1.1. Eis van reconventie (onder het huidige Rv)
De gedaagde is bevoegd om een eis in reconventie in te stellen. De oorspronkelijke vordering, ingesteld door eiser, is de eis in conventie. De gedaagde is niet bevoegd om een eis in reconventie in te stellen, als de eiser in conventie is opgetreden in hoedanigheid (qualitate qua) en de reconventie hem persoonlijk zou betreffen, of omgekeerd (art. 136 Rv). Een eis van reconventie wordt dadelijk bij de conclusie van antwoord ingesteld (art. 137 Rv). Wordt verzet gedaan, dan vermeldt het exploot van verzet de eis van reconventie, onder vermelding van de gronden daarvan (art. 146 lid 2 Rv).
Art. 111 lid 3 Rv wordt op zowel art. 137 als 146 lid 2 Rv van toepassing verklaard.
De zaken in conventie en reconventie worden gelijktijdig behandeld en bij hetzelfde eindvonnis beslist. Dat de eis in reconventie een zelfstandige procedure betreft, blijkt uit de laatste volzin van art. 138 lid 1 Rv: oordeelt de rechter dat één van de zaken, die in conventie dan wel in reconventie, vroeger kan worden afgedaan, dan worden de zaken niet bij hetzelfde eindvonnis beslist.
Gelden er verschillende procedurele voorschriften ten aanzien van de zaak in conventie en reconventie, dan worden de zaken gesplitst. Dat is het geval als één van de zaken wordt voortgezet volgens de verzoekschriftprocedure, als de rechter op de voet van art. 71 Rv de zaak verwijst of als de rechter zich absoluut onbevoegd verklaart (art. 138 lid 2 Rv).
1.2. KEI: tegenvordering of tegenverzoek onder het Nieuwe Rv (art. 30i lid 8 NRv)
De artikelen 131-138 van Rv (oud), waaronder de artikelen inzake het instellen van de eis van reconventie, komen te vervallen.
De mogelijkheid voor verweerder om een eis in reconventie in te stellen, blijft onder het NRv echter gehandhaafd. De verweerder (voorheen: gedaagde) dient een met redenen omkleed verweerschrift in op grond van art. 30i lid 1 NRv. Daarbij is bepaald dat het verweerschrift een tegenverzoek of tegenvordering mag bevatten, tenzij de oorspronkelijke eiser of verzoeker is opgetreden in hoedanigheid en de tegenvordering of het tegenverzoek hem persoonlijk zou betreffen en omgekeerd. Art. 30a lid 3 onder f en g NRv is van overeenkomstige toepassing (art. 30i lid 8 NRv).
De regel dat de zaak in conventie en reconventie in beginsel bij hetzelfde vonnis worden afgedaan (art. 138 Rv (oud) ), tenzij de rechter anders bepaalt, is neergelegd in art. 30i lid 9 NRv.
Ten aanzien van de eis in reconventie brengen art. 30i lid 8 en 9 NRv dus
niets anders dan een compacte herformulering van de terminologie.
2.1. Comparitie na antwoord onder het huidige Rv (art. 131 Rv (oud) )
Heeft de gedaagde
voor antwoord geconcludeerd, dan beveelt de rechter een verschijning
ter terechtzitting als bedoeld in art. 87 Rv, voor het treffen van een
schikking, of art. 88 Rv, voor het geven van inlichtingen (art. 131 Rv).
Tegen het bevel van comparitie, bij vonnis gegeven, staat geen
rechtsmiddel open.
2.2. KEI: de mondelinge behandeling centraal onder NRv (vervallen art. 131-138 Rv (oud) )
Uit een aantal opeenvolgende artikelen blijkt dat de mondelinge behandeling prevaleert in het NRv:
a. Mondelinge conclusies en akten (art. 30i NRv).
In kantonzaken kan mondeling verweer worden gevoerd en reeds in de eerste fase, die onder het oude Rv schriftelijk was, kunnen mondelinge conclusies en akten worden genomen (art. 30i lid 2 NRv);
b. Mondelinge behandeling al aan het begin van het proces centraal (art. 30j NRv).
Zodra de verweerder in de procedure is verschenen, bepaalt de rechter wanneer de mondelinge behandeling plaatsvindt (art. 30j lid 1 NRv);
c. Vervanging comparitie na antwoord (art. 30j-o NRv).
De regeling omtrent de comparitie na antwoord (art. 131 Rv (oud) ) komt te vervallen, maar een soortgelijke regeling is getroffen in art. 30j-o NRv.
Tijdens de mondelinge behandeling worden partijen in de gelegenheid gesteld om hun stellingen toe te lichten. De rechter kan partijen verzoeken om inlichtingen, een schikking beproeven of aanwijzingen geven (art. 30k lid 1 onder a-e NRv);
d. Mogelijkheid tot pleidooi (art. 30k NRv).
Onder het oude Rv werd in beginsel géén ruimte geboden voor pleidooien, omdat het zwaartepunt immers bij de comparitie na antwoord (art. 131 Rv (oud) ) lag; hoofdregel was dat bij uitzondering gelegenheid geboden werd voor pleidooien (art. 134 Rv (oud) ). Art. 134 Rv wordt geschrapt. Het recht op pleidooi is inhoudelijk niet vervallen, maar er wordt niet langer een onderscheid aangebracht tussen comparitie na antwoord en pleidooi ( art. 30k lid 1 en art. 30o NRv);
e. Gelegenheid tot re- en dupliek (art. 30o lid 1 NRv).
Tot re- en dupliek wordt onder het NRv in beginsel gelegenheid geboden, wat logisch is: met het schrappen van art. 131 en art. 132 Rv (oud) vervalt de regel, dat de gelegenheid tot het concluderen voor re- en dupliek in beginsel slechts wordt geboden als geen comparitie na antwoord is bevolen. Art. 132 lid 2 Rv (oud) inzake re- en dupliek is bijna letterlijk overgenomen (art. 30o lid 1 NRv (aanhef)).
3.1. Repliek en dupliek (onder het huidige Rv)
Het proces wordt bij voorkeur geconcentreerd rond comparitie na antwoord; dat blijkt uit de formulering art. 132 Rv door de wetgever: is geen verschijning ter terechtzitting op de voet van art. 131 Rv bevolen, dan geeft de rechter aan eiser gelegenheid om voor repliek te concluderen; hierop kan de gedaagde voor dupliek concluderen (art. 132 lid 1 Rv). Hoofdregel onder het huidige wetboek van Rv is dus, dat de procedure schriftelijk is, met aanvulling van de mondelinge ronde, die bestaat uit de comparitie na antwoord en het vonnis.
Is wel comparitie na antwoord bevolen, dan wordt slechts gelegenheid geboden voor repliek en dupliek, als dit met het oog op "hoor en wederhoor" (art. 19 Rv), of met het oog op een goede instructie van de zaak noodzakelijk is (art. 132 lid 2 Rv). Met betrekking tot de goede procesorde kunnen ook meer conclusies worden toegestaan (art. 132 lid 3 Rv). Het nemen van conclusies van re- en dupliek is een uitzondering op de hiervoor genoemde regel.
Tegen géén van de beslissingen op grond van lid 2 en 3 staat een hogere voorziening open (art. 132 lid 4 Rv).
3.2. KEI: re- en dupliek onder het Nieuwe Rv (art. 30o NRv)
Als gevolg van het project-KEI zal art. 132 Rv komen te vervallen. Het NRv stelt voorop dat de procedure bestaat uit een schriftelijke én mondelinge behandeling (Derde Afdeling A). Van de mondelinge behandeling kan worden afgeweken, indien dit met het oog op art. 19 NRv (hoor en wederhoor) of een goede instructie van de zaak is vereist. De rechter kan op verzoek van partijen bepalen, dat partijen schriftelijk reageren op elkaars standpunten (art. 30o lid 1 sub b Nieuw Rv).
Wat is het wezenlijke verschil? De fase van re- en dupliek is onder het NRv evengoed mogelijk als onder het oude Rv. De hoofdregel in het Nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is woordelijk het omgekeerde van de hoofdregel in het oude Rv, maar in geen van beide versies van Rv zijn de voorwaarden waaronder de fase van re- en dupliek kunnen worden toegestaan, wezenlijk anders.
4. Termijnen voor het nemen van conclusies
Partijen kunnen uitstel vragen voor het nemen van conclusies, evenals voor het verrichten van andere proceshandelingen (art. 133 lid 2 en 3 Rv). Conclusies en proceshandelingen dienen immers over het algemeen te voldoen aan de motivering en bewijsaanvoer als bedoeld in art. 111 lid 3 Rv en art. 128 lid 5 Rv. Als uitstel van het nemen van conclusies tot onredelijke vertraging zou leiden, wordt het eenstemmig verzoek tot uitstel niet toegewezen.
De termijnen voor het indienen van processtukken en het nemen van conclusies en akten in civiele zaken is geregeld in art. 2.7. Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken (LR-rb). Uitstel wordt geregeld in art. 2.8. LR-rb.
5. Verstekverlening (art. 139-142 Rv)
Verschijnt de gedaagde niet op de eerste of een door de rechter te
bepalen roldatum in het geding of verzuimt hij advocaat te stellen, of
verzuimt hij (indien verschuldigd) het griffierecht te voldoen, hoewel
hem dat bij dagvaarding was aangezegd en zijn de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen,
dan verleent de rechter hem verstek en wijst hij de vordering van eiser
toe, tenzij de vordering de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt
(art. 139 Rv).
De kosten die het gevolg zijn van het niet verschijnen in het geding
door een partij, of die het gevolg zijn van het niet tijdig voldoen van
het griffierecht, komen voor rekening van die partij, tenzij het verstek
is verleend op een dagvaarding die nietig wordt verklaard (art. 141
Rv).
Het verstek kan worden gezuiverd. Zolang het eindvonnis niet is gewezen,
kan de gedaagde alsnog in het geding verschijnen of alsnog het
griffierecht voldoen. Op de gevolgen uit art. 141 Rv na, vervallen de
gevolgen van de verstekverlening (art. 142 Rv).
5.1. Verzet tegen verstek (art. 143 Rv)
Heeft de gedaagde geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om het
verstek te zuiveren, dan kan hij in verzet komen tegen de veroordeling
bij verstek, gewezen bij eindvonnis (art. 143 lid 1 Rv). De gedaagde
dient verzet te doen bij exploot van dagvaarding, binnen vier weken na
de betekening van het vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte
of ter uitvoering van het vonnis opgemaakte akte (art. 143 lid 2 Rv).
Berust de bij verstek veroordeelde gedaagde in het vonnis, dan kan hij
daartegen niet meer in verzet komen (art. 143 lid 4 Rv). Het vonnis is
dan vatbaar voor hoger beroep; zie de regeling inzake hoger beroep tegen
eindbeschikkingen, art. 358 Rv.
5.2. Schorsende werking verzet (art. 145 Rv)
Verzet, mits tijdig gedaan, schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis,
tenzij dit uitvoerbaar bij voorraad was verklaard (art. 145 Rv).
5.3. Heropening van de zaak door verzet (art. 147 Rv)
Verzet heeft tot gevolg dat de instantie wordt heropend. Het geding
verloopt (weer) als bepaald in art 125-135 Rv. Het exploot van verzet
(art. 146 Rv) heeft te gelden als conclusie van antwoord door gedaagde
in de zin van art. 128 lid 2 Rv (art. 147 lid 1 Rv).
200.000 bezoekers | Strafrecht & Privaatrecht | Juridisch: uitleg voor studenten die zich toeleggen op de togaberoepen |
Posts tonen met het label reconventie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label reconventie. Alle posts tonen
zaterdag 3 juni 2017
Verloop van de dagvaardingsprocedure (3): reconventie, comparitie na antwoord, re- en dupliek en verstek (KEI: een vergelijking tussen het huidige Rv en NRv)
woensdag 31 mei 2017
Vereisten aan de dagvaarding: vorm en inhoud exploot, betekening en termijnen
Overzicht
1. Exploot van dagvaarding: vormvoorschriften en inhoud;
2. Betekening dagvaarding;
3. Dagvaardingstermijn;
4. Gebreken in de dagvaarding: nietigheid en herstel.
1. Exploot van dagvaarding: vormvoorschriften en inhoudelijke vereisten
Dagvaarding geschiedt bij exploot (art. 111 lid 1 Rv); exploten, authentieke akten in de zin van art. 156 Rv, worden door een bevoegde deurwaarder gedaan (art. 45 lid 1 Rv).
De minimale vormvoorschriften die worden gesteld aan het exploot, zijn opgesomd in art. 45 lid 3 Rv. Het exploot van de dagvaarding bevat bovendien de gegevens die zijn vermeld in art. 111 lid 2 onder a-l Rv.
De dagvaarding vermeldt de door de eiser gekozen woonplaats in Nederland, art. 111 lid 2 onder a Rv. Partijen kunnen voor de kantonrechter in persoon procederen, art. 79 lid 1 Rv; in andere zaken is procesvertegenwoordiging bij advocaat verplicht, art. 79 lid 2 Rv; partijen worden geacht bij de gestelde advocaat (art. 111 lid 2 onder c Rv) woonplaats te hebben gekozen (art. 79 lid 2 Rv). In zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, vermeldt het exploot de wijze waarop de gedaagde in het geding moet verschijnen (vertegenwoordigd door een advocaat, art. 111 lid 2 onder h Rv). Het exploot bevat de eis en de gronden daarvan (art. 111 lid 2 onder d Rv).
Voorts vermeldt het exploot van dagvaarding de mededeling of van gedaagde griffierecht zal worden geheven en binnen welke termijn dit griffierecht dient te worden voldaan (art. 111 lid 2 onder k Rv). Géén griffierecht wordt geheven van de gedaagde in een kantonzaak (art. 4 lid 1 onder b Wet griffierecht burgerlijke zaken). In andere zaken is gedaagde griffierecht verschuldigd vanaf zijn verschijning in het geding en het op zijn situatie van toepassing zijnde bedrag (als vermeld in de Bijlage) dient binnen vier weken te worden voldaan (art. 3 lid 3, laatste volzin Wet griffierecht burgerlijke zaken).
Door de gedaagde aangevoerde verweren, die de eiser reeds vóór het uitbrengen van de dagvaarding bekend zijn, dienen volledigheidshalve in de dagvaarding te worden opgenomen en met behulp van bewijs door eiser te worden weerlegd (art. 111 lid 3 Rv).
2. Betekening dagvaarding
2.1. Betekening in persoon (art. 46 Rv) of aan woonplaats (art. 47 Rv)
Het afschrift van de dagvaarding geldt als het oorspronkelijke exploot (art. 46 lid 2 Rv).
In eerste instantie vindt betekening in persoon plaats; de deurwaarder kan daarnaast een afschrift laten aan de woonplaats aan een huisgenoot van degene voor wie het exploot bestemd is, of aan een andere persoon van wie aannemelijk is dat deze zal bevorderen dat het afschrift degene voor het bestemd is, tijdig bereikt (art. 46 lid 1 Rv). Bij weigering kan de dagvaarding geldig worden betekend op de wijzen als vermeld in art. 46 lid 3 Rv.
Is betekening in persoon als bedoeld in art. 46 lid 1 Rv onmogelijk, dan kan de deurwaarder de dagvaarding aan de woonplaats betekenen; de deurwaarder laat een afschrift aan de woonplaats achter in een gesloten envelop of bezorgt het afschrift terstond per post. Beide handelingen dienen te worden vermeld in het exploot. Bij verzending per post wordt tevens de reden van de feitelijke onmogelijkheid vermeld (art. 47 lid 1 Rv).
2.2. Betekening ten kantore van de advocaat of deurwaarder (art. 63 Rv)
Wordt verzet gedaan, of hoger beroep resp. beroep in cassatie ingesteld, dan kan het exploot worden gedaan aan het kantoor van de advocaat of deurwaarder bij wie degene, voor wie het exploot is bestemd, laatstelijk woonplaats heeft gekozen, ook indien deze een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft in een Staat waar Verordening (EG) nr. 1393/2007 (art. 56 lid 1 Rv) van kracht is (art. 63 lid 1 Rv).
2.3. Woonplaats onbekend (art. 54 Rv)
Zijn de woonplaats en het werkelijk verblijf onbekend en betreft het exploot een te voeren of aanhangige procedure, of worden houders van aandelen welke niet op naam staan in rechte opgeroepen, dan wordt de dagvaarding betekend aan het parket van het OM bij het gerecht waar de zaak dient of moet dienen. Dient de zaak of moet de zaak dienen voor de Hoge Raad, dan geschiedt de betekening aan het parket van de P-G bij de Hoge Raad. Een uittreksel van het exploot wordt gepubliceerd in de Staatscourant (art. 54 lid 2 Rv).
2.4.1. Woonplaats buiten Nederland (art. 55 lid 1 Rv)
a. Ten aanzien van hen van wie de woonplaats of het werkelijk verblijf buiten Nederland bekend is, geschiedt de betekening aan het parket van het OM onderscheidenlijk de procureur-generaal, bedoeld in art. 54, tweede en vierde lid Rv; deze zendt een afschrift van het exploot aan het Ministerie van BuZa;
b. Bevindt de woonplaats of het werkelijk verblijf zich in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, dan wordt het afschrift door het parket aan het Kabinet van de Gevolmachtigd Minister in Nederland gezonden;
c. Indien de woonplaats c.q. het werkelijk verblijf zich bevindt in één van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dan zendt het parket een afschrift naar de Nederlandse Minister van Justitie.
2.4.2. Betekening buiten Nederland (BetVo)
Wanneer de gedaagde in één van de lidstaten van de EU woont, heeft Verordening (EG) Nr. 1393/2007 inzake de betekening en kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken (BetVo) voorrang op bestaande betekeningsverdragen, waaronder het Haags Betekeningsverdrag 1969.
Van betekenis zijn art. 9 (lid 2) BetVo (datum betekening dagvaarding) en art. 19 BetVo. Laatstgenoemde artikel is relevant voor de verlening van verstek tegen een in het buitenland woonachtige gedaagde. Is de gedaagde niet verschenen, dan houdt de rechter de zaak aan totdat is gebleken dat hetzij de betekening van de dagvaarding conform de regels in de lidstaat is geschied, hetzij dat het inleidend stuk daadwerkelijk en tijdig is afgegeven aan de verweerder in persoon (art. 19 lid 1 onder a en b BetVo).
3. Dagvaardingstermijn
3.1. Gewone termijn (art. 114 Rv)
De gewone termijn van dagvaarding is ten minste één week (art. 114 Rv). De termijn van dagvaarding vangt aan op de dag, volgend op de dag van de betekening van het exploot; de dag van de roldatum wordt niet meegerekend (art. 119 lid 1 en 2 Rv).
3.2. Overige termijnen (art. 115-116 Rv)
a. Indien de gedaagde woonplaats heeft buiten Nederland, in een Staat waar Verordening (EG) nr. 1393/2007 van kracht is (art. 56 lid 1 Rv) of in een Staat die in Europa is gelegen en die partij is bij het Haags Betekeningsverdrag 1965 (art. 55 lid 2 Rv), dan is de dagvaardingstermijn ten minste vier weken (art. 115 lid 1 Rv);
b. Indien de gedaagde noch in Nederland, noch in een Staat als bedoeld in art. 115 lid 1 Rv een bekende woonplaats of werkelijk verblijf heeft, is de termijn van dagvaarding ten minste drie maanden (art. 115 lid 2 Rv);
c. In overige uitzonderlijke gevallen is de termijn van dagvaarding vier weken (art. 115 lid 3 Rv);
d. Worden houders van aandelen die niet op naam zijn gesteld, in rechte opgeroepen, dan is de dagvaardingstermijn ten minste vier weken (art. 116 lid 1 Rv).
3.3. Verkorting termijnen
De dagvaardingstermijn kan op mondeling of schriftelijk verzoek van de eiser worden verkort door de voorzieningenrechter of door de kantonrechter (art. 117 Rv).
4. Gebreken in de dagvaarding: nietigheid en herstel
4.1. Nietigheid van exploten en akten (art. 65 Rv)
Ten aanzien van alle exploten, dus ook het exploot van dagvaarding, geldt dat het exploot of de akte slechts nietig kan worden verklaard, indien het gebrek dat het geschrift lijdt, expliciet met nietigheid wordt bedreigd, of indien de nietigheid voortvloeit uit de aard van het gebrek (art. 65 Rv).
De niet-naleving van de voorschriften, opgenomen in de Zesde afdeling van het Eerste Boek, Eerste Titel Rv, brengt slechts nietigheid mee, voor zover aannemelijk is dat gedaagde door het gebrek onredelijk is benadeeld (art. 66 lid 1 Rv). Tenzij uit de wet anders voortvloeit, is het uitvaardigen van een herstelexploot mogelijk (art. 66 lid 2 Rv).
4.2. Nietigheid exploot van dagvaarding (art. 120 Rv)
Ten aanzien van de dagvaarding geldt, dat het niet in acht nemen van de bepalingen uit art. 111-124 Rv, met nietigheid wordt bedreigd (art. 120 lid 1 Rv). Ook een gebrek in het exploot van dagvaarding kan worden hersteld, mits het herstelexploot vóór de roldatum wordt uitgebracht (art. 120 lid 2 Rv).
Bij het uitbrengen van het herstelexploot dient de voor de dagvaarding voorgeschreven termijn in acht te worden genomen. Brengt de inachtneming van de dagvaardingstermijn mee dat de roldatum niet kan worden aangehouden, dan dient een andere roldatum te worden aangezegd (art. 120 lid 3 Rv). Wijziging van de roldatum is slechts mogelijk bij het uitbrengen van een herstelexploot.
Op de hoofdregel van het eerste lid van art. 120 Rv wordt een uitzondering gemaakt in art. 120 lid 4 Rv: het niet vermelden van de door gedaagde reeds tegen de eis aangevoerde weren en de weerlegging daarvan door de eiser (art. 111 lid 3 Rv), brengt geen nietigheid van de dagvaarding met zich. De rechter kan bevelen om alsnog de bedoelde gegevens te verstrekken.
4.3. Gebreken in de dagvaarding (art. 121 Rv)
Verschijnt de gedaagde niet in het geding en/ of verzuimt hij advocaat te stellen, hoewel hem dat bij dagvaarding was aangezegd en lijdt het exploot van dagvaarding naar het oordeel van de rechter aan een gebrek dat nietigheid meebrengt, dan wordt de gedaagde géén verstek verleend als bedoeld in art. 139 Rv (art. 121 lid 1 Rv).
De rechter bepaalt een nieuwe roldatum en beveelt dat deze door eiser bij exploot aan gedaagde wordt aangezegd; het herstel van het gebrek komt voor rekening van eiser (art. 121 lid 2 Rv).
Is aannemelijk dat het exploot van dagvaarding de gedaagde als gevolg van het gebrek in het geheel niet heeft bereikt, dan spreekt de rechter de nietigheid van de dagvaarding uit (art. 121 lid 3 Rv).
4.3.1. Herstel gebrek in dagvaarding (art. 122 Rv)
Verschijnt de gedaagde in het geding, of komt hij, na bij verstek te zijn veroordeeld, in verzet en beroept hij zich op de nietigheid van de dagvaarding, dan verwerpt de rechter dat beroep, indien naar zijn oordeel het gebrek de gedaagde niet onredelijk in zijn belangen heeft geschaad (art. 122 lid 1 Rv). In het eerste geval is gedaagde klaarblijkelijk op de hoogte van de datum en plaats van rolzitting.
4.4. Ten onrechte niet stellen van advocaat (art. 123 Rv)
Heeft de eiser ten onrechte geen advocaat gesteld, dan biedt de rechter hem en, indien in dit geval de gedaagde wel in het geding was verschenen, maar ten onrechte eveneens geen advocaat had gesteld, ook deze, de gelegenheid binnen een door hem te bepalen termijn alsnog advocaat te stellen (art. 123 lid 1 Rv).
Er zijn verschillende gevolgen verbonden aan het al dan niet alsnog stellen van advocaat door eiser of verweerder:
a. Maakt de eiser geen gebruik van de mogelijkheid om alsnog advocaat te stellen, dan wordt de gedaagde van de instantie ontslagen. De eiser wordt veroordeeld in de kosten (art. 123 lid 2 Rv);
b. Maakt alleen de gedaagde geen gebruik van de mogelijkheid om alsnog advocaat te stellen, dan zijn de bepalingen omtrent verstekverlening (art. 139-142 Rv) van toepassing (art. 123 lid 3 Rv);
c. Stellen de eiser en gedaagde alsnog advocaat, dan wordt het geding in de stand waarin het zich bevindt, voortgezet. Heeft de rechter de dag van uitspraak bepaald, dan worden partijen in de gelegenheid gesteld om zich binnen een bepaalde termijn over de zaak uit te laten (art. 123 lid 4 Rv).
Alleen tegen een beslissing op grond van art. 123 lid 3 Rv (verstekverlening) is een hogere voorziening opengesteld.
1. Exploot van dagvaarding: vormvoorschriften en inhoud;
2. Betekening dagvaarding;
3. Dagvaardingstermijn;
4. Gebreken in de dagvaarding: nietigheid en herstel.
1. Exploot van dagvaarding: vormvoorschriften en inhoudelijke vereisten
Dagvaarding geschiedt bij exploot (art. 111 lid 1 Rv); exploten, authentieke akten in de zin van art. 156 Rv, worden door een bevoegde deurwaarder gedaan (art. 45 lid 1 Rv).
De minimale vormvoorschriften die worden gesteld aan het exploot, zijn opgesomd in art. 45 lid 3 Rv. Het exploot van de dagvaarding bevat bovendien de gegevens die zijn vermeld in art. 111 lid 2 onder a-l Rv.
De dagvaarding vermeldt de door de eiser gekozen woonplaats in Nederland, art. 111 lid 2 onder a Rv. Partijen kunnen voor de kantonrechter in persoon procederen, art. 79 lid 1 Rv; in andere zaken is procesvertegenwoordiging bij advocaat verplicht, art. 79 lid 2 Rv; partijen worden geacht bij de gestelde advocaat (art. 111 lid 2 onder c Rv) woonplaats te hebben gekozen (art. 79 lid 2 Rv). In zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, vermeldt het exploot de wijze waarop de gedaagde in het geding moet verschijnen (vertegenwoordigd door een advocaat, art. 111 lid 2 onder h Rv). Het exploot bevat de eis en de gronden daarvan (art. 111 lid 2 onder d Rv).
Voorts vermeldt het exploot van dagvaarding de mededeling of van gedaagde griffierecht zal worden geheven en binnen welke termijn dit griffierecht dient te worden voldaan (art. 111 lid 2 onder k Rv). Géén griffierecht wordt geheven van de gedaagde in een kantonzaak (art. 4 lid 1 onder b Wet griffierecht burgerlijke zaken). In andere zaken is gedaagde griffierecht verschuldigd vanaf zijn verschijning in het geding en het op zijn situatie van toepassing zijnde bedrag (als vermeld in de Bijlage) dient binnen vier weken te worden voldaan (art. 3 lid 3, laatste volzin Wet griffierecht burgerlijke zaken).
Door de gedaagde aangevoerde verweren, die de eiser reeds vóór het uitbrengen van de dagvaarding bekend zijn, dienen volledigheidshalve in de dagvaarding te worden opgenomen en met behulp van bewijs door eiser te worden weerlegd (art. 111 lid 3 Rv).
2. Betekening dagvaarding
2.1. Betekening in persoon (art. 46 Rv) of aan woonplaats (art. 47 Rv)
Het afschrift van de dagvaarding geldt als het oorspronkelijke exploot (art. 46 lid 2 Rv).
In eerste instantie vindt betekening in persoon plaats; de deurwaarder kan daarnaast een afschrift laten aan de woonplaats aan een huisgenoot van degene voor wie het exploot bestemd is, of aan een andere persoon van wie aannemelijk is dat deze zal bevorderen dat het afschrift degene voor het bestemd is, tijdig bereikt (art. 46 lid 1 Rv). Bij weigering kan de dagvaarding geldig worden betekend op de wijzen als vermeld in art. 46 lid 3 Rv.
Is betekening in persoon als bedoeld in art. 46 lid 1 Rv onmogelijk, dan kan de deurwaarder de dagvaarding aan de woonplaats betekenen; de deurwaarder laat een afschrift aan de woonplaats achter in een gesloten envelop of bezorgt het afschrift terstond per post. Beide handelingen dienen te worden vermeld in het exploot. Bij verzending per post wordt tevens de reden van de feitelijke onmogelijkheid vermeld (art. 47 lid 1 Rv).
2.2. Betekening ten kantore van de advocaat of deurwaarder (art. 63 Rv)
Wordt verzet gedaan, of hoger beroep resp. beroep in cassatie ingesteld, dan kan het exploot worden gedaan aan het kantoor van de advocaat of deurwaarder bij wie degene, voor wie het exploot is bestemd, laatstelijk woonplaats heeft gekozen, ook indien deze een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft in een Staat waar Verordening (EG) nr. 1393/2007 (art. 56 lid 1 Rv) van kracht is (art. 63 lid 1 Rv).
2.3. Woonplaats onbekend (art. 54 Rv)
Zijn de woonplaats en het werkelijk verblijf onbekend en betreft het exploot een te voeren of aanhangige procedure, of worden houders van aandelen welke niet op naam staan in rechte opgeroepen, dan wordt de dagvaarding betekend aan het parket van het OM bij het gerecht waar de zaak dient of moet dienen. Dient de zaak of moet de zaak dienen voor de Hoge Raad, dan geschiedt de betekening aan het parket van de P-G bij de Hoge Raad. Een uittreksel van het exploot wordt gepubliceerd in de Staatscourant (art. 54 lid 2 Rv).
2.4.1. Woonplaats buiten Nederland (art. 55 lid 1 Rv)
a. Ten aanzien van hen van wie de woonplaats of het werkelijk verblijf buiten Nederland bekend is, geschiedt de betekening aan het parket van het OM onderscheidenlijk de procureur-generaal, bedoeld in art. 54, tweede en vierde lid Rv; deze zendt een afschrift van het exploot aan het Ministerie van BuZa;
b. Bevindt de woonplaats of het werkelijk verblijf zich in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, dan wordt het afschrift door het parket aan het Kabinet van de Gevolmachtigd Minister in Nederland gezonden;
c. Indien de woonplaats c.q. het werkelijk verblijf zich bevindt in één van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dan zendt het parket een afschrift naar de Nederlandse Minister van Justitie.
2.4.2. Betekening buiten Nederland (BetVo)
Wanneer de gedaagde in één van de lidstaten van de EU woont, heeft Verordening (EG) Nr. 1393/2007 inzake de betekening en kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken (BetVo) voorrang op bestaande betekeningsverdragen, waaronder het Haags Betekeningsverdrag 1969.
Van betekenis zijn art. 9 (lid 2) BetVo (datum betekening dagvaarding) en art. 19 BetVo. Laatstgenoemde artikel is relevant voor de verlening van verstek tegen een in het buitenland woonachtige gedaagde. Is de gedaagde niet verschenen, dan houdt de rechter de zaak aan totdat is gebleken dat hetzij de betekening van de dagvaarding conform de regels in de lidstaat is geschied, hetzij dat het inleidend stuk daadwerkelijk en tijdig is afgegeven aan de verweerder in persoon (art. 19 lid 1 onder a en b BetVo).
3. Dagvaardingstermijn
3.1. Gewone termijn (art. 114 Rv)
De gewone termijn van dagvaarding is ten minste één week (art. 114 Rv). De termijn van dagvaarding vangt aan op de dag, volgend op de dag van de betekening van het exploot; de dag van de roldatum wordt niet meegerekend (art. 119 lid 1 en 2 Rv).
3.2. Overige termijnen (art. 115-116 Rv)
a. Indien de gedaagde woonplaats heeft buiten Nederland, in een Staat waar Verordening (EG) nr. 1393/2007 van kracht is (art. 56 lid 1 Rv) of in een Staat die in Europa is gelegen en die partij is bij het Haags Betekeningsverdrag 1965 (art. 55 lid 2 Rv), dan is de dagvaardingstermijn ten minste vier weken (art. 115 lid 1 Rv);
b. Indien de gedaagde noch in Nederland, noch in een Staat als bedoeld in art. 115 lid 1 Rv een bekende woonplaats of werkelijk verblijf heeft, is de termijn van dagvaarding ten minste drie maanden (art. 115 lid 2 Rv);
c. In overige uitzonderlijke gevallen is de termijn van dagvaarding vier weken (art. 115 lid 3 Rv);
d. Worden houders van aandelen die niet op naam zijn gesteld, in rechte opgeroepen, dan is de dagvaardingstermijn ten minste vier weken (art. 116 lid 1 Rv).
3.3. Verkorting termijnen
De dagvaardingstermijn kan op mondeling of schriftelijk verzoek van de eiser worden verkort door de voorzieningenrechter of door de kantonrechter (art. 117 Rv).
4. Gebreken in de dagvaarding: nietigheid en herstel
4.1. Nietigheid van exploten en akten (art. 65 Rv)
Ten aanzien van alle exploten, dus ook het exploot van dagvaarding, geldt dat het exploot of de akte slechts nietig kan worden verklaard, indien het gebrek dat het geschrift lijdt, expliciet met nietigheid wordt bedreigd, of indien de nietigheid voortvloeit uit de aard van het gebrek (art. 65 Rv).
De niet-naleving van de voorschriften, opgenomen in de Zesde afdeling van het Eerste Boek, Eerste Titel Rv, brengt slechts nietigheid mee, voor zover aannemelijk is dat gedaagde door het gebrek onredelijk is benadeeld (art. 66 lid 1 Rv). Tenzij uit de wet anders voortvloeit, is het uitvaardigen van een herstelexploot mogelijk (art. 66 lid 2 Rv).
4.2. Nietigheid exploot van dagvaarding (art. 120 Rv)
Ten aanzien van de dagvaarding geldt, dat het niet in acht nemen van de bepalingen uit art. 111-124 Rv, met nietigheid wordt bedreigd (art. 120 lid 1 Rv). Ook een gebrek in het exploot van dagvaarding kan worden hersteld, mits het herstelexploot vóór de roldatum wordt uitgebracht (art. 120 lid 2 Rv).
Bij het uitbrengen van het herstelexploot dient de voor de dagvaarding voorgeschreven termijn in acht te worden genomen. Brengt de inachtneming van de dagvaardingstermijn mee dat de roldatum niet kan worden aangehouden, dan dient een andere roldatum te worden aangezegd (art. 120 lid 3 Rv). Wijziging van de roldatum is slechts mogelijk bij het uitbrengen van een herstelexploot.
Op de hoofdregel van het eerste lid van art. 120 Rv wordt een uitzondering gemaakt in art. 120 lid 4 Rv: het niet vermelden van de door gedaagde reeds tegen de eis aangevoerde weren en de weerlegging daarvan door de eiser (art. 111 lid 3 Rv), brengt geen nietigheid van de dagvaarding met zich. De rechter kan bevelen om alsnog de bedoelde gegevens te verstrekken.
4.3. Gebreken in de dagvaarding (art. 121 Rv)
Verschijnt de gedaagde niet in het geding en/ of verzuimt hij advocaat te stellen, hoewel hem dat bij dagvaarding was aangezegd en lijdt het exploot van dagvaarding naar het oordeel van de rechter aan een gebrek dat nietigheid meebrengt, dan wordt de gedaagde géén verstek verleend als bedoeld in art. 139 Rv (art. 121 lid 1 Rv).
De rechter bepaalt een nieuwe roldatum en beveelt dat deze door eiser bij exploot aan gedaagde wordt aangezegd; het herstel van het gebrek komt voor rekening van eiser (art. 121 lid 2 Rv).
Is aannemelijk dat het exploot van dagvaarding de gedaagde als gevolg van het gebrek in het geheel niet heeft bereikt, dan spreekt de rechter de nietigheid van de dagvaarding uit (art. 121 lid 3 Rv).
4.3.1. Herstel gebrek in dagvaarding (art. 122 Rv)
Verschijnt de gedaagde in het geding, of komt hij, na bij verstek te zijn veroordeeld, in verzet en beroept hij zich op de nietigheid van de dagvaarding, dan verwerpt de rechter dat beroep, indien naar zijn oordeel het gebrek de gedaagde niet onredelijk in zijn belangen heeft geschaad (art. 122 lid 1 Rv). In het eerste geval is gedaagde klaarblijkelijk op de hoogte van de datum en plaats van rolzitting.
4.4. Ten onrechte niet stellen van advocaat (art. 123 Rv)
Heeft de eiser ten onrechte geen advocaat gesteld, dan biedt de rechter hem en, indien in dit geval de gedaagde wel in het geding was verschenen, maar ten onrechte eveneens geen advocaat had gesteld, ook deze, de gelegenheid binnen een door hem te bepalen termijn alsnog advocaat te stellen (art. 123 lid 1 Rv).
Er zijn verschillende gevolgen verbonden aan het al dan niet alsnog stellen van advocaat door eiser of verweerder:
a. Maakt de eiser geen gebruik van de mogelijkheid om alsnog advocaat te stellen, dan wordt de gedaagde van de instantie ontslagen. De eiser wordt veroordeeld in de kosten (art. 123 lid 2 Rv);
b. Maakt alleen de gedaagde geen gebruik van de mogelijkheid om alsnog advocaat te stellen, dan zijn de bepalingen omtrent verstekverlening (art. 139-142 Rv) van toepassing (art. 123 lid 3 Rv);
c. Stellen de eiser en gedaagde alsnog advocaat, dan wordt het geding in de stand waarin het zich bevindt, voortgezet. Heeft de rechter de dag van uitspraak bepaald, dan worden partijen in de gelegenheid gesteld om zich binnen een bepaalde termijn over de zaak uit te laten (art. 123 lid 4 Rv).
Alleen tegen een beslissing op grond van art. 123 lid 3 Rv (verstekverlening) is een hogere voorziening opengesteld.
Abonneren op:
Posts (Atom)