Posts tonen met het label objectieve cumulatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label objectieve cumulatie. Alle posts tonen

zaterdag 24 juni 2017

Burgerlijk procesrecht. Hoger beroep: appellabiliteit; onderscheid tussenvonnissen en deelvonnissen

Overzicht
1.       Vatbaarheid voor hoger beroep;
2.       Termijn;
2.1.1. Tussenvonnis of deelvonnis? De doorslaggevende betekenis van het dictum;
2.2.    Beroep van een interlocutoir en deelvonnis mogelijk? (Ponteecen/ Stratex);
3.       Aanvang hoger beroep;
4.       Toepassing Tweede Titel

Terminologie
Principaal appellant = eiser in hoger beroep;
Principaal geïntimeerde = verweerder in hoger beroep;
Incidenteel appellant = eiser in incidenteel beroep, principaal geïntimeerde;
Incidenteel geïntimeerde = verweerder in incidenteel beroep, principaal appellant.

1. Vatbaarheid voor hoger beroep

1.1. Rechtsbelang: beloop van de vordering(e) in eerste aanleg

Voor alle vormen van procederen geldt: zonder voldoende belang komt aan niemand een rechtsvordering toe (art. 3:303 BW).

Het rechtsbelang in zaken van hoger beroep wordt bepaald aan de hand van de hoogte van de vordering. Hoger beroep kan niet worden ingesteld wanneer de vordering ten hoogste 1750 Euro bedraagt, inclusief de tot aan de dagvaarding in eerste aanleg verschenen rente (art. 332 lid 1 Rv).
Bij objectieve cumulatie (de zaak betreft meer dan één vordering tussen dezelfde partijen) wordt de optelregel gehanteerd; voor de toepassing van het eerste lid is het totale beloop van de vordering bepalend (art. 332 lid 2 Rv).
Was in eerste aanleg een eis in reconventie ingesteld, dan is beslissend het totale beloop van de vordering in conventie en de vordering in reconventie (art. 332 lid 3 Rv). In beginsel worden de zaken in conventie en reconventie bij één eindvonnis beslist (art. 138 lid 1 Rv). Zijn de zaken gesplitst, dan zijn de afzonderlijke zaken aan de regels voor vatbaarheid voor hoger beroep onderworpen.

Tevens is de wederkerige aard van de rechtsvorderingen in conventie en reconventie van belang voor de appellabiliteit. Kunnen de vordering in conventie en reconventie tegen elkaar worden weggestreept, dan staat géén hoger beroep open, als slechts de eiser in conventie een vordering van ten hoogste 1750 Euro heeft ingesteld. De optelregel is immers niet toepasbaar, als de eiser in reconventie geen zelfstandige vordering instelt. Heeft zowel de eiser in conventie als de eiser in reconventie een vordering (schadevergoeding is de meest algemene vordering) ingesteld, dan geldt de optelregel onverkort.

1.2. Uitgesloten van hoger beroep
Hoger beroep staat niet open in zaken die slechts rechtsgevolgen betreffen, die ter vrije bepaling van partijen staan en waarbij partijen zijn overeengekomen van hoger beroep af te zien. In zaken als bedoeld in art. 96 Rv staat slechts hoger beroep open, indien partijen zich de beroepsmogelijkheid hebben voorbehouden (art. 333 Rv).

1.3. Berusting
Een partij die heeft berust in een vonnis, kan niet meer ontvankelijk zijn om daarvan te komen in hoger beroep (art. 334 Rv). Niet snel zal worden mogen aangenomen dat de wederpartij in het vonnis heeft berust. Berusting komt tot stand doordat een partij aan haar wederpartij te kennen geeft zich bij de uitspraak neer te leggen. Daartoe is nodig dat de in het ongelijk gestelde partij na de uitspraak jegens de wederpartij heeft verklaard dat zij zich bij de uitspraak neerlegt, hetzij een houding heeft aangenomen waaruit dit ondubbelzinnig blijkt (HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV3373).

De rechter kan de niet-ontvankelijkheid wegens berusting niet ambtshalve uitspreken; zulks zou moeilijk te rechtvaardigen zijn in het licht van de partij-autonomie. De rechter kan de niet-ontvankelijkheid van het beroep op grond van berusting slechts uitspreken, indien de verwerende partij in beroep een daartoe strekkend verweer heeft gevoerd (HR 8 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6096r.o. 3.5.2.)

Berusting in het vonnis in eerste aanleg door de geïntimeerde in hoger beroep, staat niet in de weg aan het instellen van incidenteel hoger beroep (art. 339 lid 3 Rv). De partij die in de uitspraak heeft berust, zal dit hebben gedaan om het (voortdurende) geding te beëindigen, in de verwachting dat de wederpartij ook zou afzien van beroep. Gaat de wederpartij toch in beroep, dan vergt de billijkheid en gelijkheid van processuele middelen, dat deze partij alsnog de harerzijds ongunstige beslissingen ter beoordeling aan de hogere rechter kan voorleggen door het instellen van incidenteel beroep, tenzij de partij door berusting afstand van dat recht heeft gedaan ná kennisname van het principale beroep en de omvang daarvan (ECLI:NL:HR:2007:AZ6096, r.o. 3.3.1).

2. Termijn
De termijn van beroep is drie maanden, gerekend vanaf de dag van uitspraak van het vonnis (art. 339 lid 1 Rv). Het verloop van de appeltermijn verhindert niet dat geïntimeerde incidenteel hoger beroep kan instellen (art. 339 lid 3 Rv). Van het vonnis in kort geding kan in hoger beroep worden gegaan; de termijn bedraagt vier weken (art. 339 lid 2 Rv).

Is tijdig beroep in cassatie van een vonnis ingesteld, maar is dit vonnis voor cassatie niet vatbaar, dan vangt de beroepstermijn opnieuw aan, te rekenen vanaf de dag der uitspraak in cassatie, mits het beroep in cassatie werd ingesteld binnen de termijn die voor hoger beroep geldt (art. 340 Rv). Van deze bepaling zal gebruik worden gemaakt, als de appellant per abuis cassatieberoep heeft ingesteld waar hoger beroep ingesteld had moeten worden.

2.1. Beroepstermijn provisionele tussenvonnissen en andere tussenvonnissen
Moet het beroep van een tussenvonnis tegelijk met dat van het eindvonnis worden ingesteld, of is tussentijds beroep van het tussenvonnis mogelijk?

Voor de beantwoording van deze vraag dient een onderscheid te worden gemaakt tussen provisionele tussenvonnissen en overige tussenvonnissen.

2.1.1. Tussenvonnis of deelvonnis? De doorslaggevende betekenis van het dictum
Allereerst: een tussenvonnis is een vonnis waarin de rechter nog niet definitief over de zaak heeft beslist (art. 232 Rv). Er is géén sprake van een tussenvonnis, wanneer door een uitdrukkelijk dictum een deel van het gevorderde is afgedaan. Een vonnis waarbij door een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het gevorderde een eind is gemaakt aan het geding, heeft te gelden als een deelvonnis (Parket bij de Hoge Raad, 30 november 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BY52421 (r.o. 2.2 bespreking ontvankelijkheid cassatieberoep)).

Soms is het voor een procespartij niet duidelijk of er sprake is van een eindbeslissing in een tussenvonnis of een deelvonnis, bijvoorbeeld wanneer het vonnis uitdrukkelijke beslissingen bevat.  Het dictum is van doorslaggevende betekenis. Zelfs als in een vonnis in de rechtsoverwegingen uitdrukkelijke beslissingen zijn gegeven, is er nog geen sprake van een gedeeltelijk eindvonnis. Stelregel is: in een deelvonnis  (=gedeeltelijk eindvonnis) handelt de rechter in het dictum enig deel van het gevorderde af.

2.1.2. Provisionele tussenvonnis/ overige tussenvonnissen

Heeft de rechter beslist op een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in art. 223 Rv, dan is er sprake van een provisioneel tussenvonnis. Van het provisionele tussenvonnis kan beroep worden ingesteld vóórdat het eindvonnis is gewezen (art. 337 lid 1 Rv). Een partij kan ervoor kiezen om beroep van het tussenvonnis in te stellen tegelijk met het beroep van het eindvonnis, met dien verstande dat beroep van het tussenvonnis maar éénmaal mogelijk is en dat appelgrieven niet meer kunnen worden ingediend tegen een tussenvonnis waarvan tussentijds beroep is ingesteld (behoudens de niet-ontvankelijkheid van het tussentijds beroep).

Van overige tussenvonnissen kan hoger beroep slechts tegelijk met dat van het eindvonnis worden ingesteld, tenzij de rechter in het tussenvonnis de mogelijkheid van tussentijds beroep heeft opgenomen (art. 337 lid 2 Rv). De rechter kan op verzoek bepalen dat beroep vóór de einduitspraak kan worden ingesteld; in het belang van een goede procesorde dient een verzoek tot een tussentijds beroep binnen de appeltermijn te worden gedaan (HR 23 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL7051 (Ponteecen/ Stratexr.o. 3.4.)

2.2. Beroep van een interlocutoir en deelvonnis mogelijk? (Ponteecen/ Stratex)
In cassatie wordt aan de Hoge Raad de vraag voorgelegd, of tussentijds beroep van het interlocutoire gedeelte van een deelvonnis (gedeeltelijk eindvonnis) kan worden ingesteld. Het interlocutoire gedeelte van het vonnis is een tussenvonnis in de zin van art. 337 lid 2 Rv en art. 401a lid 2 Rv; van deze tussenvonnissen kan in de regel slechts beroep resp. beroep in cassatie worden ingesteld tegelijk met dat van het (gedeeltelijk) eindvonnis, tenzij de rechter anders bepaalt of art. 75 Rv van toepassing is.

De Hoge Raad overweegt in Ponteecen/ Stratex dat:
'3.2. Naar huidig procesrecht moet worden aangenomen dat het wettelijk verbod om tussentijds beroep in te stellen wordt doorbroken, in een geval waarin tussen dezelfde partijen meer vordering ter beoordeling staan en de in eerste aanleg oordelende rechter aan een gedeelte van het geschil door een uitdrukkelijk dictum een einde maakt, maar voor een ander gedeelte een interlocutoir vonnis wijst en het belang van een doelmatige rechtspleging de doorbreking van het verbod van tussentijds beroep aanvaardbaar maakt. In een dergelijk geval moet worden aangenomen dat tussentijds beroep tegen dit vonnis, ook wat betreft het interlocutoire gedeelte daarvan, steeds mogelijk is omdat een ander stelsel ten gevolge kan hebben dat de berechting van met elkaar samenhangende vorderingen zou worden gesplitst, hetgeen kan leiden tot tegenstrijdige beslissingen.

3.3. In onderhavige zaak dient appellant niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar cassatieberoep. Hoewel er samenhang bestaat tussen de gedeeltelijk dezelfde en gedeeltelijk uiteenlopende vorderingen tegen twee van meerdere procespartijen, is de wenselijkheid om tegenstrijdige beslissingen te voorkomen, minder klemmend. Beslissingen die in het geschil tegen de ene partij zijn genomen, hebben in beginsel geen bindende kracht (gezag van gewijsde) in het geschil tegen de andere partijen. In het bijzonder is de maatstaf van 'voldoende samenhang' met de aanstonds gewezen vorderingen tegen de medegedaagde partij, onvoldoende scherp om daarmee een uitzondering op de regel te kunnen afbakenen.
HR 23 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL7051 (Ponteecen/Stratex).


3. Aanvang hoger beroep
Het hoger beroep vangt aan door een dagvaarding in dezelfde vorm en met dezelfde vereisten als die in eerste aanleg. De middelen waarop het hoger beroep is gegrond (vgl. art. 111 lid 2 onder d Rv), hoeven niet te worden uitgedrukt. De gronden dienen eerst te worden aangevoerd bij de conclusie van eis van de appellant (memorie van grieven). Art. 111 lid 2 onder i Rv en art. 111 lid 3 Rv (substantiëringsplicht en bewijsaandraagplicht) zijn niet van toepassing.

4. Toepassing Tweede Titel (Eerste Boek Rv)
De bepalingen inzake de dagvaardingsprocedure in eerste aanleg zijn van toepassing op het hoger beroep, met dien verstande dat partijen in hoger beroep slechts bij advocaat kunnen procederen dat de comparitie na antwoord (art. 131 Rv) niet van toepassing is en dat géén eis in reconventie kan worden ingesteld (art. 353 lid 1 Rv). Ook is er géén re- en dupliek. Partijen in hoger beroep hebben in beginsel recht op pleidooi, omdat de comparitie na antwoord en re- en dupliek in hoger beroep worden uitgesloten.
De zekerheidstelling in hoger beroep dient, anders dan in eerste aanleg (art. 224 Rv), vóór alle weren te worden gevorderd.





dinsdag 23 mei 2017

Burgerlijk procesrecht (BPR): competentie van de rechter in eerste aanleg; rechtsmacht bij internationale geschillen (EEX-Vo en Brussel I-Bis)

Overzicht
1. Absolute competentie;
2. Relatieve competentie;
3. Onbevoegdheid en verwijzing in eerste aanleg;
4. Verwijzing ex. art. 71 Rv (interne competentie);
5. Waardevorderingen en betwisting van de titel;
6. Hoofdregels verwijzing in eerste aanleg;
7. Objectieve en subjectieve cumulatie;
8. Rechtsmacht bij internationale geschillen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Vo en Brussel I-Bis)

1. Absolute competentie
Art. 42 RO bepaalt als volgt: "De rechtbanken in eerste aanleg nemen kennis van alle burgerlijke zaken, behoudens bij de wet bepaalde uitzonderingen". Deze hoofdregel geldt voor de dagvaardingsprocedure (Tweede titel Eerste Boek Rv, art. 78 e.v.) en de verzoekschriftprocedure (Derde titel Eerste Boek Rv, art. 261 e.v.).

1.1. Competentie van de kantonrechter
De competentie van de kantonrechter wordt geregeld in art. 93-98 Rv. Artikel 93 sub a-d Rv bepaalt dat de kantonrechter bevoegd is in:

a. zaken betreffende vorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000, inclusief de tot aan de dag van dagvaarding verschenen rente, tenzij de rechtstitel dat bedrag te boven gaat en de rechtstitel wordt betwist;
b. zaken betreffende vorderingen van onbepaalde waarde, indien duidelijk aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000;
c. zaken betreffende een arbeidsovereenkomst, een collectieve arbeidsovereenkomst, algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst, een vut-overeenkomst als bedoeld in de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel, een consumentenkredietovereenkomst met een kredietsom van ten hoogste € 40.000 of een agentuur-, huur-, huurkoop- of consumentenkoopovereenkomst, ongeacht het beloop of de waarde van de vordering;d. zaken ten aanzien waarvan de wet dit bepaalt.

In alle zaken die slechts rechtsgevolgen betreffen die ter vrije bepaling van partijen staan, kunnen partijen zich samen tot de kantonrechter van hun keuze wenden, art. 96 Rv.
Uit sub a volgt dat de kantonrechter niet bevoegd is om kennis te nemen van zaken, betreffende vorderingen die op grond van de rechtstitel een werkelijke waarde van méér dan 25.000 Euro vertegenwoordigen.

2. Relatieve competentie
Toegespitst op de dagvaardingsprocedure, geven artt. 99-110 Rv de regels met betrekking tot de relatieve competentie van de rechtbank.
In beginsel is de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd, tenzij de wet anders bepaalt, art. 99 lid 1 Rv.

Let op de verhouding tussen art. 99 Rv en de artikelen 100-106 Rv. Zo is in zaken, betreffende een overeenkomst tussen een partij die handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf en een natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf (consument), de rechter van de woonplaats of werkelijk verblijf van de natuurlijke persoon, mede bevoegd, zie art. 101 Rv.

De zinsnede "mede bevoegd" impliceert dat art. 99 lid 1 Rv kan worden aangehouden. Uitgangspunt van art. 101 Rv is de versterking van de positie van de consument als partij bij een overeenkomst tussen ongelijke partijen. Art. 101 Rv verschilt daarin van art. 99 Rv, dat de rechter van de woonplaats van de consument óók bevoegd is, als de consument eiser is in het proces.

2.1. Gezamenlijke behandeling (meerdere gedaagden)
Worden meerdere gedaagden gedagvaard door eiser, dan geldt: is de rechter ten aanzien van één van de gezamenlijk in het geding betrokken gedaagden bevoegd, dan is die rechter ook ten aanzien van de andere gedaagden bevoegd, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen, art. 107 Rv; zie de verwijzing naar art. 7 Rv.

Ontbreekt een voldoende samenhang als bedoeld in art. 107 Rv (en art. 7 Rv), dan kan het geding worden gesplitst; indien de rechter beslist dat een andere rechter relatief bevoegd is, dan kan de zaak op de voet van art. 110 lid 2 Rv worden verwezen.

2.2. Forumkeuzebeding
Partijen kunnen een forumkeuzebeding overeenkomen; wordt een rechter aangewezen voor de kennisneming van geschillen die zijn ontstaan of zullen ontstaan naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking die tot hun vrije beschikking staat, dan is die rechter bij uitsluiting bevoegd (art. 108 lid 1 Rv).

Het forumkeuzebeding heeft géén gevolg in de gevallen, genoemd in lid 2 van art. 108 Rv:
1. De vordering beloopt ten hoogste € 25.000;
2. Het betreft een individuele arbeidsovereenkomst;
3. Het betreft een zaak als bedoeld in art. 101 Rv (consumentenkoop);
4. Het betreft een zaak als bedoeld in art. 103 tweede zin Rv.

De uitzonderingen op de hoofdregel zijn te vinden onder sub a en b:
a. het forumkeuzebeding is aangegaan ná het ontstaan van het geschil;
b. de werknemer, de partij die biet handelt in de uitoefening van bedrijf of beroep, dan wel de huurder, wendt zich tot de in het forumkeuzebeding aangewezen rechter.

2.3. Exceptie relatieve onbevoegdheid en ambtshalve beoordeling competentie
Het verweer dat de rechter niet relatief bevoegd is, wordt op straffe van verval van het recht daartoe, gevoerd vóór alle weren ten gronde, art. 110 lid 1 Rv.

In zaken als bedoeld in art. 108 lid 2 Rv beoordeelt de rechter ook zonder daartoe strekkend verweer, of hij relatief bevoegd is.

3. Onbevoegdheid en verwijzing in eerste aanleg
De artikelen 72-74 Rv geven algemene regels voor zowel de dagvaardings- als verzoekschriftprocedure; art. 110 Rv heeft slechts betrekking op de dagvaardingsprocedure.
Behoort een zaak niet tot de absolute bevoegdheid van de rechter, dan verklaart deze zich ambtshalve onbevoegd, art. 72 Rv; doet de verweerder een beroep op de absolute onbevoegdheid van de rechter, dan wordt de onbevoegdheid op deze exceptie uitgesproken.

Verklaart de rechter zich onbevoegd en is een andere rechter wel bevoegd, dan verwijst hij de zaak naar deze rechter, met inachtneming van art. 71 lid 4 Rv, eerste zin en art. 74 Rv (art. 73 Rv).

Ten aanzien van de relatieve onbevoegdheid geldt het volgende. De exceptie van de relatieve onbevoegdheid wordt, op straffe van verval van de exceptie, ingeroepen vóór alle weren ten gronde, art. 110 lid 1 Rv. Beslist de rechter dat niet hij, maar een andere rechter relatief bevoegd is, dan verwijst hij de zaak op de voet van art. 110 lid 2 Rv, met toepassing van art. 74 lid 1 en lid 3 Rv, eerste zin.

4. Verwijzing ex. art. 71 Rv
Verwijzing op de voet van art. 71 lid 1 en 2 Rv is specifiek: deze artikelleden hebben geen betrekking op de absolute of relatieve competentie, maar op de vraag, door welke kamer de zaak dient te worden behandeld. Met andere woorden: art. 71 Rv ziet op de interne competentie van de rechtbank. Is het onderwerp van geschil bepalend voor de vraag of verwijzing nodig is, dan beoordeelt de rechter de competentie aan de hand van zijn voorlopig oordeel over het onderwerp van geschil (de aard van de zaak), art. 71 lid 3 Rv.

Tegen een verwijzing en tegen het achterwege laten van verwijzing staat geen voorziening open. De rechter naar wie de zaak is verwezen, is aan de verwijzing gebonden, art. 71 lid 5 Rv. Binding aan de verwijzing impliceert echter niet, dat de rechter bij de behandeling van de hoofdzaak aan het voorlopig oordeel van de verwijzende rechter is gebonden.

5. Waardevorderingen en betwisting van de rechtstitel
5.1. Uitzonderingen op art. 93 sub a Rv: wijziging van de rechtstitel door cessie, aflossing en afstand

Zoals opgemerkt onder 1.1, is de kantonrechter bevoegd om kennis te nemen van waardevorderingen die ten hoogste 25.000 Euro belopen, tenzij de rechtstitel een hogere waarde vertegenwoordigt en de rechtstitel wordt betwist (art. 93 sub a Rv).

De waardevordering kan in rechte niet kunstmatig worden verlaagd of gesplitst om te bereiken dat de kantonrechter bevoegd is om kennis te nemen van de zaak, aangezien de rechtstitel van doorslaggevende betekenis is. Wijziging van de rechtstitel maakt dat de kantonrechter wel bevoegd kan zijn in zaken waarin de oorspronkelijke waardevordering(en) meer dan 25.000 beliep(en).
De rechtstitel (en daarmee de waardevordering) kan worden gewijzigd door rechtshandelingen als aflossing, cessie en afstand van recht door de eiser.

Beloopt de waardevordering na aflossing ten hoogste 25.000 Euro, dan kan de zaak door de kantonrechter worden behandeld. Aflossing bewerkstelligt immers dat de rechtstitel de resterende vordering vertegenwoordigt.

Cessie van de oorspronkelijke vordering, doet meerdere vorderingen ontstaan; de oorspronkelijke vordering houdt op te bestaan. De kantonrechter is bevoegd in zaken waarin één van de nieuwe vorderingen minder dan 25.000 Euro beloopt. Betwisting van de rechtstitel als bedoeld in art. 93 sub a Rv, laatste volzin, is dan zonder gevolg.

Daarentegen heeft betwisting van de rechtstitel door de gedaagde wél gevolg voor de competentie van de kantonrechter, als de eiser zich beroept op een voorbehoud, gemaakt ten aanzien van het meerdere bij vorderingen die de 25.000 Euro te boven gaan. Het voorbehoud door de eiser mist immers doel als de gedaagde het voorbehoud in rechte niet aanvaardt. Voert de gedaagde verweer, dan is aan de rechtstitel in het geheel niets gewijzigd en geldt sub a van art. 93 Rv onverkort.

6. Hoofdregels verwijzing (in eerste aanleg)

Voor alle duidelijkheid volgt hier een kort overzicht van de regels omtrent verwijzing in eerste aanleg:

1. Behoort de zaak tot de bevoegdheid van een andere kamer dan de kamer voor kantonzaken, dan wordt de zaak op verlangen van één der partijen (bijvoorbeeld bij betwisting van de rechtstitel, art. 93 sub a Rv) of ambtshalve naar een zodanige kamer verwezen (art. 71 lid 1 Rv);

2. In het omgekeerde geval moet de zaak worden verwezen naar de kamer voor kantonzaken, dus vindt verwijzing eveneens plaats op verlangen van één der partijen of ambtshalve (art. 71 lid 2 Rv);

3. Beslist de rechter ambtshalve dat een andere rechter relatief bevoegd is, dan verwijst hij de zaak naar deze rechter (art. 110 lid 2 Rv);

4. Behoort de zaak niet tot de absolute bevoegdheid van de rechter (art. 72 Rv), dan verklaart deze zich, zo nodig ambtshalve, onbevoegd. Verklaart de rechter zich onbevoegd en is een andere gewone rechter wel bevoegd, dan verwijst hij de zaak op de voet van art. 73 Rv.

7. Objectieve en subjectieve cumulatie

Uitgangspunt is dat de kantonrechter bevoegd is om kennis te nemen van zaken, betreffende waardevorderingen met een beloop van ten hoogste 25.000 Euro, art. 93 onder a Rv, waardevorderingen als bedoeld onder b of aardvorderingen als bedoeld onder c en d van art. 93 Rv.

7.1. Objectieve cumulatie
7.1.1. Waardevorderingen: optelregel

Stelt eiser bij één dagvaarding meerdere vorderingen in tegen gedaagde, dan is er sprake van objectieve cumulatie. Het onderscheid tussen waarde- en aardvorderingen is bepalend voor de competentie van de kantonrechter. Ten aanzien van de vorderingen op grond van art. 93 onder a en b Rv geldt de optelregel: als het totaal van de vorderingen ten hoogste 25.000 Euro beloopt, is de kantonrechter bevoegd (art. 94 lid 1 Rv).

7.1.2. Cumulatie aardvorderingen en waardevorderingen
Ten aanzien van de aardvorderingen op grond van art. 93 onder c en d Rv geldt de optelregel niet. Is tenminste één van de vorderingen een aardvordering, dan worden deze vorderingen door de kantonrechter behandeld, voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet, ongeacht het beloop van de waardevordering (art. 94 lid 2 Rv).

Het tweede lid van art. 94 Rv is van overeenkomstige toepassing op zaken in conventie en in reconventie (art. 136 Rv), waarvan er tenminste één een aardvordering betreft als bedoeld in art. 93 onder c of d Rv. Hetzelfde geldt in het geval van een hoofdzaak en zaak in vrijwaring (art. 210 Rv), waarin één van de vorderingen een aardvordering betreft (art. 94 lid 4 Rv).

7.2. Subjectieve cumulatie
Een optelregel ontbreekt wanneer meerdere eisers bij één dagvaarding vorderingen instellen of  wanneer bij één dagvaarding tegen meerdere gedaagden vorderingen worden ingesteld. Leidend is de algemene bepaling in art. 107 Rv: is de rechter ten aanzien van een van de gezamenlijk in het geding betrokken gedaagden (relatief) bevoegd, dan is die rechter ook ten aanzien van de overige gedaagden bevoegd, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.

Vordert iedere eiser ten hoogste 25.000 Euro of beloopt de vordering ten aanzien van iedere gedaagde ten hoogste 25.000 Euro, dan is de kantonrechter ten aanzien van de vorderingen bevoegd om kennis te nemen van de zaak.

8. Rechtsmacht bij internationale geschillen in burgerlijke en handelszaken (EEX)
Sinds 2015 geldt Verordening (EU) Nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Deze zogenoemde herschikking van de sinds 2002 geldende EEX-Vo 44/2001 (Brussel I) wordt aangeduid als "Brussel I-Bis".

8.1. Werkingssfeer Brussel I-Bis (materiële toepassingsgebied)
De herschikte EEX-Vo Brussel I-Bis wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht.  De toepassing ervan wordt uitgesloten in fiscale zaken, douanezaken en administratiefrechtelijke zaken, evenals in zaken betreffende de aansprakelijkheid van de staat wegens handelen of nalaten bij acta iure imperii (art. 1 lid 1 Brussel I-Bis).

De verordening is ook niet van toepassing op de staat en bevoegdheid van natuurlijke personen, huwelijkvermogensrecht, arbitrage, faillissementen en akkoorden, sociale zekerheid, testamenten, onderhoudsverplichtingen en erfrecht (art. 1 lid 2 Brussel I-Bis).

Let op het onderscheid tussen het materiële en formele toepassingsgebied. Het materiële toepassingsgebied ziet niet op de bevoegdheid van het gerecht, maar op de toepassing van de herschikking van EEX-Vo op in de verordening bepaalde zaken. Het formele toepassingsgebied ziet daarentegen wél op de bevoegdheid van het gerecht.

8.2. Bevoegdheid gerecht (formele toepassingsgebied)
Hoofdregel is dat de verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht zijn nationaliteit, wordt opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat (art. 4 lid 1 Brussel I-Bis). Uitzonderingen op deze regel zijn mogelijk, krachtens de bepalingen in afdelingen 2 tot en met 7 van Hoofdstuk II Brussel I-Bis (art. 5 lid 1 Brussel I-Bis).

Heeft de verweerder geen woonplaats op het grondgebied van een lidstaat, dan wordt de bevoegdheid in elke lidstaat geregeld door de wetgeving van die lidstaat, onverminderd art. 18 lid 1, art. 21 lid 2 en artikelen 24 en 25 Brussel I-Bis (art. 6 Brussel I-Bis). De rechtsmacht van de Nederlandse rechter is neergelegd in art. 1 tot en met 14 Rv.

8.2.1. Het oproepen van een verweerder voor het gerecht in een andere lidstaat
(art. 7 Brussel I-Bis)

Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen (art. 7 Brussel I-Bis):

1. Ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst:
a. voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;
b. de plaats van de uitvoering van de overeenkomst is (tenzij anders is overeengekomen), voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden. Voor diensten geldt een overeenkomstige bepaling.
2. Ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.

8.2.2. Overige bevoegdheidsgrondslagen
Bevoegdheid in verzekeringszaken, art. 10-16 Brussel I-Bis;
Bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten, art. 17-19 Brussel I-Bis;
Bevoegdheid voor individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst, art. 20-23 Brussel I-Bis.

8.3. Verhouding forumkeuzebeding en exclusieve rechtsmacht (art. 24 en 25 Brussel I-Bis)
Afdeling 6 bepaalt de exclusieve rechtsmacht van gerechten in de gevallen, opgesomd in art. 24 Brussel I-Bis. Onder meer in zaken betreffende de (ver)huur van onroerende goederen is het gerecht van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is, exclusief bevoegd.

Op grond van art. 25 Brussel I-Bis kunnen partijen een forumkeuzebeding overeenkomen. Wordt in één van de gevallen, genoemd in art. 24 Brussel I-Bis, een forumkeuzebeding overeengekomen, dan mist het forumkeuzebeding echter rechtsgevolg (art. 25 lid 4 Brussel I-Bis).