Overzicht
De legitieme portie
1. Wilsrechten: bescherming tegen stiefgevaar;
1.1 Bloot eigendomswilsrecht en vol eigendomswilsrecht;
2. Andere wettelijke rechten;
2.1 Voortgezette bewoning door de echtgenoot;
2.2 Vruchtgebruik op woning en inboedel;
2.3 Vruchtgebruik op andere goederen (zorgbehoefte);
2.4 Som ineens voor een kind;
2.5 Overdracht van de onderneming
1. Wilsrechten: bescherming tegen stiefgevaar
In een aantal gevallen kan het kind, ter zake van de geldvordering op grond van zijn erfdeel, overdracht van goederen verlangen. In de artikelen 4:19 tot en met 4:22 BW is een aantal wilsrechten opgenomen om bescherming te bieden tegen beschikking door een stiefouder. De situaties en de in reactie daarop wettelijk toegekende wilsrechten zijn als volgt:
a. De langstlevende ouder gaat hertrouwen. Indien een kind overeenkomstig art. 4:13 lid 3 BW een geldvordering op zijn langstlevende ouder ter zake van de nalatenschap van zijn eerst overleden ouder heeft gekregen en die ouder aangifte doet van zijn voornemen om opnieuw in het huwelijk te treden, is de verplicht om op verzoek van het kind goederen over te dragen met een waarde van ten hoogste die geldvordering, vermeerderd met de verhoging. De overdracht plaats onder voorbehoud van vruchtgebruik (art. 4:19 BW);
b. De hertrouwde langstlevende ouder overlijdt en de vordering is derhalve opeisbaar op grond van art. 4:13 lid 3 onder b BW. Overlijdt de hertrouwde langstlevende ouder, dan is de stiefouder verplicht om de goederen over te dragen (art. 4:20 BW);
c. De langstlevende echtgenoot als bedoeld in art. 4:13 BW is een stiefouder. Indien de ouder overlijdt en het kind een vordering op zijn stiefouder ter zake van de nalatenschap van zijn overleden ouder heeft gekregen, dan is de stiefouder gehouden tot overdracht van een goed ter waarde van ten hoogste de vordering, onder voorbehoud van vruchtgebruik (art. 4:21 BW);
d. De stiefouder overlijdt en de vordering als bedoeld in art. 4:13 lid 3 onder b BW is opeisbaar. Indien de stiefouder overlijdt en het kind een vordering ter zake van de nalatenschap van zijn overleden ouder heeft verkregen, zijn de erfgenamen van de stiefouder verplicht om goederen over te dragen (art. 4:22 BW).
1.1 Bloot eigendomswilsrecht en vol eigendomswilsrecht
Onder toepassing van art. 4:19 en 4:21 BW wordt het goed overgedragen onder voorbehoud van het vruchtgebruik van de langstlevende ouder. Het maakt niet uit of het gaat om een eigen langstlevende ouder of een stiefouder; beide langstlevenden worden in hun woongenot beschermd door het recht van vruchtgebruik. Aldus ontstaat bloot eigendomswilsrecht. Onder toepassing van art. 4:20 en 4:22 BW is het vruchtgebruik niet langer relevant. De langstlevende ouder, of deze nu een stief is of een eigen ouder, is weggevallen. De artikelen 4:20 en 4:22 BW brengen onbezwaarde overdracht van het goed mee, ofwel: op de goederen uit de nalatenschap is vol eigendomswilsrecht ontstaan.
Volledigheidshalve moet worden opgemerkt dat het recht op vruchtgebruik niet vanzelf het bestaan van het vruchtgebruik meebrengt. Uit art. 4:23 lid 4 kan worden opgemaakt dat het vruchtgebruik dient te worden gevestigd (art. 3:202; 3:81 BW). Het recht op vruchtgebruik is niet voor overdracht of bezwaring vatbaar (art. 4:23 lid 5 BW).
Degene die tot overdracht van goederen verplicht kan worden, kan een kind een redelijke termijn stellen waarbinnen het verzoek als bedoeld in de artikelen 4:19, 20, 21 en 22 BW kan worden gedaan (art. 4:25 lid 3 BW). Daarmee wordt voorkomen dat de kinderen oneindig wachten met het opvorderen van de goederen waartoe zij gerechtigd zijn. Verzuimt een kind of verzuimen meerdere kinderen om de goederen tijdig op te vorderen, dan vervalt hun recht ingevolge art. 4:25 lid 3 BW.
2. Andere wettelijke rechten
"Andere wettelijke rechten", opgenomen in afdeling 4.3.2, beogen de gang van de huishouding/het gezinsleven van de echtgenoot en/of kinderen na het overlijden van de erflater te beschermen tegen uitwinning van de woning en de inboedel door de versterferfgenamen, legatarissen en lastbevoordeelden. Weliswaar kan de woning worden overgedragen, maar zal het recht op vruchtgebruik door de langstlevende echtgenoot dienen te worden gerespecteerd tegen de gevolgen van beschikkingshandelingen. Door toepassing van de "andere wettelijke rechten" in afdeling 4.3.2 ontstaat een schuld van de nalatenschap als bedoeld in art. 4:7 lid 1 onder f BW. Andere wettelijke rechten hebben voorrang op de legitieme porties (art. 4:7 lid 2 onder 2 BW). Dat wil zeggen dat de kosten voor zorg en opvoeding voor een minderjarig kind en de kosten voor een studerend meerderjarig kind voorgaan op de voldoening van de legitieme porties. Van afdeling 4.3.2 kan niet worden afgeweken bij testament (art. 4:41 BW).
2.1 Voortgezette bewoning door echtgenoot
Het overlijden van één van de echtgenoten of geregistreerd partners heeft ontbinding van de huwelijksgemeenschap tot gevolg (art. 1:99 lid 1 onder a BW). Indien de woning die de echtgenoot van de erflater bij diens overlijden bewoont, tot de nalatenschap of de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort, is de echtgenoot jegens de erfgenamen bevoegd tot voortgezette bewoning en gebruik van de inboedel gedurende zes maanden (art. 4:28 lid 1 BW). Degenen die met de erflater een duurzame gemeenschappelijke huishouding hadden, hebben gelijke bevoegdheden (art. 4:28 lid 2 BW). De bepalingen zijn gericht op de echtelijke koopwoning. In het geval van huur gelden de artikelen 7:266 en 7:268 BW.
2.2 Vruchtgebruik op woning en inboedel
De langstlevende echtgenoot wordt beschermd tegen de uiterste wilsbeschikking van de erflater die (goederenrechtelijke) gevolgen heeft voor de echtelijke woning, bijvoorbeeld een legaat van de erflater waarbij hij zijn beste vriend aanwijst als degene die de woning of een deel van de antieke boedel erft. Voor zover de echtgenoot van de erflater ten gevolge van uiterste wilsbeschikkingen van de erflater niet of niet enig rechthebbende is op de tot de nalatenschap behorende woning, die ten tijde van het overlijden door de erflater en zijn echtgenoot tezamen dan wel door de echtgenoot alleen bewoond werd, zijn de erfgenamen verplicht tot medewerking aan de vestiging van vruchtgebruik (art. 4:29 lid 1 BW). Het recht op vruchtgebruik bestaat, ongeacht de verzorgingsbehoefte van de langstlevende echtgenoot. De hoofdgerechtigde, de echtgenoot, kan evenwel aan de kantonrechter het verzoek voorleggen om het vruchtgebruik op te heffen, indien hij aan het vruchtgebruik geen behoefte heeft (art. 4:33 lid 2 onder b BW jo. 4:33 lid 5 BW). Ook de rechthebbende kan het verzoek indienen om de verplichting tot medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik op te heffen, op dezelfde grond (art. 4:29 lid 1 jo. 4:33 lid 2 onder a BW i.v.m. 4:33 lid 5 BW).
Zolang de echtgenoot een beroep op art. 4:29 lid 1 BW toekomt, zijn de erfgenamen, lastbevoordeelden en legatarissen niet bevoegd tot beschikking over de goederen, noch tot verhuring of verpachting. Gedurende het tijdsbestek van het recht op vruchtgebruik op woning en inboedel kunnen de goederen wel worden uitgewonnen voor de in art. 4:7 lid 1 onder a-f BW genoemde schulden (art. 4:29 lid 2 BW). De mogelijkheid om aanspraak te maken op vruchtgebruik vervalt, indien de echtgenoot niet binnen een redelijke, hem door een belanghebbende gestelde termijn en in ieder geval zes maanden na het overlijden van de erflater heeft verklaard op de vestiging van vruchtgebruik aanspraak te maken (art. 4:31 lid 2 BW). De rechtsvordering vervalt door verloop van een jaar en drie maanden (art. 4:31 lid 3 BW).
2.3 Vruchtgebruik op andere goederen
De verzorgingsbehoefte van de langstlevende echtgenoot speelt wel een rol bij de toepassing van art. 4:30 BW. Voor ommekomst van de termijn heeft de echtgenoot recht op vruchtgebruik op goederen die bij wijze van zaaksvervanging deel uit zijn gaan maken van de nalatenschap (art. 4:30 lid 2 BW). Binnen één jaar dient de echtgenoot kenbaar te maken op de vestiging van het 'verzorgingsvruchtgebruik' van art. 4:30 BW aanspraak te maken (art. 4:31 lid 2 BW).
Op het vruchtgebruik van woning en inboedel, ongeacht de verzorgingsbehoefte (art. 4:29 BW) en op het vruchtgebruik afhankelijk van de verzorgingsbehoefte (art. 4:30 BW) is art. 4:23 leden 1, 2, 4 en 5 BW inzake de rechtsverhouding van de vruchtgebruiker en bloot-eigenaar van toepassing.
2.4.1 Som ineens voor een kind van de erflater
Voor zover nodig kan het kind van de erflater (als het kind geen juridische ouder heeft, is deze de verwekker zoals bedoeld in art. 1:394 BW) aanspraak maken op een som ineens, voor (art. 4:35 lid 1 BW):
a. verzorging en opvoeding tot het bereiken van de leeftijd van achttien jaren; en voorts voor:
b. levensonderhoud en studie, tot het bereiken van de leeftijd van eenentwintig jaren.
Is een erfgenaam of echtgenoot van de erflater reeds gehouden om in de kosten te voorzien, dan komt de som ter zake van de verzorging het kind niet toe. De som ter zake van levensonderhoud en studie komt het kind niet toe, als de echtgenoot krachtens art. 1:395a BW verplicht is om in de kosten te voorzien (art. 4:35 lid 2 BW). Op de som ineens komt in mindering wat de rechthebbende had kunnen verkrijgen krachtens erfrecht of krachtens een sommenverzekering (art. 4:35 lid 3 BW).
2.4.2 Som ineens voor het arbeid verrichtende kind
Het kind, behuwdkind, stiefkind, pleegkind of kleinkind van de erflater dat in de huishouding of het door de erflater uitgeoefende beroep of bedrijf gedurende zijn meerderjarigheid arbeid heeft verricht, kan aanspraak maken op een som ineens, strekkend tot een billijke vergoeding voor de arbeid (art. 4:36 lid 1 BW).
2.4.3 Verval en verjaring som ineens voor het kind; vordering op gezamenlijke erfgenamen
Het kind dat krachtens de artikelen 4:35 en 4:36 BW aanspraak maakt op een som ineens, heeft een vordering op de gezamenlijke erfgenamen. De vervaltermijn is een door de belanghebbende(n) gestelde redelijke termijn; in ieder geval negen maanden na het overlijden van de erflater dient de vordering te worden opgeëist (art. 4:37 lid 1 BW). De vordering tot de som ineens is evenwel niet opeisbaar totdat zes maanden na het overlijden van de erflater zijn verstreken (art. 4:37 lid 2 BW). De vordering verjaart door verloop van één jaar; indien de erflater een echtgenoot achterlaat, wordt voor het kind dat arbeid heeft verricht en krachtens art. 4:36 BW aanspraak op de som ineens heeft gemaakt, deze termijn verlengd tot één jaar na het overlijden van de langstlevende echtgenoot (art. 4:37 lid 3 BW).
De sommen ineens van art. 4:35 en 4:36 BW bedragen gezamenlijk ten hoogste de helft van de waarde van de nalatenschap, waaronder in dit geval wordt verstaan de waarde van de goederen der nalatenschap min de in art. 4:7 lid 1 onder a tot en met e BW vermelde schulden. Voor zoveel nodig ondergaan de sommen ineens een evenredige vermindering (art. 4:37 lid 4 BW). De voldoening van de sommen ineens komt ten laste van het gedeelte van de nalatenschap waarover niet bij uiterste wilsbeschikking is beschikt en vervolgens, zo dit onvoldoende is, van de makingen.
2.5 Overdracht van de onderneming
Om te voorkomen dat de onderneming of aandelen in een NV of BV van de erflater aan de willekeur van een rechthebbende is overgeleverd en de voortzetting van de onderneming in gevaar wordt gebracht, bepaalt art. 4:38 lid 1 BW dat een kind of stiefkind de kantonrechter kan verzoeken om de rechthebbende tegen een redelijke prijs te verplichting tot overdracht aan het kind of stiefkind, dan wel diens echtgenoot. Ook de echtgenoot van de erflater kan het verzoek tot overdracht van de onderneming doen (art. 4:38 lid 5 BW). De statutaire regels omtrent overdracht van de aandelen dienen zich echter niet tegen de overdracht van de aandelen aan het kind of stiefkind of diens echtgenoot te verzetten (art. 4:38 lid 3 BW). Van belang is voorts dat het kind of stiefkind, dan wel diens echtgenoot ten tijde van het overlijden van de erflater bestuurder van de vennootschap was of nadien de positie van de erflater voortzet.
200.000 bezoekers | Strafrecht & Privaatrecht | Juridisch: uitleg voor studenten die zich toeleggen op de togaberoepen |
Posts tonen met het label rechten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label rechten. Alle posts tonen
zondag 15 april 2018
maandag 9 april 2018
Erfrecht: erfopvolging, plaatsvervulling en wettelijke verdeling
Overzicht
1. Inleiding;
1.1 Erfopvolging bij versterf of krachtens uiterste wilsbeschikking (testament);
1.2 Schulden van nalatenschap;
2. Erfopvolging bij versterf;
2.1 Parentelen;
2.2 Plaatsvervulling en staak;
3. Het erfrecht bij versterf van echtgenoot en kinderen;
3.1 Wettelijke verdeling;
3.1.1 Aansprakelijkheid en verhaal;
3.2 Afwijking bij uiterste wilsbeschikking of door echtgenoot en kinderen tezamen;
3.3 Boedelbeschrijving en betaling geldvordering;
3.4 Ongedaanmaking wettelijke verdeling: bijzondere gemeenschap (afd. 3.7.2)
1. Inleiding
"Ieder kind heeft recht op de nalatenschap van de ouder". Deze uitspraak is maar ten dele waar. Het is juist dat de afstammelingen van de erflater recht hebben op de legitieme portie, maar de legitieme levert slechts een vordering op die achter wordt gesteld bij overige schulden van de nalatenschap (art. 4:7 lid 2 onder 3 jo. art. 4:7 lid 1 onder g BW. De rechten die ontstaan krachtens erfopvolging zijn minder vanzelfsprekend dan algemeen wordt aangenomen.
1.1 Erfopvolging bij versterf of krachtens uiterste wilsbeschikking
Erfopvolging heeft plaats bij versterf of krachtens uiterste wilsbeschikking (art. 4:1 lid 1 BW). Van de erfopvolging bij versterf kan testamentair worden afgeweken (art. 4:1 lid 2 BW). Onterving of het tot erfgenaam aanwijzen van personen die niet op grond van art. 4:10 BW tot erfgenaam worden geroepen, kan dus rechtsgeldig geschieden.
Stel dat A erfgenaam is van B en A en B komen op dezelfde dag te overlijden. Wanneer de volgorde van het overlijden van A en B niet kan worden vastgesteld, schiet te wet te hulp door de te bepalen dat beide personen worden geacht gelijktijdig te zijn overleden. Aan de ene persoon valt dan geen voordeel uit de nalatenschap van de ander ten deel (art. 4:2 lid 1 BW). Dit kan nadelig zijn voor de erfgenamen van A. De rechter kan de belanghebbende uitstel geven om te bewijzen dat de volgorde van overlijden anders is dan het wettelijk vermoeden (art. 4:2 lid 2 BW).
Personen kunnen op grond van de wet onwaardig zijn om uit een nalatenschap voordeel te trekken. Van rechtswege zijn onwaardig (art. 4:3 lid 1 onder a-e BW): a. hij die onherroepelijk veroordeeld is ter zake dat hij de overledene heeft omgebracht, heeft getracht om te brengen, dat feit heeft voorbereid of daaraan heeft deelgenomen, b. hij die onherroepelijk is veroordeeld ter zake van (een poging tot) een tegen de erflater gepleegd feit waarop een gevangenisstraf van maximaal vier jaar is gesteld, c. hij die lasterlijk een beschuldiging tegen de erflater heeft ingebracht, d. hij die de overledene door een feitelijkheid of bedreiging heeft gedwongen of belet een uiterste wilsbeschikking op te maken, of e. hij die de uiterste wil heeft verduisterd, vernietigd of vervalst.
Rechten anders dan om niet, door derden te goeder trouw verkregen, worden geëerbiedigd (art. 4:3 lid 2 BW).
De testeervrijheid is belangrijk, maar kan niet zodanig ingrijpend zijn, dat een erfstelling van erflater Y, waarbij hij 4/5 van zijn nalatenschap nalaat aan zijn beste vriend X, het voor de opvolgers bij versterf (de afstammelingen die krachtens art. 4:10 BW tot de nalatenschap worden geroepen) onmogelijk maakt om zelfs maar de legitieme portie te ontvangen. Een voor het openvallen van een nalatenschap verrichte rechtshandeling is daarom nietig, voor zover zij de strekking heeft om een persoon te belemmeren in zijn vrijheid om bevoegdheden met betrekking tot de nalatenschap uit te oefenen (art. 4:4 lid 1 BW). Overeenkomsten, strekkende tot beschikking over nog niet opengevallen nalatenschappen in hun geheel of over een evenredig deel daarvan, zijn nietig (art. 4:4 lid 2 BW).
Deze bepaling neemt niet weg dat een overeenkomst met betrekking tot een bepaald vermogensbestanddeel (bijvoorbeeld verkoop van een onroerende zaak) rechtsgeldig is. Eerst wanneer het op levering van de zaak aankomt, heeft de verkrijger een vordering op de nalatenschap als bedoeld onder art. 4:7 lid 1 onder a BW (aldus een schuld van de erflater die niet met zijn dood teniet is gegaan).
1.2 Schulden van de nalatenschap
Schulden van de nalatenschap zijn (art. 4:7 lid 1 onder a-i BW):
a. de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan, voor zover niet begrepen in onderdeel i (giften en andere handelingen die worden aangemerkt als legaten);
b. de kosten van lijkbezorging, in overeenstemming met de omstandigheden van overledene;
c. de kosten van vereffening van de nalatenschap, met inbegrip van het loon van de vereffenaar;
d. de kosten van executele, met inbegrip van het loon;
e. de schulden uit belastingen die ter zake van het openvallen der nalatenschap worden geheven, voor zover zij op de erfgenamen komen te rusten;
f. de schulden die ontstaan door toepassing van afdeling 4.3.2 ('andere wettelijke rechten');
g. de schulden ter zake van legitieme porties waarop krachtens art. 4:80 BW aanspraak wordt gemaakt;
h. de schulden uit legaten welke op een of meer erfgenamen rusten;
i. de schulden uit giften en andere legaten.
Met voorrang worden de schulden ten laste van de nalatenschap achtereenvolgens voldaan (art. 4:7 lid 2 onder 1-3 BW):
1. de schulden, bedoeld in lid 1 onder a tot en met e;
2. de schulden uit 'andere wettelijke rechten' als bedoeld in afdeling 4.3.2 BW;
3. de schulden ter zake van legitieme porties. Ontbreken schulden uit 'andere wettelijke rechten', dan worden eerst de schulden onder a-c voldaan en vervolgens de schulden onder d-g.
De kosten voor lijkbezorging en vereffening gaan dus altijd vóór eventuele kosten voor de studie van een kind op grond van afd. 4.3.2 en de legitieme porties. Schulden uit legaten kennen geen voorrangspositie. Zij mogen slechts uit de nalatenschap worden voldaan, als alle andere schulden van de nalatenschap ten volle kunnen worden voldaan (art. 4:120 lid 1 BW).
2. Erfopvolging bij versterf
Om als erfgenaam op te kunnen treden, moet men bestaan op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt (art. 4:9 BW). De wet komt aan deze bestaanseis op meerdere plaatsen tegemoet, onder meer door te bepalen dat het ongeboren kind reeds wordt geacht te bestaan (art. 1:2 BW).
2.1 Parentelen
De wet roept tot een nalatenschap als erfgenamen uit eigen hoofde achtereenvolgens (art. 4:10 lid 1 onder a-d BW):
a. de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot (vgl. art. 4:8 leden 1 en 2 BW) van de erflater, tezamen met diens kinderen (groep 1);
b. de ouders van de erflater, tezamen met diens broers en zusters (groep 2);
c. de grootouders van de erflater (groep 3);
d. de overgrootouders van de erflater (groep 4).
De afstammelingen van een kind, broer, zus, grootouder of overgrootouder worden bij plaatsvervulling geroepen (art. 4:10 lid 2 BW). Alleen zij die tot de erflater in familierechtelijke betrekking stonden, worden tot de in de vorige leden genoemde bloedverwanten gerekend (art. 4:10 lid 3 BW). Wie als 'bloedverwanten' worden aangemerkt, wordt bepaald door art. 1:3 en art. 1:197-1:199 BW.
Degenen die tezamen uit eigen hoofde tot de nalatenschap worden geroepen, erven voor gelijke delen (art. 4:11 lid 1 BW). Het erfdeel van een halfbroer of halfzus is de helft van het erfdeel van een volle broer, een volle zus of een ouder (art. 4:11 lid 2 BW). Het erfdeel van een ouder dient minimaal een kwart te bedragen. Wanneer het erfdeel van de ouder minder zou zijn dan een kwart, worden de erfdelen van de overige erfgenamen verminderd naar evenredigheid (art. 4:11 lid 3 BW).
2.2 Plaatsvervulling en staak
Met betrekking tot personen die op het moment van het openvallen van de nalatenschap niet meer bestaan, die onwaardig zijn, onterfd zijn, verwerpen of wier erfrecht is vervallen, treedt plaatsvervulling op (art. 4:12 lid 1 BW). De plaatsvervullers worden staaksgewijs geroepen tot het erfdeel van degene wiens plaats zij vervullen (art. 4:12 lid 2 BW). Dochter C en zoon D van vader A vormen dus de staak A als hun overleden vader A van grootvader B erft. Degenen die de erflater verder dan de zesde graad bestaan, erven niet (art. 4:12 lid 3 BW).
Ter illustratie. Nico overlijdt. Zijn erfgenamen zijn grootvader Toon, zijn dochter Manuela en de twee kinderen van de overleden zoon van Toon, Gerrit. De vrouw van Toon, grootmoeder Cornelia, leeft niet meer.
Uit eigen hoofde wordt geroepen: grootvader Toon (art. 4:11 lid 1 jo. 4:10 lid 1 onder c BW);
De plaatsvervullers van de vooroverleden grootmoeder Cornelia zijn Manuela en de kinderen van vooroverleden zoon Gerrit. De kinderen van Gerrit vormen de staak.
De uit eigen hoofde geroepen grootvader Toon erft 1/2.
Manuela en de staak Gerrit (de kinderen van Gerrit) moeten de andere helft verdelen.
Manuela krijgt dus (1/2 x 1/2 =) 1/4 en de staak Gerrit de helft daarvan (1/2 x 1/4 =) 1/8.
3. Het erfrecht bij versterf van de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en van de kinderen
Het wat verwarrende opschrift van afdeling 4.3.1 duidt niet op het versterf van de achterblijvende echtgenoot en de kinderen, maar onder meer op de verdeling van de nalatenschap over de langstlevende echtgenoot en de kinderen van de erflater. Afdeling 4.3.1 wijkt af van de de algemene bepalingen inzake bijzondere gemeenschappen in afdeling 3.7.2 BW: op grond van afdeling 4.3.1 wordt namelijk de nalatenschap verdeeld voordat een (bijzondere) gemeenschap ontstaat. Zoals ik onder "Huwelijksvermogensrecht: gemeenschap van goederen en ontbinding van de gemeenschap" (paragraaf 2) heb behandeld, leidt het overlijden van één van de echtgenoten tot ontbinding van de gemeenschap, waardoor een bijzondere gemeenschap ontstaat die ingevolge afd. 3.7.2 wordt klaargemaakt voor de uiteindelijke verdeling.
3.1 Wettelijke verdeling
Van de wettelijke verdeling op grond van afdeling 4.3.1 kan worden afgeweken bij uiterste wilsbeschikking (art. 4:13 lid 1 BW). Is geen testamentaire bepaling ter zake opgenomen, dan werkt de wettelijke (erfrechtelijke) verdeling als volgt. De echtgenoot van de erflater verkrijgt van rechtswege de goederen van de nalatenschap (art. 4:13 lid 2 BW). Onder echtgenoot wordt niet begrepen de van tafel en bed gescheiden echtgenoot (art. 4:13 lid 6 BW).
De voldoening van de schulden van de nalatenschap komt voor rekening van de echtgenoot. Onder schulden van de nalatenschap worden tevens begrepen de ten laste van de gezamenlijke erfgenamen komende uitgaven ter voldoening aan testamentaire lasten.
Ieder kind verkrijgt als erfgenaam een geldvordering ten laste van de langstlevende echtgenoot, overeenkomstig het erfdeel. Deze vordering is opeisbaar (art. 4:13 lid 3 BW):
a. indien de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard of de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Wsnp) van toepassing is verklaard;
b. wanneer de echtgenoot is overleden.
De geldvordering wordt vermeerderd (rente, vgl. 'verhoging' in art. 4:17 en 4:25 lid 1 BW) met een percentage dat overeenkomt met dat van de wettelijke rente, voor zover dit percentage hoger is dan zes (art. 4:13 lid 4 BW).
3.1.1 Aansprakelijkheid en verhaal
Indien de nalatenschap overeenkomstig art. 4:13 BW is verdeeld, is de echtgenoot van de erflater tegenover de schuldeisers en tegenover de kinderen verplicht tot voldoening van de schulden der nalatenschap. In de onderlinge verhouding van de echtgenoot en de kinderen komen de schulden der nalatenschap voor rekening van de echtgenoot (art. 4:14 lid 1 BW). Met de formulering van art. 4:14 lid 1 BW mag niet voorbij worden gegaan aan het feit dat de schulden op het totaalbedrag van de nalatenschap drukken, waarmee de kinderen dus mede de schulden van de nalatenschap als bedoeld in art. 4:7 lid 1 BW dragen.
De draagplicht van de echtgenoot geldt mede wanneer de schulden van de nalatenschap de baten overtreffen, onverminderd art. 4:184 lid 2 BW (het recht om beneficiair te aanvaarden) (art. 4:14 lid 4 BW). Voor schulden van de nalatenschap, alsmede voor schulden van de echtgenoot die konden worden verhaald op de goederen van een gemeenschap waarvan de echtgenoot en de erflater de deelgenoten waren, neemt de schuldeiser in zijn verhaal op de goederen die krachtens art. 4:13 lid 2 BW aan de echtgenoot toebehoren, rang voor degenen die verhaal nemen voor andere schulden van de echtgenoot (art. 4:14 lid 2 BW). Voor schulden van de nalatenschap kunnen de goederen van een kind niet worden uitgewonnen, met uitzondering van de in art. 4:13 lid 3 bedoelde geldvordering. Uitwinning van die goederen is wel mogelijk, voor zover de geldvordering van het kind is verminderd door betaling of door overdracht van goederen, tenzij het kind goederen van de echtgenoot aanwijst die voldoende verhaal bieden (art. 4:14 lid 3 BW).
3.2 Afwijking bij uiterste wilsbeschikking of door de achterblijvende echtgenoot en kinderen tezamen
De erflater kan bij uiterste wilsbeschikking bepalen dat de vordering op de achterblijvende echtgenoot op een ander moment opeisbaar wordt (art. 4:13 lid 3 BW). De erflater kan bepalen of de achtergebleven echtgenoot en het kind tezamen kunnen bepalen dat op de geldvordering een ander rentepercentage van toepassing is (art. 4:13 lid 4 BW). De erflater kan bij uiterste wilsbeschikking bepalen of de echtgenoot en het kind tezamen kunnen bepalen dat de betaling niet in de eerste plaats in mindering wordt gebracht op de hoofdsom, maar op de verhoging (rente) (art. 4:17 lid 1 BW). De verplichtingen tot overdracht van goederen aan de kinderen (de wilsrechten ingevolge art. 4:19-4:22 BW) kunnen worden uitgebreid, beperkt of opgeheven (art. 4:25 lid 6 BW). Bij uiterste wilsbeschikking kan bovendien worden bepaald dat een stiefkind in de wettelijke verdeling (art. 4:13 BW) als eigen kind wordt betrokken (art. 4:27 BW).
3.3 Boedelbeschrijving en betaling geldvordering
De echtgenoot en ieder kind kunnen een boedelbeschrijving verlangen. De boedelbeschrijving bevat een waardering van de goederen en de schulden van de nalatenschap (art. 4:16 lid 1 BW). Heeft de echtgenoot of een kind niet het vrije beheer over zijn vermogen, dan levert zijn wettelijk vertegenwoordiger binnen één jaar na het overlijden van de erflater een boedelbeschrijving in ter griffie van de rechtbank. De kantonrechter kan bepalen dat de boedelbeschrijving bij notariële akte geschiedt (art. 4:16 lid 2 BW). De art. 673-676 Rv zijn van overeenkomstige toepassing (art. 4:16 lid 3 BW).
De echtgenoot kan de in art. 4:13 lid 3 BW bedoelde geldvordering en de rente te allen tijde geheel of gedeeltelijk voldoen. Een betaling wordt in beginsel in mindering gebracht op de hoofdsom en vervolgens op de verhoging (art. 4:17 lid 1 BW). Met het oog op fiscale voordelen kan de erflater bij testament bepalen dat de betalingen eerst in mindering worden gebracht op de verhogen en daarna op de hoofdsom.
3.4 Ongedaanmaking wettelijke verdeling: bijzondere gemeenschap (afd. 3.7.2)
De echtgenoot kan binnen drie maanden na het overlijden van de erflater door middel van een verklaring bij notariële akte, binnen die termijn gevolgd door inschrijving in het boedelregister, de verdeling van art. 4:13 BW ongedaan maken. De verklaring werkt ex tunc. Tussen de echtgenoot en kinderen vindt verrekening plaats, indien de schulden van de nalatenschap zijn voldaan (art. 4:18 leden 1 en 2 BW). De ongedaanmaking van de wettelijke verdeling op grond van afdeling 4.3.1 brengt mee dat afdeling 3.7.2 betreffende bijzondere gemeenschappen van toepassing wordt. Anders dan onder 4.3.1 het geval was, komt de verdeling vanaf dat moment na het ontstaan van de bijzondere gemeenschap. De gemeenschap wordt namelijk, door de werking ex tunc van de ongedaanmaking, vanaf het moment van het overlijden van de erflater geacht ontbonden te zijn, om de uiteindelijke verdeling te effectueren.
1. Inleiding;
1.1 Erfopvolging bij versterf of krachtens uiterste wilsbeschikking (testament);
1.2 Schulden van nalatenschap;
2. Erfopvolging bij versterf;
2.1 Parentelen;
2.2 Plaatsvervulling en staak;
3. Het erfrecht bij versterf van echtgenoot en kinderen;
3.1 Wettelijke verdeling;
3.1.1 Aansprakelijkheid en verhaal;
3.2 Afwijking bij uiterste wilsbeschikking of door echtgenoot en kinderen tezamen;
3.3 Boedelbeschrijving en betaling geldvordering;
3.4 Ongedaanmaking wettelijke verdeling: bijzondere gemeenschap (afd. 3.7.2)
1. Inleiding
"Ieder kind heeft recht op de nalatenschap van de ouder". Deze uitspraak is maar ten dele waar. Het is juist dat de afstammelingen van de erflater recht hebben op de legitieme portie, maar de legitieme levert slechts een vordering op die achter wordt gesteld bij overige schulden van de nalatenschap (art. 4:7 lid 2 onder 3 jo. art. 4:7 lid 1 onder g BW. De rechten die ontstaan krachtens erfopvolging zijn minder vanzelfsprekend dan algemeen wordt aangenomen.
1.1 Erfopvolging bij versterf of krachtens uiterste wilsbeschikking
Erfopvolging heeft plaats bij versterf of krachtens uiterste wilsbeschikking (art. 4:1 lid 1 BW). Van de erfopvolging bij versterf kan testamentair worden afgeweken (art. 4:1 lid 2 BW). Onterving of het tot erfgenaam aanwijzen van personen die niet op grond van art. 4:10 BW tot erfgenaam worden geroepen, kan dus rechtsgeldig geschieden.
Stel dat A erfgenaam is van B en A en B komen op dezelfde dag te overlijden. Wanneer de volgorde van het overlijden van A en B niet kan worden vastgesteld, schiet te wet te hulp door de te bepalen dat beide personen worden geacht gelijktijdig te zijn overleden. Aan de ene persoon valt dan geen voordeel uit de nalatenschap van de ander ten deel (art. 4:2 lid 1 BW). Dit kan nadelig zijn voor de erfgenamen van A. De rechter kan de belanghebbende uitstel geven om te bewijzen dat de volgorde van overlijden anders is dan het wettelijk vermoeden (art. 4:2 lid 2 BW).
Personen kunnen op grond van de wet onwaardig zijn om uit een nalatenschap voordeel te trekken. Van rechtswege zijn onwaardig (art. 4:3 lid 1 onder a-e BW): a. hij die onherroepelijk veroordeeld is ter zake dat hij de overledene heeft omgebracht, heeft getracht om te brengen, dat feit heeft voorbereid of daaraan heeft deelgenomen, b. hij die onherroepelijk is veroordeeld ter zake van (een poging tot) een tegen de erflater gepleegd feit waarop een gevangenisstraf van maximaal vier jaar is gesteld, c. hij die lasterlijk een beschuldiging tegen de erflater heeft ingebracht, d. hij die de overledene door een feitelijkheid of bedreiging heeft gedwongen of belet een uiterste wilsbeschikking op te maken, of e. hij die de uiterste wil heeft verduisterd, vernietigd of vervalst.
Rechten anders dan om niet, door derden te goeder trouw verkregen, worden geëerbiedigd (art. 4:3 lid 2 BW).
De testeervrijheid is belangrijk, maar kan niet zodanig ingrijpend zijn, dat een erfstelling van erflater Y, waarbij hij 4/5 van zijn nalatenschap nalaat aan zijn beste vriend X, het voor de opvolgers bij versterf (de afstammelingen die krachtens art. 4:10 BW tot de nalatenschap worden geroepen) onmogelijk maakt om zelfs maar de legitieme portie te ontvangen. Een voor het openvallen van een nalatenschap verrichte rechtshandeling is daarom nietig, voor zover zij de strekking heeft om een persoon te belemmeren in zijn vrijheid om bevoegdheden met betrekking tot de nalatenschap uit te oefenen (art. 4:4 lid 1 BW). Overeenkomsten, strekkende tot beschikking over nog niet opengevallen nalatenschappen in hun geheel of over een evenredig deel daarvan, zijn nietig (art. 4:4 lid 2 BW).
Deze bepaling neemt niet weg dat een overeenkomst met betrekking tot een bepaald vermogensbestanddeel (bijvoorbeeld verkoop van een onroerende zaak) rechtsgeldig is. Eerst wanneer het op levering van de zaak aankomt, heeft de verkrijger een vordering op de nalatenschap als bedoeld onder art. 4:7 lid 1 onder a BW (aldus een schuld van de erflater die niet met zijn dood teniet is gegaan).
1.2 Schulden van de nalatenschap
Schulden van de nalatenschap zijn (art. 4:7 lid 1 onder a-i BW):
a. de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan, voor zover niet begrepen in onderdeel i (giften en andere handelingen die worden aangemerkt als legaten);
b. de kosten van lijkbezorging, in overeenstemming met de omstandigheden van overledene;
c. de kosten van vereffening van de nalatenschap, met inbegrip van het loon van de vereffenaar;
d. de kosten van executele, met inbegrip van het loon;
e. de schulden uit belastingen die ter zake van het openvallen der nalatenschap worden geheven, voor zover zij op de erfgenamen komen te rusten;
f. de schulden die ontstaan door toepassing van afdeling 4.3.2 ('andere wettelijke rechten');
g. de schulden ter zake van legitieme porties waarop krachtens art. 4:80 BW aanspraak wordt gemaakt;
h. de schulden uit legaten welke op een of meer erfgenamen rusten;
i. de schulden uit giften en andere legaten.
Met voorrang worden de schulden ten laste van de nalatenschap achtereenvolgens voldaan (art. 4:7 lid 2 onder 1-3 BW):
1. de schulden, bedoeld in lid 1 onder a tot en met e;
2. de schulden uit 'andere wettelijke rechten' als bedoeld in afdeling 4.3.2 BW;
3. de schulden ter zake van legitieme porties. Ontbreken schulden uit 'andere wettelijke rechten', dan worden eerst de schulden onder a-c voldaan en vervolgens de schulden onder d-g.
De kosten voor lijkbezorging en vereffening gaan dus altijd vóór eventuele kosten voor de studie van een kind op grond van afd. 4.3.2 en de legitieme porties. Schulden uit legaten kennen geen voorrangspositie. Zij mogen slechts uit de nalatenschap worden voldaan, als alle andere schulden van de nalatenschap ten volle kunnen worden voldaan (art. 4:120 lid 1 BW).
2. Erfopvolging bij versterf
Om als erfgenaam op te kunnen treden, moet men bestaan op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt (art. 4:9 BW). De wet komt aan deze bestaanseis op meerdere plaatsen tegemoet, onder meer door te bepalen dat het ongeboren kind reeds wordt geacht te bestaan (art. 1:2 BW).
2.1 Parentelen
De wet roept tot een nalatenschap als erfgenamen uit eigen hoofde achtereenvolgens (art. 4:10 lid 1 onder a-d BW):
a. de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot (vgl. art. 4:8 leden 1 en 2 BW) van de erflater, tezamen met diens kinderen (groep 1);
b. de ouders van de erflater, tezamen met diens broers en zusters (groep 2);
c. de grootouders van de erflater (groep 3);
d. de overgrootouders van de erflater (groep 4).
De afstammelingen van een kind, broer, zus, grootouder of overgrootouder worden bij plaatsvervulling geroepen (art. 4:10 lid 2 BW). Alleen zij die tot de erflater in familierechtelijke betrekking stonden, worden tot de in de vorige leden genoemde bloedverwanten gerekend (art. 4:10 lid 3 BW). Wie als 'bloedverwanten' worden aangemerkt, wordt bepaald door art. 1:3 en art. 1:197-1:199 BW.
Degenen die tezamen uit eigen hoofde tot de nalatenschap worden geroepen, erven voor gelijke delen (art. 4:11 lid 1 BW). Het erfdeel van een halfbroer of halfzus is de helft van het erfdeel van een volle broer, een volle zus of een ouder (art. 4:11 lid 2 BW). Het erfdeel van een ouder dient minimaal een kwart te bedragen. Wanneer het erfdeel van de ouder minder zou zijn dan een kwart, worden de erfdelen van de overige erfgenamen verminderd naar evenredigheid (art. 4:11 lid 3 BW).
2.2 Plaatsvervulling en staak
Met betrekking tot personen die op het moment van het openvallen van de nalatenschap niet meer bestaan, die onwaardig zijn, onterfd zijn, verwerpen of wier erfrecht is vervallen, treedt plaatsvervulling op (art. 4:12 lid 1 BW). De plaatsvervullers worden staaksgewijs geroepen tot het erfdeel van degene wiens plaats zij vervullen (art. 4:12 lid 2 BW). Dochter C en zoon D van vader A vormen dus de staak A als hun overleden vader A van grootvader B erft. Degenen die de erflater verder dan de zesde graad bestaan, erven niet (art. 4:12 lid 3 BW).
Ter illustratie. Nico overlijdt. Zijn erfgenamen zijn grootvader Toon, zijn dochter Manuela en de twee kinderen van de overleden zoon van Toon, Gerrit. De vrouw van Toon, grootmoeder Cornelia, leeft niet meer.
Uit eigen hoofde wordt geroepen: grootvader Toon (art. 4:11 lid 1 jo. 4:10 lid 1 onder c BW);
De plaatsvervullers van de vooroverleden grootmoeder Cornelia zijn Manuela en de kinderen van vooroverleden zoon Gerrit. De kinderen van Gerrit vormen de staak.
De uit eigen hoofde geroepen grootvader Toon erft 1/2.
Manuela en de staak Gerrit (de kinderen van Gerrit) moeten de andere helft verdelen.
Manuela krijgt dus (1/2 x 1/2 =) 1/4 en de staak Gerrit de helft daarvan (1/2 x 1/4 =) 1/8.
3. Het erfrecht bij versterf van de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot en van de kinderen
Het wat verwarrende opschrift van afdeling 4.3.1 duidt niet op het versterf van de achterblijvende echtgenoot en de kinderen, maar onder meer op de verdeling van de nalatenschap over de langstlevende echtgenoot en de kinderen van de erflater. Afdeling 4.3.1 wijkt af van de de algemene bepalingen inzake bijzondere gemeenschappen in afdeling 3.7.2 BW: op grond van afdeling 4.3.1 wordt namelijk de nalatenschap verdeeld voordat een (bijzondere) gemeenschap ontstaat. Zoals ik onder "Huwelijksvermogensrecht: gemeenschap van goederen en ontbinding van de gemeenschap" (paragraaf 2) heb behandeld, leidt het overlijden van één van de echtgenoten tot ontbinding van de gemeenschap, waardoor een bijzondere gemeenschap ontstaat die ingevolge afd. 3.7.2 wordt klaargemaakt voor de uiteindelijke verdeling.
3.1 Wettelijke verdeling
Van de wettelijke verdeling op grond van afdeling 4.3.1 kan worden afgeweken bij uiterste wilsbeschikking (art. 4:13 lid 1 BW). Is geen testamentaire bepaling ter zake opgenomen, dan werkt de wettelijke (erfrechtelijke) verdeling als volgt. De echtgenoot van de erflater verkrijgt van rechtswege de goederen van de nalatenschap (art. 4:13 lid 2 BW). Onder echtgenoot wordt niet begrepen de van tafel en bed gescheiden echtgenoot (art. 4:13 lid 6 BW).
De voldoening van de schulden van de nalatenschap komt voor rekening van de echtgenoot. Onder schulden van de nalatenschap worden tevens begrepen de ten laste van de gezamenlijke erfgenamen komende uitgaven ter voldoening aan testamentaire lasten.
Ieder kind verkrijgt als erfgenaam een geldvordering ten laste van de langstlevende echtgenoot, overeenkomstig het erfdeel. Deze vordering is opeisbaar (art. 4:13 lid 3 BW):
a. indien de echtgenoot in staat van faillissement is verklaard of de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Wsnp) van toepassing is verklaard;
b. wanneer de echtgenoot is overleden.
De geldvordering wordt vermeerderd (rente, vgl. 'verhoging' in art. 4:17 en 4:25 lid 1 BW) met een percentage dat overeenkomt met dat van de wettelijke rente, voor zover dit percentage hoger is dan zes (art. 4:13 lid 4 BW).
3.1.1 Aansprakelijkheid en verhaal
Indien de nalatenschap overeenkomstig art. 4:13 BW is verdeeld, is de echtgenoot van de erflater tegenover de schuldeisers en tegenover de kinderen verplicht tot voldoening van de schulden der nalatenschap. In de onderlinge verhouding van de echtgenoot en de kinderen komen de schulden der nalatenschap voor rekening van de echtgenoot (art. 4:14 lid 1 BW). Met de formulering van art. 4:14 lid 1 BW mag niet voorbij worden gegaan aan het feit dat de schulden op het totaalbedrag van de nalatenschap drukken, waarmee de kinderen dus mede de schulden van de nalatenschap als bedoeld in art. 4:7 lid 1 BW dragen.
De draagplicht van de echtgenoot geldt mede wanneer de schulden van de nalatenschap de baten overtreffen, onverminderd art. 4:184 lid 2 BW (het recht om beneficiair te aanvaarden) (art. 4:14 lid 4 BW). Voor schulden van de nalatenschap, alsmede voor schulden van de echtgenoot die konden worden verhaald op de goederen van een gemeenschap waarvan de echtgenoot en de erflater de deelgenoten waren, neemt de schuldeiser in zijn verhaal op de goederen die krachtens art. 4:13 lid 2 BW aan de echtgenoot toebehoren, rang voor degenen die verhaal nemen voor andere schulden van de echtgenoot (art. 4:14 lid 2 BW). Voor schulden van de nalatenschap kunnen de goederen van een kind niet worden uitgewonnen, met uitzondering van de in art. 4:13 lid 3 bedoelde geldvordering. Uitwinning van die goederen is wel mogelijk, voor zover de geldvordering van het kind is verminderd door betaling of door overdracht van goederen, tenzij het kind goederen van de echtgenoot aanwijst die voldoende verhaal bieden (art. 4:14 lid 3 BW).
3.2 Afwijking bij uiterste wilsbeschikking of door de achterblijvende echtgenoot en kinderen tezamen
De erflater kan bij uiterste wilsbeschikking bepalen dat de vordering op de achterblijvende echtgenoot op een ander moment opeisbaar wordt (art. 4:13 lid 3 BW). De erflater kan bepalen of de achtergebleven echtgenoot en het kind tezamen kunnen bepalen dat op de geldvordering een ander rentepercentage van toepassing is (art. 4:13 lid 4 BW). De erflater kan bij uiterste wilsbeschikking bepalen of de echtgenoot en het kind tezamen kunnen bepalen dat de betaling niet in de eerste plaats in mindering wordt gebracht op de hoofdsom, maar op de verhoging (rente) (art. 4:17 lid 1 BW). De verplichtingen tot overdracht van goederen aan de kinderen (de wilsrechten ingevolge art. 4:19-4:22 BW) kunnen worden uitgebreid, beperkt of opgeheven (art. 4:25 lid 6 BW). Bij uiterste wilsbeschikking kan bovendien worden bepaald dat een stiefkind in de wettelijke verdeling (art. 4:13 BW) als eigen kind wordt betrokken (art. 4:27 BW).
3.3 Boedelbeschrijving en betaling geldvordering
De echtgenoot en ieder kind kunnen een boedelbeschrijving verlangen. De boedelbeschrijving bevat een waardering van de goederen en de schulden van de nalatenschap (art. 4:16 lid 1 BW). Heeft de echtgenoot of een kind niet het vrije beheer over zijn vermogen, dan levert zijn wettelijk vertegenwoordiger binnen één jaar na het overlijden van de erflater een boedelbeschrijving in ter griffie van de rechtbank. De kantonrechter kan bepalen dat de boedelbeschrijving bij notariële akte geschiedt (art. 4:16 lid 2 BW). De art. 673-676 Rv zijn van overeenkomstige toepassing (art. 4:16 lid 3 BW).
De echtgenoot kan de in art. 4:13 lid 3 BW bedoelde geldvordering en de rente te allen tijde geheel of gedeeltelijk voldoen. Een betaling wordt in beginsel in mindering gebracht op de hoofdsom en vervolgens op de verhoging (art. 4:17 lid 1 BW). Met het oog op fiscale voordelen kan de erflater bij testament bepalen dat de betalingen eerst in mindering worden gebracht op de verhogen en daarna op de hoofdsom.
3.4 Ongedaanmaking wettelijke verdeling: bijzondere gemeenschap (afd. 3.7.2)
De echtgenoot kan binnen drie maanden na het overlijden van de erflater door middel van een verklaring bij notariële akte, binnen die termijn gevolgd door inschrijving in het boedelregister, de verdeling van art. 4:13 BW ongedaan maken. De verklaring werkt ex tunc. Tussen de echtgenoot en kinderen vindt verrekening plaats, indien de schulden van de nalatenschap zijn voldaan (art. 4:18 leden 1 en 2 BW). De ongedaanmaking van de wettelijke verdeling op grond van afdeling 4.3.1 brengt mee dat afdeling 3.7.2 betreffende bijzondere gemeenschappen van toepassing wordt. Anders dan onder 4.3.1 het geval was, komt de verdeling vanaf dat moment na het ontstaan van de bijzondere gemeenschap. De gemeenschap wordt namelijk, door de werking ex tunc van de ongedaanmaking, vanaf het moment van het overlijden van de erflater geacht ontbonden te zijn, om de uiteindelijke verdeling te effectueren.
Labels:
beneficiair aanvaarden,
erfopvolging bij versterf,
erfrecht,
executele,
legataris,
legitieme portie,
Mercedes Bouter,
parentelen,
plaatsvervulling,
rechtblog,
rechten,
rechtenblog,
staak
zondag 18 december 2016
Aansprakelijk voor schade zzp'er?
Onlangs kreeg ik de volgende kwestie voorgelegd. Een zzp'er krijgt een ongeval tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. De zzp'er meent stellig dat degene die zijn diensten afneemt, de "inlener", verantwoordelijk is voor de schade die hij lijdt als gevolg van dit ongeval. Hij zegt dat de opdrachtgever hetzelfde is als een werkgever. Met "inlener" en "werkgever" bedoelt hij een consument, niet de ondernemer die met regelmaat uitzendkrachten of zzp'ers inschakelt.
Cliché is het vergelijkbare voorbeeld van het advocatenkantoor dat een schilder inhuurt; de schilder valt tijdens zijn werkzaamheden van zijn karretje en stelt het kantoor aansprakelijk, omdat het kantoor nu eenmaal opdrachtgever is.
In hoeverre is een opdrachtgever aansprakelijk voor schade, die de zzp'er lijdt in de uitvoering van zijn werkzaamheden?
De vergaande risico-aansprakelijkheid van de werkgever/ opdrachtgever blijft voor de beantwoording van deze vraag, buiten beschouwing. Problemen met het aansprakelijk stellen van een inlener, voor de schade die werd geleden door de buitencontractuele dienstverlener, werden vóór de invoering van art. 7:658 BW, opgelost via de constructie van: (a) de aansprakelijkheid van de formele werkgever voor hulppersonen, op grond van art. 6:76 BW en (b) de aansprakelijkheid van de inlener als materiële werkgever, op grond van de onrechtmatige daad, ex. 6:162 en/ of 6:170 BW.
Buitencontractuele arbeidsverhoudingen
Centraal staat art. 7:658 lid 4 BW: hij, die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, is overeenkomstig lid 1 tot en met 3 (van art. 7:658) aansprakelijk voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. Uit lid 4 kunnen de volgende vragen worden afgeleid:
a. heeft de dienstverlener werkzaamheden verricht die tot de normale bedrijfsvoering van de opdrachtgever horen?;
b. heeft de opdrachtgever zijn zorgplicht als bedoeld in lid 1 en 2, verzuimd?
Van betekenis is het arrest-Davelaar/ Allspan, ECLI:NL:HR:2012:BV0616, zie de rechtsoverwegingen 3.6.1. t/m 3.6.3. De Hoge Raad beoordeelt de reikwijdte van art. 7:658 lid 4 BW. Ratio van het vierde lid van dit artikel is het bieden van een grondslag voor aansprakelijkheid, indien de derde tekortschiet in het treffen van veiligheidsmaatregelen en degene die arbeid verricht, daardoor schade lijdt. De Tweede Nota van Wijziging noemt uitzendarbeid, aanneming en uitlening als voorbeelden van een tewerkstelling bij derden (inleners).
Uit Kamerstukken II, 1997-1998, 25 263, nr. 14, p. 6 blijkt, dat een werkgever die zijn zorgplicht niet nakomt, op gelijke voet aansprakelijk dient te zijn voor de schade van werknemers en ingeleende krachten.
De Hoge Raad vervolgt in r.o. 3.6.2.: "dit brengt mee dat toepassing van art. 7:658 lid 4 BW zich leent indien een persoon die buiten dienstbetrekking werkzaamheden verricht, voor de zorg voor zijn veiligheid, afhankelijk is van degene voor wie hij werkzaamheden verricht. Onder meer van belang zijn de feitelijke verhoudingen tussen betrokkenen en de aard van de verrichte werkzaamheden, alsmede de mate waarin de opdrachtgever invloed heeft op de werkomstandigheden van degene die de werkzaamheden verricht en op de daarmee verband houdende veiligheidsrisico's."
Cruciaal is r.o. 3.6.3: "voor toepassing van art. 7:658 lid 4 BW is vereist dat de werkzaamheden hebben plaatsgevonden in de "uitoefening van het beroep of bedrijf "van degene in wiens opdracht de arbeid is verricht. Het moet gaan om "werkzaamheden die de derde in het kader van de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, ook door eigen werknemers had kunnen laten verrichten."
Conclusie
Zo ruim als het schoolvoorbeeld van het advocatenkantoor en de schilder, kan de aansprakelijkheid uit art. 7:658 BW dus niet getrokken worden. De voorwaarden voor aansprakelijkstelling van de inlener, voor de schade die wordt geleden door de dienstverlener, zijn cumulatief:
1. de schade is het gevolg van het nalaten van de zorgplicht ex. art. 7:658 lid 1 BW, door de opdrachtgever;
2. de werkzaamheden door de dienstverlener zijn verricht in de uitoefening van het beroep of bedrijf van de opdrachtgever.
Gesteld dat de inlener een consument is, zoals het geval was bij de vraag die mij is voorgelegd, kan de zzp'er dus géén beroep doen op de aansprakelijkheid van de opdrachtgever via art. 7:658 BW.
Cliché is het vergelijkbare voorbeeld van het advocatenkantoor dat een schilder inhuurt; de schilder valt tijdens zijn werkzaamheden van zijn karretje en stelt het kantoor aansprakelijk, omdat het kantoor nu eenmaal opdrachtgever is.
In hoeverre is een opdrachtgever aansprakelijk voor schade, die de zzp'er lijdt in de uitvoering van zijn werkzaamheden?
De vergaande risico-aansprakelijkheid van de werkgever/ opdrachtgever blijft voor de beantwoording van deze vraag, buiten beschouwing. Problemen met het aansprakelijk stellen van een inlener, voor de schade die werd geleden door de buitencontractuele dienstverlener, werden vóór de invoering van art. 7:658 BW, opgelost via de constructie van: (a) de aansprakelijkheid van de formele werkgever voor hulppersonen, op grond van art. 6:76 BW en (b) de aansprakelijkheid van de inlener als materiële werkgever, op grond van de onrechtmatige daad, ex. 6:162 en/ of 6:170 BW.
Buitencontractuele arbeidsverhoudingen
Centraal staat art. 7:658 lid 4 BW: hij, die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, is overeenkomstig lid 1 tot en met 3 (van art. 7:658) aansprakelijk voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. Uit lid 4 kunnen de volgende vragen worden afgeleid:
a. heeft de dienstverlener werkzaamheden verricht die tot de normale bedrijfsvoering van de opdrachtgever horen?;
b. heeft de opdrachtgever zijn zorgplicht als bedoeld in lid 1 en 2, verzuimd?
Van betekenis is het arrest-Davelaar/ Allspan, ECLI:NL:HR:2012:BV0616, zie de rechtsoverwegingen 3.6.1. t/m 3.6.3. De Hoge Raad beoordeelt de reikwijdte van art. 7:658 lid 4 BW. Ratio van het vierde lid van dit artikel is het bieden van een grondslag voor aansprakelijkheid, indien de derde tekortschiet in het treffen van veiligheidsmaatregelen en degene die arbeid verricht, daardoor schade lijdt. De Tweede Nota van Wijziging noemt uitzendarbeid, aanneming en uitlening als voorbeelden van een tewerkstelling bij derden (inleners).
Uit Kamerstukken II, 1997-1998, 25 263, nr. 14, p. 6 blijkt, dat een werkgever die zijn zorgplicht niet nakomt, op gelijke voet aansprakelijk dient te zijn voor de schade van werknemers en ingeleende krachten.
De Hoge Raad vervolgt in r.o. 3.6.2.: "dit brengt mee dat toepassing van art. 7:658 lid 4 BW zich leent indien een persoon die buiten dienstbetrekking werkzaamheden verricht, voor de zorg voor zijn veiligheid, afhankelijk is van degene voor wie hij werkzaamheden verricht. Onder meer van belang zijn de feitelijke verhoudingen tussen betrokkenen en de aard van de verrichte werkzaamheden, alsmede de mate waarin de opdrachtgever invloed heeft op de werkomstandigheden van degene die de werkzaamheden verricht en op de daarmee verband houdende veiligheidsrisico's."
Cruciaal is r.o. 3.6.3: "voor toepassing van art. 7:658 lid 4 BW is vereist dat de werkzaamheden hebben plaatsgevonden in de "uitoefening van het beroep of bedrijf "van degene in wiens opdracht de arbeid is verricht. Het moet gaan om "werkzaamheden die de derde in het kader van de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, ook door eigen werknemers had kunnen laten verrichten."
Conclusie
Zo ruim als het schoolvoorbeeld van het advocatenkantoor en de schilder, kan de aansprakelijkheid uit art. 7:658 BW dus niet getrokken worden. De voorwaarden voor aansprakelijkstelling van de inlener, voor de schade die wordt geleden door de dienstverlener, zijn cumulatief:
1. de schade is het gevolg van het nalaten van de zorgplicht ex. art. 7:658 lid 1 BW, door de opdrachtgever;
2. de werkzaamheden door de dienstverlener zijn verricht in de uitoefening van het beroep of bedrijf van de opdrachtgever.
Gesteld dat de inlener een consument is, zoals het geval was bij de vraag die mij is voorgelegd, kan de zzp'er dus géén beroep doen op de aansprakelijkheid van de opdrachtgever via art. 7:658 BW.
donderdag 24 november 2016
Bestuursrecht: het beroep op de bestuursrechter (1)
6 Bestuursrechter
6.1. instantie
Het lijkt voor zich te spreken wat het begrip "bestuursrechtspraak" inhoudt, maar het is niet vanzelfsprekend dat de bestuursrechter een instantie van de rechterlijke macht is.
Kijk naar art. 1:4 awb: de bestuursrechter is een onafhankelijk, bij wet ingesteld orgaan (lid 1); een tot de rechterlijke macht behorend gerecht wordt als bestuursrechter aangemerkt voor zover hoofdstuk 8 van de awb van toepassing is (lid 3).
6.2. object van het geding en omvang geschil
Zoals gezegd, bepalen procespartijen in beginsel de omvang van het geschil, ex. art. 8:69 lid 1 awb. Object van het geschil is altijd een besluit in de zin van art. 1:3 awb. Het bestuursprocesrecht kent een belangrijke begrenzing van de omvang van het verschil: het staat partijen niet vrij om de toepassing van regels inzake bevoegdheid en ontvankelijkheid, als zijnde regels van openbare orde, te beperken.
De wetgever bepaalt wanneer kan worden geageerd; er is een gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Dit in tegenstelling tot het burgerlijk procesrecht, waarbij een ieder die is getroffen in zijn subjectief recht, actie in kan stellen. In het bestuursrecht is het subjectief recht aldus losgekoppeld van het actierecht.
7 Competentie bestuursrechter
7.1. beroep tegen besluiten en gelijkgestelde handelingen
Uit art. 8:1 awb blijkt dat een belanghebbende beroep in kan stellen tegen een besluit. Besluiten van algemene strekking kunnen vatbaar zijn voor beroep, voor zover zij geen algemeen verbindende voorschriften zijn. Met een besluit in de zin van art. 1:3 awb worden gelijkgesteld, aldus art. 6:2 lid 1 en 2 awb, de schriftelijke weigering om een besluit te nemen (1) en het niet tijdig nemen van een besluit (2).
7.2. weigering of goedkeuring van een voorbereidingshandeling is appellabel
Art. 8:2 awb somt een aantal gevallen op die worden gelijkgesteld met een besluit. Let op lid 2 onder a van dit artikel, gelijkgesteld met een besluit worden:
1. de weigering van de goedkeuring van een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel;
2. de intrekking of vaststelling van de inwerkingtreding van een avv of een beleidsregel.
Terwijl art. 8:3 lid 2 awb het besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling uitzondert van beroep, geeft art. 8:2 lid 2 onder b awb aan dat de weigering of goedkeuring van een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling, gelijkgesteld wordt met een besluit en derhalve vatbaar is voor beroep.
7.3. Niet vatbaar voor beroep
Een beslissing inzake de procedurele voorbereiding van een besluit is niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende rechtstreeks in zijn belang treft, zie art. 6:3 awb.
Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit, ex. art. 8:3 awb:
1
a. inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of beleidsregel;
b. inhoudende de intrekking of vaststelling van inwerkingtreding van een avv of beleidsregel;
c. inhoudende de goedkeuring van een besluit, inhoudende een avv of beleidsregel of de intrekking of vaststelling van inwerkingtreding van een avv of beleidsregel;
2 een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling.
Verder van beroep uitgesloten zijn de besluiten, opgesomd in art. 8:4 awb en art. 8:5 lid 1 awb.
Zoals gezegd, is de (schriftelijke) weigering of goedkeuring van een besluit in de zin van art. 8:2 lid 2 onder a en b awb, wél appellabel. Er dient dus altijd eerst beoordeeld te worden, welke uitzonderingen van toepassing zijn op art. 8:3 awb.
7.3.1. avv's en exceptieve toetsing
Dat een algemeen verbindend voorschrift en beleidsregel niet vatbaar zijn voor beroep, impliceert niet dat rechterlijke toetsing niet geschiedt; dat laatste is namelijk wel het geval. De rechtmatigheidstoetsing vindt plaats, waarbij een avv of beleidsregel niet voor vernietiging in aanmerking komt, maar wél buiten toepassing verklaard zal worden in het geval van onrechtmatigheid. De toetsing van de verbindendheid van een avv vindt plaats bij de beoordeling van het beroep tegen een uitvoeringsbesluit, uitgevaardigd op grond van een avv.
Exceptieve toetsing houdt in dat een beschikking waartegen bezwaar of beroep is gericht, wordt getoetst aan de beleidsregel of het avv die ten grondslag ligt aan het besluit. De beleidsregel of het avv wordt getoetst aan hogere wettelijke normen. Aan een avv kan verbindende kracht worden ontzegd, indien het in strijd is met indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, hetgeen vol wordt getoetst, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.
Voor de exceptieve toetsing binnen de bestuursrechtelijke rechtspraak is ABRvS 5 november 2014 (Zwarte Piet) van belang; voor de exceptieve toetsing binnen de burgerlijke rechtspraak is HR 16 mei 1986, AB 1986, 574 (Landbouwvliegers) van belang.
6.1. instantie
Het lijkt voor zich te spreken wat het begrip "bestuursrechtspraak" inhoudt, maar het is niet vanzelfsprekend dat de bestuursrechter een instantie van de rechterlijke macht is.
Kijk naar art. 1:4 awb: de bestuursrechter is een onafhankelijk, bij wet ingesteld orgaan (lid 1); een tot de rechterlijke macht behorend gerecht wordt als bestuursrechter aangemerkt voor zover hoofdstuk 8 van de awb van toepassing is (lid 3).
6.2. object van het geding en omvang geschil
Zoals gezegd, bepalen procespartijen in beginsel de omvang van het geschil, ex. art. 8:69 lid 1 awb. Object van het geschil is altijd een besluit in de zin van art. 1:3 awb. Het bestuursprocesrecht kent een belangrijke begrenzing van de omvang van het verschil: het staat partijen niet vrij om de toepassing van regels inzake bevoegdheid en ontvankelijkheid, als zijnde regels van openbare orde, te beperken.
De wetgever bepaalt wanneer kan worden geageerd; er is een gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Dit in tegenstelling tot het burgerlijk procesrecht, waarbij een ieder die is getroffen in zijn subjectief recht, actie in kan stellen. In het bestuursrecht is het subjectief recht aldus losgekoppeld van het actierecht.
7 Competentie bestuursrechter
7.1. beroep tegen besluiten en gelijkgestelde handelingen
Uit art. 8:1 awb blijkt dat een belanghebbende beroep in kan stellen tegen een besluit. Besluiten van algemene strekking kunnen vatbaar zijn voor beroep, voor zover zij geen algemeen verbindende voorschriften zijn. Met een besluit in de zin van art. 1:3 awb worden gelijkgesteld, aldus art. 6:2 lid 1 en 2 awb, de schriftelijke weigering om een besluit te nemen (1) en het niet tijdig nemen van een besluit (2).
7.2. weigering of goedkeuring van een voorbereidingshandeling is appellabel
Art. 8:2 awb somt een aantal gevallen op die worden gelijkgesteld met een besluit. Let op lid 2 onder a van dit artikel, gelijkgesteld met een besluit worden:
1. de weigering van de goedkeuring van een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel;
2. de intrekking of vaststelling van de inwerkingtreding van een avv of een beleidsregel.
Terwijl art. 8:3 lid 2 awb het besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling uitzondert van beroep, geeft art. 8:2 lid 2 onder b awb aan dat de weigering of goedkeuring van een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling, gelijkgesteld wordt met een besluit en derhalve vatbaar is voor beroep.
7.3. Niet vatbaar voor beroep
Een beslissing inzake de procedurele voorbereiding van een besluit is niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende rechtstreeks in zijn belang treft, zie art. 6:3 awb.
Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit, ex. art. 8:3 awb:
1
a. inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of beleidsregel;
b. inhoudende de intrekking of vaststelling van inwerkingtreding van een avv of beleidsregel;
c. inhoudende de goedkeuring van een besluit, inhoudende een avv of beleidsregel of de intrekking of vaststelling van inwerkingtreding van een avv of beleidsregel;
2 een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling.
Verder van beroep uitgesloten zijn de besluiten, opgesomd in art. 8:4 awb en art. 8:5 lid 1 awb.
Zoals gezegd, is de (schriftelijke) weigering of goedkeuring van een besluit in de zin van art. 8:2 lid 2 onder a en b awb, wél appellabel. Er dient dus altijd eerst beoordeeld te worden, welke uitzonderingen van toepassing zijn op art. 8:3 awb.
7.3.1. avv's en exceptieve toetsing
Dat een algemeen verbindend voorschrift en beleidsregel niet vatbaar zijn voor beroep, impliceert niet dat rechterlijke toetsing niet geschiedt; dat laatste is namelijk wel het geval. De rechtmatigheidstoetsing vindt plaats, waarbij een avv of beleidsregel niet voor vernietiging in aanmerking komt, maar wél buiten toepassing verklaard zal worden in het geval van onrechtmatigheid. De toetsing van de verbindendheid van een avv vindt plaats bij de beoordeling van het beroep tegen een uitvoeringsbesluit, uitgevaardigd op grond van een avv.
Exceptieve toetsing houdt in dat een beschikking waartegen bezwaar of beroep is gericht, wordt getoetst aan de beleidsregel of het avv die ten grondslag ligt aan het besluit. De beleidsregel of het avv wordt getoetst aan hogere wettelijke normen. Aan een avv kan verbindende kracht worden ontzegd, indien het in strijd is met indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, hetgeen vol wordt getoetst, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.
Voor de exceptieve toetsing binnen de bestuursrechtelijke rechtspraak is ABRvS 5 november 2014 (Zwarte Piet) van belang; voor de exceptieve toetsing binnen de burgerlijke rechtspraak is HR 16 mei 1986, AB 1986, 574 (Landbouwvliegers) van belang.
maandag 25 januari 2016
Plaatsbepaling van de algemene voorwaarden in het verbintenissenrecht II
Zie deel I over de plaatsbepaling van de algemene voorwaarden in het verbintenissenrecht.
Het verdient aanbeveling om de toepassing van art. 6:233 e.v. nader te bestuderen.
Welke wederpartijen kunnen art. 6:233 aanspreken?
Vooraf zij opgemerkt dat zowel art. 6:233 sub a als 6:248 (lid 2) in rechte aangewend kunnen worden. De redelijkheid en billijkheid sluiten de toepassing van de vernietigingsgrond niet uit.
De artt. 6:236-238, beogen de natuurlijke persoon, niet zijnde rechtspersoon, noch handelend in de uitoefening van een bedrijf, te beschermen.
Een zogeheten "reflexwerking" gaat uit van artt. 6:236-238: niet-consumenten kunnen geen rechtstreeks beroep doen op de grijze en zwarte lijst, maar in het kader van een beroep op de "open norm" in art. 6:233 sub a kunnen de consumentenlijsten voor bepaalde wederpartijen indicaties vormen om aan te nemen dat een beding onredelijk bezwarend is.
Het gaat om wederpartijen die gelijkenis vertonen met de consument (bijv. de eenmanszaak), of professionele wederpartijen die niet handelen binnen hun vakgebied.
Uitgesloten van beroep op de vernietigingsgronden in art. 6:233-6:234 zijn wederpartijen zoals bedoeld in art. 6:235. Deze partijen zijn uitsluitend aangewezen op art. 6:248. Een en ander wordt gerechtvaardigd door het feit dat het grote wederpartijen betreft, of wederpartijen die gelijksoortige algemene voorwaarden hanteren.
Een bijzondere toepassing van art. 6:233 sub a vindt plaats in het kader van de volmacht. De principaal kan een beroep doen op sub a- en uitsluitend op sub a- in het geval ongewenste situaties ontstaan als de gevolmachtigde algemene voorwaarden hanteert bij het aangaan van verbintenissen in naam van de principaal.
Art. 6:233 Sub a: inhoudstoetsing algemene voorwaarden
Art. 6:233 sub a geeft indicaties voor de beoordeling van onredelijk bezwarende bedingen. Deze zijn als volgt:
* Aard en verdere inhoud van de overeenkomst. Hierbij kan verband worden gelegd tussen de voorwaarde en het voordeel (of juist nadeel) voor de wederpartij van de gebruiker;
* Wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen. Voorwaarden die eenzijdig tot stand zijn gekomen, zullen eerder als onredelijk worden aangemerkt dan voorwaarden die na overleg tot stand zijn gekomen (let op: Richtlijn 93/13/EEG is stringenter, aangezien deze uitgaat van bedingen "waarover niet afzonderlijk is onderhandeld"); ook van belang is de "mate waarin de wederpartij zich van de strekking van het beding bewust is";
* Wederzijds kenbare belangen;
* Overige omstandigheden. Hoedanigheid partijen (consument tegenover grote organisatie), maatschappelijke positie (zie Haviltex), evt. bijstand door een deskundige, aard en ernst van de uit te sluiten schade.
Art. 6:233 Sub b: terhandstelling algemene voorwaarden
Het criterium van sub b vindt nadere uitwerking in art. 6:234. De informatieplicht houdt in de "terhandstelling" van de algemene voorwaarden door de gebruiker aan de wederpartij, voor of tijdens het sluiten van de overeenkomst, opdat de wederpartij de redelijke mogelijkheid is geboden van de voorwaarden kennis te nemen.
Is het redelijkerwijs niet mogelijk om de algemene voorwaarden ter hand te stellen, aldus art. 6:234 lid 1, dan heeft de gebruiker de volgende optie: de gebruiker dient aan te geven waar de algemene voorwaarden ter inzage beschikbaar zijn (KvK of griffie) en de algemene voorwaarden dienen op verzoek van de wederpartij vóór de totstandkoming van de overeenkomst toegezonden te worden. De voorwaarden dienen op verzoek van de wederpartij door de gebruiker onverwijld op zijn kosten aan haar toegezonden te worden, op straffe van vernietigbaarheid van een of meerdere bedingen.
Uitzondering is te vinden in de laatste zin van lid 1 van dit artikel. Is deze uitzondering van toepassing en kan van de gebruiker het bepaalde in de eerste twee volzinnen van art. 6:234 lid 1 redelijkerwijs niet gevergd worden, dan heeft de gebruiker de mogelijkheid om te wijzen op inzage bij de gebruiker, de KvK of de griffie.
Voor de aanbieder van een dienst is art. 6:230c van overeenkomstige toepassing.
Aparte uitleg verdient het langs elektronische weg beschikbaar stellen van de algemene voorwaarden. Art. 6:234 lid 2 bepaalt dat de algemene voorwaarden opgeslagen dienen te kunnen worden door de wederpartij; is dit niet mogelijk, dan behoort de gebruiker voor de totstandkoming van de overeenkomst te wijzen op de mogelijkheid om langs elektronische weg kennis te nemen van de voorwaarden; ook dient de gebruiker de algemene voorwaarden op verzoek langs elektronische of andere weg aan de wederpartij te zenden, eveneens op straffe van vernietigbaarheid van een of meerdere bedingen.
Blijkens lid 3 volstaat de wijze van beschikbaarheid zoals bepaald in lid 2, slechts indien de overeenkomst tevens langs elektronische weg tot stand komt. Komt de overeenkomst op fysieke wijze of op enige andere manier tot stand, dan mag de gebruiker de algemene voorwaarden langs elektronische weg aan de wederpartij zenden, maar uitsluitend indien de wederpartij daar uitdrukkelijk mee instemt.
Wat zijn de verschillen tussen art. 6:248 en 6:233?
Buiten bereik van dit thema valt de vestiging van de werking van de redelijkheid en billijkheid in de Nederlandse rechtspraak.
Wat duidelijk is, is dat 6:248 en 6:233 elkaar niet uitsluiten. De verschillen vinden echter hun uitwerking in de gevolgen. Art. 6:233 sub a kent beperkingen: de groep wederpartijen die een beroep op dit artikel kan doen, is kleiner, ex. art. 6:235; ook de beoordeling van een beding blijft beperkt tot het moment van contractsluiting. Voor ambtshalve toetsing leent art. 6:233 sub a zich niet; dit artikel kan slechts bij beroep in rechte worden toegepast.
Art. 6:248 geldt van rechtswege. De rechter toetst een beding ambtshalve aan de werking van redelijkheid en billijkheid. Omstandigheden die zich ná contractsluiting voordoen, kunnen wel worden meegewogen. De gevolgen van een beroep op art. 6:233 zijn rigoreus: met een geslaagd beroep op sub a van dit artikel worden één of meer bedingen vernietigd; de werking van sub b leidt zelfs tot vernietiging van de gehele set algemene voorwaarden. Het regime van art. 6:248 is daarentegen milder: zonder de vernietigingssanctie te hoeven gebruiken, kan de toepassing van een algemene voorwaarde onaanvaardbaar worden verklaard.
Het verdient aanbeveling om de toepassing van art. 6:233 e.v. nader te bestuderen.
Welke wederpartijen kunnen art. 6:233 aanspreken?
Vooraf zij opgemerkt dat zowel art. 6:233 sub a als 6:248 (lid 2) in rechte aangewend kunnen worden. De redelijkheid en billijkheid sluiten de toepassing van de vernietigingsgrond niet uit.
De artt. 6:236-238, beogen de natuurlijke persoon, niet zijnde rechtspersoon, noch handelend in de uitoefening van een bedrijf, te beschermen.
Een zogeheten "reflexwerking" gaat uit van artt. 6:236-238: niet-consumenten kunnen geen rechtstreeks beroep doen op de grijze en zwarte lijst, maar in het kader van een beroep op de "open norm" in art. 6:233 sub a kunnen de consumentenlijsten voor bepaalde wederpartijen indicaties vormen om aan te nemen dat een beding onredelijk bezwarend is.
Het gaat om wederpartijen die gelijkenis vertonen met de consument (bijv. de eenmanszaak), of professionele wederpartijen die niet handelen binnen hun vakgebied.
Uitgesloten van beroep op de vernietigingsgronden in art. 6:233-6:234 zijn wederpartijen zoals bedoeld in art. 6:235. Deze partijen zijn uitsluitend aangewezen op art. 6:248. Een en ander wordt gerechtvaardigd door het feit dat het grote wederpartijen betreft, of wederpartijen die gelijksoortige algemene voorwaarden hanteren.
Een bijzondere toepassing van art. 6:233 sub a vindt plaats in het kader van de volmacht. De principaal kan een beroep doen op sub a- en uitsluitend op sub a- in het geval ongewenste situaties ontstaan als de gevolmachtigde algemene voorwaarden hanteert bij het aangaan van verbintenissen in naam van de principaal.
Art. 6:233 Sub a: inhoudstoetsing algemene voorwaarden
Art. 6:233 sub a geeft indicaties voor de beoordeling van onredelijk bezwarende bedingen. Deze zijn als volgt:
* Aard en verdere inhoud van de overeenkomst. Hierbij kan verband worden gelegd tussen de voorwaarde en het voordeel (of juist nadeel) voor de wederpartij van de gebruiker;
* Wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen. Voorwaarden die eenzijdig tot stand zijn gekomen, zullen eerder als onredelijk worden aangemerkt dan voorwaarden die na overleg tot stand zijn gekomen (let op: Richtlijn 93/13/EEG is stringenter, aangezien deze uitgaat van bedingen "waarover niet afzonderlijk is onderhandeld"); ook van belang is de "mate waarin de wederpartij zich van de strekking van het beding bewust is";
* Wederzijds kenbare belangen;
* Overige omstandigheden. Hoedanigheid partijen (consument tegenover grote organisatie), maatschappelijke positie (zie Haviltex), evt. bijstand door een deskundige, aard en ernst van de uit te sluiten schade.
Art. 6:233 Sub b: terhandstelling algemene voorwaarden
Het criterium van sub b vindt nadere uitwerking in art. 6:234. De informatieplicht houdt in de "terhandstelling" van de algemene voorwaarden door de gebruiker aan de wederpartij, voor of tijdens het sluiten van de overeenkomst, opdat de wederpartij de redelijke mogelijkheid is geboden van de voorwaarden kennis te nemen.
Is het redelijkerwijs niet mogelijk om de algemene voorwaarden ter hand te stellen, aldus art. 6:234 lid 1, dan heeft de gebruiker de volgende optie: de gebruiker dient aan te geven waar de algemene voorwaarden ter inzage beschikbaar zijn (KvK of griffie) en de algemene voorwaarden dienen op verzoek van de wederpartij vóór de totstandkoming van de overeenkomst toegezonden te worden. De voorwaarden dienen op verzoek van de wederpartij door de gebruiker onverwijld op zijn kosten aan haar toegezonden te worden, op straffe van vernietigbaarheid van een of meerdere bedingen.
Uitzondering is te vinden in de laatste zin van lid 1 van dit artikel. Is deze uitzondering van toepassing en kan van de gebruiker het bepaalde in de eerste twee volzinnen van art. 6:234 lid 1 redelijkerwijs niet gevergd worden, dan heeft de gebruiker de mogelijkheid om te wijzen op inzage bij de gebruiker, de KvK of de griffie.
Voor de aanbieder van een dienst is art. 6:230c van overeenkomstige toepassing.
Aparte uitleg verdient het langs elektronische weg beschikbaar stellen van de algemene voorwaarden. Art. 6:234 lid 2 bepaalt dat de algemene voorwaarden opgeslagen dienen te kunnen worden door de wederpartij; is dit niet mogelijk, dan behoort de gebruiker voor de totstandkoming van de overeenkomst te wijzen op de mogelijkheid om langs elektronische weg kennis te nemen van de voorwaarden; ook dient de gebruiker de algemene voorwaarden op verzoek langs elektronische of andere weg aan de wederpartij te zenden, eveneens op straffe van vernietigbaarheid van een of meerdere bedingen.
Blijkens lid 3 volstaat de wijze van beschikbaarheid zoals bepaald in lid 2, slechts indien de overeenkomst tevens langs elektronische weg tot stand komt. Komt de overeenkomst op fysieke wijze of op enige andere manier tot stand, dan mag de gebruiker de algemene voorwaarden langs elektronische weg aan de wederpartij zenden, maar uitsluitend indien de wederpartij daar uitdrukkelijk mee instemt.
Wat zijn de verschillen tussen art. 6:248 en 6:233?
Buiten bereik van dit thema valt de vestiging van de werking van de redelijkheid en billijkheid in de Nederlandse rechtspraak.
Wat duidelijk is, is dat 6:248 en 6:233 elkaar niet uitsluiten. De verschillen vinden echter hun uitwerking in de gevolgen. Art. 6:233 sub a kent beperkingen: de groep wederpartijen die een beroep op dit artikel kan doen, is kleiner, ex. art. 6:235; ook de beoordeling van een beding blijft beperkt tot het moment van contractsluiting. Voor ambtshalve toetsing leent art. 6:233 sub a zich niet; dit artikel kan slechts bij beroep in rechte worden toegepast.
Art. 6:248 geldt van rechtswege. De rechter toetst een beding ambtshalve aan de werking van redelijkheid en billijkheid. Omstandigheden die zich ná contractsluiting voordoen, kunnen wel worden meegewogen. De gevolgen van een beroep op art. 6:233 zijn rigoreus: met een geslaagd beroep op sub a van dit artikel worden één of meer bedingen vernietigd; de werking van sub b leidt zelfs tot vernietiging van de gehele set algemene voorwaarden. Het regime van art. 6:248 is daarentegen milder: zonder de vernietigingssanctie te hoeven gebruiken, kan de toepassing van een algemene voorwaarde onaanvaardbaar worden verklaard.
Abonneren op:
Posts (Atom)