Posts tonen met het label forensische psychiatrie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label forensische psychiatrie. Alle posts tonen

vrijdag 23 maart 2018

Formele aspecten aan de terbeschikkingstelling (TBS); rechtsbescherming krachtens de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (BVT)

Overzicht
1. TBS in combinatie met gevangenisstraf;
2. TBS met verpleging;
3. TBS met voorwaarden;
4. Voorwaardelijke beëindiging;
5. De Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (BVT);
6. Bemiddeling, beklag en beroep;
7. Rechtsplegingen in verband met TBS en plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis

1. TBS in combinatie met gevangenisstraf
De verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan op last van de rechter ter beschikking worden gesteld (art. 37a lid 1 Sr). Bij toepassing van lid 1 kan de rechter afzien van het opleggen van straf, ook indien hij bevindt dat het feit wel aan de verdachte kan worden toegerekend (art. 37a lid 2 Sr). Legt de rechter TBS met voorwaarden op, dan kan de vrijheidsstraf maximaal vijf jaar duren (art. 38 lid 3 Sr).

Een veroordeelde tot gevangenisstraf die wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens daarvoor in aanmerking komt, kan worden geplaatst in een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden (art. 13 lid 1 Sr). Is een combinatie van gevangenisstraf en TBS met verpleging van overheidswege opgelegd, dan wordt regelmatig beoordeeld of de veroordeelde dient te worden geplaatst in een inrichting voor verpleging (art. 13 lid 2 Sr). De plaatsing ingevolge art. 13 lid 1 Sr geschiedt na rapportage van ten minste twee gedragskundigen, waaronder een psychiater (art. 13 lid 3 Sr).

De plaatsing van een veroordeelde tot gevangenisstraf die tevens de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege is opgelegd, geschiedt indien het ten uitvoer te leggen gedeelte van de gevangenisstraf is ondergaan (art. 42 lid 1 Penitentiaire Maatregel), of eerder, indien er dringende medische redenen aanwezig zijn, de veroordeelde jonger is dan 23 jaar, of de rechter op grond van art. 37b lid 2 Sr een advies met betrekking tot tijdsbepaling heeft opgenomen in zijn vonnis.

2. TBS met verpleging
Het bevel tot TBS met verpleging van overheidswege wordt gegeven, indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist (art. 37b lid 1 Sr). Wordt de verpleging niet vereist, dan kan de rechter TBS met voorwaarden opleggen ter bescherming van de veiligheid van anderen (art. 38 lid 1 Sr).

De verpleging vindt plaats in een inrichting, aangewezen conform art. 37d Sr. Zolang opname in de inrichting niet mogelijk is, kan verblijf plaatsvinden in een huis van bewaring (art. 9 lid 2 onder f Penitentiaire Beginselenwet (PBW)). Tot gevangenisstraf veroordeelden aan wie tevens de maatregel van TBS met verpleging is opgelegd, kunnen na het einde van de gevangenisstraf tijdelijk in de gevangenis verblijven (art. 10 lid 1 PBW). De plaatsing van de ter beschikking gestelde geschiedt voordat de termijn van TBS zes maanden heeft belopen (art. 12 lid 1 Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (BVT)). De Minister kan, met inachtneming van art. 11 lid 2 BVT, deze termijn telkens met drie maanden verlengen (art. 12 lid 2 BVT). De totale duur van de TBS met verpleging is maximaal vier jaar, tenzij de TBS is opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de lichamelijke integriteit (art. 38e lid 1 Sr). Het vonnis geeft onder opgaaf van redenen aan of hiervan sprake is (art. 359 lid 7 Sv). Ten aanzien van TBS met verpleging geldt niet de bepaling dat de TBS maximaal negen jaar kan belopen (art. 38e lid 2 Sr).

Met het vervallen van art. 38j lid 2 Sr is na voorwaardelijke beëindiging van de verpleging, verlenging van de TBS met telkens een of twee jaren mogelijk (art. 38j Sr).

3. TBS met voorwaarden
Indien de rechter niet een bevel tot tbs met verpleging als bedoeld in art. 37b Sr geeft, stelt hij ter bescherming van de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van goederen, voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde (art. 38 lid 1 Sr). Voorwaarden kunnen slechts worden gesteld, indien de tbs'er zich bereid heeft verklaard tot naleving (art. 38 lid 6 Sr). De inhoud van de voorwaarden wordt vermeld in art. 38a Sr. Op vordering van het OM of de ter beschikking gestelde, kan de rechter de voorwaarden wijzigen, aanvullen of opheffen (art. 38b Sr).

De regelgeving met betrekking tot de invulling en uitvoering van de voorwaarden vindt nadere uitwerking in art. 62 van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden. Wordt de voorwaarde niet nageleefd of is de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar, dan kan de rechter, op vordering van het OM, alsnog TBS met verpleging bevelen (art. 38c Sr).

Indien TBS met voorwaarden met een vrijheidsstraf wordt gecombineerd, is het maximum van de vrijheidsstraf vijf jaar (art. 38 lid 3 Sr). Is de opgelegde vrijheidsstraf meer dan drie jaar, dan wordt in de uitspraak tevens de aard van de zorgverlening vastgesteld (art. 38 lid 4 Sr). Zo nodig worden voorafgaand aan het ontslag uit detentie opnieuw voorwaarden vastgesteld (art. 38 lid 5 Sr).

Uit de strekking van artikel 38 Sr blijkt dat de tenuitvoerlegging van de TBS met voorwaarden niet tijdens de detentie kan geschieden. De rechter kan op vordering van het OM of ambtshalve bevelen dat de TBS met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is (art. 38 lid 7 Sr). De terbeschikkingstelling geldt voor de tijd van twee jaar en kan telkens met één of twee jaar worden verlengd (art. 38d lid 2 Sr). Voor TBS met voorwaarden geldt art. 38e lid 2 Sr: de terbeschikkingstelling met voorwaarden gaat de periode van negen jaar niet te boven (art. 38e lid 2 Sr). Zoals hiervoor gezegd, kan alsnog TBS met verpleging worden bevolen, in dat geval is de mogelijkheid tot verlenging op grond van art. 38e lid jo. 3 Sr onbeperkt.

4. (Voorwaardelijke) beëindiging
Bij de beslissing tot verlenging van de TBS met verpleging, kan de rechter de TBS voorwaardelijk beëindigen (art. 38g lid 1 Sr). In dat geval stelt de rechter voorwaarden betreffende het gedrag (art. 38g lid 2 Sr). "Voorwaardelijke beëindiging bij de vordering tot verlenging" klinkt als een behoorlijke contradictie; bedoeld wordt dat de TBS met verpleging onder begeleiding zal verlopen. De enkele verlenging van de TBS, gevolgd door het aflopen van de terbeschikkingstelling, is evenals het van rechtswege aflopen van de termijn wanneer géén verlenging is bevolen, te abrupt.

Wordt de voorwaarde niet nageleefd of is de veiligheid van anderen of goederen in gevaar, dan kan de rechter een last tot hervatting van de TBS met verpleging geven (art. 38k Sr). Indien het proefverlof  ten minste twaalf maanden heeft voortgeduurd, zonder dat in deze periode de TBS is verlengd, kan de rechter de verpleging voorwaardelijk beëindigen (art. 38h lid 1 Sr). In het geval van voorwaardelijke beëindiging van de verpleging kan de TBS telkens met een of twee jaar worden verlengd (art. 38j Sr). De beperking die voordien op grond van lid 2 van art. 38j Sr bestond, is vervallen. De beëindiging van de TBS vindt plaats nadat de verpleging minimaal een jaar voorwaardelijk beëindigd is geweest (art. 509t lid 2 Sv).

5. De Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (BVT)
Het doel van de TBS wordt genoemd in art. 2 Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden: de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel in een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden wordt zoveel mogelijk dienstbaar gemaakt aan de behandeling van de veroordeelde en de voorbereiding op diens terugkeer naar de maatschappij. Bij het verlenen van vrijheden aan de TBS'er wordt rekening gehouden met de veiligheid van de samenleving en de belangen van slachtoffers en nabestaanden (art. 2 lid 1 BVT). Verpleegden worden aan geen andere beperkingen onderworpen dan die welke in het belang van de handhaving van de orde of veiligheid in de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden nodig zijn (art. 2 lid 2 BVT).

Bij de plaatsing in de inrichting worden de bescherming van de maatschappij tegen de gevaarlijkheid van de TBS'er en de aard van de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de ter beschikking gestelde in de overwegingen betrokken (art. 11 lid 2 onder a en b BVT). Uitgangspunt is dat de TBS'er binnen een termijn van zes maanden geplaatst zal worden in een inrichting, maar de plaatsingstermijn kan door de minister steeds met drie maanden worden verlengd (art. 12 leden 1 en 2 BVT). Wordt binnen de zesmaandentermijn géén beslissing genomen, dan geldt alsnog dat de termijn wordt verlengd volgens het tweede lid (art. 12 lid 3 BVT).

5.1 Huisregels en melding voorvallen in de inrichting
Het hoofd van de inrichting is verantwoordelijk voor het opstellen van de huisregels en het instrueren van het personeel (art. 7 BVT), het melden van ongeoorloofde afwezigheid van de TBS'er en bijzondere voorvallen aan de minister (art. 7a BVT) en het opstellen van codes ter signalering en melding van huiselijk geweld en kindermishandeling (art. 7b BVT).

De minister is verantwoordelijk voor het toezicht op de verpleging van ter beschikking gestelden (art. 8 BVT). De minister wijst de ambtenaren aan die met de controle zijn belast en te allen tijde toegang hebben tot de inrichting. In een daartoe bestemd register worden de aantekeningen van voorvallen (art. 509o lid 2 onder 2 Sv) bijgehouden (art. 8 lid 3 BVT). De minister stelt bovendien een commissie van toezicht in, die is belast met het toezicht op de uitvoering van de behandeling en verpleging van ter beschikking gestelden en door de verplegers gemelde grieven (art. 10 BVT).

5.2 Verpleging en behandeling
Het hoofd van de inrichting draagt zorg voor het zo spoedig mogelijk (binnen drie maanden na binnenkomst van de TBS'er) opstellen van het verpleeg- en behandelplan (art. 16 lid 1 BVT). Behandeling is gericht op het wegnemen van het gevaar dat door de geestelijke stoornis van de verpleegde wordt veroorzaakt, zodanig dat de terbeschikkingstelling kan worden beëindigd. De behandeling kan bestaan uit het wegnemen van het gevaar en het behandelen van de stoornis (art. 16 lid 2 BVT.

5.2.1 Behandeling tegen de wil van de ter beschikking gestelde
Behandeling kan in beginsel niet plaatsvinden, indien de verpleegde (dan wel curator, voogd/ouders of mentor, art. 16 lid 4 BVT) zich tegen behandeling verzet (art. 16a BVT). Niettemin kan de behandeling als uiterste middel aan de TBS'er worden opgelegd, voor zover het aannemelijk is dat het gevaar dat door de stoornis wordt veroorzaakt, niet kan worden weggenomen (art. 16b onder a BVT). Behandeling tegen de wil van de TBS'er is ook mogelijk, indien het hoofd van de inrichting daartoe een besluit, onderworpen aan het oordeel van een arts, heeft genomen (art. 16b onder b BVT).

De dwangbehandeling ingevolge art. 16b onder a BVT vindt slechts plaats na een schriftelijke beslissing van het hoofd van de inrichting, met termijnstelling (art. 16c lid 1 BVT). De beslissing wordt voorzien van een verklaring van een psychiater die de verpleegde heeft onderzocht, maar die niet bij de behandeling van de TBS'er betrokken was (art. 16c lid 2 BVT). De dwangbehandeling duurt maximaal drie maanden (art. 16c lid 4 BVT), maar kan verlengd worden bij schriftelijke beslissing door het hoofd van de inrichting (art. 16c lid 5 BVT). De beslissing wordt gemeld aan de Commissie van Toezicht (art. 16c lid 4 BVT). Bij AMvB wordt de invulling van de toepassing van de dwangmaatregelen bepaald. In ieder geval worden regels gesteld betreffende de melding en registratie van de dwangbehandeling, alsmede de taak van de behandelend arts (art. 16c lid 7 BVT).

De verpleegde heeft recht op een periodieke evaluatie, die ten minste eenmaal per jaar plaatsvindt en in ieder geval tijdig voor de opmaking van een advies als bedoeld in art. 509o lid 2 onder 1 Sv (art. 18 BVT). De verpleegde heeft recht op kennisneming van het hem betreffende dossier. De kennisneming van bepaalde gegevens mag hem worden onthouden, voor zover dit noodzakelijk is ter afwending van ernstig gevaar voor de handhaving van de orde in de inrichting en ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van anderen (art. 20 BVT). De inzage in het dossier kan worden beperkt tot de verstrekking van een samenvatting door het hoofd van de inrichting (art. 20 lid 3 BVT).

5.3 Toepassing van geweld
Het grondwettelijke recht op onaantastbaarheid van het lichaam van de TBS'er kan worden beperkt (art. 21 BVT), in overeenstemming met de clausule in art. 15 van de Grondwet. Het hoofd van de inrichting is bij binnenkomst, voorafgaand aan en na afloop van bezoek van de TBS'er bevoegd om onderzoek aan zijn lichaam en kleding te onderzoeken (art. 23 BVT). Voorwerpen die zonder hulpmiddel uit de lichaamsholten kunnen worden verwijderd, vallen onder de bevoegdheid, niettegenstaande dat de lichaamsopeningen alleen uitwendig worden beschouwd. Onderzoek in het lichaam wordt uitgevoerd door een arts of een verpleegkundige in opdracht van de art. (art. 25 BVT).

Het hoofd van de inrichting kan de verpleegde verplichten tot het gedogen van een geneeskundige behandeling, indien dit naar het oordeel van de arts noodzakelijk is ter afwending van gevaar (art. 26 lid 1 BVT). Voor een ingreep in het lichaam, anders dan de geneeskundige behandeling als bedoeld in art. 26, is toestemming van de verpleegde nodig (art. 28 lid 2 BVT). Het advies van een onafhankelijke arts dient te worden ingewonnen door de arts die in opdracht van de inrichting de ingreep uit zal voeren (art. 28 lid 3 BVT).

De verpleegde kan worden gesepareerd (art. 34 BVT), waarbij de verpleegde tijdens de separatie door mechanisme middelen ten hoogste vierentwintig uren in zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt (art. 27 lid 1 BVT). Het hoofd van de inrichting mag tegen de verpleegde geweld gebruiken. Van het toegepaste geweld wordt schriftelijk melding gemaakt (art. 30 lid 3 BVT).

5.4 Beperking van vrijheden en separatie
Buiten twijfel wordt gesteld dat de bewegingsvrijheid van verpleegden per inrichting en per afdeling kan verschillen (art. 31 lid 1 BVT). Behoudens separatie, intensieve zorg of een disciplinaire maatregel, heeft de verpleegde recht op minimaal vier uren per dag contact met medeverpleegden (art. 31 lid 2 BVT).

Als de veiligheid van de inrichting, de bescherming van de maatschappij en de afwending van ernstig gevaar voor de gezondheid van de verpleegde dit vergen, kan de verpleegde op een afdeling voor intensieve zorg worden geplaatst (art. 32 lid 1 BVT). Binnen zes maanden dient te worden geëvalueerd of voortzetting van de intensieve zorg nodig is (art. 32 lid 2 BVT). De verpleegde op de afdeling voor intensieve zorg heeft recht op minimaal tweemaal per dag een half uur contact met medeverpleegden (art. 32 lid 3 BVT).

Met het oog op de belangen, genoemd in art. 32 lid 1 BVT, kan het hoofd van de inrichting besluiten om de verpleegde af te zonderen of te separeren. Duurt de separatie langer dan vierentwintig uren, dan worden de aan de inrichting verbonden arts en de Commissie van Toezicht onverwijld van de separatie in kennis gebracht (art. 34 lid 5 BVT). De verpleegde kan dag en nacht onder cameratoezicht worden gesteld (art. 34a BVT). Daarbij wordt het advies van de voor de behandeling verantwoordelijke psychiater of een aan de inrichting verbonden arts ingewonnen.

5.4.1 Toezicht op post, bezoek en telefoonverkeer
De verpleegde heeft het recht om brieven en poststukken te verzenden en ontvangen (art. 35 lid 1 BVT). Zoveel mogelijk in de aanwezigheid van de verpleegde, kan de post door het hoofd van de inrichting worden geopend om de aanwezigheid van voorwerpen te onderzoeken (art. 35 lid 2 BVT), met dien verstande dat voor vrijwillig opgenomen verpleegden toestemming door de kantonrechter is vereist. Met het oog op de bescherming van de maatschappij, de veiligheid in de inrichting en de bescherming van de rechten van slachtoffers kan voor een periode van telkens ten hoogste vier weken, toezicht worden gehouden op de verzending en ontvangst van poststukken (art. 35 lid 3 onder a-e BVT). Indien dit noodzakelijk is, wordt de verzending en ontvangst van poststukken geweigerd (art. 35 lid 5 BVT).

Het recht op minimaal een uur per week ontvangen van bezoek kan worden ingeperkt met het oog op de belangen, genoemd in art. 35 lid 3 BVT; zo kan telkens voor een periode van vier weken bezoek worden geweigerd (art. 37 lid 3 BVT) en toezicht worden gehouden, bijvoorbeeld in de vorm van het afluisteren of opnemen van gesprekken. Van de aard en reden van het toezicht moet tevoren aan de verpleegde melding worden gedaan (art. 37 lid 4 BVT).

Ook het telefoonverkeer van de verpleegde met personen buiten de inrichting kan, met het oog op de belangen genoemd in art. 35 lid 3 BVT, aan toezicht en weigering worden onderworpen (art. 38 leden 2 en 3 BVT).

5.4.2 Uitbreiding van vrijheden onder voorwaarden
Het hoofd van de inrichting kan aan de verpleegde onder voorwaarden meer vrijheden toekennen (art. 31 lid 4 BVT). Een voorwaarde kan bestaan uit het verrichten van betaald gevangeniswerk (art. 46 lid 2 BVT). De uitbreiding van de vrijheden brengen verplichte deelname aan activiteiten of arbeid mee (art. 46 lid 1 onder a BVT). Ook bij voorwaardelijk verlof of voorwaardelijk proefverlof (art. 50 lid 2 resp. art. 51 lid 2 BVT) kan de verpleegde worden verplicht tot verrichting van arbeid buiten de inrichting (art. 46 lid 3 BVT).

6 Bemiddeling, beklag en beroep
6.1 Bemiddeling en voor beklag vatbare beslissingen
Uit de plaatsing van artikel 55 BVT blijkt dat aan bemiddeling de voorkeur wordt gegeven, indien de verpleegde het oneens is met de bejegening door het hoofd van de inrichting. Gedragingen van personeelsleden hebben te gelden als gedragingen van het hoofd van de inrichting, die de verantwoordelijkheid ter zake draagt. Bij beslissingen die vatbaar zijn voor beklag, wordt de verpleegde door de Commissie van Toezicht gewezen op de mogelijkheid van beklag (art. 55 lid 5 BVT), dit ter voorkoming van het onbenut laten verstrijken van de termijn waarbinnen beklag moet worden gedaan.

De verpleegde kan op grond van art. 56 lid 1 BVT bij de Beklagcommissie beklag doen over de beslissing tot oplegging van een disciplinaire straf (art. 49 BVT), de plaatsing of voortzetting van de behandeling op een afdeling voor intensieve zorg (art. 32 leden 1 en 2 BVT), de beperking van briefcontact, telefonisch contact, bezoek en contact met de pers (art. 35 t/m 39 BVT) en de weigering om een kind in de inrichting op te voeden (art. 47 BVT). De verpleegde kan voorts beklag doen over de intrekking van verlof als bedoeld in art. 50 lid 3 BVT (indien het verlof meer dan een week heeft geduurd) en over de intrekking van proefverlof als bedoeld in art. 51 lid 3 BVT (art. 56 lid 2 BVT). De door het hoofd van de inrichting betrachte zorgplicht is niet vatbaar voor beklag (art. 56 lid 4 BVT).

De beklagmogelijkheden in het geval van beperking tot de afdeling, separatie en afzondering zijn gebonden aan de in art. 57 leden 1-3 BVT genoemde termijnen. Over de beslissing tot verlenging van de separatie of afzondering op de voet van art. 34 BVT kan dadelijk beklag worden gedaan (art. 57 lid 5 BVT), evenals over de toepassing van cameratoezicht op grond van art. 34a BVT (art. 57 lid 6 BVT).

6.2. Klachtenprocedure
De beklagcommissie wordt gevormd uit de Commissie van Toezicht die aan de instelling is verbonden (art. 59 BVT). Tenzij het beklag aanstonds kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond wordt geacht, stelt de beklagcommissie de klager en het hoofd van de inrichting in de gelegenheid om mondeling opmerkingen te maken (art. 61 lid 1 BVT). Het horen kan afzonderlijk geschieden, waarbij de klager en het hoofd van de inrichting vooraf in de gelegenheid worden gesteld om vragen op te geven. De klager heeft recht op bijstand door een advocaat (art. 62 BVT).
Indien een bemiddelingsprocedure nog niet is afgesloten of de commissie van oordeel is dat het klaagschrift zich leent voor bemiddeling, kan de behandeling van het klaagschrift voor onbepaalde tijd worden uitgesteld (art. 63 BVT).

6.2.1 Schorsing van de tenuitvoerlegging van beslissingen
Hangende de uitspraak op het klaagschrift, kan de voorzitter van de beroepscommissie op verzoek van de klager en na het horen van het hoofd van de inrichting, de tenuitvoerlegging van de aangevochten beslissing geheel of gedeeltelijk schorsen (art. 64 BVT).

6.2.2 Beslissing en uitspraak door de beklagcommissie; belangenafweging
De beklagcommissie doet binnen vier weken vanaf de datum van ontvangst van het klaagschrift of vanaf de datum waarop een bemiddelingsprocedure is afgesloten, uitspraak (art. 65 lid 1 BVT). De gemotiveerde uitspraak bevat een vermelding van de mogelijkheid tot het instellen van beroep bij de beroepscommissie en de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit moet worden gedaan, alsmede de mogelijkheid van het doen van een verzoek aan de voorzitter van de beroepscommissie om hangende de uitspraak op het beroepschrift, de tenuitvoerlegging van de uitspraak van de beklagcommissie te schorsen (art. 65 lid 3 BVT).

De uitspraak door de geschillencommissie strekt tot gehele of gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van het beklag, ongegrondverklaring van het beklag of gegrondverklaring van het beklag (art. 66 lid 1 onder a-c BVT).
Indien de beklagcommissie van oordeel is dat de beslissing waarover is geklaagd:
a. in strijd is met een in de inrichting geldend wettelijk voorschrift of een een ieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag (art. 66 lid 2 onder a BVT), dan wel
b. bij afweging van alle belangen, waaronder de veiligheid van de samenleving en de belangen van de slachtoffers en nabestaanden, onredelijk of onbillijk moet worden geacht (art. 66 lid 2 onder b BVT), verklaart zij het beklag gegrond en vernietigt zij de beslissing geheel of gedeeltelijk.

De commissie kan het hoofd van de inrichting opdragen om een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van de uitspraak van de beklagcommissie, bepalen dat de uitspraak van de commissie in de plaats treedt van de vernietigde beslissing of volstaan met gehele of gedeeltelijke vernietiging (art. 66 lid 3 onder a-c BVT). Het hoofd van de inrichting heeft, in het geval van vernietiging van de aangevochten beslissing, de plicht om de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing zoveel mogelijk ongedaan te maken of in overeenstemming te brengen met de beslissing van de beklagcommissie (art. 66 lid 6 BVT). Is het niet mogelijk om de rechtsgevolgen ongedaan te maken, dan stelt de beklagcommissie vast of en in welke vorm aan de klager compensatie wordt geboden (art. 66 lid 7 BVT).

6.3 Beroep tegen de uitspraak van de beklagcommissie
Uiterlijk op de zevende dag na die van de ontvangst van de uitspraak (of de mondelinge mededeling van de uitspraak) kunnen het hoofd van de inrichting en de klager beroep instellen bij de beroepscommissie (art. 67 lid 1 BVT). De beroepscommissie is samengesteld uit een door de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming benoemde commissie (zie art. 1 onder n BVT) van tenminste drie leden of buitengewone leden, bijgestaan door een secretaris (art. 67 lid 2 BVT).

De indiening van het beroepschrift schorst de tenuitvoerlegging van de uitspraak van de beklagcommissie niet. De indiener van het beroepschrift zal dus bij de voorzitter van de beroepscommissie een verzoek tot schorsing in moeten dienen (art. 67 lid  4 BVT). De beroepscommissie doet zo spoedig mogelijk uitspraak.

6.3.1 Beroep tegen beslissingen waartegen geen beklag openstaat
Een ter beschikking gestelde of anderszins verpleegde, kan bij de beroepscommissie beroep instellen tegen beslissingen waartegen géén beklag is opengesteld (art. 69 BVT). Voor beroep vatbare beslissingen zijn onder meer (art. 69 lid 1 onder a-g BVT):
a. plaatsing of overplaatsing overeenkomstig art. 11, 13 en 14 BVT;
b. de verlenging van de termijnen voor plaatsing in de inrichting (art. 12 lid 2 BVT) en observatie in een andere kliniek (art. 13 lid 2 BVT);
c. de intrekking door de minister van de machtiging tot verlof en proefverlof (art. 50 en 51 BVT).

De betrokkenen, het hoofd van de inrichting en de verpleegde, kunnen geen rechtsmiddel aanwenden tegen de uitspraak van de beroepscommissie. Die mogelijkheid komt slechts toe aan de P-G bij de Hoge Raad en wel als hij instelling van cassatie in het belang der wet acht.

7 Rechtsplegingen in verband met de terbeschikkingstelling en de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis
De (procedurele) rechtspositie van de ter beschikking gestelde is geregeld in Titel IIB, Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering (art. 509f-509x Sv).
Het OM kan, niet eerder dan twee maanden en niet later dan één maand vóór het tijdstip waarop de TBS door tijdsverloop zal eindigen, een vordering indienen tot verlenging van de TBS (art. 509o lid 1 Sv). Wordt de ter beschikking gestelde van overheidswege verpleegd, dan worden bij de vordering tot verlening overgelegd (art. 509o lid 2 Sv):
1. een recent opgemaakt, met redenen omkleed en ondertekend advies van het hoofd van de inrichting;
2. een afschrift van de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de ter beschikking gestelde.

Indien de TBS'er niet van overheidswege wordt verpleegd, wordt bij de vordering overgelegd een recent opgemaakt, met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies van de reclassering en van een psychiater die zelf de ter beschikking gestelde heeft onderzocht (art. 509o lid 3 Sv).

Vordert het OM een verlening waardoor de totale duur van de TBS een periode van zes jaar of een veelvoud van zes jaar te boven gaat, dan legt het bij de vordering over een recent opgemaakt advies van twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, gezamenlijk, dan wel adviezen van ieder van hen afzonderlijk. De gedragsdeskundigen dienen op het ogenblik van het uitbrengen van het advies onafhankelijk te zijn, dus niet te zijn verbonden aan de inrichting waarin de TBS'er wordt verpleegd. Weigert de ter beschikking gestelde zijn medewerking te verlenen, dan vindt het voorgaande geen toepassing (art. 509o lid 4 Sv).

Wordt de vordering tot verlenging van de TBS niet tijdig ingediend conform art. 509o lid 1 Sv, dan is een vordering tot verlenging, ingediend binnen redelijke termijn, toch ontvankelijk, indien er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de algemene veiligheid verlenging van de TBS vereist (art. 509oa lid 1 Sv). De officier van justitie dient onverwijld een vordering tot voorlopige voortzetting van de TBS in (art. 509oa lid 2 Sv).

De rechtbank beslist binnen twee maanden na de dag waarop de vordering tot verlenging van de TBS is ingediend (art. 509t lid 1 Sv). Indien de rechtbank beslist tot verlenging van de terbeschikkingstelling voor één jaar dan wel twee jaren, kan zij, ambtshalve of op verzoek van het OM of de ter beschikking gestelde, tevens de verpleging van overheidswege voorwaardelijk beëindigen. Beëindiging van de terbeschikkingstelling vindt niet plaats dan nadat de verpleging gedurende ten minste een jaar voorwaardelijk beëindigd is geweest (art. 509t lid 2 Sv).

Wanneer het OM van oordeel is dat toepassing behoort te worden gegeven aan een der bepalingen van de artikelen 38c, 38i of 38k Sr (vordering (hervatting) verpleging), dient het een daartoe strekkende vordering in (art. 509j lid 1 Sv). Het OM kan dan tevens een vordering tot verlenging van de TBS indienen (art. 509m lid 3 Sv). Wanneer ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat hervatting van de verpleging zal worden gelast, kan de aanhouding van de verpleging worden bevolen door de officier van justitie (art. 509i lid 1 Sv). De officier van justitie kan, indien hij de aanhouding noodzakelijk blijft vinden, een vordering tot voorlopige (hervatting van de) verpleging indienen bij de rechter-commissaris (art. 509i lid 3 Sv).

Indien bevel wordt gegeven dat de TBS'er alsnog van overheidswege wordt verpleegd, de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging wordt opgeheven met last tot hervatting van de verpleging, dan wel de verpleging op grond van art. 38la lid 6 Sr wordt hervat, geeft de beslissing de bijzondere redenen aan die hiertoe hebben geleid (art. 509n lid 1 Sv).

7.1 Rechtsmiddelen en rechtsbijstand
De beslissing op de vordering of het verzoek tot toepassing van art. 38b Sr (wijziging voorwaarden TBS), dan wel art. 38i Sr (wijziging voorwaarden bij de voorwaardelijke beëindiging  van de verpleging of voorwaardelijke beëindiging van het proefverlof) is niet aan enig gewoon rechtsmiddel onderworpen (art. 509n lid 2 Sv).

Tegen de beslissing van de rechtbank kunnen de ter beschikking gestelde en het OM binnen veertien dagen beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (art. 509v lid 1 Sv). De beslissing van het gerechtshof is niet vatbaar voor hoger beroep (art. 509x lid 2 Sv).

De TBS'er krijgt een raadsman toegewezen (art. 509k en 509r Sv).

zondag 18 maart 2018

Juridische inbedding van psychiatrische rapportage pro Justitia

Inleiding
De rechter vermoedt dat de verdachte het ten laste gelegde feit mede onder invloed van een geestelijke stoornis heeft begaan. De eventueel toepasbare juridische fictie van de toerekeningsvatbaarheid is géén natuurwetenschappelijk gegeven; de juridische causaliteit is een andere dan de wetenschappelijke causaliteit, als in natuurwetten vervat. De mate van toerekeningsvatbaarheid, zoals die wordt vertaald in een drie- of vijfpuntsschaal, is evenmin wetenschappelijk gefundeerd. Dat neemt niet weg dat de strafrechtelijke toerekening een in het Nederlandse recht aanvaarde constructie is die het fundament vormt voor het opleggen van straf of strafmaat, dan wel een combinatie daarvan. De implicatie van deze rechtspolitieke keuze door de wetgever is dat de rapportage pro Justitia door de psychiatrisch deskundige zo opgesteld dient te worden, opdat de rechter zich een oordeel kan vormen over het vraagstuk van de toerekeningsvatbaarheid. De toerekeningsvatbaarheid werkt door in het format van de rapportage pro Justitia, verschaft door de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVVP), te vinden in de Richtlijnen database en geactualiseerd door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie (NIFP).

Overigens moet onderscheid worden gemaakt tussen de wettelijke bepalingen die strafrechtelijke rapportage pro Justitia vereisen. De ontoerekeningsvatbaarheid, als schulduitsluitingsgrond vervat in art. 39 Sr, vereist causaal verband tussen stoornis en delict. Toepasselijkheid van art. 39 Sr brengt ontslag van alle rechtsvervolging (OVAR) mee, maar géén vrijspraak; slechts in een uitzonderlijk geval wordt geoordeeld dat opzet niet kan worden bewezen omdat de geestelijk gestoorde elk (cognitief) inzicht ontbeert. Daarmee is direct gezegd dat ook de zwaar gestoorde dader een vrijheidsstraf kan worden opgelegd, voor zover de voorbedachte raad uit het delict kan worden geconstrueerd. Art. 39 Sr hangt nauw samen met art. 37 Sr, waarin is bepaald dat de rechter kan gelasten dat degene aan wie een strafbaar feit wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend, in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst. Ook in deze formulering is het causaliteitsvereiste expliciet vervat.

Bij de terbeschikkingstelling ontbreekt wettelijk gezien het causaliteitsvereiste. Aan de TBS wordt alleen het temporaliteitsvereiste gesteld: art. 37a Sr bepaalt dat de verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, op last van de rechter ter beschikking kan worden gesteld. De oplegging van TBS geschiedt in het kader van de voorkoming van recidive; het verband tussen de stoornis en het recidivegevaar is derhalve wel vereist (HR 9 november 1982, NJ 1983, 268).

Voor het geven van een last tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis of TBS dient de rechter zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines te doen overleggen (art. 37 lid 2 en 37a lid 3 Sr). Primair komt betekenis toe aan de psychiater als geneeskundige, zo blijkt uit het artikel. De rechter is niet verplicht om het advies van de gedragsdeskundige omtrent de toerekenbaarheid te volgen. De wet eist slechts dat de rechter zich heeft getroost zijn beslissing tot stand te doen komen onder voorlichting van de experts. Indien het gedragskundig advies eerder dan een jaar voor aanvang van de terechtzitting is gedagtekend, dan kan de rechter hiervan slechts gebruik maken met instemming van het OM en de verdachte (art. 37 lid 2 laatste volzin Sr). Ontbreekt de instemming door de verdachte, dan nog kunnen gedragskundigen oudere rapportages gebruiken ten behoeve van nieuw onderzoek (HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2743).

De weigerachtige verdachte: TBS blijft mogelijk
De eis van het multidisciplinair gedragskundig onderzoek geldt niet in het geval van een weigerende observandus (art. 37 lid 3 Sr). Wanneer de betrokkene weigert zijn medewerking te verlenen, wordt over de reden van deze weigering rapport opgemaakt. Anders dan de populaire opvatting staat de weigering door de verdachte om mee te werken aan het gedragskundig onderzoek, niet aan de oplegging van TBS in de weg. De rechter doet zich ingevolge art. 37 lid 3 Sr zoveel mogelijk een ander advies of rapport overleggen, dat hem over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van TBS kan voorlichten en aan de totstandkoming waarvan de verdachte wel bereid is om medewerking te verlenen. Bovendien geldt art. 37a lid 4 Sr onverkort: bij het geven van een last (TBS) neemt de rechter de inhoud van overige adviezen en rapporten die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, alsmede de ernst van het begane feit of antecedenten in aanmerking (art. 37a lid 4 Sr).

In een volgend bericht zal ik ingaan op de inhoud van psychiatrische rapportage pro Justitia. Hieronder schets ik de wettelijke kaders die de inbreng van de gedragsexperts in de strafrechtelijke zaak bepalen. 

1.1 Algemene bepalingen
De definities die betrekking hebben op de deskundige in algemene zin, zijn te vinden onder Titel IIIC Boek 1 Sv (art. 51i-51m Sv). De psychiatrisch deskundige wordt benoemd met een opdracht tot het geven van informatie over of het doen van onderzoek op het terrein, waarvan hij specifieke of bijzondere kennis bezit (art. 51i lid 1 Sv). Onder deze kennis wordt in het kader van de bewijsaanlevering ook wetenschap verstaan in de zin van art. 343 en 344 lid 1 onder 4 Sv. Aan de deskundige wordt opgedragen naar waarheid, volledig en naar het beste inzicht verslag uit te brengen (art. 51i lid 3 Sv). Ieder die tot deskundige is benoemd, is tegenover de rechter verplicht om de opgedragen diensten te bewijzen (art. 51j lid 1 Sv).

Wordt een deskundige benoemd die niet in het landelijk openbaar register van gerechtelijke deskundigen (NRGD) is opgenomen, dan dient te worden gemotiveerd op grond waarvan hij als deskundige wordt aangemerkt (art. 227 jo art. 51k lid 2 Sv). De kwaliteit van de inhoud van de strafrechtelijke rapportage wordt bewaakt door art. 51l lid 1 Sv, waarin is bepaald dat 'de deskundige aan zijn opdrachtgever een met redenen omkleed verslag uitbrengt. Hij geeft daarbij aan, welke methode is toegepast, in welke mate deze methode en de resultaten daarvan betrouwbaar kunnen worden geacht en welke bekwaamheid hij heeft bij de toepassing (art. 51l lid 1 Sv). Ten overvloede wordt benadrukt dat de deskundige verklaart het verslag te hebben opgesteld naar waarheid, volledig en gebaseerd op wat zijn wetenschap en kennis hem leren omtrent het aan zijn oordeel onderworpene (art. 51l lid 3 Sv).

1.2 Rechten van de verdachte
De officier van justitie kan ambtshalve of op verzoek van de verdachte, een deskundige die is opgenomen in het NRGD benoemen (art. 150 Sv). De verdachte heeft het recht om door de officier van justitie geïnformeerd te worden over de aan de deskundige verleende opdracht; tevens kan de verdachte verzoeken tot het doen van aanvullend onderzoek (art. 150a lid 1 Sv). Naar aanleiding van de uitslag van het rapport kan de verdachte binnen twee weken na kennisgeving, om een tegenonderzoek verzoeken; daarbij geeft hij aan, welke deskundige een aan het eerste onderzoek gelijkwaardig tegenonderzoek zou moeten uitvoeren (art. 150a lid 3 Sv). Weigert de officier van justitie een verzoek van de verdachte tot benoeming van een deskundige of tot het doen verrichten van contra-expertise, dan dient hij deze weigering te motiveren (art. 150b lid 1 Sv). Binnen twee weken na deze weigering kan de verdachte de rechter-commissaris verzoeken tot de benoeming van een deskundige over te gaan (art. 150b lid 2 Sv). Let op het verschil in rechtsbescherming van de verdachte op grond van art. 150 e.v. Sv in vergelijking met overige bepalingen. Dat heeft ermee te maken dat de officier van justitie beperkte bevoegdheden heeft. Titel IIIC van Boek 1 Sv is wel van toepassing, maar de deskundigenbepalingen van art. 227-236 Sv zijn niet van toepassing op de bevoegdheden van de OvJ.

De R-C beschikt over een breed scala aan bevoegdheden en dat komt tot uitdrukking in de mogelijkheden voor verdachte. Het recht van de verdachte op tegenonderzoek wordt onder meer bestreken door de artikelen 176 en 227 leden 1 en 2. De verdachte aan wie van de opdracht aan de deskundige tot strafrechtelijk onderzoek is kennisgegeven, is bevoegd om een deskundige aan te wijzen, die het recht heeft om bij het onderzoek van de deskundige aanwezig te zijn en daarbij aanwijzingen te geven en opmerkingen te maken (art. 228 lid 4 Sv).

De verdachte ontvangt een kopie van het rapport (art. 230 lid 1 Sv). Na uitbreng van het verslag van de deskundige, is de verdachte bevoegd om een deskundige aan te wijzen die de rapportage controleert (art. 230 lid 2 Sv). Naar aanleiding van het rapport kan de verdachte de R-C verzoeken om nader onderzoek op te dragen aan een of meer deskundigen (art. 231 lid 1 Sv).

De rechter-commissaris kan, onverminderd art. 591 Sv, beslissen dat een deskundige die op verzoek van de verdachte onderzoek heeft uitgevoerd dat in het belang van het onderzoek is gebleken, vergoed wordt uit 's rijks kas (art. 51j lid 4 Sv).

1.3 Onbevoegdheid en beperkingen van de officier van justitie
De OvJ kan slechts een deskundige benoemen die is opgenomen in het NRGD (art. 150 i.v.m. 51k lid 1 Sv). Het tweede lid van art. 51k Sv is derhalve niet van toepassing op de benoeming van deskundigen door de OvJ. De OvJ ontbeert de mogelijkheid om deskundigen te beëdigen (vgl. art. 216 en 216a lid 3 Sv). De officier van justitie is niet bevoegd om het bevel tot overplaatsing van de voorlopig gehechte ten behoeve van klinische observatie te gelasten; dit bevel kan slechts worden gegeven door de rechter-commissaris (art. 196 Sv) of zittingsrechter (art. 317 Sv; art. 509g Sv).

1.4 De deskundige als getuige-deskundige
Op het onderzoek ter terechtzitting zijn de bepalingen inzake getuigen en hun verklaringen, ook van toepassing ten aanzien van deskundigen en hun verklaringen (art. 299 Sv).

1.5 Wanneer is wel en wanneer geen (multidisciplinaire) rapportage vereist?
De oplegging van opname in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 37 Sr) of de terbeschikkingstelling (art. 37a Sr) vereist multidisciplinaire rapportage door gedragskundigen (art. 37 lid 2 jo. 37a lid 3 Sr). Het OM kan verlenging van TBS vorderen. Indien de ter beschikking gestelde niet van overheidswege wordt verpleegd, wordt bij de vordering tot verlenging van de TBS overgelegd, rapportage van de reclassering en de psychiater die zelf de ter beschikking gestelde heeft onderzocht (art. 509o lid 3 Sv). Vordert het OM een verlenging van de TBS waardoor de totale duur van de TBS een periode van zes jaar of een veelvoud van zes jaar te boven gaat, dan geldt het vereiste van de multidisciplinaire rapportage van ten minste twee gedragskundigen, waaronder een psychiater, die niet aan de inrichting zijn verbonden waar de ter beschikking gestelde wordt verpleegd (art. 509o lid 4 Sv).

Plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt voorafgegaan door rapportage door ten minste twee gedragskundigen, waarvan één psychiater dient te zijn (art. 77s lid 2 Sr). Weigert de jeugdige verdachte mee te werken aan het gedragskundig onderzoek, dan geldt op grond van art. 77s lid 5 Sr hetzelfde als ten aanzien van de weigerende meerderjarige observandus (art. 37 lid 3 Sr in het geval van TBS; art. 38m lid 5 Sr in het geval van isd). Niet onvermeld mag blijven dat de Maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige wordt opgelegd na voorafgaand advies van de Raad voor de Kinderbescherming, dat wordt ondersteund door ten minste één gedragskundige (art. 77w lid 2 Sr). 

De maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (isd) kan slechts worden opgelegd na overlegging van een rapport, maar de wet stelt niet het vereiste van multidisciplinaire gedragskundige rapportage (art. 38m lid 4 Sr). Voor OVAR op grond van ontoerekeningsvatbaarheid (art. 39 Sr) is géén rapportage vereist; onder toepassing van de voorwaardelijke veroordeling (art. 14a Sr) kan de verplichting tot psychiatrische behandeling worden opgelegd, zonder voorafgaand gedragskundig onderzoek (art. 14c lid 2 onder 11 Sr). Oplegging van psychiatrische interventie is dus een discretionaire bevoegdheid van de rechter. Uiteindelijk is niet de gedragskundige, maar de jurist aan het woord.


dinsdag 13 maart 2018

Psychopathologie: klinische visies op schizofrenie en interactie met psychofarmaca

Forensische relevantie schizofrenie en psychosen
De systematische meta-analyse van Douglas et al. (2009) rapporteert een toename van 49-68% risico op geweld. Een vergelijking met de referentiegroep van personen zonder psychische stoornis levert het beeld op dat psychose het risico op geweld met 268% verhoogt.

Prevalentie
Uit een dossieranalyse onder de TBS-populatie blijkt dat schizofrenie of een andere psychotische stoornis een van de meest voorkomende classificaties op As I van DSM-IV is (Ch. van Nieuwenhuizen e.a. 2011). In een statistisch onderzoek onder Duitse en Nederlandse forensisch gedetineerden, opgenomen in een kliniek met een hoog beveiligingsniveau, waren 111 van de 308 forensisch psychiatrische patiënten gediagnosticeerd met een psychotische stoornis, waarvan 53% de diagnose schizofrenie betrof. De psychotische stoornis NAO betrof 27% van de patiëntenpopulatie (Nijman, Cima & Merkelbach, 2003).

Symptoombeschrijving
De patiëntenpopulatie met schizofrenie vertoont onder meer de volgende kenmerken:  zelfoverschatting, grootheidswaanzin, obsessief denken en bizar handelen (godsdienstwaanzin, paranoïde gedrag, ritueel handelen) paralytische dementie (zoek in de wetenschappelijke database op "frontotemporale dementie", M.B.),  delusies, slecht beoordelingsvermogen, gebrek aan zelfevaluatie en excessieve/ abnormale myosis. Het klinisch-neurologisch beeld is dat de motorische coördinatie is geaffecteerd; bij schizofrene participanten wordt het gebrek aan soepel verlopende oogbewegingen geconstateerd (zie Torrey et al, 1994; bevestigend is het onderzoek van Avila et al, 2006).

De positieve symptomen, acquisitief, zijn aan de psychose gerelateerde verschijnselen: hallucinaties, delusies, desorganisatie in denken en spraak en het vertoon van bizar gedrag.

Negatieve symptomen duiden op het verlies van normale functies, of het gebrek daaraan, gelieerd aan de emotionele disregulatie (gebrek aan emotionele expressie, apathische gezichtsuitdrukking, anhedonia) en verminderde motivatie (alogia en avolitie, ziekte-inherent).

Epidemiologie
Verhoogd risico onder:
* migranten;
* stedelingen;
* cannabisgebruikers (correlatie DRD2 en AKT1, zie http://www.nature.com/articles/npjschz201525)

Predispositie: neurobiologische factoren
Erfelijkheid: 40-80%  monozygote tweelingen, 17% broers/zussen, 17% dizygote tweelingen, 13% kinderen;
Genetische factoren neurale organisatie: DISC1, BDNF, AKT1, NRG1 (abnormaliteit dendronale ontwikkeling (spines));

Aanvang: adolescentie, correlatie met volgroeiing frontale cortex;

Cerebrale differentiatie
Verschil in structuur en functionaliteit corpus callosum;
Corticale abnormaliteit: verlies tot 4% per jaar van substantia grisea (MRI: zie vnl. temporaal, frontaal en pariëtaal) bij adolescenten;
Ventriculaire abnormaliteit, vergroting. Algehele hersenvolume niet geaffecteerd bij expressie van DISC1; ventriculi cerebri ten koste van cerebrum;
Reductie prefrontale synaptische densiteit;
Hypofrontaliteit: gereduceerde metabolische activiteit (evaluatie: Minzenberg, 2009)

Dopamine-hypothese
Suppressie van positieve symptomen door dopamine-antagonisten (chlorpromazine/ haloperidol, 1950). Blokkade van de D2-receptor. Toepassing van amfetaminen: vertoon van positieve symptomen bij accumulatie van dopamine in synaptische transmissie bevestigt dopamine-hypothese.

Contra-indicaties:
Tijdsspanne effect blokkade dopaminereceptoren (uren) en verdwijnen positieve symptomen (weken);
Atypische antipsychotica: clozapine blokkeert 5-HT25-receptoren. Typische en atypische antipsychotica zijn gelijkelijk effectief (vgl. Jones et al, 2006).

Toediening clozapine kan de exocytose van dopamine in de frontale cortex doen toenemen, waarbij de symptomen van schizofrenie juist worden gereduceerd;
Supplementair L-dopa: reductie symptomen schizofrenie.

Bronnen
Mechanisms underlying psychosis and antipsychotic treatment response in schizophrenia  ( in vivo, blokkade striatale D2/D3-receptoren) & "Dopamine dynamics during {...} clozapine compared with haloperidol".
Zoeken via Pubmed advanced, vrij te downloaden voor studenten en medewerkers Erasmus MC via de medische bibliotheek.

Zoektermen toegepast in PubMed: "violence", "psychosis", "schizophrenia", "triggers", "prediction". 

maandag 12 maart 2018

De relevantie van het DSM-classificatiesysteem voor de forensische psychiatrie; status mentalis

DSM-5: géén diagnostisch middel
De DSM, Diagnostic and Statistical Manual of Psychiatric Disorders, is, anders dan de titel doet vermoeden, geen diagnostisch instrument in eigenlijke zin, maar een classificatiesysteem. Bij wijze van concessie rubriceert de DSM een zo groot mogelijke hoeveelheid diagnosen waaromtrent globaal genomen consensus bestaat, maar die consensus is voor een deel cultuurgebonden. De grootste bezwaren tegen en serieuze beperkingen bij het hanteren van de DSM als diagnostisch middel hebben betrekking op wetenschappelijke validiteit, generaliseerbaarheid en falsifieerbaarheid. De opneming van psychische stoornissen "NAO" of "Not Otherwise Specified" en psychische stoornissen die grote overlap vertonen met andere stoornissen, zoals "Borderline Personality Disorder", levert een ambivalentie op die afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van het middel.

De DSM gaat uit van protoypen. Anders dan het psychiatrisch onderzoek op individueel niveau, kan de statistische DSM géén informatie opleveren over oorzaken en de aanpak van de oorzaken van een psychische stoornis die wordt gepresenteerd. Relevant is in dit kader de invloed van de zorgverzekeraar op het handelen van de psychiater. Artsen zien zich gedwongen om tijdens het eerste of opvolgende contact met de patiënt een (voorlopige) diagnose te stellen, zelfs al laat een adequate diagnose zich niet op grond van een momentopname vaststellen. Bij onduidelijkheid wordt bij voorkeur dan ook gekozen voor het "NAO", thans onder DSM-5 "Other Specified...Disorder" en "Unspecified...Disorder".

In de DSM (zowel DSM-IV als opvolger DSM-5) is overigens vermelding gemaakt van de ongeschiktheid van het middel ten behoeve van de praktijk van de forensische psychiatrie, met het oog op de hiervoor aangehaalde beperking dat een classificatiesysteem geen relevantie heeft voor de beoordeling van het individuele geval en de oorzaken van het klinische beeld.
Het karakter van de DSM brengt mee dat het classificatiesysteem niet als psychopathologie geldt.

Daarmee is niet gezegd dat de DSM geen goed hulpmiddel zou zijn bij het stellen van een diagnose. De DSM heeft gezorgd voor een systematische indeling van de stoornissen op grond van objectieve kenmerken, waarbij het aanbrengen van nuances goed mogelijk is. Bovendien verdwijnt de betekenis van de assen onder DSM-IV niet, nu BooG mede gebaseerd is op de classificatie die statistisch gezien beproefd is. Het voorbehoud is dat empirische methoden dienen te worden aangevuld met onderzoeksmethoden op het individuele niveau, zodat een meerdimensionaal beeld van de individuele forensisch patiënt kan worden gevormd.

1. Kort overzicht van de thans verlaten assen (DSM-IV)
As I   Klinische stoornis; andere aandoeningen die een reden tot zorg kunnen zijn
        (codering 799.9 "Diagnose uitgesteld" niet toegestaan op As I)
        ("Geen diagnose aanwezig"   wel toegelaten op As I)
Pervasieve ontwikkelingsstoornissen, aandachtstekortstoornissen en overige stoornissen in de kindertijd;
Delirium, dementie, amnestistische en andere cognitieve stoornissen;
Middelengebruikafhankelijke stoornissen;
Schizofrenie en andere psychotische stoornissen;
Stemmingsstoornissen;
Angststoornissen;
Somatoforme stoornissen;
Nagebootste stoornissen;
Dissociatieve stoornissen;
Seksuele en genderidentiteitsstoornissen;
Stoornissen in de impulscontrole;
Andere aandoeningen die een reden tot zorg kunnen vormen           
As II    Persoonlijkheidsstoornissen en mentale retardatie (zwakbegaafdheid)
         (codering 799.9 toegestaan, behoeft aanvulling)
Cluster A
Paranoïde persoonlijkheidsstoornis;
Schizoïde persoonlijkheidsstoornis;
Schizotypische persoonlijkheidsstoornis;
Cluster B
Antisociale persoonlijkheidsstoornis;
Borderline persoonlijkheidsstoornis;
Theatrale persoonlijkheidsstoornis;
Narcisme;
Cluster C
Ontwijkende persoonlijkheidsstoornis;
Afhankelijke persoonlijkheidsstoornis;
Obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis;
NAO
As III  Somatische klachten die mogelijk verband houden met psychische stoornis
           (Geen of geen relevante diagnose op As3)
           (As3 enkelvoudig)
           (As3 complex)
Alleen registratie indien directe relatie met As I of As II
As IV  Psychosociale factoren en omgevingsfactoren
As V   Global Assessment of Functioning Score (GAF 1-100)

Vervolgens kan slechts een diagnose op As I of As II als primaire diagnose worden geselecteerd. De Nederlandse Zorgautoriteit verplicht de arts om een diagnose te stellen, onder de motivering dat de primaire diagnose de belangrijkste reden voor behandeling is. De codes "799.9" en "V71.09" mogen niet als primaire diagnoses worden vermeld. Mentale retardatie kan niet als primaire diagnose worden geregistreerd.

Het verdient vermelding dat factoren die op As IV kunnen worden genoteerd, maar die van een dergelijke relevantie zijn dat zij bijzondere aandacht verdienen in het kader van de primaire diagnose, bij voorkeur op As I worden genoteerd. 

2. Status mentalis
De onderzoeksmethoden (anamnese, exploratie en observatie) worden gecombineerd om een zo volledig mogelijk beeld van de ziekte van de patiënt vast te stellen; vanouds wordt een driedeling gemaakt in cognitief-intellectuele functies, affectieve functies en conatieve functies (Trias psychica).
 
2.1 Systematiek diagnose en classificatie
De systematiek van diagnose en classificatie in de psychiatrie, bestaat uit symptomen (1), syndroomdiagnose (2), structuurdiagnose (3) en classificatie (4).

2.2 Hiërarchie psychiatrische syndromen
De syndromen worden als volgt gerangschikt:

1. Cognitieve stoornissen (organisch);
2. Psychotische stoornissen (psychotisch);
3. Affectstoornissen (psychotisch-neurotisch);
4. Angst en dwang (neurotisch);
5. Stress- en aanpassingsstoornissen (neurotisch);
6. Somatoforme stoornissen (neurotisch);
7. Conatieve stoornissen (neurotisch);
8. Persoonlijkheids- en ontwikkelingsstoornissen (psychotisch-neurotisch).

2.3 Structuurdiagnose
In de fase van de structuurdiagnose, wordt op grond van neurobiologische en psychosociale factoren, de causaliteit van de psychiatrische ziekte onderzocht, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen:
1. Predisponerende factoren;
2. Luxerende factoren;
3. Onderhoudende factoren.
 
3. De afweermechanismen van de psychiatrisch patiënt
Om het psychiatrisch lijden aan te kunnen of om psychiatrische problematiek tegenover de buitenwereld te ontkennen, maken psychiatrisch patiënten veelal gebruik van afweermechanismen. De patiënt kan pogen om de arts te misleiden door de ernst van de stoornis te bagatelliseren en het dagelijks leven en de omgang met andere mensen positiever voor te stellen dan in de praktijk het geval is; het vergt een kundig psychiater om daar doorheen te prikken.

Algemeen erkende psychische afweermechanismen zijn:

1. Psychotische afweermechanismen (immature afweermechanismen)
a. Projectie van wanen op situaties of op andere personen. Eigen psychiatrische kenmerken worden toegeschreven aan een andere persoon. Het gebruik van dit mechanisme is problematisch voor de leefomgeving en de directe sociale kring van de psychiatrisch patiënt, omdat de patiënt intensieve "haatcampagnes" kan voeren tegen een willekeurig doelwit;
b. Ontkenning van het psychisch lijden;
2. Isolatie van het affect;
3. Altruïsme.
Een gedeelte van de patiëntenpopulatie neigt ernaar te handelen uit zogenaamde "naastenliefde", terwijl er in werkelijkheid puur vanuit de eigen problematiek wordt gehandeld. De patiënt vereenzelvigt zich met de doelgroep waarvoor hij zich inzet of hij heeft behoefte aan erkenning en waardering;
4. Fantasie. 
Bij pseudologia fantastica is de leugenaar (pseudoloog) zich bewust van de onwaarheden die hij of zij verspreidt. Een net van verzinselen wordt ingezet om de werkelijkheid te verdoezelen. Het immature afweermechanisme van de fantasie komt vaak mede tot uiting in sterke religieuze overtuigingen;
5. Introjectie en identificatie. 
De psychiatrisch patiënt identificeert zich met personen om de eigen onvermogens te compenseren. Andere personen kunnen worden gemobiliseerd, omdat de psychiatrisch patiënt de eigen ziektesymptomen in de ander herkent (niet te verwarren met folie à  deux of de geïnduceerde waan, zoals beschreven in DSM-IV);
6. Idealisering.
Aan andere personen worden overdreven positieve eigenschappen toegeschreven, personen of situaties kunnen worden verheerlijkt;
7. Ongedaanmaking.
Religieuze rituelen, zoals boetedoening, kunnen worden ingezet als methode om het psychisch lijden te ontkennen;
8. Loochening;
9. Dissociëren;
10. Verschuiving. 
Er wordt een onderwerp gekozen om de psychiatrische problematiek te "verplaatsen". Het fenomeen projectie doet zich vaak voor bij personen met schizofrenie en overige psychotische stoornissen, waaronder de psychotische depressie.

Let erop dat afweermechanismen op zichzelf nooit een diagnose op kunnen leveren, maar dat typische afweermechanismen wel degelijk indicatief kunnen zijn voor de onderliggende psychiatrische aandoening. De fase van de structuurdiagnose leent zich uiteraard voor een uitgebreid onderzoek naar het causaal verband tussen diverse factoren en de status mentalis.

vrijdag 17 maart 2017

Hoe kan het ontbreken van de vrije wil binnen het strafrecht worden geplaatst?

Inleiding: implicaties van de voluntas als uitgangspunt van de toerekeningsvatbaarheid
Een opmerking vooraf. Vanuit het wetenschappelijk perspectief neem ik (biologische) fenomenen en hun natuurlijk verloop als uitgangspunt. Ik aanvaard de consequenties die inherent zijn aan biologische verschijnselen, zonder daaraan direct een cultureel waarde-oordeel ("als de vrije wil niet bestaat, kan niet gestraft worden") te hangen. Mijn essay is niet bedoeld als "harde stellingname".

De opvatting, die tegenwoordig is in onze maatschappij, bestaat uit een aantal oorzaak-gevolgtrekkingen: "de vrije wil bestaat, dus iemand is verantwoordelijk te houden", "iemand is verantwoordelijk te houden, dus kan er worden gestraft". Uit het een volgt niet logischerwijs het ander; vanuit historisch-politieke ontwikkeling is de voorkeur gegeven aan een meer filosofische idee over de plaats van de "vrije wil"  in het strafrecht.
 

Centraal staat het vraagstuk van de toerekening(svatbaarheid) in het strafrecht. In het kader van de toerekening wordt de vrije wil met zoveel woorden genoemd in de internationaal bekende passage uit Durham v. United States. In het Nederlandse onderzoek pro Justitia wordt betekenis toegekend aan het voluntatief verband tussen de psychopathologie en het ten laste gelegde feit. Het voluntatief verband impliceert de aanwezigheid van de vrije wil als controlemechanisme. Het valt sterk in twijfel te trekken of de "vrije wil" (voluntas) in de zin van een veto, een remmende kracht op de eigen hersenfuncties, houdbaar is, zeker in het licht van recente bevindingen op het gebied van neuroscience. Daarmee wil ik geenszins beweren dat de wil, als motivator voor het bevredigen van (noodzakelijke) behoeften, in het geheel niet bestaat. Ik voorsta slechts een verandering van perspectief. Ik meen dat het prevaleren van self-agency niet de juiste grondgedachte is, aldus dat "vrije" en "wil" beter van elkaar ontkoppeld kunnen worden.

In deze bijdrage bespreek ik achtereenvolgens de historische rechtspolitieke en filosofische achtergronden, de stand van de wetenschap binnen de discipline neuroscience, de toerekenbaarheid binnen het civiel recht, de verantwoording van duurzame opname in de forensisch psychiatrische inrichting. Tot slot ga ik in op de wenselijkheid van een herformulering van de toerekeningsvatbaarheid, dan wel het hanteren van een ander referentiekader dan de vrije wil als fundamenteel component van de toerekeningsvatbaarheid. Ik baseer mijn essay op een grondige studie van en mijn ervaring op het gebied van het strafrecht, civiel recht en de neurowetenschappen. Met nadruk merk ik op dat het aanbeveling verdient dat meer strafrechtjuristen zich bekwamen op wetenschappelijk gebied, zeker aangezien aan de jurist een doorslaggevende stem toekomt die een ingrijpende invloed kan hebben op de samenleving.

Overzicht:
1. Historisch kader: de invloed van de Verlichting;
2. Wetenschappelijk kader: de invloed van de pariëtaalkwab op de perceptie van een vrije wil;

2.1 Determinanten;
3.  Een discussie van politieke aard;
4. Toerekenbaarheid in het civiel recht niet verhinderd door geestesstoornissen;
5. De verantwoording van duurzame opname in de forensisch psychiatrische inrichting;

6. Verantwoordelijkheid voor het eigen handelen;
7. Een herdefiniëring van de ontoerekenbaarheid
           
1 Historisch kader: de invloed van de Verlichting
De idee dat de mens vorm kon geven aan het eigen bestaan, dat er zoiets was als een “rationele”  en dus weldenkende mens, was meer dan welkom in tijden waarin de religieuze dogmatiek het dagelijks bestaan beheerste (N.B.: het was Descartes die meende dat men zich voor de werking van het menselijk lichaam geen ziel hoefde voor te stellen, evenwel zou in zijn optiek een "geest" het lichaam regeren). De Verlichting heeft tal van filosofische thema’s uit de Griekse oudheid uit het stof gehaald en aan het heden overgeleverd, waarvan de vrije wil er één is- een nogal abstract gedefinieerd begrip.

Aanhangers van de opvatting van de vrije wil menen dat de vrije wil bestaat in de absentie van,  of in weerwil van deterministische factoren.

Binnen de exacte wetenschappen is het bestaan van de vrije wil erkend noch bewezen. De wetenschap stelt zich echter wel open voor het exploreren van het filosofische vraagstuk. Zo hebben Libet, Hallett e.a. zich beziggehouden met experimenten om elementen als "bewustzijn", "self agency" en "motor planning" in de hersenen aan te tonen. 


Een louter filosofisch probleem?
Sommige filosofen en religieuzen vestigen hun hoop op het bestaan van een “smetteloze” ziel die boven het “materiële”, het lichaam, uitstijgt. De mens valt echter niet op te splitsen in soma en brein, omdat een mens een geheel vormt. Een scheiding tussen psyche en soma leidt vaak tot de miskenning van de fysiologische aard. De mens is een geheel van chemische processen. De gedachte dat de mens altijd tot rationeel handelen in staat is, is er veeleer een consequentie van dat welgevallige handelingen achteraf worden beredeneerd als "rationeel". 

“De vrije wil bestaat, omdat het tegendeel niet is bewezen”, is een veelgehoorde opmerking. Dat is geen valide argument. Dat nog niet alles is ontdekt of bewezen, betekent nog niet dat het tegendeel daarmee is bevestigd. Het aantal publicaties op NCBI gaat het gemiddeld voorstellingsvermogen te boven en wetenschappers zijn nooit klaar met het exploreren. Vooralsnog blijkt uit experimenten dat het brein al “besloten” heeft  vóórdat de aspecten van de vrije wil, “bewustzijn” en “motor planning”, in de gewaarwording doordringen. 

De vraag is of het zinvol is om moeite te steken in het vinden van een wetenschappelijk fundament voor een louter filosofisch probleem en zo ja, op welke parameters de wetenschapper het bestaan van vrije wil dient te testen. Stel, het ontbreken van de vrije wil wordt onomstotelijk bewezen én erkend. Dat mag sociaal-maatschappelijk een onaangenaam beeld opleveren, de wetenschapper kan niet worden geforceerd tot het erkennen van het tegendeel, puur om onacceptabele consequenties weg te nemen.

2 Wetenschappelijk kader: de invloed van de pariëtaalkwab op de perceptie van een vrije wil  
Hallett omschrijft de vrije wil als “de perceptie van het initiëren van een beweging” [1].
In het klassieke Libetexperiment wordt de onderzoekspopulatie de opdracht gegeven om de timing van een beweging naar eigen inzicht te bepalen. Eén seconde voor de uitvoering wordt activiteit waargenomen in M1- de “Bereitschaftspotential” BP. De gewaarwording wordt door de deelnemers gerapporteerd op 200 ms voor de uitvoering.  Hieruit trek ik de conclusie dat het bewustzijn een vertraagde beleving van de activiteit is. 


Een door Libet geïnspireerd experiment is opgezet door Vinding [2]. De distale en proximale beslissing- het besluit resp. de fysieke actie- worden geïntegreerd in de onderzoeksopzet. De BP blijkt vooraf te gaan aan het besluit tot actie. Hallett heeft de perceptie, de quale,  onderworpen aan een experiment waarbij het besluit om niet tot actie over te gaan (veto), is onderzocht. Dit onderzoek lijkt te bevestigen dat de BP er eerder is dan de bewuste gedachte of bewuste wil om (niet) tot actie over te gaan. 
 

Hoe hangen de planning, uitvoering en perceptie van een intentie tot actie, onderling samen? De premotorische cortex ontvangt signalen van o.m. het limbisch systeem, de prefrontale cortex en pariëtaalkwab. De pariëtaalkwab lijkt essentieel voor het tonen van de BP, want bij beschadiging van deze kwab is er géén actiepotentiaal van BP waar te nemen. Van de premotorische cortex gaat een signaal uit naar M1. De informatie die vrijwel simultaan naar de pariëtaalkwab wordt gezonden, wordt vergeleken met de informatie die bij wijze van feedback door de partiëtaalkwab wordt ontvangen; de perceptie is afhankelijk van het resultaat. De pariëtaalkwab speelt dus een grote rol in het “illusoir effect” op perceptie, zo maak ik daaruit op.  Activiteit in het dopaminerg en/ of serotonerg systeem kan dit gevoel versterken. Uit deze globale indeling kan worden opgemaakt dat de perceptie, de wil of het bewustzijn, niet de drijvende kracht is achter de actie. 

De menselijke perceptie is gemakkelijk te manipuleren. De supplementaire motorische cortex wordt geassocieerd met de drang tot beweging. Sterke stimulatie van dit gebied d.m.v. TMS, zorgt ervoor dat zowel aandrang als de actie met elkaar overeenstemmen. Dit in tegenstelling tot stimulatie van de pariëtaal: proefpersonen rapporteren  de intentie tot bewegen en het waarnemen van de beweging die in werkelijkheid niet is gemaakt.  Middeling van de resultaten van experimenten met fMRI levert een helder beeld op.  De planning van een beweging wordt 7 seconden voor het denken aan actie,  6 seconden voor de BP en maar liefst  8 seconden voor het willen uitvoeren van een beweging, waargenomen.
               
Twee hypotheses worden geponeerd. Het inroepen van een veto tegen de uitvoering van een beweging, zou duiden op de aanwezigheid van “vrije wil”.  De vrijheid van het brein, in absentie van compulsie (is het brein niet altijd belast? Er is immers geen moment waarop het levende brein géén activiteit toont. [M.Bouter] ) zou het bestaan van een vrije wil ook mogelijk maken.  Misschien zijn er slechts lacunes in onderzoek, omdat niet alle mogelijke “parameters” van een zogenaamde vrije wil  in de experimenten zijn betrokken? Hallett stelt dan ook voorzichtig, dat er nog veel onderzoek zal moeten worden verricht naar het bewustzijn. 

Ik meen dat de verhouding van de “wil” tot de uitvoering zich goed laat verklaren: de loop van limbisch systeem als motivator, naar de premotorische cortex, initieert actie. De intrinsieke motivator kan worden beschouwd als een manifestatie van zogenaamde “vrije wil”als zijnde een optelsom van emoties, terwijl het bereiken van de feedback en feed-forward door pariëtaalkwab,  de illusie van gewilde actie geeft.  Om met Hallett te spreken: “Een moeilijke keus kan ervoor zorgen dat hersenprocessen zich aan het bewustzijn opdringen, maar dat betekent niet dat het bewustzijn van invloed is [... ] van het bewustzijn kan nimmer het initiatief uitgaan”.   

2.1 Determinanten
De vrije wil is een niet-gedefinieerd begrip, omdat filosofen geen consensus hebben bereikt over wat het concept precies inhoudt, zoals wel blijkt uit de discussie over het aspect “determinisme”-  eveneens een filosofisch concept.Tegenstanders van het determinisme ontkennen de causaliteit tussen oorzaak en gebeurtenis, omdat volgens hen de natuurwetten doorbroken kunnen worden door externe omstandigheden (“toeval”). Wat daarbij uit het oog wordt verloren, is dat die externe omstandigheden evengoed determinanten zijn.
Ik neem epigenetica als voorbeeld. De DNA-sequentie wordt niet direct geaffecteerd, maar de genexpressie is aan “toevallige” interruptie onderhevig. Er kunnen methylgroepen (CH3) worden toegevoegd aan de histonen van het DNA, met als gevolg dat het DNA anders wordt afgelezen tijdens de fase van de transcriptie. Het DNA is een biochemische determinant, maar de methylering – “toeval/ externe factor”- is ook een determinant. Het heeft weinig zin om te ontkennen dat zogenaamd toeval samenhangt met de wetten van causaliteit.

3  Een discussie van politieke aard

De discussie concentreert zich voornamelijk rond de (on)aanvaardbaarheid van de consequenties van het bestaan van wel/ geen vrije wil. “Als de vrije wil wel bestaat, dan kan een persoon verantwoordelijk worden gehouden voor zijn gedrag, als de vrije wil níet bestaat, dan kan niemand verantwoordelijk worden gehouden”, zijn de meest gehoorde opmerkingen. Iemand die psychisch niet in orde is, kan volgens voorstanders van het bestaan van een vrije wil, verminderd of niet verantwoordelijk worden gehouden voor zijn daden. In het debat over de vrije wil wordt altijd  de link gelegd met het strafrecht.

Hoe vorm wordt gegeven aan het strafrecht, is van samenleving tot samenleving aan verandering onderhevig. De tendens van deze maatschappij is dat de forensisch gedetineerde, die ontoerekeningsvatbaar is verklaard, met het oog op rehabilitatie en ter bescherming van de maatschappij, een maatregel opgelegd krijgt. Psychische overmacht (art. 40 Sr) en ontoerekenbaarheid (art. 39 Sr) zijn wettelijke schulduitsluitingsgronden. Een schulduitsluitingsgrond is in de regel persoonlijk en resulteert in ontslag van strafvervolging wegens niet-strafbaarheid van de dader; de wederrechtelijkheid wordt aan een misdrijf niet ontnomen. Zie voor de uiteenzetting van de strafrechtelijke kaders: http://rechtenadvies.blogspot.nl/2015/12/strafuitsluitingsgronden.html.

Is er geen strafuitsluitingsgrond van toepassing, dan impliceert dat, dat een dader de mogelijkheid had om zichzelf te weerhouden van het begaan van een misdrijf-  de “vrije wil” maakt volgens tegenstanders van het determinisme, dat men een halt toe kan roepen aan het eigen gedrag (vetoing, Libet et al). Heel erg simpel gezegd, zou het misschien zo kunnen zijn, dat een verminderd actieve prefrontale cortex bij de forensisch gedetineerde het functioneren volgens de sociale conventies verstoort, terwijl de niet-psychisch gestoorde dader geacht wordt zijn misdrijf welbewust te hebben gepland.

Het voert echter te ver om het onderscheid tussen de niet-psychisch gestoorde gedetineerde en de forensisch gedetineerde te herleiden tot het bestaan van een vrije wil. Het onderscheid laat zich er namelijk door verklaren, dat men door het gebruik van stereotiepen en wetmatigheden, vat poogt te krijgen op een complexe samenleving. Het maken van een onderscheid stelt bovenal wat wenselijk is voorop-  de samenleving is per definitie gecultiveerd omwille van haar houdbaarheid.
Het verdient opmerking dat in het strafrecht nooit volledige overeenstemming is bereikt over het leerstuk der toereken(ings)baarheid [3], er is dan ook behoefte aan nauwe samenwerking met mensen uit het werkveld van de exacte wetenschap [4]. Idealiter vindt in de klinische dan wel ambulante setting multidisciplinair onderzoek plaats, om de beperkingen van iedere discipline te ondervangen.

4 Toerekenbaarheid in het civiel recht niet verhinderd door geestesstoornissen
Opvallend is, dat bij het civilter ageren, een ieder verantwoordelijk wordt gehouden voor het begaan van een onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). De toerekenbaarheid wordt niet door een psychisch disfunctioneren verhinderd bij deze oudste vorm van het recht, waarin het “criminaliter ageren” de oorsprong vindt. Art. 6:165 lid 1 BW is daarover zelfs heel expliciet: “de invloed van een stoornis is geen beletsel om een onrechtmatige daad aan een dader toe te rekenen”. 

5  De verantwoording van duurzame opname in de forensisch psychiatrische inrichting
Als zelfbeschikking in de zin van de vrije wil een illusie is, dan heeft dat implicaties voor de manier waarop het strafrecht in onze samenleving vorm krijgt. Nu wordt ervan uitgegaan dat de mens in staat is om het eigen leven sturing te geven én de eigen "driften" in toom te houden; de vrijheidsrechten van de individu krijgen in deze samenleving prioriteit. Er wordt aangenomen dat de forensisch gedetineerde "genezen" kan worden,  rehabilitatie is in veel gevallen het doel van oplegging van een penitentiaire maatregel. Rehabilitatie is deels geënt op geloof in de wilskracht van de forensisch gedetineerde om zichzelf te "transformeren" in een persoon die zich conform de normen van de samenleving gedraagt- of zijn neigingen in elk geval weet te onderdrukken. 


Vanuit wetenschappelijk oogpunt moet worden opgemerkt dat verreweg de meeste, zo niet alle geestesstoornissen, duurzaam van aard zijn. Schizofrenie bijvoorbeeld, kan niet worden genezen; de schizofrene patiënt zal moeten leven met zijn psychiatrisch-fysiologische aandoening. De kwaliteit van leven van patiënt en zijn omgeving is daarbij afhankelijk van de mate waarin de behandeling wordt voortgezet. Uitgaan van de getrouwheid waarmee de patiënt uit eigen beweging medicatie inneemt of de mate waarin de gesprekken met psychiaters serieus worden genomen en eerlijk en frequent worden gehouden, garandeert niet dat de behandeling adequaat is. Met andere woorden: wilskracht alleen is niet genoeg en de mens is niet wezenlijk te veranderen, slechts in het geval van uitzonderlijk ingrijpende behandelingen die medisch-ethisch niet langer verantwoord zijn (een dramatisch voorbeeld is de lobotomie). 

Ten aanzien van de forensisch gedetineerde vergt het bovendien deskundige artsen om geveinsd voorbeeldig gedrag tijdens observatiemomenten naar waarde in te schatten. Het behoeft geen nadere uitleg dat in het bijzonder personen met een antisociale persoonlijkheidsstoornis (in de volksmond: sociopathie) in staat zijn om hun omgeving langdurig te manipuleren. 

De overheid heeft tot taak om de vrijheidsrechten van de burgers te garanderen. Die vrijheid moet zo worden uitgelegd, dat de vrijheid van de ene burger niet mag worden gebruikt om een inbreuk te maken op de vrijheid van een andere burger. Enerzijds is het zelfbeschikkingsrecht van de burger (Talio is in vele samenlevingen langdurig gebruik geweest) ingeperkt doordat eigenrichting bij wet is vervangen door handhaving van het geweldsmonopolie door de overheid. Anderzijds maakt misdadig gebruik van zogenaamde vrijheidsrechten door de forensisch psychiatrisch patiënt inbreuk op de rechten van burgers die onder zijn daden te lijden hebben (gehad). Met het ontnemen van het aloude recht tot eigenrichting, heeft de overheid de plicht gekregen om de samenleving te beschermen, ook als dit impliceert dat de forensisch psychiatrisch patiënt duurzaam, tot wel levenslang, in de inrichting moet verblijven. 

6 Verantwoordelijkheid voor het eigen handelen: schuldtoewijzing
Het strafrecht kan op een andere opvatting worden gebaseerd. De "vrije wil" kan worden vervangen door "aansprakelijkheid": een ieder is verantwoordelijk voor het eigen handelen. Aan het burgerlijk recht kan worden ontleend dat de onrechtmatige daad aan een ieder die haar begaat, kan worden toegerekend, ongeacht een functionele beperking. Dat de samenleving tegen sommige mensen in bescherming moet worden genomen, hoeft daarbij niet te worden verhinderd: voor de tbs'er is niet de straf, maar de maatregel primair. Het is immers al niet de "vrije wil" die maakt dat de forensisch gedetineerde een maatregel opgelegd krijgt. 

7 Een herdefiniëring van de ontoerekenbaarheid: tijd voor een andere perceptie?
Zonder het vraagstuk van de toerekeningsvatbaarheid ingrijpend te wijzigen, stelt Mooij (2017) een andere perceptie voor: "Bij wilsvrijheid moet men niet denken aan de mysterieuze vrije wil, maar aan het vermogen tot reflectie dat deels betrekking heeft op de cognities- het vermogen tot inzicht- en deels op de verlangens- het vermogen tot redelijke doelstelling". Het nadeel is dat de vrije wil alsnog in het tweede aspect lijkt te zijn verdisconteerd, zo ook wanneer wordt beweerd dat de mens in deze constructie "kan worden aangesproken op de keuzes die hij in zijn praktisch redeneren in de praktische rede, de keuzevrijheid", in de zin van innerlijk overleg. Aan de vrije wil als controlemechanisme valt ook bij deze perceptie niet te ontkomen, maar Mooij relativeert dan ook het manifeste mensbeeld dat sinds Aristoteles maatschappelijk aanvaard is. Het strafrecht blijft gestoeld op de fictie die dankzij de psychologie met ons recht verweven is geraakt. 

Op de cognitie geënt is het voorgestelde toetsingskader voor de ontoerekenbaarheid (Bijlsma 2016):
"Van ontoerekeningsvatbaarheid is sprake als de verdachte ten tijde van het delict lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, als gevolg waarvan hij niet kan begrijpen dat het feit wederrechtelijk was of onvoldoende in staat was om in overeenstemming met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van het feit te handelen". 
Ook in dit geval impliceert het handelen in overeenstemming met de cognitie de aanwezigheid van een vrije wil. Anders dan het huidige wettelijke kader, is deze definiëring echter neutraler ten aanzien van de voluntas. Het voorgestelde toetsingskader neemt de bezwaren van de cultureel bepaalde voluntas grotendeels weg, in die zin dat niet de indruk wordt gewekt dat de dader boven zijn eigen psychische gesteldheid kan staan. Ik zie zeker potentie in dit nieuwe toetsingskader, al zijn aanpassingen aan te bevelen. Belangrijk is dat ruimte wordt geboden voor (neuro)wetenschappelijke inzichten.

Daarmee besluit ik met de volgende stelling: 'Het ontbreken van een vrije wil als controlemechanisme over de eigen hersenfuncties, kan acceptatie in het strafrecht vinden. Een grote paradigmawisseling is daarvoor niet nodig. Het is immers reeds niet de vrije wil die leidt tot de oplegging van een maatregel.'


[1] Hallett, MD, Physiology of Free Will, ANN. NEUROL 2016; 80:5-12

[2] Vinding MC, Jensen M, Overgaard M. Distinct electrophysiological potentials for intention in action and prior intention for action, Cortex 2014; 50:86-99
[3] Materieel strafrecht, C. Kelk
[4] Materieel strafrecht, J. de Hullu