Posts tonen met het label forumkeuze. Alle posts tonen
Posts tonen met het label forumkeuze. Alle posts tonen

zondag 14 januari 2018

Internationale rechterlijke bevoegdheid op grond van EEX-Vo II/Brussel I-Bis

Overzicht 
6.    Alternatief forum: onrechtmatige daad;
7.    Exclusieve bevoegdheid;
8.    Forumkeuzebevoegdheid;
8.1. Formeel toepassingsgebied;
8.2. Vereisten aan de forumkeuzeovereenkomst;
8.3. Beperkingen;
8.4. Stilzwijgende forumkeuze; 
9.    Litispendentie
9.1. Een einde aan de torpedostrategie?
10.  Voorlopige en bewarende maatregelen (Van Uden/Deco Line en Mietz/Intership Yachting)

6. Alternatief forum: onrechtmatige daad (art. 7 sub 2 Brussel I-Bis)
Het begrip 'verbintenis uit onrechtmatige daad' is een autonoom begrip, waaronder elke rechtsvordering valt die beoogt aansprakelijkheid van de verweerder in het geding te brengen en die geen verband houdt met een 'verbintenis uit overeenkomst' in de zin van art. 7 sub 1 Brussel I-Bis (HvJ 27 september 1988, zaak 189/87, Kalfelis/Schröder).

Het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, is bevoegd (art. 7 sub 2 Brussel I-Bis). Bij grensoverschrijdende onrechtmatige daden is het gebruikelijk dat de plaats van het ontstaan van de schade (Handlungsort) en de plaats van het intreden van de schade (Erfolgsort) divergeren. Bij divergentie kan de verweerder ter keuze van de verzoeker worden opgeroepen in het Handlungsort of Erfolgsort (HvJ 30 november 1976, zaak 21/76, Bier/Mines de Potasse d'Alsace ("Kalimijnen")).

Deze keuzevrijheid mag niet de indruk wekken dat het "Erfolgsort" overal geacht kan worden te bestaan, zolang er maar schade ingetreden is. Dat "Erfolgsort" beperkt moet worden uitgelegd, blijkt uit de rechtsregel, dat de plaats waar de onrechtmatige daad schadelijk inwerkt op lijf en goed bepalend is, niet de plaats waar het slachtoffer stelt vermogensschade te lijden (vgl. Marinari/Lloyd's Bank, Kronhofer/Maier).

In het geval van belediging door middel van een artikel in de pers, is de rechter van het Handlungsort, de plaats van vestiging van de uitgever, bevoegd om de volledige schade toe te wijzen. De rechters van de Erfolgsorte zijn enkel bevoegd om kennis te nemen van de schade die in het land van de aangezochte rechter is veroorzaakt (HvJ 7 maart 1995, zaak C-68/93, Shevill, Ixora, Chequepoint SARL/Presse Alliance SA, punt 33).

Dat is anders in de virtuele wereld, waar Handlungsort en Erfolgsort nog minder samenvallen dan in bovengenoemde situaties; er kan zelfs sprake zijn van meerdere Handlungsorte, omdat de landsgrenzen niet langer relevant zijn. Om een nog enigszins fysieke afbakening van dit virtuele probleem te geven: beledigende content kan via servers op verschillende territoria simultaan worden gelanceerd. De vordering tot vergoeding van de volledige schade kan worden ingediend bij de rechter van de lidstaat waar de uitgever van de beledigende content is gevestigd én bij de rechters van de lidstaten waar het slachtoffer het centrum van zijn belangen heeft (Handlungsorte). In plaats van de vordering van de volledige schadevergoeding, kan het slachtoffer ook een vordering indienen bij de rechters van de lidstaten waar de content toegankelijk is (geweest), enkel voor de schade die is veroorzaakt op het grondgebied van deze aangezochte rechters (Erfolgsorte), zie HvJ 25 oktober 2011, zaken C-509/09 en C-161/10, eDate Advertising/X-Olivier Martinez/MGN.

Let op het onderscheid met het op de onrechtmatige daad toepasselijke recht. Brussel I-Bis ziet op de bevoegdheidsvraag. De vraag naar het toepasselijke recht wordt beheerst door de Rome II-Verordening. Bij een onrechtmatigedaadsvordering die gegrond wordt op Rome II, is slechts het Erfolgsort bepalend (art. 4 lid 1 Rome II). In het geval van beledigende internetpublicaties wordt het Erfolgsort vastgesteld aan de hand van de plaats waar benadeelde het "centrum van haar belangen heeft". Voor uitleg van dit criterium verwijst de Hoge Raad in HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1054 (X/Dahabshiil) naar HvJEU 25 oktober 2011, zaken C-509/09 en C-161/10, eDate Advertising/X-Olivier Martinez/MGN. Het "verspreidingscriterium", ontwikkeld voor fysieke publicaties (Shevill/Presse Alliance), leent zich niet goed voor de internetbelediging, omdat de internetpublicatie in beginsel voor iedereen onmiddellijk toegankelijk is (HvJEU 25 oktober 2011, zaken C-509/09 en C-161/10 (eDate Advertising/X en Olivier Martinez/MGN), punt 45-46).

Ten aanzien van productaansprakelijkheid is de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis, het Handlungsort, de plaats van vervaardiging van de producten (HvJ 16 januari 2014, zaak C-45/13, Kainz/Pantherwerke). De plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, het Erfolgsort, is de plaats waar de initiële schade is ingetreden bij normaal gebruik van het product voor het doel waarvoor het bestemd is (HvJ 16 juli 2009, zaak C-189/08, Zuid-Chemie/Philippo's Mineralenfabriek).

De rechter die ex. art. 7 punt 2 Brussel I-Bis bevoegd is om kennis te nemen van de vordering op grond van de onrechtmatige daad, is niet bevoegd ten aanzien van het gedeelte van de vordering dat is gebaseerd op de verbintenis uit overeenkomst (bijv. wanprestatie) (Kalfelis/Schröder). Voor dat deel van de vordering is eiser aangewezen op art. 7 punt 1, waarvoor de plaats van uitvoering van de verbintenis dan wel de plaats van levering van goederen c.q. verstrekking van diensten doorslaggevend is voor de bevoegdheid van de rechter. Om te voorkomen dat de vordering aan verschillende gerechten moet worden voorgelegd, kan eiser de hoofdregel van art. 4 Brussel I-Bis volgen: forum rei.

7. Exclusieve bevoegdheid (art. 24 Brussel I-Bis)
De exclusieve bevoegdheid is geregeld in art. 24 Brussel I-Bis. Anders dan bij de alternatieve fora het geval is, derogeert de exclusieve bevoegdheid aan de hoofdregel (forum rei, art. 4) én de alternatieve bevoegdheden. In de literatuur worden art. 10 t/m 16 (verzekeringszaken), art. 17 t/m 19 (consumentenovereenkomsten), art. 20 t/m 23 (individuele arbeidsovereenkomsten), art. 24 (exclusieve bevoegdheid), art. 25-26 (forumkeuze) en art. 35 (voorlopige en bewarende maatregelen) als 'bijzondere bevoegdheden' genoemd.

Dit schept verwarring. Ten eerste omdat de 'bijzondere bevoegdheden' zijn ondergebracht in Afdeling 3, waar alternatieve fora worden opgesomd. Ten tweede omdat wordt beweerd dat de bijzondere bevoegdheden derogeren aan de hoofdregel en de alternatieve fora, terwijl een aantal van de hiervoor genoemde artikelen nu juist alternatieve fora bieden. De terminologie "bijzondere bevoegdheden" wordt dus niet zuiver gehanteerd.

Om die reden gebruik ik slechts de term 'exclusieve bevoegdheid' waar de wet die met zoveel woorden toekent aan eiser. Waar andere auteurs van 'bijzondere bevoegdheden' spreken, hanteer ik 'uitzonderingen' (zie paragraaf 4 van het eerste deel van dit bericht).

Terug naar de exclusieve bevoegdheid: die derogeert aan alle andere bevoegdheidsbepalingen, zoals volgt uit de zinsnede "Ongeachte de woonplaats van partijen, zijn bij uitsluiting bevoegd.." (art. 24 Brussel I-Bis, aanhef). De bevoegdheid van het gerecht heeft duidelijk een territoriale aard. De eerste categorie ziet op zakelijke rechten op huur en verhuur, pacht en verpachting. Bevoegd is de rechter van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen in (art. 24 punt 1). De tweede categorie betreft de geldigheid, nietigheid of ontbinding van vennootschappen of rechtspersonen, of besluiten van hun organen (art. 24 punt 2). De derde categorie betreft de geldigheid van inschrijvingen in openbare registers (art. 24 punt 3). De vierde categorie betreft octrooien, merken, tekeningen en overige IE-kwesties (art. 24 punt 4). De laatste categorie ziet op de tenuitvoerlegging van beslissingen van de gerechten van de lidstaten (art. 24 punt 5).

8. Forumkeuzebevoegdheid (art. 25-26 Brussel I-Bis)
8.1. formeel toepassingsgebied 
Het formele toepassingsgebied van art. 25 Brussel I-Bis is ruim. Het enige criterium voor de formele toepassing is, dat de aangewezen rechter een rechter van een EU-lidstaat is. Een band tussen het aangewezen gerecht en de partijen is niet vereist (HvJ 16 maart 1999, zaak C-159/97, Castelletti/Trumpy). Ook partijen uit landen die géén lid zijn bij de EEX-Verordening II, kunnen een beroep doen op de rechter van een EU-lidstaat. Een forumkeuzeovereenkomst waarin een Engelse rechter wordt aangewezen door een ondernemer uit China en de VS is dus geldig, behoudens de toepasselijkheid van het Haags Forumkeuzeverdrag en de ratificatie door landen die hebben getekend (China, VS, Oekraïne en Montenegro).

8.2. Vereisten aan de forumkeuzeovereenkomst
De eisen die worden gesteld aan de forumkeuzeovereenkomst, zijn limitatief opgesomd in art. 25 Brussel I-Bis. De autonome bepaling brengt mee dat de lidstaten geen vormvereisten mogen stellen (HvJ 24 juni 1981, zaak 150/80, Elefanten Schuh/Jacqmain).

Iets anders is, dat de materiële geldigheid o.g.v. het toepasselijke recht van de aangezochte rechter beoordeeld wordt: de forumkeuzeovereenkomst kan krachtens het nationale recht van de lidstaat nietig zijn. Niet alleen het materieel nationaal recht is bepalend, ook de conflictregels van de lidstaat (overweging 20 van de preambule van Brussel I-Bis). Wat betreft het Nederlands conflictenrecht moet art. 10:154 BW worden geraadpleegd. Is de forumkeuzeovereenkomst (of het forumkeuzebeding) nietig, dan is de aangewezen rechter onbevoegd.

Het forumkeuzebeding kan rechtsgeldig in de statutaire bepalingen van een vennootschap worden opgenomen (HvJ 10 maart 1992, zaak C-214/89, Duffryn/Petereit). De forumkeuzeclausule kan ook in een verbintenis uit overeenkomst worden vastgelegd. Dat de forumkeuzeovereenkomst "vormvrij" voorkomt, betekent niet dat de vormvereisten minder te gelden hebben. Een mondeling akkoord over de plaats van uitvoering dat enkel dient als forumkeuzebeding, is slechts geldig, indien de voorwaarden uit art. 25 Brussel I-Bis in acht zijn genomen (HvJ 20 februari 1997, zaak C-106/95, MSG/Les Gravières Rhénanes).

In aansluiting op art. 9 van het Weens Koopverdrag kan de overeenkomst tot aanwijzing van de rechter ook gesloten worden in een vorm die wordt toegelaten door de handelswijzen die tussen partijen gebruikelijk zijn geworden (art. 25 punt 1 sub b Brussel I-Bis). Een forumkeuzebeding kan in de algemene voorwaarden van één van de partijen zijn opgenomen. Bepalend is, of de wederpartij het beding kent of (subjectieve normering) had kunnen kennen. De schriftelijke bevestiging (art. 25 punt 1 sub a Brussel I-Bis) is in dit geval niet vereist.

De forumkeuze kan ten slotte worden overeengekomen in een vorm die overeenstemt met een gewoonte die in de internationale handel gebruikelijk is, die algemeen bekend is en waarmee partijen op de hoogte zijn of behoren te zijn en die door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen (art. 25 punt 1 sub c Brussel I-Bis). Niet is vereist dat de handelswijze in bepaalde of alle lidstaten geldt (HvJ 16 maart 1999, zaak C-159/97, Castelletti/Trumpy).

8.3. Beperkingen
Er bestaat een aantal beperkingen op de forumkeuzevrijheid. Zo volgt uit de aanhef van art. 25 punt 1 Brussel I-Bis, dat de forumkeuze dient te worden gemaakt ten aanzien van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan. De bepaalbaarheid is een vereiste. De forumkeuze mag daarnaast niet beperkt zijn tot uitsluitend interne gevallen. De bevoegdheid volgens EEX-Vo II heeft betrekking op internationale gevallen.

De forumkeuze mag niet in strijd zijn met de beschermende artikelen 15 (verzekeringen), 19 (consumentenovereenkomsten) of 23 (arbeidsovereenkomsten), zie art. 25 punt 4 Brussel I-Bis.
Bovendien derogeert de exclusieve bevoegdheid van art. 24 Brussel I-Bis aan de forumkeuzevrijheid (art. 25 punt 4 Brussel I-Bis).

Opvallend is dat het forumkeuzebeding aangemerkt wordt als 'losstaand' van de overeenkomst. Eventuele ongeldigheid van de litigieuze overeenkomst tast het forumkeuzebeding niet aan. Een exceptie van ongeldigheid van de overeenkomst is dan ook zonder gevolg (art. 25 punt 5 Brussel I-Bis).

8.4. Stilzwijgende forumkeuze (art. 26 Brussel I-Bis)
Het is omstreden dat partijen gebonden kunnen zijn aan een beding dat of overeenkomst die zij niet hebben aanvaard. Daarom moet worden nagegaan of sprake was van wilsovereenstemming. Daartoe dienen de vormvoorschriften die aan de forumkeuzeovereenkomst worden gesteld (HvJ 20 februari 1997, zaak C-106/95, MSG/Les Gravières Rhénanes).

De stilzwijgende forumkeuze kan slechts worden aangenomen, wanneer verweerder voor het gerecht van een lidstaat verschijnt, zonder de bevoegdheid van het gerecht te betwisten. Ook hier derogeert de exclusieve bevoegdheid (art. 24 Brussel I-Bis) aan de stilzwijgende forumkeuze.

De stilzwijgende forumkeuze mag wel worden tegengeworpen aan de beschermende bevoegdheden. Gelet op het doel van de uit de afdelingen 3 tot en met 5 van hoofdstuk II van (EEX-Vo II) Brussel I-Bis voortvloeiende bevoegdheidsregels, dat erin bestaat de zwakst geachte partij een ruimere bescherming te bieden, staat het het aangezochte gerecht evenwel altijd vrij zich ervan te gewissen of de in die omstandigheden voor hem opgeroepen verweerder zich ten volle bewust is van de gevolgen van zijn aanvaarding om te verschijnen (HvJ 20 mei 2010, zaak C-111/09, Česká podnikatelská pojišťovna/Bilas, punt 30 en 32-33).

Wanneer de verweerder die op het grondgebied van een lidstaat woont, voor het gerecht van een andere lidstaat wordt opgeroepen en niet verschijnt (verstekzaken), dient het gerecht zich ambtshalve onbevoegd te verklaren, indien zijn bevoegdheid niet berust op EEX-Vo II (art. 28 punt 1 Brussel I-Bis). Het gerecht is verplicht om de zaak aan te houden zolang niet vaststaat dat de dagvaarding of een ander inleidend stuk door verweerder is ontvangen (art. 28 punt 2 Brussel I-Bis).

9. Litispendentie 
Litispendentie houdt in dat een zaak bij een gerecht (van een lidstaat) wordt aangebracht, terwijl reeds over hetzelfde onderwerp een geschil aanhangig is bij een ander gerecht. De oude EEX-Verordening bepaalde ten aanzien van litispendentie, dat de laatst geadieerde rechter de zaak aan zich diende te houden tot de eerst geadieerde rechter over zijn bevoegdheid had beslist. Eerst wanneer de eerst geadieerde rechter zich bevoegd verklaarde, diende de laatst aangezochte rechter zich onbevoegd te verklaren (art. 27 EEX-Vo I (oud)).

9.1. Een einde aan de torpedostrategie?
De oude regeling heeft strategisch procederen in de hand gewerkt. Partijen konden een zaak aanhangig maken bij een willekeurige rechter, zelfs als op de rechtsbetrekking een forumkeuzeovereenkomst van toepassing was. Aangezien de eerst aangezochte rechter- de forumkeuzeovereenkomst ten spijt- eerst over zijn bevoegdheid diende te beslissen, konden procedures met jaren worden vertraagd om een inhoudelijk oordeel door de krachtens de forumkeuzeovereenkomst bevoegde rechter tegen te houden ("Italiaanse torpedo", vernoemd naar de beruchte lethargische Italiaanse procesgang in internationale zaken).

De huidige hoofdregel ten aanzien van litispendentie is als volgt: wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, die hetzelfde onderwerp betreffen, houdt het laatst geadieerde gerecht de zaak ambtshalve aan, totdat de bevoegdheid van de eerst geadieerde rechter vaststaat (art. 29 punt 1 Brussel I-Bis). Andersom dient het laatst geadieerde gerecht zich onbevoegd te verklaren, als de bevoegdheid van de eerst aangezochte rechter vaststaat (art. 29 punt 3 Brussel I-Bis).

Het verschil met de oude regeling schuilt in de bepalingen die in art. 31 zijn opgenomen. Dit artikel dient te worden gelezen in samenhang met punt 22 van de preambule ("doeltreffendheid van forumkeuzeovereenkomsten"). Wanneer een zaak wordt aangebracht bij het gerecht van een lidstaat dat op grond van het forumkeuzebeding bij uitsluiting bevoegd is, houdt elk gerecht van de andere lidstaten, onverminderd art. 26, de uitspraak aan totdat het krachtens de overeenkomst aangezochte gerecht verklaart geen bevoegdheid aan de forumkeuzeovereenkomst te ontlenen (art. 31 punt 2 Brussel I-Bis).

Indien het in de overeenkomst aangewezen gerecht zijn bevoegdheid in overeenstemming met de forumkeuzeovereenkomst heeft vastgesteld, verklaren de overige aangezochte gerechten zich onbevoegd (art. 31 punt 3 Brussel I-Bis). Uit het huidige art. 31 Brussel I-Bis blijkt dus dat de rechter die in het forumkeuzebeding is aangewezen, voorrang krijgt. Op deze wijze dient de "Italiaanse torpedo" te worden bestreden.

Een uitzondering wordt gemaakt in de gevallen waarin de beschermingsbepalingen van toepassing zijn: de leden 2 en 3 zijn niet van toepassing op aangelegenheden als bedoeld in afdelingen 3, 4 of 5, indien een polishouder, een verzekerde, een begunstigde van de verzekeringsovereenkomst, een benadeelde partij, een consument of werknemer de eiser is en de forumkeuzeovereenkomst niet geldig is krachtens deze afdelingen (art. 31 punt 4 Brussel I-Bis).

10. Voorlopige en bewarende maatregelen (art. 35 Brussel I-Bis) (Uden/Deco Line en Mietz)
Voorlopige en bewarende maatregelen die in de wetgeving van een lidstaat zijn vastgesteld, kunnen bij de gerechten van die lidstaat worden aangevraagd, zelfs als het gerecht van een andere lidstaat bevoegd is om kennis te nemen van het bodemgeschil. Het doel van art. 35 is de handhaving van een feitelijke of juridische situatie ter bewaring van de rechten waarvan de erkenning langs andere weg wordt gevraagd voor de rechter die van het bodemgeschil kennis neemt (HvJ 26 maart 1992, C-261/90, Reichert en Kockler/Dresdner Bank).

Belangrijk is dat de gevorderde maatregelen onder de materiële werkingssfeer van EEX-Vo II vallen. Toepassing van art. 35 Brussel I-Bis is afhankelijk van het bestaan van een reële band tussen het voorwerp van de gevorderde maatregel en de op territoriale criteria gebaseerde bevoegdheid van de lidstaat van de aangezochte rechter. Met andere woorden: de voorlopige en bewarende maatregelen kunnen alleen worden getroffen -dat spreekt voor zich, maar het Hof besteedt er uitgebreid aandacht aan- in de staat waar de maatregelen geëffectueerd moeten worden (HvJ 17 november 1998, zaak C-391/95, Van Uden/Deco Line).

Ik blijf nog even bij laatstgenoemde arrest, Van Uden/Deco Line. Onder de reikwijdte van art. 35 Brussel I-Bis valt ook het kort geding. De betaling van een voorschot, het zogenaamde "incasso kort geding", wordt in beginsel echter niet bestreken door art. 35 Brussel I-Bis. Het incasso kort geding wordt slechts als "voorlopige en bewarende maatregel" in de zin van art. 35 beschouwd, indien gegarandeerd is dat het toegewezen bedrag aan de verweerder wordt terugbetaald, indien de eiser in het bodemgeschil in het ongelijk wordt gesteld én de gevorderde maatregel slechts betrekking heeft op bepaalde vermogensbestanddelen die zich in de territoriale bevoegdheidssfeer van de aangezochte rechter bevinden (zie ook HvJ 27 april 1999, zaak C-99/96, Mietz/Intership Yachting).
De verplichte zekerheidstelling onder EEX-Vo II biedt de verweerder dus betere bescherming dan het conservatoir beslag naar nationaal recht (art. 700 Rv). Naar Nederlands recht is de zekerheidstelling ex. art. 701 Rv immers geen verplichting.

Onder de voorlopige maatregel kan tevens het veiligstellen van voorlopig bewijs worden begrepen. Het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor om in te schatten of een eventuele vordering opportuun is, valt echter niet onder "voorlopige en bewarende maatregelen" (HvJ 28 april 2005, zaak C-104/03, St. Paul Dairy/Unibel Exser).

Het begrip "bewarende maatregelen" moet eng worden uitgelegd. De actio Pauliana die gericht is op een wijziging van de rechtstoestand van het vermogen van de schuldenaar en het vermogen van degene die door de paulianeuze beschikkingshandeling van de schuldenaar is begunstigd, valt niet onder art. 35 Brussel I-Bis (Reichert en Kockler/Dresdner Bank).


zaterdag 13 januari 2018

Internationale rechterlijke bevoegdheid op grond van EEX-Vo II/ Brussel I-Bis

Overzicht
1.    Inleiding;
2.    Materieel toepassingsgebied Brussel I-Bis;
3.    Formeel toepassingsgebied Brussel I-Bis;
4.    Bevoegdheid algemeen: hoofdregel en uitzonderingen;
5.    Alternatief forum: verbintenissen uit overeenkomst;
5.1. De kwalificatie van de verbintenis;
5.2. Uitgesloten van toepassing van art. 7 punt 1 Brussel I-Bis;
5.3. Verschillende plaatsen van uitvoering;
5.4. Onduidelijkheden over de plaats van uitvoering: Besix en Tessili/Dunlop;
5.5. De categorieën van art. 7 punt 1 sub a-c Brussel I-Bis

1. Inleiding
Verordening (EU) nr. 1215/2012 (Herschikking EEX) betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, in het kort EEX-Vo II of Brussel I-Bis, beperkt het internationale commune bevoegdheidsrecht van de lidstaten. De term "internationaal commuun bevoegdheidsrecht" is verwarrend, omdat hieronder de bepalingen inzake de rechtsmacht van de nationale rechter worden begrepen. Het commune bevoegdheidsrecht voor de Nederlandse rechter is neergelegd in art. 1-14 Rv.

EEX-Vo II brengt uniformering in het internationaal bevoegdheidsrecht binnen de Europese lidstaten. De bevoegdheidsbepalingen van art. 1-14 Rv zijn in grote mate afgestemd op de Verordening, al zijn er enkele belangrijke afwijkingen die in een volgend bericht zullen worden behandeld.

Let erop, dat sinds 1 oktober 2015 het Verdrag inzake bedingen van forumkeuze 's Gravenhage van 1 oktober 2015 (Haags forumkeuzeverdrag) van toepassing is op partijen bij het verdrag. Het Haags forumkeuzeverdrag komt in grote lijnen overeen met de herschikte EEX-Vo: zo bevat art. 1 en 2 van het Haags forumkeuzeverdrag soortgelijke beperkingen van het materiële toepassingsgebied en worden aan het forumkeuzebeding (art. 3 Haags forumkeuzeverdrag) vergelijkbare eisen gesteld. Het formele toepassingsgebied, de exclusieve bevoegdheid van de rechter, wordt bepaald door art. 5 van het forumkeuzeverdrag. Wordt, ondanks het forumkeuzebeding, een andere rechter aangezocht, dan dient deze de procedure te schorsen of de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij het beding nietig is (art. 6 Haags forumkeuzeverdrag). Brussel I-Bis kan opzij worden gezet, als een partij van buiten de EU woonplaats heeft op het grondgebied van een partij bij het Haags Forumkeuzeverdrag.

Op grond van de forumkeuzebevoegdheid van art. 25 Brussel I-Bis kunnen partijen van buiten de EU ook binnen de EU procederen. Het verstrekkende internationale bereik van Brussel I-Bis kan dus niet worden onderschat.

De bevoegdheidstoetsing in internationale casus geschiedt volgens een bepaald schema. Voordat aan de bijzondere bevoegdheidsregels (alternatieve fora en exclusieve fora) wordt toegekomen, dienen het materiële en formele toepassingsgebied van de zaak te worden vastgesteld.

2. Materieel toepassingsgebied (art. 1 Brussel I-Bis)
Brussel I-Bis wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht.  De toepassing ervan wordt uitgesloten in fiscale zaken, douanezaken en administratiefrechtelijke zaken, evenals in zaken betreffende de aansprakelijkheid van de staat wegens handelen of nalaten bij acta iure imperii, het handelen door de Staat in de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden (vgl. HvJ 16 december 1980, zaak 814/79, Staat der Nederlanden/Rüffer; HvJ 28 april 2009, zaak C-420/07, Apostolides/Orams).

De verordening is ook niet van toepassing op de staat en bevoegdheid van natuurlijke personen, huwelijkvermogensrecht, arbitrage, faillissementen en akkoorden, sociale zekerheid, testamenten, onderhoudsverplichtingen en erfrecht (art. 1 lid 2 Brussel I-Bis).

Let op het onderscheid tussen het materiële en formele toepassingsgebied. Het materiële toepassingsgebied ziet niet op de bevoegdheid van het gerecht, maar op de toepassing van de herschikking van EEX-Vo op in de verordening bepaalde zaken. Het formele toepassingsgebied ziet daarentegen wél op de bevoegdheid van het gerecht. De hoofdregel voor de internationale rechterlijke bevoegdheid wordt in art. 4 Brussel I-Bis gegeven. De bevoegdheidsregeling valt onder het 'formele toepassingsgebied', al wordt dit begrip niet met zoveel woorden in art. 4 Brussel I-Bis genoemd.

3. Formeel toepassingsgebied (art. 4 e.v. Brussel I-Bis)
De woonplaats van de verweerder is bepalend voor het formele toepassingsgebied van de bevoegdheidsregeling (art. 4 Brussel I-Bis). De nationaliteit is niet van betekenis (art. 4 lid 2 Brussel I-Bis). Forum actoris is onder de voorganger van EEX-Vo II exorbitant verklaard, forum rei is dus de hoofdregel.

De woonplaats van een natuurlijke persoon wordt vastgesteld volgens het interne recht van de lidstaat (art. 62 Brussel I-Bis). Woont de verweerder buiten de EU, dan valt de zaak niet onder het formele toepassingsbereik van Brussel I-Bis en is het commune internationale bevoegdheidsrecht beslissend (art. 6 lid 1 Brussel I-Bis).

De woonplaats van een rechtspersoon wordt autonoom bepaald; Brussel I-Bis geeft aan dat de woonplaats van de rechtspersoon wordt bepaald aan de hand van de statutaire zetel, het hoofdbestuur of de hoofdvestiging (art. 63 lid 1 Brussel I-Bis).

Op de hoofdregel van het formele toepassingsgebied bestaat een aantal uitzonderingen. Zo kan de gedaagde worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van eiser in zaken betreffende consumentenovereenkomsten (art. 18 Brussel I-Bis) en in zaken betreffende arbeidsovereenkomsten (art. 21 Brussel I-Bis). Deze bepalingen geven uitdrukking aan de beschermingsgedachte, waarmee kan worden geconstateerd dat forum actoris niet geheel van het internationale toneel is verdwenen. Andere uitzonderingen op de hoofdregel zijn de exclusieve bevoegdheid (art. 24 Brussel I-Bis) en de forumkeuzebepaling (art. 25 Brussel I-Bis).

4. Bevoegdheid algemeen: hoofdregel en uitzonderingen
De hoofdregel voor de internationale rechterlijke bevoegdheid is gegeven in art. 4 Brussel I-Bis: forum rei. Bijzondere bevoegdheden zijn gegeven in art. 7 en 8 (alternatieve fora) en 9 Brussel I-Bis. Deze bevoegdheidsregels derogeren niet aan de hoofdregel, maar worden als alternatief geboden.
Uitzonderingen op de hoofdregel worden gevormd door bevoegdheden betreffende verzekeringszaken (art. 10-16), consumentenovereenkomsten (art. 17-19) en arbeidsovereenkomsten (art. 20-23), exclusieve bevoegdheid (art. 24), forumkeuze (art. 25) stilzwijgende forumkeuze (art. 26), litispendentie (art. 29-34) en voorlopige maatregelen (art. 35).

Hieronder zal ik nader ingaan op twee belangrijke alternatieve fora, te weten de bevoegdheid inzake de verbintenis uit overeenkomst en onrechtmatige daad. Daarna zal ik achtereenvolgens aandacht besteden aan de exclusieve bevoegdheidsregeling, forumkeuzebevoegdheid en litispendentie.

5. Alternatief forum: verbintenissen uit overeenkomst
5.1. de kwalificatie van de verbintenis
Alternatief bevoegd is de rechter van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd (art. 7 punt 1 sub a Brussel I-Bis). Aan het begrip "verbintenissen uit overeenkomst" wordt een autonome uitleg gegeven, waarbij aansluiting moet worden gezocht bij het stelsel en doelstellingen van het verdrag; de kwalificatie mag niet worden bepaald door het nationale recht van de aangezochte rechter (lex fori) of het op de rechtsbetrekking van toepassing zijnde rechtsstelsel (lex causae) (HvJ 17 juni 1992, zaak C-26/91, Handte&Co/Traitements Mécano-Chimiques, punt 10).

Veel duidelijkheid schept deze regel niet. Het begrip "verbintenissen uit overeenkomst" wordt door het Hof slechts negatief geformuleerd: het begrip mag niet aldus worden uitgelegd, dat verbintenissen uit onrechtmatige daad daaronder worden begrepen (daarvoor zij verwezen naar art. 7 punt 2 Brussel I-Bis). Civiele aansprakelijkheidsvorderingen vloeien wel voort uit "verbintenissen uit overeenkomst", indien de verweten gedraging kan worden beschouwd als niet-nakoming van de contractuele verbintenis (HvJ 13 maart 2014, zaak C-548/12, Brogsitter/Fabrication de Montres Normandes). De term 'contractuele verbintenis' wordt gebruikt om onderscheid met de onrechtmatige daad aan te brengen.

5.2. uitgesloten van toepassing van art. 7 punt 1 Brussel I-Bis
Ook als bepaalde rechtsverhoudingen als verbintenis uit overeenkomst kwalificeren, kan de toepassing van art. 7 punt 1 worden uitgesloten. Zo kan de verbintenis buiten het materiële toepassingsgebied van Brussel I-Bis vallen (bijv. acta iure imperii) of onder de bijzondere bevoegdheidsregels worden gebracht. De consumentenovereenkomst valt dus niet onder het alternatieve forum van art. 7 Brussel I-Bis, maar onder de bevoegdheidsregels van art. 17-19 Brussel I-Bis, die aan de hoofdregel en de alternatieve bevoegdheidsbepalingen derogeren.

5.3. verschillende plaatsen van uitvoering
De plaats waar de verbintenis is of moet worden uitgevoerd, is bepalend voor de bevoegdheid van de rechter. In de praktijk is het gebruikelijk dat uit een overeenkomst tussen twee ondernemingen, meerdere verbintenissen voortvloeien, die niet ieder op één plaats worden uitgevoerd. Twee oplossingen zijn mogelijk. Is uit meerdere verbintenissen één aan te wijzen die de overeenkomst het meest karakteriseert, dan is de rechter van de plaats van uitvoering van de verbintenis die de overeenkomst karakteriseert, bevoegd om kennis te nemen van alle verbintenissen. Bij het bepalen van zijn bevoegdheid zal de rechter zich dus moeten laten leiden door het beginsel dat de bijzaak de hoofdzaak volgt, "accessorium sequitur principale" (HvJ 15 januari 1987, zaak 266/85, Shevanai/Kreischer, punt 19).

Is geen hoofdzakelijke verbintenis aan te wijzen, dan is steeds de rechter van de plaats van uitvoering van de verbintenis bevoegd (HvJ 5 oktober 1999, zaak C-420/97, Leathertex/Bodetex). Het moet niet uit het oog worden verloren, dat de bevoegdheid op grond van art. 7 punt 1 Brussel I-Bis alternatief is. Om te voorkomen dat in meerdere lidstaten moet worden geprocedeerd, biedt de hoofdregel, forum rei, uitkomst: de eiser brengt zijn vordering aan bij de woonplaats van gedaagde (art. 4 Brussel I-Bis).

5.4. Onduidelijkheden over de plaats van uitvoering: Besix en Tessili/Dunlop
De bijzondere bevoegdheidsregel van art. 7 punt 1 Brussel I-Bis is niet van toepassing, indien de plaats van uitvoering niet kan worden bepaald, omdat de litigieuze verbintenis uit overeenkomst bestaat uit een overeenkomst om niet te doen, zonder enige geografische beperking (HvJ 19 februari 2002, zaak C-256/00, Besix/WABAG).

Voor het geval waarin de verbintenis niet is uitgevoerd en in de overeenkomst niets is opgenomen omtrent de plaats van uitvoering, is de Tessili/Dunlop-leer richtinggevend. De 'plaats van uitvoering van de verbintenis' is geen autonoom begrip. Om aan de hand van de wet te kunnen bepalen waar de verbintenis moet worden uitgevoerd, is de lex causae, het op de overeenkomst toepasselijke recht, doorslaggevend: de verwijzing in het verdrag naar de plaats van uitvoering van contractuele verbintenissen kan slechts worden opgevat als een verwijzing naar het volgens de collisieregels van de aangezochte rechter toepasselijke materiële recht.

Om zijn bevoegdheid op grond van art. 7 punt 1 vast te kunnen stellen, dient de rechter:
1. naar zijn eigen conflictregels/collisieregels te bepalen welk rechtsstelsel op de gegeven rechtsbetrekking van toepassing is;
2. overeenkomstig dit rechtsstelsel de plaats van uitvoering van de litigieuze verbintenis vast te stellen.
(HvJ 6 oktober 1976, zaak 12-76, Tessili Italiana Como/Dunlop AG)

5.5. De categorieën van art. 7 punt 1 sub a-c Brussel I-Bis
Op grond van art. 7 punt 1 sub a is bevoegd, de rechter van de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag is gelegd. Het systeem van de verwijzingscategorieën van art. 7 sub 1 onder a-c brengt mee, dat Tessili/Dunlop onder categorie a ondergebracht moet worden.

In Tessili/Dunlop is géén plaats van uitvoering afgesproken. In eerste instantie valt categorie a dus af. Categorie b bepaalt dat de plaats van uitvoering de plaats is, waar volgens de verbintenis uit koop en verkoop of uit de dienstenovereenkomst, roerende lichamelijke zaken geleverd, respectievelijk diensten verstrekt dienen te worden. Bij zowel koop als dienstverlening dient de uitvoering binnen een EU-lidstaat plaats te vinden.

Is niet voldaan aan één van deze criteria (koop of dienst, plaats van levering vastgelegd in de overeenkomst, uitvoering binnen de EU), dan wijst categorie c terug naar categorie a.  In Tessili/Dunlop wordt aan de hand van de lex causae vastgesteld welk recht toepasselijk is en waar de verbintenis uitgevoerd had moeten worden. Dit oordeel leidt ertoe dat de bevoegdheid op art. 7 punt 1 sub a gegrond wordt.

5.5.1. Categorie b
De formulering van art. 7 punt 1 sub b ('categorie b') Brussel I-Bis is helder. Is de plaats van levering of de dienstverlening in de overeenkomst vastgelegd, is de levering of verrichting binnen de EU bepaald en is sprake van een overeenkomst tot koop of dienstverlening, dan kan de bevoegdheid van de aangezochte rechter in beginsel worden vastgesteld via sub b.

Er kunnen ten aanzien van de plaats van levering of verstrekking van diensten onduidelijkheden bestaan, bijvoorbeeld wanneer meerdere plaatsen van levering of dienstverlening zijn afgesproken.
Het Hof geeft de volgende oplossingen:

a. Kan de plaats van levering niet uit de overeenkomst worden opgemaakt, dan is de plaats van de materiële (feitelijke) overdracht van de goederen de plaats van levering in de zin van sub b (HvJ 25 februari 2010, zaak C-381/08, Car Trim/KeySafety);
b. Is een verscheidenheid van leveringsplaatsen binnen één EU-lidstaat afgesproken, dan is het gerecht binnen het rechtsgebied van de hoofdlevering bevoegd. Wat de 'plaats van hoofdlevering' is, moet aan de hand van economische factoren worden vastgesteld. Bij gebrek aan doorslaggevende factoren mag de eiser de verweerder voor het gerecht van de leveringsplaats van zijn keuze oproepen (HvJ 3 mei 2007, zaak C-386/05, Color Drack/Lexx);
c. Vindt de levering c.q. dienstverrichting plaats in meerdere lidstaten, dan is het gerecht van de lidstaat van de hoofdzakelijke verrichting bevoegd (HvJ 11 maart 2010, zaak C-19/09, Wood Floor Solutions/Silva Trade);
d. Voor een agentuurovereenkomst is die plaats de plaats waar de diensten van de handelsagent hoofdzakelijk worden verricht, zoals die blijkt uit de bepalingen van de overeenkomst, alsmede, bij gebreke van dergelijke bepalingen, uit de daadwerkelijke uitvoering van de overeenkomst en, indien de plaats op die grondslag niet kan worden bepaald, de woonplaats van de handelsagent (Wood Floor/Silva Trade).

Conclusie: alternatieve fora niet mogelijk? Forum rei biedt uitkomst
Bij dit alles moet niet uit het oog worden verloren, dat art. 7 Brussel I-Bis een alternatief forum biedt. Wanneer het in het geheel niet mogelijk is om een zaak betreffende verbintenissen uit overeenkomst onder de bevoegdheidsbepalingen van art. 7 punt 1 sub a of b onder te brengen, dan rest nog altijd de hoofdregel: forum rei, het gerecht van de woonplaats van verweerder, art. 4 Brussel I-Bis.

Internationale bevoegdheid: hoofdregel en uitzonderingen binnen het systeem van Brussel I-Bis



zondag 11 juni 2017

Burgerlijk procesrecht in zaken van personen- en familierecht en scheidingszaken

1. Rechtspleging in zaken betreffende personen- en familierecht (art. 798-813 Rv): rechtspleging in andere zaken dan scheidingszaken

De algemene regeling van de verzoekschriftprocedure (art. 261-291 Rv) is van toepassing op zaken betreffende het personen- en familierecht. In de bijzondere procedurele regelingen wordt aangegeven, wanneer van deze algemene regeling wordt afgeweken. Hetzelfde heeft te gelden ten aanzien van de rechtspleging in scheidingszaken op grond van art. 815-828 Rv.

1.1. Bevoegdheid rechter
De (interne) bevoegdheid wordt per onderwerp geregeld in Boek 1 BW; de relatieve bevoegdheid is ten aanzien van enkele specifieke personen- en familiezaken geregeld in de art. 262-270 Rv. Zie voor de relatieve bevoegdheid inzake curatele, onderbewindstelling of mentorschap art. 266 Rv.

1.2. Belanghebbenden
Voor de toepassing van art. 798-813 Rv wordt onder belanghebbende verstaan, degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft (art. 798 lid 1 Rv). Géén belanghebbenden zijn "degenen wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn en die kunnen worden opgeroepen om ter terechtzitting te verschijnen"; deze vallen onder de categorie "anderen", vgl. art. 800 lid 2 Rv en 802 Rv.

In zaken van curatele, onderbewindstelling of mentorschap, worden bovendien de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel en kinderen of ouders, broers en zusters als belanghebbenden aangemerkt (art. 789 lid 2 Rv).

1.3. Indiening verzoekschrift (art. 799 Rv)
Het verzoekschrift moet voldoen aan de criteria die worden gesteld in art. 278 lid 1 Rv. Daarnaast worden vermeld de gegevens van anderen die een verklaring kunnen geven die voor de beoordeling van het verzoek van betekenis zijn. Bij de griffie worden de stukken die kunnen dienen tot bewijs van de gestelde feiten overgelegd (art. 799 lid 2 Rv).

1.4. Oproeping (art. 800 Rv) en alimentatiezaken (art. 801 Rv)
Tenzij de rechter aanstonds een beschikking geeft, wordt aan de belanghebbenden een afschrift van het verzoekschrift en de daarbij horende bescheiden toegezonden. De belanghebbenden worden opgeroepen voor de behandeling (art. 800 lid 1 Rv).

In zaken van levensonderhoud wordt in de oproeping van belanghebbenden een termijn vermeld waarbinnen dezen een verweerschrift in kunnen dienen. Wordt binnen die termijn geen verweerschrift ingediend, dan kan een behandeling ter terechtzitting achterwege blijven, tenzij art. 809 (jeugdige minderjarigen) toepassing vindt (art. 801 lid 1 Rv). De bepaling uit art. 801 lid 1 Rv moet bij de oproeping worden medegedeeld aan belanghebbende (art. 801 lid 2 Rv)

1.5. Mededeling en afschrift van de beschikking (art. 804, 805 Rv)
Na afloop van de behandeling deelt de rechter aan de ter terechtzitting verschenen personen mede, op welke terechtzitting de beschikking zal worden uitgesproken (art. 804 Rv).

De griffier verzendt onverwijld een afschrift van de beschikking aan de verzoeker, de verschenen belanghebbenden en de niet verschenen belanghebbenden aan wie een afschrift van het verzoekschrift is verzonden (art. 805 lid 1 Rv). Daarbij vermeldt de griffier de termijn waarbinnen en de wijze waarop hoger beroep kan worden ingesteld (art. 805 lid 2 Rv).

1.6. Rechtsmiddelen
1.6.1. Hoger beroep van de beschikking (art. 806 Rv)

De bepalingen inzake hoger beroep van de beschikking wijken af art. 358 lid 2 Rv (algemene bepaling hoger beroep tegen eindbeschikkingen). Van een beschikking kan hoger beroep worden ingesteld (art. 806 lid 1 Rv):
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

Op de procedure in hoger beroep zijn de artikelen 799 tot en met 805 lid 1 Rv van overeenkomstige toepassing.

1.6.2. Cassatie in het belang der wet (art. 807 Rv)
Tegen géén van de beschikkingen, genoemd in art. 807 onder a-e Rv, staat hoger beroep of cassatieberoep open. De betreffende beschikkingen zijn uitsluitend voorlopige voorzieningen, getroffen op grond van Boek 1 BW. Tegen deze voorzieningen is uitsluitend cassatie in het belang der wet mogelijk.

2. Rechtspleging in scheidingszaken (art. 815-828 Rv)

2.1. Toepassingen Boek 1 BW

Zie voor de toepassing van het materiële recht uit Boek 1 BW, het bericht Personen- en familierecht en scheidingszaken: echtscheiding, scheiding van tafel en bed en huwelijksontbinding.

2.1.1. Rechtsmacht en bevoegdheid rechter (Brussel II bis, art. 4 Rv)

Voor de (internationale) rechtsmacht met betrekking tot echtscheiding geldt de volgende bepaling: 'Indien de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2003 (Brussel II bis), betreffende de bevoegdheid en erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid niet van toepassing is, wordt de rechtsmacht van de rechter met betrekking tot scheidingszaken bepaald overeenkomstig de artikelen 3, 4 en 5 van deze verordening (art. 4 lid 1 Rv).
De artikelen 3-20 Brussel II bis bevatten belangrijke nadere bepalingen omtrent de rechtsmacht in scheidingszaken.

Kan de vraag, of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt in een scheidingszaak, bevestigend worden beantwoord, dan geven de leden 2 tot en met 5 van art. 4 Rv specifiek aan, ter zake van welke handelingen en voorzieningen aan de rechter rechtsmacht toekomt; zoals het artikel vermeldt, gaat het onder meer om voorlopige en bezwarende maatregelen, alsmede nietigverklaring van het huwelijk en nevenvoorzieningen.

2.1.2. Relatieve bevoegdheid

Voor de relatieve bevoegdheid van de rechter geldt de algemene bepaling van art. 262 Rv. Wijst art. 262 Rv in een scheidingszaak géén bevoegde rechter aan (wat het geval is als geen van de echtgenoten een woonplaats of plaats van werkelijk verblijf in Nederland heeft), dan is de rechter te 's-Gravenhage bevoegd (art. 269 Rv).

Dat de artikelen 262-270 Rv uitsluitend op de relatieve bevoegdheid en niet op de rechtsmacht zien, wordt benadrukt in art. 10 Rv: "De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht in het geval, bedoeld in art. 767, alsmede indien dit voortvloeit uit andere wettelijke bepalingen tot aanwijzing van een bevoegde rechter, dan die vervat in de derde afdeling van de tweede titel (relatieve bevoegdheid in dagvaardingszaken) en de tweede afdeling van de derde titel (relatieve bevoegdheid in verzoekschriftprocedures).

2.1.3. Verwijzing naar andere rechter van gelijke rang (art. 270 Rv)
Beslist de rechter dat niet hij, maar een andere rechter van gelijke rang bevoegd is, dan verwijst hij de zaak in de stand waarin deze zich bevindt, naar een andere rechter. Verwijzing vindt niet plaats, indien de verzoeker en de opgeroepen belanghebbenden hebben aangegeven geen verwijzing te wensen (art. 270 lid 1 Rv).

In scheidingszaken vindt een verwijzing slechts plaats, indien de andere echtgenoot de bevoegdheid van de rechter betwist (art. 270 lid 2 Rv). In dergelijke zaken is de stilzwijgende forumkeuze dus het uitgangspunt.

2.2. Verzoekschrift (art. 815 Rv)
Onverminderd het in art. 278 lid 1 Rv bepaalde (algemene criteria verzoekschriften), vermeldt het verzoekschrift de gegevens van de echtgenoot die niet de verzoeker is, de gegevens van diens raadsman en de gegevens van eventuele minderjarige kinderen (art. 815 lid 1 Rv).

Hebben de echtgenoten gezamenlijk minderjarige kinderen, dan dienen zij een ouderschapsplan op te stellen, waarin in ieder geval afspraken worden gemaakt over de zorgtaken, bedoeld in art. 1:247 BW en de omgangsregeling, bedoeld in art. 1:377a lid 1 BW (art. 815 lid 3 Rv).
Het verzoekschrift vermeldt over welke van de gevraagde voorzieningen overeenstemming is bereikt en over welke meningsverschil bestaat, met de gronden daarvoor (art. 815 lid 4 Rv).

2.2.2. Overlegging van stukken (art. 815 lid 5 Rv)
Bij de indiening van het verzoekschrift door de advocaat van de echtgenoot die het verzoek indient, moeten worden overgelegd:
a. een afschrift of uittreksel van de huwelijksakte;
b. bescheiden betreffende de gronden waarop de rechter ingevolge art. 4 Rv rechtsmacht heeft;
c. geboorteakten van minderjarige kinderen;
d. processtukken die betrekking hebben op de voorlopige voorzieningen, bedoeld in art. 822 en 823, indien gevraagd;
e. indien het een verzoek tot ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed betreft, een authentiek afschrift van de rechterlijke uitspraak tot scheiding van tafel en bed.

2.3. Verzoek één der echtgenoten (art. 816 Rv)
Anders dan in andere verzoekschriftprocedures meestal het geval is (vgl. art. 805 Rv), wordt het afschrift van het verzoekschrift in scheidingszaken niet door de griffier aan de belanghebbende (in dit geval: andere echtgenoot) gezonden, indien het een verzoek van één van de echtgenoten betreft. In plaats daarvan, doet de verzoekende echtgenoot binnen veertien dagen na de indiening van het verzoekschrift een afschrift daarvan betekenen aan de andere echtgenoot. Het "exploit" dient te vermelden, binnen welke termijn uiterlijk een verweerschrift ingediend kan worden en binnen welke termijn om uitstel van de indiening van het verweer kan worden verzocht. Het originele exploit wordt ter griffie ingediend (art. 816 lid 1 Rv).

De termijn bedraagt ten minste zes weken, gerekend vanaf de dag van de betekening van het exploit (art. 816 lid 2 Rv). Zijn de termijnen niet in acht genomen of lijdt het exploit aan een gebrek, dan zijn de artikelen 120 en 121 Rv van toepassing (art. 816 lid 3 Rv).

2.3.1. Uitstel verweer en zelfstandig tegenverzoek bij verzoek één der echtgenoten
Overeenkomstig art. 282 lid 4 Rv mag het verweerschrift een zelfstandig verzoek bevatten, mits dit betrekking heeft op het oorspronkelijke verzoek (connexiteitseis). De rechter kan de verzoeker de gelegenheid bieden om tegen dit zelfstandige verzoek een verweerschrift in te dienen. Ten aanzien van de indiening van verweer tegen een zelfstandig verzoek en ten aanzien van de indiening van het verweer door de echtgenoot die tijdig om uitstel heeft verzocht, bepaalt de rechter een termijn (art. 816 lid 4 Rv).

2.4. Achterwege laten behandeling ter terechtzitting (art. 818 Rv)
In afwijking van art. 279 lid 1 Rv, kan een behandeling ter terechtzitting achterwege blijven als er géén minderjarige kinderen zijn die op grond van art. 809 hun mening kenbaar moeten kunnen maken; behandeling ter terechtzitting blijft eveneens achterwege wanneer het een verzoek van één der echtgenoten betreft en niet tijdig verweer is gevoerd (art. 818 lid 1 Rv).

Op verzoek van beide echtgenoten kan de behandeling worden uitgesteld, tenzij uitstel leidt tot onredelijke vertraging (art. 818 lid 3 Rv).
De behandeling ter terechtzitting vangt niet aan vóórdat tegen een tijdig ingediend zelfstandig verzoek een verweerschrift is ingediend, tenzij de daarvoor geldende termijn is verstreken (art. 818 lid 4 Rv). Zoals blijkt uit dit artikel, geschiedt de behandeling bij voorkeur binnen één zitting.

2.5. Hoger beroep ondanks niet-verschijnen (art. 820 Rv)
In afwijking van art. 358 lid 2 Rv, kan een echtgenoot die in eerste aanleg niet is verschenen, tegen een beschikking tot (echt)scheiding of huwelijksontbinding, hoger beroep instellen binnen drie maanden nadat de beschikking aan hem in persoon is betekend of openlijk bekend is gemaakt door plaatsing van het uittreksel in de Staatscourant (art. 820 lid 1 en 2 Rv).

2.6. Voorlopige voorzieningen (art. 821-826 Rv)
In zaken van echtscheiding of scheiding van tafel en bed, kan ieder der echtgenoten bij verzoekschrift voorlopige voorzieningen als bedoeld in art. 822 en 823 vragen. De voorlopige voorziening kan worden gevraagd tot het tijdstip waarop de voorlopige voorziening ingevolge art. 826 haar kracht verliest (art. 821 lid 1 Rv).

De beschikking, houdende voorlopige voorzieningen, verliest haar kracht, indien niet binnen vier weken een verzoek tot echtscheiding  of scheiding van tafel en bed is gedaan (art. 821 lid 4 Rv).

De voorlopige voorzieningen verliezen hun kracht zodra een beschikking van de echtscheiding of scheiding van tafel en bed, wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand onderscheidenlijk het huwelijksgoederenregister, aangewezen in art. 1:116 BW, of zodra de mogelijkheid daartoe vervalt (art. 826  lid 1 Rv).

2.6.1. Soorten voorlopige voorzieningen (art. 822 lid 1 Rv)
De rechter kan bij beschikking voor de duur van het geding:
a. bepalen dat één der echtgenoten bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning, met het bevel dat de andere echtgenoot deze dient te verlaten en verder niet mag betreden;
b. bevelen dat ieder der echtgenoten aan de andere echtgenoot beschikbaar zal stellen de goederen die strekken tot dagelijks gebruik van die echtgenoot en de kinderen;
c. bepalen aan wie van de echtgenoten ieder minderjarig kind van de echtgenoten tezamen zal worden toevertrouwd, alsmede het bedrag vaststellen dat de andere echtgenoot voor de opvoeding van ieder kind moet betalen;
d. een regeling vaststellen inzake de verdeling van zorg- en opvoedingstaken en de omgang met het kind, alsmede de informatievoorziening over de minderjarige kinderen;
e. het bedrag bepalen dat de ene echtgenoot moet betalen voor het levensonderhoud van de andere echtgenoot.