Zet allereerst de vorm van de pleitnota op. De inhoudelijke behandeling verschilt van nota tot nota, maar niet op essentiële onderdelen.
- - - - - - - - - - - - - - - - - - -
RECHTBANK AMSTERDAM
sector kanton
PLEITNOTA
in het geschil tussen:
[naam eiser(es)/ rechtspersoon]
woonachtig te/ gevestigd te ...
EISERES
gemachtigde: mr. [naam advocaat of procureur]
en
[naam verweerder, hetzij natuurlijke persoon of rechtspersoon]
woonachtig te/ gevestigd te...
VERWEERDER(S)
gemachtigde: mr. [naam advocaat of procureur]
INHOUD
1. Bevoegdheid rechter
2. Ontvankelijkheid
3. Uiteenzetting feiten (ook wel "feiten en omstandigheden")
4. Vordering en grondslag
5. Verweer
6. Weerlegging
7. Conclusie
1. Bevoegdheid rechter
Is de rechter bevoegd om kennis te nemen van de vordering in het geschil? Zo nee, verwijzing naar ander gerecht dient te volgen. Maak onderscheid tussen de absolute en relatieve bevoegdheid van de rechter.
2. Ontvankelijkheid
Wordt de juiste procedure betreffende de vordering gevolgd?
3. Uiteenzetting feiten
De onderhavige zaak wordt kort geschetst aan de hand van feiten en omstandigheden. Bij dit onderdeel is het niet de bedoeling om vergaand in detail te treden.
Er is niets op tegen om op zakelijke wijze te beginnen. "Middels feiten en omstandigheden..." is een veelgehoorde openingszin. Het kan ook anders. Spits de inleiding van het pleidooi toe op de onderhavige zaak. Een voorbeeld uit het handelsrecht:
" Geacht college,
Parmigiano Reggiano. De échte fijnproever stelt zich daarbij niet een zwetende, plakkerige kaas voor, die vele temperatuurschommelingen heeft doorgemaakt. Toch heeft mijn cliënt zijn bestelling in dergelijke staat ontvangen van verweerder. Mijn cliënt, als importeur een begrip in de regio Haaglanden en omstreken, wendt zich sinds jaar en dag voor de beste kwaliteit Parmigiano, tot "Caseus" in Modena. De laatste bestelling had helaas niet de kwaliteit die mijn cliënt gewend is van verweerder te ontvangen..."
4. Vordering en grondslag
De vordering wordt in directe bewoordingen weergegeven: "eiser vordert van verweerder, op grond van wanprestatie, ontbinding van de overeenkomst". Noem de wetsartikelen.
Na deze formulering volgt het juridisch betoog. Waar bij de uiteenzetting van de feiten niet uitvoerig wordt ingegaan op de zaak, is het juist van belang om de vordering te onderbouwen met alle relevante argumenten die aan de zaak kunnen worden ontleend.
5. Verweer
Anticipeer! Poneer de stellingen die de wederpartij in het verweer zou kunnen aanvoeren. Welke clausules uit de overeenkomst worden in het geschil betwist?
.. "Nautilus" voert aan dat de grootst mogelijke zorgvuldigheid met betrekking tot de lading is betracht. Gelet op art. 8:381 lid 1 sub a BW, is het schip voor aanvang van het transport, uitgebreid gecontroleerd en zeewaardig bevonden. Tevens is voldaan aan de vereisten die volgen uit lid 1 sub b en c van dit artikel. De vervoerder doet een beroep op de ontheffingsgronden uit art. 8:383 lid 1 en 2 BW. Voor zover de schade zich blijkens het onderzoeksrapport heeft voortgedaan ná het lossen van de lading uit het schip, is de door de afzender en "Nautilus" overeengekomen clausule ex. art. 8:386 BW van toepassing. "Nautilus" sluit iedere aansprakelijkheid uit voor schade, ontstaan tijdens het lossen van de zaken... "
6. Weerlegging
Ontkracht de argumenten die door de verweerder/ gedaagde naar voren (kunnen) worden gebracht.
"Mijn cliënt is geen partij bij de overeenkomst tussen afzender en vervoerder. De voormelde condities van vervoerder kunnen niet aan hem worden tegengeworpen. Bovendien heeft de bemanning van "Nautilus" verwijtbaar gehandeld, in die zin dat stellig niet de vereiste zorgvuldigheid met betrekking tot de goederen is betracht tijdens het zeetransport. Gedurende vier dagen is namelijk geen inspectie verricht, hoewel de omstandigheden daartoe noopten. De extreme temperatuurschommelingen zijn direct veroorzaakt door het handelen van de bemanning. Daarbij komt dat "Nautilus" duurzaam optreedt als vervoerder van de specialiteit "Parmegiano Reggiano" en het schip heeft ingericht om de optimale omstandigheden te garanderen voor langdurig zeevervoer van dit product.."
7. Conclusie
Tot slot volgt een korte samenvatting met de nadruk op de vordering en de rechtsgrond(en).
200.000 bezoekers | Strafrecht & Privaatrecht | Juridisch: uitleg voor studenten die zich toeleggen op de togaberoepen |
Posts tonen met het label burgerlijk recht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label burgerlijk recht. Alle posts tonen
donderdag 14 april 2016
zondag 14 februari 2016
Goederenrecht: verkrijging en verlies van goederen en derdenbescherming
Wanneer wordt een derde-verkrijger beschermd tegen de beschikkingsonbevoegdheid van een vervreemder?
Het onderscheid tussen de overdracht van de volle eigendom en een beperkt recht is, behoudens de uitzonderingen, niet van belang, zo verklaart de schakelbepaling in 3:98 de gehele afdeling 2 van overeenkomstige werking.
De totstandkoming van de overdracht van goederen dient eerst te worden bepaald. Artikel 3:83 ziet op de overdraagbaarheid van eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten op naam (lid 1), tenzij de wet of aard van het recht zich tegen overdracht verzet; zo zijn afhankelijke rechten, waaronder erfdienstbaarheid en hypotheek, niet voor zelfstandige overdracht vatbaar.
Volgens lid 2 van dit artikel kunnen vorderingsrechten op naam bij overeenkomst (beding) worden uitgesloten van overdracht. Overige goederen ("rechten", lid 3) zijn slechts overdraagbaar bij wettelijke bepaling.
Eigendomsoverdracht
Uit art. 3:84 lid 1 blijkt dat de criteria voor geslaagde eigendomsoverdracht zijn een geldige titel en levering door een beschikkingsbevoegde. Het causale stelsel vereist een geldige titel. De titel is de goederenrechtelijke verbintenis tot overdracht. Lid 3 maakt duidelijk dat een rechtshandeling die a) slechts dient tot overdracht van een goed bij wijze van zekerheid, of b) niet de strekking heeft om het goed in het vermogen van de verkrijger te doen vallen, geen geldige titel oplevert.
De titel dient bovendien voldoende bepaald te zijn, ex. art. 3:84 lid 2.
Dat het causale stelsel verstrekkende gevolgen heeft, komt tot uiting wanneer een geldige titel aan de overdracht komt te ontvallen. Hoe kan een titel aan de overdracht ontvallen? Men denke aan de actio Pauliana inzake het faillissement. De failliet is weliswaar beschikkingsonbevoegd, maar de overdracht kan in beginsel geschieden bij geldige titel. Als nu de faillissementscurator een beroep doet op de actio Pauliana en de titel vernietigt, dan werkt de vernietiging van de titel met terugwerkende kracht, zie art. 3:53. Anders dan bij ontbinding, wordt de overdracht geacht nooit geldig te zijn geweest, omdat niet aan de vereisten in art. 3:48 is voldaan.
Komt het vreemd voor dat een beschikkingsonbevoegde in beginsel een geldige titel heeft weten te bewerkstelligen? Stel dat de faillissementscurator niet besluit tot vernietiging over te gaan. De titel blijft onaangetast. De curator treedt in de plaats van de failliet; nu een beschikkingsbevoegde levert, komt de overdracht rechtsgeldig tot stand. Onthoud: de levering is de laatste schakel in de keten, daarmee kan op het moment van levering pas worden beoordeeld of aan alle criteria voor geldige overdracht is voldaan.
Beschikkingsonbevoegdheid ten tijde van de overdracht wordt in beginsel niet gecorrigeerd bij wijze van convalescentie, zie art. 3:58 lid 2. In beginsel, want convalescentie is mogelijk, indien direct belanghebbenden de overdracht als geldig erkennen.
Zonder hier verder in te gaan op levering van toekomstige goederen en eigendomsoverdracht onder voorbehoud, zij vermeld dat het onderscheid tussen feitelijke levering en levering van een toekomstig goed, belangrijk is met het oog op faillissement van de vervreemder.
Derdenbescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid vervreemder
Vooropgesteld: de artt. 3:86 en 3:88 zien uitsluitend op derdenbescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid van een vervreemder. Speciale bepalingen zijn te vinden in art. 3:24-26: het kan de verkrijger van een registergoed niet worden tegengeworpen dat hij niet op de hoogte was van bepaalde feiten, indien de registers niet volledig waren of zij onjuist ingeschreven feiten bevatte.
Artikel 3:86 is van toepassing op de overdracht van roerende zaken, niet-registergoederen, rechten aan toonder en order, bij levering krachtens art. 3:90, 91 of 93. De overdracht dient anders dan om niet te geschieden en de verkrijger dient te goeder trouw te zijn, ex. art. 3:11. Art. 3:87 vormt een nadere uitwerking van de goede trouw uit art. 3:11: gedurende drie jaar na de verkrijging van het goed, rust op de verkrijger de plicht om gegevens van over de vervreemder van het goed te verschaffen. Deze wegwijsplicht beoogt de vervreemder te traceren. Is de verkrijger niet in staat om de gegevens te verschaffen, dan wordt hij geacht niet te goeder trouw te zijn en geniet hij niet de bescherming van art. 3:86.
De negatief geformuleerde voorwaarde in art. 3:86 lid 3 sub a, beschermt de verkrijger te goeder trouw tegen eventuele revindicatie door de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit heeft verloren door diefstal. De eigenaar kan zijn goed binnen drie jaar revindiceren, tenzij:
- de verkrijger een consumentkoper betreft;
- de vervreemder soortgelijke zaken verhandelt aan het publiek;
- laatste in de normale uitoefening van zijn bedrijf handelt;
- zijn bedrijf makende in een daarvoor bestemde bedrijfsruimte (klassieker: HR, Uitslag/ Wolterink).
Over de beperkte rechten. Is nu de roerende zaak, het niet-registergoed, bezwaard met een beperkt recht, dan ondervindt de derde-verkrijger bescherming tegen dit beperkte recht, mits voldaan is aan de vereisten in art. 3:86 lid 2: de derde verkreeg het goed anders dan om niet en hij kende het beperkte recht niet, noch behoefde hij dit recht te kennen. Het gevolg is dat het beperkte recht komt te vervallen. Rust het beperkte recht op een gestolen goed, dan doorloopt men de criteria genoemd in art. 3:83 lid 3.
Volledigheidshalve: het moge duidelijk zijn dat het regime van art. 3:86 uitsluitend ziet op de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder. De laatste bepalingen voorafgaand aan sluiting van de beschermende werking, namelijk lid 3 en de wegwijsplicht uit art. 3:87, behoeven niet te worden ingeroepen. Zo kan het zijn dat de vervreemder een dief ("occupant te kwader trouw") is, maar de verkrijger (te goeder trouw) niet wordt verzocht om verkrijger te identificeren, of dat de eigenaar van het goed de revindicatie niet benut: na drie jaar wordt de verkrijger beschermd tegen de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder, de occupant niet te goeder trouw.
Het onderscheid tussen de overdracht van de volle eigendom en een beperkt recht is, behoudens de uitzonderingen, niet van belang, zo verklaart de schakelbepaling in 3:98 de gehele afdeling 2 van overeenkomstige werking.
De totstandkoming van de overdracht van goederen dient eerst te worden bepaald. Artikel 3:83 ziet op de overdraagbaarheid van eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten op naam (lid 1), tenzij de wet of aard van het recht zich tegen overdracht verzet; zo zijn afhankelijke rechten, waaronder erfdienstbaarheid en hypotheek, niet voor zelfstandige overdracht vatbaar.
Volgens lid 2 van dit artikel kunnen vorderingsrechten op naam bij overeenkomst (beding) worden uitgesloten van overdracht. Overige goederen ("rechten", lid 3) zijn slechts overdraagbaar bij wettelijke bepaling.
Eigendomsoverdracht
Uit art. 3:84 lid 1 blijkt dat de criteria voor geslaagde eigendomsoverdracht zijn een geldige titel en levering door een beschikkingsbevoegde. Het causale stelsel vereist een geldige titel. De titel is de goederenrechtelijke verbintenis tot overdracht. Lid 3 maakt duidelijk dat een rechtshandeling die a) slechts dient tot overdracht van een goed bij wijze van zekerheid, of b) niet de strekking heeft om het goed in het vermogen van de verkrijger te doen vallen, geen geldige titel oplevert.
De titel dient bovendien voldoende bepaald te zijn, ex. art. 3:84 lid 2.
Dat het causale stelsel verstrekkende gevolgen heeft, komt tot uiting wanneer een geldige titel aan de overdracht komt te ontvallen. Hoe kan een titel aan de overdracht ontvallen? Men denke aan de actio Pauliana inzake het faillissement. De failliet is weliswaar beschikkingsonbevoegd, maar de overdracht kan in beginsel geschieden bij geldige titel. Als nu de faillissementscurator een beroep doet op de actio Pauliana en de titel vernietigt, dan werkt de vernietiging van de titel met terugwerkende kracht, zie art. 3:53. Anders dan bij ontbinding, wordt de overdracht geacht nooit geldig te zijn geweest, omdat niet aan de vereisten in art. 3:48 is voldaan.
Komt het vreemd voor dat een beschikkingsonbevoegde in beginsel een geldige titel heeft weten te bewerkstelligen? Stel dat de faillissementscurator niet besluit tot vernietiging over te gaan. De titel blijft onaangetast. De curator treedt in de plaats van de failliet; nu een beschikkingsbevoegde levert, komt de overdracht rechtsgeldig tot stand. Onthoud: de levering is de laatste schakel in de keten, daarmee kan op het moment van levering pas worden beoordeeld of aan alle criteria voor geldige overdracht is voldaan.
Beschikkingsonbevoegdheid ten tijde van de overdracht wordt in beginsel niet gecorrigeerd bij wijze van convalescentie, zie art. 3:58 lid 2. In beginsel, want convalescentie is mogelijk, indien direct belanghebbenden de overdracht als geldig erkennen.
Zonder hier verder in te gaan op levering van toekomstige goederen en eigendomsoverdracht onder voorbehoud, zij vermeld dat het onderscheid tussen feitelijke levering en levering van een toekomstig goed, belangrijk is met het oog op faillissement van de vervreemder.
Derdenbescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid vervreemder
Vooropgesteld: de artt. 3:86 en 3:88 zien uitsluitend op derdenbescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid van een vervreemder. Speciale bepalingen zijn te vinden in art. 3:24-26: het kan de verkrijger van een registergoed niet worden tegengeworpen dat hij niet op de hoogte was van bepaalde feiten, indien de registers niet volledig waren of zij onjuist ingeschreven feiten bevatte.
Artikel 3:86 is van toepassing op de overdracht van roerende zaken, niet-registergoederen, rechten aan toonder en order, bij levering krachtens art. 3:90, 91 of 93. De overdracht dient anders dan om niet te geschieden en de verkrijger dient te goeder trouw te zijn, ex. art. 3:11. Art. 3:87 vormt een nadere uitwerking van de goede trouw uit art. 3:11: gedurende drie jaar na de verkrijging van het goed, rust op de verkrijger de plicht om gegevens van over de vervreemder van het goed te verschaffen. Deze wegwijsplicht beoogt de vervreemder te traceren. Is de verkrijger niet in staat om de gegevens te verschaffen, dan wordt hij geacht niet te goeder trouw te zijn en geniet hij niet de bescherming van art. 3:86.
De negatief geformuleerde voorwaarde in art. 3:86 lid 3 sub a, beschermt de verkrijger te goeder trouw tegen eventuele revindicatie door de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit heeft verloren door diefstal. De eigenaar kan zijn goed binnen drie jaar revindiceren, tenzij:
- de verkrijger een consumentkoper betreft;
- de vervreemder soortgelijke zaken verhandelt aan het publiek;
- laatste in de normale uitoefening van zijn bedrijf handelt;
- zijn bedrijf makende in een daarvoor bestemde bedrijfsruimte (klassieker: HR, Uitslag/ Wolterink).
Over de beperkte rechten. Is nu de roerende zaak, het niet-registergoed, bezwaard met een beperkt recht, dan ondervindt de derde-verkrijger bescherming tegen dit beperkte recht, mits voldaan is aan de vereisten in art. 3:86 lid 2: de derde verkreeg het goed anders dan om niet en hij kende het beperkte recht niet, noch behoefde hij dit recht te kennen. Het gevolg is dat het beperkte recht komt te vervallen. Rust het beperkte recht op een gestolen goed, dan doorloopt men de criteria genoemd in art. 3:83 lid 3.
Volledigheidshalve: het moge duidelijk zijn dat het regime van art. 3:86 uitsluitend ziet op de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder. De laatste bepalingen voorafgaand aan sluiting van de beschermende werking, namelijk lid 3 en de wegwijsplicht uit art. 3:87, behoeven niet te worden ingeroepen. Zo kan het zijn dat de vervreemder een dief ("occupant te kwader trouw") is, maar de verkrijger (te goeder trouw) niet wordt verzocht om verkrijger te identificeren, of dat de eigenaar van het goed de revindicatie niet benut: na drie jaar wordt de verkrijger beschermd tegen de beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder, de occupant niet te goeder trouw.
Abonneren op:
Posts (Atom)