicht geïnteresseerd zou zijn in kwesties die direct de belangen en rechten van alle burgers raken, heb ik een rechtsvraag over de uitleg van de beperkingsgronden van art. 23 AVG voorgelegd aan het EDPB. Het EDPB heeft aangegeven aan geen antwoord te willen geven over de uitleg van art. 23 AVG en wijst mij weer terug naar Guideline WP29, waar ik zoals eerder gezegd niets aan heb ten aanzien van de uitleg van art. 23 AVG. Organisaties pretenderen zich in te zetten voor hun vakgebied, maar er is werkelijk bijna niemand te vinden die met enthousiasme in een belangrijke kwestie duikt. 'Dat is niet onze taak'. Als onderzoeker ben ik gewend om op onwelwillendheid te stuiten, maar ik blijf het gebrek aan interesse en daadkracht een ergernis vinden. Het gebrek aan daadkracht zorgt ervoor dat burgers in alle sectoren tegen een muur lopen;

D. Een laatste optie is om een rechtsvraag aan de Autoriteit Persoonsgegevens voor te leggen. Ik had mijn rechtsvraag aan het EDPB voorgelegd, omdat het EDPB een overkoepelende organisatie is en in tegenstelling tot een nationale toezichtsautoriteit, supranationale en meer geüniformeerde aanwijzingen kan geven over de invulling van de AVG. Dat neemt niet weg dat de AP (hiervoor het Cbp) gedragsregels kan uitvaardigen, die verwerkingsverantwoordelijken in acht hebben te nemen bij de verzameling, opslag en verwerking van persoonsgegevens.

4. Specifieke gedragsregels van de Autoriteit Persoonsgegevens inzake de naleving van de AVG
De stelling, dat de gedragsregels die door het College Bescherming Persoonsgegevens zijn uitgevaardigd vóór de inwerkingtreding van de AVG, niet langer gelding hebben, gaat niet op. De AVG waarborgt gelijke rechten en stelt gelijke verplichtingen die ook onder vigeur van de Wet bescherming persoonsgegevens golden, met dien verstande dat de AVG strikter is dan de Wbp. De volgende gedragsregels moeten door de verwerkingsverantwoordelijke worden nageleefd:


- Bestandsvergelijking gaat buiten de betrokkene om. Bij bestandsvergelijking voor het opmaken van risicoprofielen is de verwerkingsverantwoordelijke gehouden om zich naar de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit te richten. Bestandsvergelijking in het kader van profilering moet een redelijk middel zijn in verhouding tot het te bereiken doel. De bestandvergelijking in het kader van profilering mag slechts worden aangewend, indien het doel niet op een andere, voor de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene minder belastende wijze kan worden bereikt';
- De verwerkingsverantwoordelijke maakt met bestandsvergelijking een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene. De verwerkingsverantwoordelijke moet aannemelijk maken dat deze inbreuk gerechtvaardigd is. Aan de bestandsvergelijking die niet wettelijk is geregeld, moet een concrete verdenking van de betrokkene van fraude ten grondslag liggen;
- Zodra van een andere partij gegevens worden verkregen van de betrokkene, dient de betrokkene hierover te worden ingelicht;
- Persoonsgegevens die in de bestanden van de sociale diensten zijn opgenomen, mogen alleen worden verstrekt indien voor deze verstrekking een wettelijke grondslag bestaat. Het uitvoeren van een privacytoets (Privacy Impact Assessment) kan niet worden aangewend om de persoonsgegevens alsnog rechtmatig te verstrekken. Dezelfde beperkingen gelden voor intergemeentelijke afdelingen;
- Zijn in een fraudeonderzoek heimelijke waarnemingen verricht, dan dient de betrokkene hierover altijd te worden ingelicht. Een beperking van de informatieverplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke mag niet achteraf aan de betrokkene worden tegengeworpen;
- Het koppelen van bestanden is géén wettelijke verplichting, maar een mogelijkheid om de publiekrechtelijke taak uit te oefenen. De betrokkene dient over bestandskoppeling betreffende zijn persoonsgegevens altijd te worden ingelicht. De informatieverplichting achteraf is specifieker, omdat door de koppeling nieuwe persoonsgegevens zijn ontstaan;
- Bestandskoppeling houdt in dat persoonsgegevens worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze zijn verkregen. Bestandskoppeling moet verenigbaar zijn met het doelbindingsprincipe. Het gebruik van persoonsgegevens voor een ander doel is rechtmatig, indien bestandskoppeling noodzakelijk is voor de uitvoering van de publieke taak, armoedebestrijding.




woensdag 24 juli 2019

3.3.2 Toetsing van strafrechtelijke Big Data-analyses aan de EHRM-criteria: 'duidelijke, gedetailleerde regels ter compensatie inbreuk 8 EVRM'


4. Stelt de toepasselijke wetgeving duidelijke, gedetailleerde regels om de inmenging in de uitoefening van het recht op eerbiediging van het privéleven van de burger te compenseren?

Compenserende factoren in het geval van geheime surveillancemethoden
Als uit de hiervoor bedoelde afweging van de stikte noodzakelijkheid blijkt dat het belang van de democratische samenleving is gediend met inmenging in het privéleven van de betrokkene door toepassing van geheime surveillancemethoden, dient deze inmenging te worden gecompenseerd.[1] In de wet dienen waarborgen te zijn opgenomen, die op adequate wijze dienen te garanderen dat misbruik van de inzet van geheime surveillancemethoden door de overheid wordt voorkomen.[2] In de wet van een lidstaat moeten duidelijke, gedetailleerde regels worden gesteld aan de toepassing van geheime surveillancemethoden, zodat de betrokkene weet onder welke omstandigheden en onder welke voorwaarden de overheid bevoegd is om geheime surveillancemethoden in te zetten en gegevens van de betrokkene te verzamelen, waarbij rekening moet worden gehouden met nieuwe technische ontwikkelingen.[3]
 
Concreet stelt het EHRM de volgende minimumeisen: de wet moet vermelden op grond van welke overtredingen geheime surveillancemethoden kunnen worden ingezet en ten aanzien van welke categorieën van personen geheime surveillancemethoden kunnen worden toegepast; de aard, en maximale duur van de geheime surveillancemethoden moeten in geschreven wetten worden neergelegd; de wet moet vermelden welke procedures overheidsinstanties moeten volgen om persoonsgegevens te onderzoeken, te gebruiken en op te slaan;[4] ten slotte moet de wet melding maken van de middelen die kunnen worden ingesteld tegen de inzet van de geheime surveillancemethoden.[5] In de zaak-Big Brother Watch/Verenigd Koninkrijk onderstreept het EHRM nogmaals dat strikte regels moeten worden gesteld aan de bevoegdheid van overheidsinstanties met betrekking tot de analyse van gegevens die door enige vorm van dataveillance zijn verkregen.[6]   

De maximale duur van de inzet van iColumbo is mij thans niet bekend. Niet zozeer de duur van de inzet van iColumbo, als wel de duur van de opslag van de persoonsgegevens ten behoeve van de verwerking, wordt door artikel 14 Wpg op maximaal 5 jaar bepaald, met de mogelijkheid van verlenging. Wat betreft de grond voor de inzet van een instrument voor Big Data-analyse als iColumbo, is mij niet gebleken welke wettelijke grond als onderbouwing van de inzet van iColumbo geldt, anders dan dat de bevoegdheid wordt aangewend in het kader van de algemene politietaak bij de handhaving van de rechtsorde (artikel 3 Polw). Daarmee wordt niet duidelijk gemaakt onder welke omstandigheden en onder welke voorwaarden de betrokkene aan iColumbo kan worden onderworpen. 

Betoogd kan worden dat datamining en -analyse met iRN en iColumbo vanwege het real-time-karakter van de toepassing en het gedetailleerde beeld dat met deze instrumenten wordt verkregen, grondslagen zouden kunnen vinden in de artikelen 126g en 126j Sv. Die grondslagen komen echter alleen in beeld indien betrokkene wordt verdacht van een misdrijf. 

Het toezicht op de naleving van de verwerking van persoonsgegevens op grond van de Wpg is neergelegd bij het College Bescherming Persoonsgegevens, thans de Autoriteit Persoonsgegevens (artikel 35 Wpg). De AP blijft onder de nieuwe Wpg toezichthouder op de naleving van de Wpg.[7] Bij de vergaande automatische analyse van persoonsgegevens in de Fietstas van iColumbo bestaat het risico op ontoereikend toezicht, zoals onderkend is door het EHRM.[8] Dat risico hangt nauw samen met het gebrek aan inzicht in de geautomatiseerde processen die plaatsvinden na de menselijke interventie, die ‘verdwijnt’ na het invoeren van de zoekopdracht in het netwerk iRN en pas weer terugkeert in de fase van de beoordeling van de resultaten van een volledig automatische analyse van de data van betrokkene.

Het risico op ontoereikend toezicht bij automatische data-analyses wordt volgens het EHRM vergroot, indien de wet er niet toe verplicht om zoektermen op te nemen alvorens een bevoegdheid tot het uitvoeren van data-analyse te gebruiken.[9] Bij gebreke van voldoende normering is de mogelijkheid tot het uitoefenen van voldoende toezicht te zeer afhankelijk van de professionaliteit van ervaren data-analisten, terwijl een derde, onafhankelijke partij het proces van data-analyse moet kunnen controleren.[10]


Het recht op kennisneming van verwerking van politiegegevens is neergelegd in artikel 25 Wpg. De toepassing van Big Data-analyses kan betekenen dat betrokkene er geen weet van heeft dat hij het onderzoeksobject is en dus geen beroep zal doen op artikel 25 Wpg. De nieuwe Wpg dient daarin verandering te brengen door de introductie van een actieve informatieplicht. Zo wordt de verplichting voor de verwerkende instantie opgenomen om betrokkene te informeren over de verwerking van zijn persoonsgegevens (artikel 24b Wpg).

Er is geen specifieke regelgeving inzake de omstandigheden waaronder de betrokkene aan de data-analyse in iColumbo en de inzet van het iRN-netwerk kan worden onderworpen; ook ontbreekt regelgeving ten aanzien van de categorieën van personen die in iColumbo aan  datasurveillance kunnen worden onderworpen. Bovendien kan een burger onderwerp van datasurveillance zijn in iColumbo, zonder dat sprake is van een (concrete) overtreding door de burger. Aan de voorwaarde, dat de wet duidelijk maakt op grond van welke overtredingen jegens een burger geheime surveillancemethoden kunnen worden toegepast, wordt niet voldaan. Op grond van het vorenstaande overweeg ik dat er onder het huidige nationale recht onvoldoende waarborgen zijn om de inmenging die de inzet van iRN en iColumbo oplevert in het recht op eerbiediging van het privéleven van de betrokkene te compenseren.



[1] EHRM 6 september 1978, 6 september 1978, 5029/71 (Klass/Duitsland), r.o. 36.
[2] EHRM 4 december 2015, 47143/06 (Zakharov/Rusland), r.o. 231 en 236.
[3] EHRM 21 juni 2011, 30194/09 (Shimovolos/Rusland), r.o. 68.
[4] EHRM 29 juni 2006, 54934/00 (Weber en Saravia/Duitsland), r.o. 95.
[5] EHRM 28 juni 2007, 62540/00 (Association for European Integration and Human Rights en Ekimdzhiev/Bulgarije), r.o. 71-77.
[6] EHRM 13 september 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:0913JUD005817013 (Big Brother Watch/Verenigd Koninkrijk), r.o. 329.
[7] Conceptartikel 35 van de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter implementatie van Richtlijn (EU) 2016/680, Kamerstukken I 2017/18, 34 889, nr. A.
[8] Vgl. EHRM 13 september 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:0913JUD005817013 (Big Brother Watch/Verenigd Koninkrijk), r.o. 340, 346-347.
[9] EHRM 13 september 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:0913JUD005817013 (Big Brother Watch/Verenigd Koninkrijk), r.o. 340.
[10] EHRM 13 september 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:0913JUD005817013 (Big Brother Watch/Verenigd Koninkrijk), r.o. 344 en 346.
[11] Kamerstukken II 2017/18, 35 889, nr. 3, p. 40-42.