Overzicht
Erfrecht: erfopvolging, plaatsvervulling en wettelijke verdeling
1. Inleiding: de positie van de legitimaris;
2. Berekening van de legitieme portie;
3. In aanmerking komende giften (bijtelling);
3.1 Giften die niet als giften worden aangemerkt;
3.2 Schenkingen die worden aangemerkt als legaten;
3.3 Waardering van giften;
4. Legitimaire aanspraak;
4.1 Inferieure makingen en legaten: verwerping;
4.2 Uitzonderingen op het "inferieure" karakter van een making
4.2.1 Legitieme in termijnen ter bescherming van de voortzetting van een bedrijf;
4.2.2 Bewind in belang legitimaris;
5. Het geldend maken van de legitieme portie;
6. Inkorting van makingen en giften ten behoeve van de legitimaris
1. Inleiding: de positie van de legitimaris
Zoals opgemerkt in deel I van "Erfrecht", is het juist dat de kinderen recht hebben op de legitieme portie. Kinderen kunnen door hun ouders onterfd worden. Door de onterving zijn zij niet langer erfgenaam. De onterving staat niet aan de aanspraak op de legitieme portie in de weg. De hoedanigheid van de afstammeling als legitimaris is dus anders dan de hoedanigheid van de afstammeling als erfgenaam.
De legitieme portie van een legitimaris is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de erflater, waarop de legitimaris in weerwil van giften en uiterste wilsbeschikkingen van de erflater aanspraak kan maken (art. 4:63 lid 1 BW). De testeervrijheid van de erflater wordt van rechtswege ingeperkt om een deel van de nalatenschap voor de afstammelingen veilig te stellen.
De legitimarissen zijn de afstammelingen van de erflater die door de wet tot de nalatenschap worden geroepen, hetzij uit eigen hoofde, hetzij bij plaatsvervulling met betrekking tot personen die op het moment van het openvallen van de nalatenschap niet meer bestaan of die onwaardig zijn (art. 4:63 lid 2 BW).
Uit de formulering van art. 4:63 lid 2 BW, laatste volzin, blijkt dat andere plaatsvervullers, bijvoorbeeld zij die de plaats van een onterfde of een verwerper van de nalatenschap vervullen, niet in aanmerking komen voor de legitieme portie. De verwerping of onterving ten spijt, maakt degene die de erfenis verwerpt respectievelijk degene die is onterfd, zélf aanspraak op de legitieme portie. De legitimaris die de nalatenschap verwerpt, kan bij de verwerping verklaren dat hij de legitieme portie wenst te ontvangen (art. 4:63 lid 3 jo. 4:191 BW).
De legitimaris verkrijgt een vorderingsrecht op de nalatenschap. Blijkens art. 4:7 lid 1 onder g BW is de legitieme portie die te gelde wordt gemaakt (art. 4:80 BW) een schuld van de nalatenschap, die als laatste in de rij aan moet sluiten bij de schulden die bij voorrang moeten worden voldaan (art. 4:7 lid 2 onder 3 BW). De legitieme portie geeft dus in beginsel slechts een relatief beperkte aanspraak op een deel van de nalatenschap; de legitimaris is een "schuldeiser van de nalatenschap". Niettemin heeft de legitimaris door zijn positie als schuldeiser van de nalatenschap voorrang op de erfgenamen die door erfstelling en erfopvolging bij versterf tot de nalatenschap worden geroepen. De consequenties hiervan zal ik onder paragraaf 6 bespreken in het kader van de inkorting van makingen en giften.
2. Berekening van de legitieme portie
De legitieme portie is de aanspraak op een deel van de legitimaire massa. De legitimaire massa wordt berekend over (art. 4:65 BW):
a. de waarde van de goederen van de nalatenschap; vermeerderd met
b. de waarde van de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften; verminderd met
c. de schulden, vermeld in art. 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f.
Buiten beschouwing blijven de giften waaruit schulden als bedoeld onder art. 4:7 lid 1 onder i BW zijn ontstaan.
Het breukdeel van de legitieme van een kind van de erflater bedraagt de helft van de waarde waarover de legitieme porties worden berekend, gedeeld door het aantal in art. 4:10 lid 1 onder a BW genoemde personen (art. 4:64 lid 1 BW jo. 4:10 lid 1 onder a BW). De legitieme portie is de helft van het versterferfdeel op grond van art. 4:10 lid 1 onder a BW.
De omvang van de legitieme portie (art. 4:63 lid 1 BW) is:
a. de helft van de waarde waarover de legitieme porties worden berekend (art. 4:64 lid 1 BW),
vermenigvuldigd met
b. het versterferfdeel (de breuk van het aantal personen) (art. 4:64 lid 1 jo. 4:10 lid 1 onder a BW), vermenigvuldigd met
c. de waarde van de goederen van nalatenschap (art. 4:6 BW), vermeerderd met
d. giften (art. 4:67-69 BW), verminderd met
e. de schulden van nalatenschap (art. 4:7 lid 1 onder a-c en f BW), verminderd met
f. door de legitimaris ontvangen giften (art. 4:70 BW) en het krachtens erfrecht verkregene (art. 4:71-73 BW).
Dus: (art. 4:63 lid 1) =
1/2 x (art. 4:64 lid 1) x breukdeel (art. 4:10 lid 1 onder a) x ( (art. 4:6) + (art. 4:67-69) - (art. 4:7 lid 2 onder a-c en f) ), eventueel verminderd met de door de legitimaris reeds ontvangen giften en verkrijgingen krachtens erfrecht.
3. In aanmerking komende giften (bijtelling)
De vrijheid om bij leven schenkingen en giften te doen, wordt niet beperkt. Om de legitieme veilig te stellen, wordt rechtens wel een correctie toegepast op de legitimaire massa die door giften is 'aangetast'. Uit de wetsartikelen blijkt dat deze bijtelling vooral geldt ten aanzien giften die zijn gedaan met het oogmerk om de legitimarissen te benadelen of ten aanzien van giften die reeds ten goede van een legitimaris zijn gekomen. Het spreekt voor zich dat broer A niet ten koste van broer B verrijkt mag worden door alleen aan A een gift toe te delen en A ook nog eens toe te laten tot een aanspraak ten volle op de legitimaire massa. Daarover later meer. Het correctiemechanisme houdt in dat de waarde van de giften bij de activa van de nalatenschap wordt opgeteld om de werkelijke legitimaire massa uit te drukken.
Bij de berekening van de legitieme porties worden in aanmerking genomen de volgende door de erflater gedane giften, buiten beschouwing gelaten de giften als bedoeld in art. 4:7 lid 1 onder i BW (art. 4:67 BW):
a. giften die kennelijk gedaan en aanvaard zijn met het vooruitzicht dat daardoor legitimarissen worden benadeeld;
b. giften die de erflater gedurende zijn leven te allen tijde had kunnen herroepen of die hij bij de gift voor inkorting vatbaar heeft verklaard;
c. giften van een voordeel, bestemd om pas na zijn overlijden ten volle te worden genoten;
d. giften, door de erflater aan een afstammeling gedaan, mits deze of een afstammeling van hem legitimaris van de erflater is;
e. andere giften, voor zover de prestatie binnen vijf jaren voor zijn overlijden is geschied.
3.1 Giften die niet als giften worden aangemerkt
Bepaalde giften worden in de formule voor de berekening van de legitimaire massa meegenomen (bijgeteld), waaronder de hiervoor besproken giften die in art. 4:67 BW zijn opgesomd.
De wet noemt giften die voor de toepassing van afdeling 4.4.3 (berekening legitieme portie) niet als giften worden beschouwd.
Ten eerste worden niet als giften beschouwd, de giften van de erflater aan de echtgenoot, voor zover zich ten gevolge van de gemeenschap van goederen waarin de erflater en echtgenoot ten tijde van de gift waren gehuwd, of ten gevolge van een tussen hen op dat tijdstip geldend verrekenbeding, geen verrijking ten koste van het vermogen van de gever heeft voorgedaan (art. 4:68 BW).
Ten tweede worden niet als giften beschouwd (a) de giften aan personen ten aanzien van wie de erflater moreel verplicht was bij te dragen in hun onderhoud tijdens zijn leven of na zijn dood, voor zover zij als uitvloeisel van de verplichting zijn aan te merken en in overeenstemming waren met het inkomen en vermogen van de erflater en (b) gebruikelijke giften, voor zover zij niet bovenmatig waren (art. 4:69 lid 1 onder a en b BW). Ten derde is de voldoening aan een natuurlijke verbintenis (art. 6:3 BW) geen gift.
3.2 Schenkingen die worden aangemerkt als legaten
Een gift of schenking die de strekking heeft om na het overlijden van de schenker te worden uitgevoerd en die niet reeds tijdens het leven van de schenker zijn uitgevoerd, worden voor de toepassing van hetgeen in Boek 4 is bepaald betreffende inkorting en vermindering, aangemerkt als legaten ten laste van de gezamenlijke erfgenamen (art. 4:126 lid 1 BW). De aanmerking van de gift of schenking als legaat (quasi-legaat) is van overeenkomstige toepassing op (art. 4:126 lid 2 onder a-c BW):
a. een beding dat een goed van een van de partijen onder opschortende voorwaarde of onder opschortende tijdsbepaling zonder redelijke tegenprestatie op een ander overgaat of kan overgaan, voor zover het beding wordt toegepast in geval van overlijden van degene aan wie het goed toebehoort; wederkerigheid van het beding geldt niet als tegenprestatie;
b. een begunstiging bij een sommenverzekering, voor zover de uitkering die wordt verschuldigd door het overlijden van de verzekeringnemer, als een gift geldt;
c. een omzetting van een natuurlijke verbintenis in een rechtens afdwingbare, voor zover deze de strekking heeft dat de verbintenis pas na het overlijden van de schuldenaar zal worden nagekomen en deze verbintenis niet reeds tijdens het leven is nagekomen.
3.3 Waardering van giften
Giften worden gewaardeerd naar het tijdstip van de prestatie (art. 4:66 lid 1 BW). Met de mogelijkheid dat de erflater de gift had kunnen herroepen, wordt geen rekening gehouden. Irrelevant zijn de fluctuaties van het goed na het tijdstip van de schenking. Van de hoofdregel wordt evenwel afgeweken in de volgende gevallen (art. 4:66 leden 2 en 3 BW):
a. giften waarbij de erflater zich het genot van het geschonkene tijdens zijn leven heeft voorbehouden en andere giften van een voordeel, bestemd om pas na het overlijden ten volle te worden genoten, worden geschat naar de waarde onmiddellijk na zijn overlijden. Hetzelfde geldt voor giften van prestaties die de erflater bij zijn overlijden nog niet had verricht, met dien verstande dat met deze giften, evenals met de uit dien hoofde nagelaten schulden, geen rekening wordt gehouden voor zover de nalatenschap ontoereikend is;
b. een gift die bestaat in de aanwijzing van een begunstigde bij sommenverzekering, wordt in aanmerking genomen tot haar waarde overeenkomstig art. 7:188 leden 2 en 3 BW;
c. giften, bestaande in de vervreemding van een goed door de erflater tegen verschaffing door de wederpartij van een aan het leven van de erflater verbonden recht, worden gewaardeerd als een gift van dat goed, verminderd met de waarde van de door de erflater ontvangen of hem bij zijn overlijden nog verschuldigde prestaties, voor zover deze niet bestonden in genot van het goed. In deze categorie kan het gaan om de vervreemding van een goed tegen periodieke voldoening van rente.
4. Legitimaire aanspraak
Met de berekening van de legitieme massa en de daaruit afgeleide legitieme portie is de legitimaris er nog niet. Het netto resultaat, de legitimaire aanspraak, is de omvang van de vordering van de legitimaris.
De legitimaire aanspraak is het deel waarop de eventuele giften aan de legitimaris gedurende het leven van de erflater en de verkrijgingen krachtens erfrecht in mindering zijn gebracht (art. 4:71 en art. 4:70 lid 1 BW). Een objectiverend element schuilt in het feit dat in mindering wordt gebracht wat de legitimaris had kunnen verkrijgen, zelfs als een aanspraak op een verkrijging (legaat of erfdeel) niet te gelde is gemaakt. Aangezien de verkrijgingen krachtens erfrecht voor een ieder behalve voor het onterfde kind gelden, komt een legitimaire aanspraak die gelijk is aan de legitieme portie slechts voor bij (a) onterfde kinderen die (b) niet eerder een gift hebben ontvangen.
Voor de toepassing van art. 4:70 lid 1 BW worden giften aan een afstammeling die legitimaris zou zijn geweest indien hij de erflater had overleefd of niet onwaardig was geweest, aangemerkt als giften aan de van hem afstammende legitimarissen, naar evenredigheid van hun legitieme portie (art. 4:70 lid 2 BW). Met een gift wordt gelijkgesteld hetgeen een legitimaris verkrijgt of kan verkrijgen uit een door de erflater ter nakoming van een natuurlijke verbintenis gesloten sommenverzekering die geen pensioenverzekering is en die door het overlijden van de erflater tot uitkering komt (art. 4:70 lid 3 BW).
4.1 Inferieure makingen en legaten: verwerping
Inferieure makingen ten gunste van de legitimaris komen niet in mindering van zijn legitieme portie, mits zij binnen drie maanden na het overlijden van de erflater worden verworpen. De verwerping van de makingen dient afzonderlijk van de eventuele verwerping van de nalatenschap te geschieden. Een enkele verwerping van de nalatenschap belet immers niet dat de waarde van hetgeen een legitimaris als erfgenaam kan verkrijgen, in mindering komt op zijn legitieme portie (art. 4:72 BW, aanhef).
De erfrechtelijke verkrijgingen die bij tijdige verwerping niet worden toegerekend, zijn (art. 4:72 onder a en b BW):
a. de goederen die onder een voorwaarde, een last of bewind zijn nagelaten, of
b. legaten die ten laste van de legitimaris zijn gemaakt en die verplichten tot iets anders dan betaling van een geldsom of overdracht van de goederen van de nalatenschap.
De legitimaris dient bij de verwerping te verklaren dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen (art. 4:63 lid 3 BW).
Een soortgelijke regeling als die inzake de inferieure making, is de regeling inzake de verwerping van legaten (art. 4:73 BW). De waarde van een legaat aan een legitimaris van een bepaalde geldsom of van niet in een vorderingsrecht bestaande goederen van de nalatenschap, komt ook in mindering van de legitieme portie wanneer hij het legaat verwerpt, tenzij:
a. het legaat onder een voorwaarde, een last of bewind is gemaakt, of
b. ten laste van de legitimaris sublegaten zijn gemaakt die verplichten tot iets anders dan de betaling van een geldsom, of
c. het legaat later dan zes maanden na het overlijden van de erflater of, indien de legitimaris mede-erfgenaam is (niet onterfd is), pas na de verdeling van de nalatenschap opeisbaar wordt, of
d. het legaat ten laste komt van een of meer erfgenamen wier erfdelen ontoereikend zijn om het legaat daaruit te voldoen en de verwerping binnen drie maanden na het overlijden van de erflater geschiedt.
Op grond van bijzondere omstandigheden kunnen de termijnen als bedoeld in art. 4:72, 4:73 leden 1 en 2, 4:74 leden 2 en 3 en 4:75 leden 2 en 4 door de kantonrechter worden verlengd, zelfs na ommekomst van de termijnen (art. 4:77 BW).
4.2 Uitzonderingen op het inferieure karakter van een making
4.2.1 Legitieme in termijnen ter bescherming van de voortzetting van een bedrijf
De contante waarde van een aan een legitimaris gemaakt legaat van een in termijnen te betalen geldsom komt ook bij verwerping in mindering van de legitieme portie, indien in de uiterste wilsbeschikking is vermeld dat zonder deze betaling in termijnen de voortzetting van het beroep of bedrijf van de erflater in ernstige mate zou worden bemoeilijkt. Met 'beroep of bedrijf' wordt gelijkgesteld een onderneming, gedreven door een NV of BV, waarvan de erflater bestuurder was en waarin deze alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen hield (art. 4:74 lid 1 BW).
4.2.2 Bewind in belang legitimaris
De tweede uitzondering op de inferieure making is de bescherming van de legitimaris door de instelling van een bewind over hetgeen hij krachtens erfrecht kan verkrijgen. De waarde van hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht onder bewind kan verkrijgen, komt ook bij verwerping in mindering van de legitieme portie, indien het bewind bij uiterste wil is ingesteld op de grond (art. 4:75 lid 1 onder a en b BW):
a. dat de legitimaris ongeschikt of onmachtig is om in het beheer te voorzien;
b. dat zonder bewind de goederen hoofdzakelijk diens schuldeisers ten goede komen.
5. Het geldend maken van de legitieme portie
Ter zake van zijn legitieme portie kan de legitimaris een vordering verkrijgen (art. 4:79 BW):
a. op de gezamenlijke erfgenamen dan wel de echtgenoot van de erflater, door daarop aanspraak te maken overeenkomstig art. 4:80 lid 1 BW, dan wel
b. op een begiftigde, door inkorting als bedoeld in art. 4:89 BW.
Een legitimaris die daarop aanspraak maakt, heeft ter zake van hetgeen hem met inachtneming van de artikelen 4:70 tot en met 4:76 als legitieme portie (- giften en verkrijgingen) toekomt, een vordering in geld op de gezamenlijke erfgenamen dan wel, wanneer de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig art. 4:13, op de echtgenoot van de erflater (art. 4:80 lid 1 BW).
De erfgenamen en (na verdeling volgens art. 4:13 BW) de echtgenoot zijn niet verplicht om de vorderingen van de legitimaris te voldoen, voor zover deze tezamen de waarde van de nalatenschap te boven gaan. Voor zover nodig, ondergaan de vorderingen elk een evenredige vermindering (art. 4:80 lid 2 BW). Onder de al dan niet toereikende waarde van de nalatenschap wordt verstaan de waarde van de goederen van de nalatenschap, verminderd met de in art. 4:7 lid 1 onder a,b,c en f vermelde schulden.
De vordering wordt opeisbaar, zes maanden na het overlijden van de erflater. Uitzonderingen op de opeisbaarheid zijn als volgt:
a. als de wettelijke verdeling overeenkomstig art. 4:13 BW van toepassing is, is de legitieme eerst opeisbaar nadat de echtgenoot failliet is verklaard of de schuldsaneringsregeling (Wsnp) op hem van toepassing is verklaard (art. 4:81 lid 2 BW);
b. zolang een vruchtgebruik kan worden gevestigd op de goederen van de nalatenschap (art. 4:29 of 4:30 BW), is de vordering niet opeisbaar (art. 4:81 lid 3 BW);
c. zolang een vruchtgebruik krachtens art. 4:29 of 4:30 BW bestaat, is de vordering niet opeisbaar, voor zover de echtgenoot daarvoor is verbonden. Het faillissement van of toepassing van de Wsnp op de echtgenoot brengt opeisbaarheid mee (art. 4:81 lid 4 BW).
De erflater kan aan een uiterste wilsbeschikking ten behoeve van zijn niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot de voorwaarde verbinden dat de vordering van een legitimaris, voor zover deze ten laste zou komen van de echtgenoot, eerst opeisbaar is na het overlijden van de echtgenoot. De voorwaarde van niet-opeisbaarheid kan ook worden verbonden aan een making ten behoeve van een andere levensgezel, indien deze (a) met de erflater een gemeenschappelijke huishouding voert en (b) een notariële samenlevingsovereenkomst is aangegaan met de erflater (art. 4:82 BW).
De mogelijkheid om aanspraak te maken op de legitieme portie vervalt, indien de legitimaris niet binnen een hem door de belanghebbende gestelde redelijke termijn en uiterlijk binnen vijf jaren na het overlijden van de erflater heeft verklaard dat hij zijn legitieme portie wenst te ontvangen (art. 4:85 lid 1 BW).
6. Inkorting van makingen en giften ten behoeve van de legitimaris
In de inleiding heb ik opgemerkt dat de legitimaris als schuldeiser van de nalatenschap (art. 4:7 lid 1 onder g BW) voorrang op de erfgenamen die krachtens versterf erven, door erfstelling geroepen
( = bij testament aangewezen) erfgenamen en legatarissen. De schulden van de nalatenschap uit legaat worden immers pas voldaan, indien alle schulden van de nalatenschap ten volle kunnen worden voldaan (art. 4:120 lid 1 BW).
Als de nalatenschap ontoereikend is om de legitieme portie(s) te voldoen, vindt inkorting plaats. Eerst wordt het niet aan een beschikking onderworpen gedeelte van de nalatenschap aangesproken. Het systeem van de inkorting maakt vooral duidelijk dat de verbinding van een niet-opeisbaarheidsclausule aan een uiterste wilsbeschikking ten behoeve van de echtgenoot van de erflater, nadelig uit kan pakken voor de echtgenoot. Met een wilsbeschikking ten behoeve van de echtgenoot of een legaat ten behoeve van de echtgenoot moet dus voorzichtig worden omgesprongen.
Ik behandel de inkortingen aan de hand van de wettelijke volgorde:
1. Als eerste wordt aangesproken het gedeelte van de nalatenschap waarover de erflater niet door erfstellingen en legaten heeft beschikt. Uit deze formulering blijkt dat de makingen nog niet aan de beurt zijn, aangezien eerst een inkorting wordt toegepast op het deel van de nalatenschap dat niet aan de uiterste wilsbeschikking van de erflater is onderworpen, ook wel de 'oneigenlijke inkorting' genoemd. Erft een afstammeling van een onterfde legitimaris bij plaatsvervulling, dan wordt voor de vordering van die legitimaris als eerste het aan de afstammeling toekomende gedeelte van de nalatenschap ingekort, tenzij uit de uiterste wil iets anders voortvloeit (art. 4:87 lid 1 BW);
2. Is na deze 'oneigenlijke inkorting' nog onvoldoende over, dan worden de makingen ingekort. Alle erfstellingen en legaten komen gelijkelijk naar evenredigheid van hun waarde voor inkorting in aanmerking. De making die is te beschouwen als een voldoening aan een natuurlijke verbintenis, komt pas na de andere makingen voor inkorting in aanmerking (art. 4:87 lid 2 BW);
3. Het gedeelte van een nalatenschap dat aan een legitimaris toekomt en zijn legitieme portie niet te boven gaat, kan als laatste worden ingekort. Alle legitimarissen dienen een zelfde evenredig deel van hun legitieme te verkrijgen (art. 4:87 lid 3 BW);
4. Komt de vordering van de legitimaris ten laste van het erfdeel van een echtgenoot of andere levensgezel van de erflater en kan haar voldoening pas worden verlangd op een met toepassing van art. 4:81 lid 2, 4:82 of 4:83 BW vast te stellen tijdstip (opeisbaarheid), dan is de echtgenoot met zijn gehele vermogen aansprakelijk, zelfs als hij beneficiair had aanvaard (art. 4:87 lid 5 BW);
5. Komt de vordering van de legitimaris ten laste van een aan de echtgenoot of andere levensgezel gemaakt legaat waaraan een voorwaarde van niet-opeisbaarheid of andere voorwaarde (art. 4:82 en 4:83 BW) is verbonden, dan komt zij door voldoening van het legaat op en de verklaring aan de legataris op de echtgenoot of andere levensgezel te rusten (art. 4:87 lid 6 BW).
Inkorting van een legaat geschiedt door een verklaring aan de legataris door de met het legaat belaste erfgenamen of, indien de wettelijke verdeling (art. 4:13 BW) is toegepast, door de echtgenoot van de erflater. Artikel 4:120 lid 4, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing (art. 4:87 lid 4 BW). Voor de toepassing van de inkorting ex. art. 4:87 BW wordt een last die strekt tot een uitgave van geld of een goed uit de nalatenschap gelijkgesteld met een legaat (art. 4:87 lid 7 BW).
Is de nalatenschap niet toereikend om de legitimaris zijn legitieme te verschaffen, dan kan hij de giften inkorten. Bij de bepaling van de vordering wordt rekening gehouden met een eventuele vermindering ingevolge art. 4:80 lid 2 en art. 4:87 lid lid 3 BW. Buiten beschouwing blijven de rente (art. 4:84 BW), alsmede het deel van de vordering dat ingevolge art. 4:85 lid 2 BW is vervallen (arrt. 4:89 lid 1 BW). Voor inkorting vatbaar zijn de in art. 4:67 BW bedoelde giften. De jongere giften worden eerst aangesproken.
Bij de inkorting wordt rekening gehouden met de redelijkheid van de vordering tot vergoeding van de waarde van het ingekorte gedeelte van de gift door de begiftigde, alle omstandigheden in aanmerking genomen (art. 4:90 lid 1 BW). Een gift kan niet worden ingekort, voor zover zij in mindering van de legitieme portie van een mede-legitimaris komt (art. 4:90 lid 2 BW). De begiftigde kan de legitimaris een redelijke termijn stellen waarbinnen de gift kan worden ingekort. Vijf jaren na het overlijden van de erflater vervalt de bevoegdheid van de legitimaris om de gift in te korten (art. 4:90 lid 3 BW).
Het stiefkind van de erflater vormt het sluitstuk van de mogelijke inkortingen. Op makingen en giften aan het stiefkind wordt niet ingekort, tenzij de waarde daarvan hoger is dan twee maal de legitieme portie had belopen, was het stiefkind een echt kind van de erflater geweest (art. 4:91 lid 1 BW).
200.000 bezoekers | Strafrecht & Privaatrecht | Juridisch: uitleg voor studenten die zich toeleggen op de togaberoepen |
Posts tonen met het label legitieme portie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label legitieme portie. Alle posts tonen
dinsdag 10 april 2018
De legitieme portie (beperking van de testeervrijheid)
maandag 9 april 2018
Erfrecht: erfopvolging, plaatsvervulling en wettelijke verdeling
Overzicht
1. Inleiding;
1.1 Erfopvolging bij versterf of krachtens uiterste wilsbeschikking (testament);
1.2 Schulden van nalatenschap;
2. Erfopvolging bij versterf;
2.1 Parentelen;
2.2 Plaatsvervulling en staak;
3. Het erfrecht bij versterf van echtgenoot en kinderen;
3.1 Wettelijke verdeling;
3.1.1 Aansprakelijkheid en verhaal;
3.2 Afwijking bij uiterste wilsbeschikking of door echtgenoot en kinderen tezamen;
3.3 Boedelbeschrijving en betaling geldvordering;
3.4 Ongedaanmaking wettelijke verdeling: bijzondere gemeenschap (afd. 3.7.2)
1. Inleiding
"Ieder kind heeft recht op de nalatenschap van de ouder". Deze uitspraak is maar ten dele waar. Het is juist dat de afstammelingen van de erflater recht hebben op de legitieme portie, maar de legitieme levert slechts een vordering op die achter wordt gesteld bij overige schulden van de nalatenschap (art. 4:7 lid 2 onder 3 jo. art. 4:7 lid 1 onder g BW. De rechten die ontstaan krachtens erfopvolging zijn minder vanzelfsprekend dan algemeen wordt aangenomen.
1.1 Erfopvolging bij versterf of krachtens uiterste wilsbeschikking
Erfopvolging heeft plaats bij versterf of krachtens uiterste wilsbeschikking (art. 4:1 lid 1 BW). Van de erfopvolging bij versterf kan testamentair worden afgeweken (art. 4:1 lid 2 BW). Onterving of het tot erfgenaam aanwijzen van personen die niet op grond van art. 4:10 BW tot erfgenaam worden geroepen, kan dus rechtsgeldig geschieden.
Stel dat A erfgenaam is van B en A en B komen op dezelfde dag te overlijden. Wanneer de volgorde van het overlijden van A en B niet kan worden vastgesteld, schiet te wet te hulp door de te bepalen dat beide personen worden geacht gelijktijdig te zijn overleden. Aan de ene persoon valt dan geen voordeel uit de nalatenschap van de ander ten deel (art. 4:2 lid 1 BW). Dit kan nadelig zijn voor de erfgenamen van A. De rechter kan de belanghebbende uitstel geven om te bewijzen dat de volgorde van overlijden anders is dan het wettelijk vermoeden (art. 4:2 lid 2 BW).
Personen kunnen op grond van de wet onwaardig zijn om uit een nalatenschap voordeel te trekken. Van rechtswege zijn onwaardig (art. 4:3 lid 1 onder a-e BW): a. hij die onherroepelijk veroordeeld is ter zake dat hij de overledene heeft omgebracht, heeft getracht om te brengen, dat feit heeft voorbereid of daaraan heeft deelgenomen, b. hij die onherroepelijk is veroordeeld ter zake van (een poging tot) een tegen de erflater gepleegd feit waarop een gevangenisstraf van maximaal vier jaar is gesteld, c. hij die lasterlijk een beschuldiging tegen de erflater heeft ingebracht, d. hij die de overledene door een feitelijkheid of bedreiging heeft gedwongen of belet een uiterste wilsbeschikking op te maken, of e. hij die de uiterste wil heeft verduisterd, vernietigd of vervalst.
Rechten anders dan om niet, door derden te goeder trouw verkregen, worden geëerbiedigd (art. 4:3 lid 2 BW).
De testeervrijheid is belangrijk, maar kan niet zodanig ingrijpend zijn, dat een erfstelling van erflater Y, waarbij hij 4/5 van zijn nalatenschap nalaat aan zijn beste vriend X, het voor de opvolgers bij versterf (de afstammelingen die krachtens art. 4:10 BW tot de nalatenschap worden geroepen) onmogelijk maakt om zelfs maar de legitieme portie te ontvangen. Een voor het openvallen van een nalatenschap verrichte rechtshandeling is daarom nietig, voor zover zij de strekking heeft om een persoon te belemmeren in zijn vrijheid om bevoegdheden met betrekking tot de nalatenschap uit te oefenen (art. 4:4 lid 1 BW). Overeenkomsten, strekkende tot beschikking over nog niet opengevallen nalatenschappen in hun geheel of over een evenredig deel daarvan, zijn nietig (art. 4:4 lid 2 BW).
Deze bepaling neemt niet weg dat een overeenkomst met betrekking tot een bepaald vermogensbestanddeel (bijvoorbeeld verkoop van een onroerende zaak) rechtsgeldig is. Eerst wanneer het op levering van de zaak aankomt, heeft de verkrijger een vordering op de nalatenschap als bedoeld onder art. 4:7 lid 1 onder a BW (aldus een schuld van de erflater die niet met zijn dood teniet is gegaan).
1.2 Schulden van de nalatenschap
Schulden van de nalatenschap zijn (art. 4:7 lid 1 onder a-i BW):
a. de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan, voor zover niet begrepen in onderdeel i (giften en andere handelingen die worden aangemerkt als legaten);
b. de kosten van lijkbezorging, in overeenstemming met de omstandigheden van overledene;
c. de kosten van vereffening van de nalatenschap, met inbegrip van het loon van de vereffenaar;
d. de kosten van executele, met inbegrip van het loon;
e. de schulden uit belastingen die ter zake van het openvallen der nalatenschap worden geheven, voor zover zij op de erfgenamen komen te rusten;
f. de schulden die ontstaan door toepassing van afdeling 4.3.2 ('andere wettelijke rechten');
g. de schulden ter zake van legitieme porties waarop krachtens art. 4:80 BW aanspraak wordt gemaakt;
h. de schulden uit legaten welke op een of meer erfgenamen rusten;
i. de schulden uit giften en andere legaten.
Met voorrang worden de schulden ten laste van de nalatenschap achtereenvolgens voldaan (art. 4:7 lid 2 onder 1-3 BW):
1. de schulden, bedoeld in lid 1 onder a tot en met e;
2. de schulden uit 'andere wettelijke rechten' als bedoeld in afdeling 4.3.2 BW;
3. de schulden ter zake van legitieme porties. Ontbreken schulden uit 'andere wettelijke rechten', dan worden eerst de schulden onder a-c voldaan en vervolgens de schulden onder d-g.
De kosten voor lijkbezorging en vereffening gaan dus altijd vóór eventuele kosten voor de studie van een kind op grond van afd. 4.3.2 en de legitieme porties. Schulden uit legaten kennen geen voorrangspositie. Zij mogen slechts uit de nalatenschap worden voldaan, als alle andere schulden van de nalatenschap ten volle kunnen worden voldaan (art. 4:120 lid 1 BW).
2. Erfopvolging bij versterf
Om als erfgenaam op te kunnen treden, moet men bestaan op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt (art. 4:9 BW). De wet komt aan deze bestaanseis op meerdere plaatsen tegemoet, onder meer door te bepalen dat het ongeboren kind reeds wordt geacht te bestaan (art. 1:2 BW).
2.1 Parentelen
De wet roept tot een nalatenschap als erfgenamen uit eigen hoofde achtereenvolgens (art. 4:10 lid 1 onder a-d BW):
a. de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot (vgl. art. 4:8 leden 1 en 2 BW) van de erflater, tezamen met diens kinderen (groep 1);
b. de ouders van de erflater, tezamen met diens broers en zusters (groep 2);
c. de grootouders van de erflater (groep 3);
d. de overgrootouders van de erflater (groep 4).
De afstammelingen van een kind, broer, zus, grootouder of overgrootouder worden bij plaatsvervulling geroepen (art. 4:10 lid 2 BW). Alleen zij die tot de erflater in familierechtelijke betrekking stonden, worden tot de in de vorige leden genoemde bloedverwanten gerekend (art. 4:10 lid 3 BW). Wie als 'bloedverwanten' worden aangemerkt, wordt bepaald door art. 1:3 en art. 1:197-1:199 BW.
Degenen die tezamen uit eigen hoofde tot de nalatenschap worden geroepen, erven voor gelijke delen (art. 4:11 lid 1 BW). Het erfdeel van een halfbroer of halfzus is de helft van het erfdeel van een volle broer, een volle zus of een ouder (art. 4:11 lid 2 BW). Het erfdeel van een ouder dient minimaal een kwart te bedragen. Wanneer het erfdeel van de ouder minder zou zijn dan een kwart, worden de erfdelen van de overige erfgenamen verminderd naar evenredigheid (art. 4:11 lid 3 BW).
2.2 Plaatsvervulling en staak
Met betrekking tot personen die op het moment van het openvallen van de nalatenschap niet meer bestaan, die onwaardig zijn, onterfd zijn, verwerpen of wier erfrecht is vervallen, treedt plaatsvervulling op (art. 4:12 lid 1 BW). De plaatsvervullers worden staaksgewijs geroepen tot het erfdeel van degene wiens plaats zij vervullen (art. 4:12 lid 2 BW). Dochter C en zoon D van vader A vormen dus de staak A als hun overleden vader A van grootvader B erft. Degenen die de erflater verder dan de zesde graad bestaan, erven niet (art. 4:12 lid 3 BW).
Ter illustratie. Nico overlijdt. Zijn erfgenamen zijn grootvader Toon, zijn dochter Manuela en de twee kinderen van de overleden zoon van Toon, Gerrit. De vrouw van Toon, grootmoeder Cornelia, leeft niet meer.
Uit eigen hoofde wordt geroepen: grootvader Toon (art. 4:11 lid 1 jo. 4:10 lid 1 onder c BW);
De plaatsvervullers van de vooroverleden grootmoeder Cornelia zijn Manuela en de kinderen van vooroverleden zoon Gerrit. De kinderen van Gerrit vormen de staak.
De uit eigen hoofde geroepen grootvader Toon erft 1/2.
Manuela en de staak Gerrit (de kinderen van Gerrit) moeten de andere helft verdelen.
Manuela krijgt dus (1/2 x 1/2 =) 1/4 en de staak Gerrit de helft daarvan (1/2 x 1/4 =) 1/8.
3. Het erfrecht bij versterf van de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en van de kinderen
Het wat verwarrende opschrift van afdeling 4.3.1 duidt niet op het versterf van de achterblijvende echtgenoot en de kinderen, maar onder meer op de verdeling van de nalatenschap over de langstlevende echtgenoot en de kinderen van de erflater. Afdeling 4.3.1 wijkt af van de de algemene bepalingen inzake bijzondere gemeenschappen in afdeling 3.7.2 BW: op grond van afdeling 4.3.1 wordt namelijk de nalatenschap verdeeld voordat een (bijzondere) gemeenschap ontstaat. Zoals ik onder "Huwelijksvermogensrecht: gemeenschap van goederen en ontbinding van de gemeenschap" (paragraaf 2) heb behandeld, leidt het overlijden van één van de echtgenoten tot ontbinding van de gemeenschap, waardoor een bijzondere gemeenschap ontstaat die ingevolge afd. 3.7.2 wordt klaargemaakt voor de uiteindelijke verdeling.
3.1 Wettelijke verdeling
Van de wettelijke verdeling op grond van afdeling 4.3.1 kan worden afgeweken bij uiterste wilsbeschikking (art. 4:13 lid 1 BW). Is geen testamentaire bepaling ter zake opgenomen, dan werkt de wettelijke (erfrechtelijke) verdeling als volgt. De echtgenoot van de erflater verkrijgt van rechtswege de goederen van de nalatenschap (art. 4:13 lid 2 BW). Onder echtgenoot wordt niet begrepen de van tafel en bed gescheiden echtgenoot (art. 4:13 lid 6 BW).
De voldoening van de schulden van de nalatenschap komt voor rekening van de echtgenoot. Onder schulden van de nalatenschap worden tevens begrepen de ten laste van de gezamenlijke erfgenamen komende uitgaven ter voldoening aan testamentaire lasten.
Ieder kind verkrijgt als erfgenaam een geldvordering ten laste van de langstlevende echtgenoot, overeenkomstig het erfdeel. Deze vordering is opeisbaar (art. 4:13 lid 3 BW):
a. indien de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard of de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Wsnp) van toepassing is verklaard;
b. wanneer de echtgenoot is overleden.
De geldvordering wordt vermeerderd (rente, vgl. 'verhoging' in art. 4:17 en 4:25 lid 1 BW) met een percentage dat overeenkomt met dat van de wettelijke rente, voor zover dit percentage hoger is dan zes (art. 4:13 lid 4 BW).
3.1.1 Aansprakelijkheid en verhaal
Indien de nalatenschap overeenkomstig art. 4:13 BW is verdeeld, is de echtgenoot van de erflater tegenover de schuldeisers en tegenover de kinderen verplicht tot voldoening van de schulden der nalatenschap. In de onderlinge verhouding van de echtgenoot en de kinderen komen de schulden der nalatenschap voor rekening van de echtgenoot (art. 4:14 lid 1 BW). Met de formulering van art. 4:14 lid 1 BW mag niet voorbij worden gegaan aan het feit dat de schulden op het totaalbedrag van de nalatenschap drukken, waarmee de kinderen dus mede de schulden van de nalatenschap als bedoeld in art. 4:7 lid 1 BW dragen.
De draagplicht van de echtgenoot geldt mede wanneer de schulden van de nalatenschap de baten overtreffen, onverminderd art. 4:184 lid 2 BW (het recht om beneficiair te aanvaarden) (art. 4:14 lid 4 BW). Voor schulden van de nalatenschap, alsmede voor schulden van de echtgenoot die konden worden verhaald op de goederen van een gemeenschap waarvan de echtgenoot en de erflater de deelgenoten waren, neemt de schuldeiser in zijn verhaal op de goederen die krachtens art. 4:13 lid 2 BW aan de echtgenoot toebehoren, rang voor degenen die verhaal nemen voor andere schulden van de echtgenoot (art. 4:14 lid 2 BW). Voor schulden van de nalatenschap kunnen de goederen van een kind niet worden uitgewonnen, met uitzondering van de in art. 4:13 lid 3 bedoelde geldvordering. Uitwinning van die goederen is wel mogelijk, voor zover de geldvordering van het kind is verminderd door betaling of door overdracht van goederen, tenzij het kind goederen van de echtgenoot aanwijst die voldoende verhaal bieden (art. 4:14 lid 3 BW).
3.2 Afwijking bij uiterste wilsbeschikking of door de achterblijvende echtgenoot en kinderen tezamen
De erflater kan bij uiterste wilsbeschikking bepalen dat de vordering op de achterblijvende echtgenoot op een ander moment opeisbaar wordt (art. 4:13 lid 3 BW). De erflater kan bepalen of de achtergebleven echtgenoot en het kind tezamen kunnen bepalen dat op de geldvordering een ander rentepercentage van toepassing is (art. 4:13 lid 4 BW). De erflater kan bij uiterste wilsbeschikking bepalen of de echtgenoot en het kind tezamen kunnen bepalen dat de betaling niet in de eerste plaats in mindering wordt gebracht op de hoofdsom, maar op de verhoging (rente) (art. 4:17 lid 1 BW). De verplichtingen tot overdracht van goederen aan de kinderen (de wilsrechten ingevolge art. 4:19-4:22 BW) kunnen worden uitgebreid, beperkt of opgeheven (art. 4:25 lid 6 BW). Bij uiterste wilsbeschikking kan bovendien worden bepaald dat een stiefkind in de wettelijke verdeling (art. 4:13 BW) als eigen kind wordt betrokken (art. 4:27 BW).
3.3 Boedelbeschrijving en betaling geldvordering
De echtgenoot en ieder kind kunnen een boedelbeschrijving verlangen. De boedelbeschrijving bevat een waardering van de goederen en de schulden van de nalatenschap (art. 4:16 lid 1 BW). Heeft de echtgenoot of een kind niet het vrije beheer over zijn vermogen, dan levert zijn wettelijk vertegenwoordiger binnen één jaar na het overlijden van de erflater een boedelbeschrijving in ter griffie van de rechtbank. De kantonrechter kan bepalen dat de boedelbeschrijving bij notariële akte geschiedt (art. 4:16 lid 2 BW). De art. 673-676 Rv zijn van overeenkomstige toepassing (art. 4:16 lid 3 BW).
De echtgenoot kan de in art. 4:13 lid 3 BW bedoelde geldvordering en de rente te allen tijde geheel of gedeeltelijk voldoen. Een betaling wordt in beginsel in mindering gebracht op de hoofdsom en vervolgens op de verhoging (art. 4:17 lid 1 BW). Met het oog op fiscale voordelen kan de erflater bij testament bepalen dat de betalingen eerst in mindering worden gebracht op de verhogen en daarna op de hoofdsom.
3.4 Ongedaanmaking wettelijke verdeling: bijzondere gemeenschap (afd. 3.7.2)
De echtgenoot kan binnen drie maanden na het overlijden van de erflater door middel van een verklaring bij notariële akte, binnen die termijn gevolgd door inschrijving in het boedelregister, de verdeling van art. 4:13 BW ongedaan maken. De verklaring werkt ex tunc. Tussen de echtgenoot en kinderen vindt verrekening plaats, indien de schulden van de nalatenschap zijn voldaan (art. 4:18 leden 1 en 2 BW). De ongedaanmaking van de wettelijke verdeling op grond van afdeling 4.3.1 brengt mee dat afdeling 3.7.2 betreffende bijzondere gemeenschappen van toepassing wordt. Anders dan onder 4.3.1 het geval was, komt de verdeling vanaf dat moment na het ontstaan van de bijzondere gemeenschap. De gemeenschap wordt namelijk, door de werking ex tunc van de ongedaanmaking, vanaf het moment van het overlijden van de erflater geacht ontbonden te zijn, om de uiteindelijke verdeling te effectueren.
1. Inleiding;
1.1 Erfopvolging bij versterf of krachtens uiterste wilsbeschikking (testament);
1.2 Schulden van nalatenschap;
2. Erfopvolging bij versterf;
2.1 Parentelen;
2.2 Plaatsvervulling en staak;
3. Het erfrecht bij versterf van echtgenoot en kinderen;
3.1 Wettelijke verdeling;
3.1.1 Aansprakelijkheid en verhaal;
3.2 Afwijking bij uiterste wilsbeschikking of door echtgenoot en kinderen tezamen;
3.3 Boedelbeschrijving en betaling geldvordering;
3.4 Ongedaanmaking wettelijke verdeling: bijzondere gemeenschap (afd. 3.7.2)
1. Inleiding
"Ieder kind heeft recht op de nalatenschap van de ouder". Deze uitspraak is maar ten dele waar. Het is juist dat de afstammelingen van de erflater recht hebben op de legitieme portie, maar de legitieme levert slechts een vordering op die achter wordt gesteld bij overige schulden van de nalatenschap (art. 4:7 lid 2 onder 3 jo. art. 4:7 lid 1 onder g BW. De rechten die ontstaan krachtens erfopvolging zijn minder vanzelfsprekend dan algemeen wordt aangenomen.
1.1 Erfopvolging bij versterf of krachtens uiterste wilsbeschikking
Erfopvolging heeft plaats bij versterf of krachtens uiterste wilsbeschikking (art. 4:1 lid 1 BW). Van de erfopvolging bij versterf kan testamentair worden afgeweken (art. 4:1 lid 2 BW). Onterving of het tot erfgenaam aanwijzen van personen die niet op grond van art. 4:10 BW tot erfgenaam worden geroepen, kan dus rechtsgeldig geschieden.
Stel dat A erfgenaam is van B en A en B komen op dezelfde dag te overlijden. Wanneer de volgorde van het overlijden van A en B niet kan worden vastgesteld, schiet te wet te hulp door de te bepalen dat beide personen worden geacht gelijktijdig te zijn overleden. Aan de ene persoon valt dan geen voordeel uit de nalatenschap van de ander ten deel (art. 4:2 lid 1 BW). Dit kan nadelig zijn voor de erfgenamen van A. De rechter kan de belanghebbende uitstel geven om te bewijzen dat de volgorde van overlijden anders is dan het wettelijk vermoeden (art. 4:2 lid 2 BW).
Personen kunnen op grond van de wet onwaardig zijn om uit een nalatenschap voordeel te trekken. Van rechtswege zijn onwaardig (art. 4:3 lid 1 onder a-e BW): a. hij die onherroepelijk veroordeeld is ter zake dat hij de overledene heeft omgebracht, heeft getracht om te brengen, dat feit heeft voorbereid of daaraan heeft deelgenomen, b. hij die onherroepelijk is veroordeeld ter zake van (een poging tot) een tegen de erflater gepleegd feit waarop een gevangenisstraf van maximaal vier jaar is gesteld, c. hij die lasterlijk een beschuldiging tegen de erflater heeft ingebracht, d. hij die de overledene door een feitelijkheid of bedreiging heeft gedwongen of belet een uiterste wilsbeschikking op te maken, of e. hij die de uiterste wil heeft verduisterd, vernietigd of vervalst.
Rechten anders dan om niet, door derden te goeder trouw verkregen, worden geëerbiedigd (art. 4:3 lid 2 BW).
De testeervrijheid is belangrijk, maar kan niet zodanig ingrijpend zijn, dat een erfstelling van erflater Y, waarbij hij 4/5 van zijn nalatenschap nalaat aan zijn beste vriend X, het voor de opvolgers bij versterf (de afstammelingen die krachtens art. 4:10 BW tot de nalatenschap worden geroepen) onmogelijk maakt om zelfs maar de legitieme portie te ontvangen. Een voor het openvallen van een nalatenschap verrichte rechtshandeling is daarom nietig, voor zover zij de strekking heeft om een persoon te belemmeren in zijn vrijheid om bevoegdheden met betrekking tot de nalatenschap uit te oefenen (art. 4:4 lid 1 BW). Overeenkomsten, strekkende tot beschikking over nog niet opengevallen nalatenschappen in hun geheel of over een evenredig deel daarvan, zijn nietig (art. 4:4 lid 2 BW).
Deze bepaling neemt niet weg dat een overeenkomst met betrekking tot een bepaald vermogensbestanddeel (bijvoorbeeld verkoop van een onroerende zaak) rechtsgeldig is. Eerst wanneer het op levering van de zaak aankomt, heeft de verkrijger een vordering op de nalatenschap als bedoeld onder art. 4:7 lid 1 onder a BW (aldus een schuld van de erflater die niet met zijn dood teniet is gegaan).
1.2 Schulden van de nalatenschap
Schulden van de nalatenschap zijn (art. 4:7 lid 1 onder a-i BW):
a. de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan, voor zover niet begrepen in onderdeel i (giften en andere handelingen die worden aangemerkt als legaten);
b. de kosten van lijkbezorging, in overeenstemming met de omstandigheden van overledene;
c. de kosten van vereffening van de nalatenschap, met inbegrip van het loon van de vereffenaar;
d. de kosten van executele, met inbegrip van het loon;
e. de schulden uit belastingen die ter zake van het openvallen der nalatenschap worden geheven, voor zover zij op de erfgenamen komen te rusten;
f. de schulden die ontstaan door toepassing van afdeling 4.3.2 ('andere wettelijke rechten');
g. de schulden ter zake van legitieme porties waarop krachtens art. 4:80 BW aanspraak wordt gemaakt;
h. de schulden uit legaten welke op een of meer erfgenamen rusten;
i. de schulden uit giften en andere legaten.
Met voorrang worden de schulden ten laste van de nalatenschap achtereenvolgens voldaan (art. 4:7 lid 2 onder 1-3 BW):
1. de schulden, bedoeld in lid 1 onder a tot en met e;
2. de schulden uit 'andere wettelijke rechten' als bedoeld in afdeling 4.3.2 BW;
3. de schulden ter zake van legitieme porties. Ontbreken schulden uit 'andere wettelijke rechten', dan worden eerst de schulden onder a-c voldaan en vervolgens de schulden onder d-g.
De kosten voor lijkbezorging en vereffening gaan dus altijd vóór eventuele kosten voor de studie van een kind op grond van afd. 4.3.2 en de legitieme porties. Schulden uit legaten kennen geen voorrangspositie. Zij mogen slechts uit de nalatenschap worden voldaan, als alle andere schulden van de nalatenschap ten volle kunnen worden voldaan (art. 4:120 lid 1 BW).
2. Erfopvolging bij versterf
Om als erfgenaam op te kunnen treden, moet men bestaan op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt (art. 4:9 BW). De wet komt aan deze bestaanseis op meerdere plaatsen tegemoet, onder meer door te bepalen dat het ongeboren kind reeds wordt geacht te bestaan (art. 1:2 BW).
2.1 Parentelen
De wet roept tot een nalatenschap als erfgenamen uit eigen hoofde achtereenvolgens (art. 4:10 lid 1 onder a-d BW):
a. de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot (vgl. art. 4:8 leden 1 en 2 BW) van de erflater, tezamen met diens kinderen (groep 1);
b. de ouders van de erflater, tezamen met diens broers en zusters (groep 2);
c. de grootouders van de erflater (groep 3);
d. de overgrootouders van de erflater (groep 4).
De afstammelingen van een kind, broer, zus, grootouder of overgrootouder worden bij plaatsvervulling geroepen (art. 4:10 lid 2 BW). Alleen zij die tot de erflater in familierechtelijke betrekking stonden, worden tot de in de vorige leden genoemde bloedverwanten gerekend (art. 4:10 lid 3 BW). Wie als 'bloedverwanten' worden aangemerkt, wordt bepaald door art. 1:3 en art. 1:197-1:199 BW.
Degenen die tezamen uit eigen hoofde tot de nalatenschap worden geroepen, erven voor gelijke delen (art. 4:11 lid 1 BW). Het erfdeel van een halfbroer of halfzus is de helft van het erfdeel van een volle broer, een volle zus of een ouder (art. 4:11 lid 2 BW). Het erfdeel van een ouder dient minimaal een kwart te bedragen. Wanneer het erfdeel van de ouder minder zou zijn dan een kwart, worden de erfdelen van de overige erfgenamen verminderd naar evenredigheid (art. 4:11 lid 3 BW).
2.2 Plaatsvervulling en staak
Met betrekking tot personen die op het moment van het openvallen van de nalatenschap niet meer bestaan, die onwaardig zijn, onterfd zijn, verwerpen of wier erfrecht is vervallen, treedt plaatsvervulling op (art. 4:12 lid 1 BW). De plaatsvervullers worden staaksgewijs geroepen tot het erfdeel van degene wiens plaats zij vervullen (art. 4:12 lid 2 BW). Dochter C en zoon D van vader A vormen dus de staak A als hun overleden vader A van grootvader B erft. Degenen die de erflater verder dan de zesde graad bestaan, erven niet (art. 4:12 lid 3 BW).
Ter illustratie. Nico overlijdt. Zijn erfgenamen zijn grootvader Toon, zijn dochter Manuela en de twee kinderen van de overleden zoon van Toon, Gerrit. De vrouw van Toon, grootmoeder Cornelia, leeft niet meer.
Uit eigen hoofde wordt geroepen: grootvader Toon (art. 4:11 lid 1 jo. 4:10 lid 1 onder c BW);
De plaatsvervullers van de vooroverleden grootmoeder Cornelia zijn Manuela en de kinderen van vooroverleden zoon Gerrit. De kinderen van Gerrit vormen de staak.
De uit eigen hoofde geroepen grootvader Toon erft 1/2.
Manuela en de staak Gerrit (de kinderen van Gerrit) moeten de andere helft verdelen.
Manuela krijgt dus (1/2 x 1/2 =) 1/4 en de staak Gerrit de helft daarvan (1/2 x 1/4 =) 1/8.
3. Het erfrecht bij versterf van de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en van de kinderen
Het wat verwarrende opschrift van afdeling 4.3.1 duidt niet op het versterf van de achterblijvende echtgenoot en de kinderen, maar onder meer op de verdeling van de nalatenschap over de langstlevende echtgenoot en de kinderen van de erflater. Afdeling 4.3.1 wijkt af van de de algemene bepalingen inzake bijzondere gemeenschappen in afdeling 3.7.2 BW: op grond van afdeling 4.3.1 wordt namelijk de nalatenschap verdeeld voordat een (bijzondere) gemeenschap ontstaat. Zoals ik onder "Huwelijksvermogensrecht: gemeenschap van goederen en ontbinding van de gemeenschap" (paragraaf 2) heb behandeld, leidt het overlijden van één van de echtgenoten tot ontbinding van de gemeenschap, waardoor een bijzondere gemeenschap ontstaat die ingevolge afd. 3.7.2 wordt klaargemaakt voor de uiteindelijke verdeling.
3.1 Wettelijke verdeling
Van de wettelijke verdeling op grond van afdeling 4.3.1 kan worden afgeweken bij uiterste wilsbeschikking (art. 4:13 lid 1 BW). Is geen testamentaire bepaling ter zake opgenomen, dan werkt de wettelijke (erfrechtelijke) verdeling als volgt. De echtgenoot van de erflater verkrijgt van rechtswege de goederen van de nalatenschap (art. 4:13 lid 2 BW). Onder echtgenoot wordt niet begrepen de van tafel en bed gescheiden echtgenoot (art. 4:13 lid 6 BW).
De voldoening van de schulden van de nalatenschap komt voor rekening van de echtgenoot. Onder schulden van de nalatenschap worden tevens begrepen de ten laste van de gezamenlijke erfgenamen komende uitgaven ter voldoening aan testamentaire lasten.
Ieder kind verkrijgt als erfgenaam een geldvordering ten laste van de langstlevende echtgenoot, overeenkomstig het erfdeel. Deze vordering is opeisbaar (art. 4:13 lid 3 BW):
a. indien de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard of de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Wsnp) van toepassing is verklaard;
b. wanneer de echtgenoot is overleden.
De geldvordering wordt vermeerderd (rente, vgl. 'verhoging' in art. 4:17 en 4:25 lid 1 BW) met een percentage dat overeenkomt met dat van de wettelijke rente, voor zover dit percentage hoger is dan zes (art. 4:13 lid 4 BW).
3.1.1 Aansprakelijkheid en verhaal
Indien de nalatenschap overeenkomstig art. 4:13 BW is verdeeld, is de echtgenoot van de erflater tegenover de schuldeisers en tegenover de kinderen verplicht tot voldoening van de schulden der nalatenschap. In de onderlinge verhouding van de echtgenoot en de kinderen komen de schulden der nalatenschap voor rekening van de echtgenoot (art. 4:14 lid 1 BW). Met de formulering van art. 4:14 lid 1 BW mag niet voorbij worden gegaan aan het feit dat de schulden op het totaalbedrag van de nalatenschap drukken, waarmee de kinderen dus mede de schulden van de nalatenschap als bedoeld in art. 4:7 lid 1 BW dragen.
De draagplicht van de echtgenoot geldt mede wanneer de schulden van de nalatenschap de baten overtreffen, onverminderd art. 4:184 lid 2 BW (het recht om beneficiair te aanvaarden) (art. 4:14 lid 4 BW). Voor schulden van de nalatenschap, alsmede voor schulden van de echtgenoot die konden worden verhaald op de goederen van een gemeenschap waarvan de echtgenoot en de erflater de deelgenoten waren, neemt de schuldeiser in zijn verhaal op de goederen die krachtens art. 4:13 lid 2 BW aan de echtgenoot toebehoren, rang voor degenen die verhaal nemen voor andere schulden van de echtgenoot (art. 4:14 lid 2 BW). Voor schulden van de nalatenschap kunnen de goederen van een kind niet worden uitgewonnen, met uitzondering van de in art. 4:13 lid 3 bedoelde geldvordering. Uitwinning van die goederen is wel mogelijk, voor zover de geldvordering van het kind is verminderd door betaling of door overdracht van goederen, tenzij het kind goederen van de echtgenoot aanwijst die voldoende verhaal bieden (art. 4:14 lid 3 BW).
3.2 Afwijking bij uiterste wilsbeschikking of door de achterblijvende echtgenoot en kinderen tezamen
De erflater kan bij uiterste wilsbeschikking bepalen dat de vordering op de achterblijvende echtgenoot op een ander moment opeisbaar wordt (art. 4:13 lid 3 BW). De erflater kan bepalen of de achtergebleven echtgenoot en het kind tezamen kunnen bepalen dat op de geldvordering een ander rentepercentage van toepassing is (art. 4:13 lid 4 BW). De erflater kan bij uiterste wilsbeschikking bepalen of de echtgenoot en het kind tezamen kunnen bepalen dat de betaling niet in de eerste plaats in mindering wordt gebracht op de hoofdsom, maar op de verhoging (rente) (art. 4:17 lid 1 BW). De verplichtingen tot overdracht van goederen aan de kinderen (de wilsrechten ingevolge art. 4:19-4:22 BW) kunnen worden uitgebreid, beperkt of opgeheven (art. 4:25 lid 6 BW). Bij uiterste wilsbeschikking kan bovendien worden bepaald dat een stiefkind in de wettelijke verdeling (art. 4:13 BW) als eigen kind wordt betrokken (art. 4:27 BW).
3.3 Boedelbeschrijving en betaling geldvordering
De echtgenoot en ieder kind kunnen een boedelbeschrijving verlangen. De boedelbeschrijving bevat een waardering van de goederen en de schulden van de nalatenschap (art. 4:16 lid 1 BW). Heeft de echtgenoot of een kind niet het vrije beheer over zijn vermogen, dan levert zijn wettelijk vertegenwoordiger binnen één jaar na het overlijden van de erflater een boedelbeschrijving in ter griffie van de rechtbank. De kantonrechter kan bepalen dat de boedelbeschrijving bij notariële akte geschiedt (art. 4:16 lid 2 BW). De art. 673-676 Rv zijn van overeenkomstige toepassing (art. 4:16 lid 3 BW).
De echtgenoot kan de in art. 4:13 lid 3 BW bedoelde geldvordering en de rente te allen tijde geheel of gedeeltelijk voldoen. Een betaling wordt in beginsel in mindering gebracht op de hoofdsom en vervolgens op de verhoging (art. 4:17 lid 1 BW). Met het oog op fiscale voordelen kan de erflater bij testament bepalen dat de betalingen eerst in mindering worden gebracht op de verhogen en daarna op de hoofdsom.
3.4 Ongedaanmaking wettelijke verdeling: bijzondere gemeenschap (afd. 3.7.2)
De echtgenoot kan binnen drie maanden na het overlijden van de erflater door middel van een verklaring bij notariële akte, binnen die termijn gevolgd door inschrijving in het boedelregister, de verdeling van art. 4:13 BW ongedaan maken. De verklaring werkt ex tunc. Tussen de echtgenoot en kinderen vindt verrekening plaats, indien de schulden van de nalatenschap zijn voldaan (art. 4:18 leden 1 en 2 BW). De ongedaanmaking van de wettelijke verdeling op grond van afdeling 4.3.1 brengt mee dat afdeling 3.7.2 betreffende bijzondere gemeenschappen van toepassing wordt. Anders dan onder 4.3.1 het geval was, komt de verdeling vanaf dat moment na het ontstaan van de bijzondere gemeenschap. De gemeenschap wordt namelijk, door de werking ex tunc van de ongedaanmaking, vanaf het moment van het overlijden van de erflater geacht ontbonden te zijn, om de uiteindelijke verdeling te effectueren.
Labels:
beneficiair aanvaarden,
erfopvolging bij versterf,
erfrecht,
executele,
legataris,
legitieme portie,
Mercedes Bouter,
parentelen,
plaatsvervulling,
rechtblog,
rechten,
rechtenblog,
staak
Abonneren op:
Posts (Atom)