Posts tonen met het label belief perseverance. Alle posts tonen
Posts tonen met het label belief perseverance. Alle posts tonen

dinsdag 1 februari 2022

[ Strafrecht ] Gerechtelijke dwaling in strafzaken: de ondergraving van de onschuldpresumptie door confirmation bias, belief perseverance en ambtelijke groepsdruk

09/2018
Mr. M. Bouter LL.M.

1. De onschuldpresumptie wordt ondergraven door sturing; het onvermijdelijke gevolg van de inrichting van het strafproces. Twee belangrijke mechanismen die daaraan ten grondslag liggen zijn confirmation bias en belief perseverance.

Het verificatoir karakter van het onderzoek ter terechtzitting vormt daarbij een risico voor de volledigheid van het onderzoek en de materiële juistheid van de bewezenverklaring


Crombag geeft inzicht in de processen die met het ontstaan van tunnelvisie gemoeid zijn en die het proces van kop tot staart beïnvloeden.[1] Het gaat hier niet om slordigheidsfoutjes. De systematiek van menselijke denkprocessen leidt tot tunnelvisie. Confirmation bias houdt in dat men geneigd is om evidentie te zoeken voor het bevestigen van een bestaande hypothese. Zo stuurt de zaaksofficier het proces door tegenstrijdigheden buiten het dossier te laten en bepaalde getuigen niet op te roepen. De zittingsrechter heeft geen inzicht in de denkprocessen van de officier, bovendien heeft hij geen kennis van stukken die als ‘irrelevant’ terzijde zijn geschoven;[2]  door elkaar versterkende processen raakt het verificatoir proces gericht op volharding in de overtuiging van de schuld van verdachte (belief perseverance).

De voorzitter neemt in de regel de processtukken door en vraagt de verdachte om bevestiging van de inhoud van de bewijsmiddelen. Daarbij worden geen kritische vragen aan het OM gesteld. Wettige bewijsmiddelen worden als feiten beschouwd, ondanks tegenspraak van de verdachte. Door het weglaten van ontlastend materiaal uit het procesdossier, wordt de verdachte feitelijk belast met ontkrachten van het bewijs, terwijl op de verdachte formeel geen bewijslast rust. Zoals hieronder aan de orde zal worden gesteld, is een bijkomend probleem dat de interventie van de verdachte minder dan één seconde bedraagt.[3]

Informatie die niet (rechtstreeks)  relevant is voor het onderzoek, wordt desondanks in de oordeelsvorming over de verdachte in relatie tot de voorliggende tenlastelegging betrokken. Een voorbeeld om dit te illustreren: Israëls en Crombag noemen het opnemen van een strafblad in het procesdossier als zou het een relevant gegeven betreffen, terwijl dit strafblad geen concrete betekenis heeft voor de bewijsvoering.

Geen plaats voor falsificatie in het eindonderzoek
Het is een onjuiste gevolgtrekking om nu te concluderen dat het verificatoir karakter van het eindonderzoek de oorzaak is van de ondermijning van de onschuldpresumptie. Gesteld kan worden dat het volledige strafproces de facto is ingericht op het bevestigen van de hypothese, dat de verdachte schuld draagt, waarbij de confirmation bias en belief perseverance vrij spel hebben; het verificatoir karakter van het eindonderzoek beschouw ik als een risicofactor voor de volledigheid van het onderzoek en materiële juistheid van de bewezenverklaring, omdat het verificatoire eindonderzoek geen plaats biedt voor de toetsing van aannemelijke alternatieve scenario’s. In het algemeen kan worden aangenomen dat voor falsificatie geen plaats is.

Groepsdruk en tunnelvisie
Complicerende factor bij de materiële juistheid van de bewezenverklaring is groepsdruk. Dat groepsdruk een belangrijke factor is in het ontstaan van tunnelvisie, blijkt uit het onderzoek naar de Enschedese vuurwerkramp. Dissidenten bij de recherche die zich niet in de onderzoeksresultaten konden vinden en zich meldden bij de Centrale Recherche Informatiedienst, werd een gebrek aan solidariteit verweten. Groepsconformiteit is een gevaarlijke factor. De macht van de meerderheid beperkt de mogelijkheid om alternatieve scenario’s te onderzoeken. Wat doet de enkeling die ziet dat de meerderheid het fout heeft? Voet bij stuk houden? Pesterijen riskeren omwille van de waarheidsvinding? Het klemt dat het eindonderzoek, door het verificatoire karakter ervan, geen of nauwelijks plaats biedt voor het in twijfel trekken van de resultaten van door tunnelvisie getekend vooronderzoek. 

          
Gesteld zou kunnen worden, dat de rechter tijdens het onderzoek ter terechtzitting verantwoordelijk is voor het gehele proces, van vooronderzoek tot eindonderzoek; de beraadslaging zou als controlemechanisme dienen om te doorzien waar de confirmation bias in wisselwerking met belief perseverance tot onjuiste aannames heeft geleid. Drion en Savornin Lohman wijzen terecht op een zwakke plek in ons rechtssysteem: ook in de meervoudige kamer kan groepsdruk leiden tot bevestiging van de confirmation bias en volharding in de belief perseverance. De meervoudige kamer treedt naar buiten toe als één geheel en voor dissenting opinions is in het Nederlands recht geen plaats.

Ik geef twee voorbeelden om te illustreren hoe processen als confirmation bias en belief perseverance in de rechtspraktijk werken: 


Discussiestukken
I. Trema december 2015: ‘Het bepalen van de Bayesiaanse prior odds in strafzaken’, F. Alkemade en H. Stikkelbroeck:
In de zaak-Schiedammer Parkmoord is een als veroordeelde pedofiel bekendstaande man ten onrechte veroordeeld. De argumentatie op grond van het procesdossier is als volgt:
a. de verdachte is een pedofiel die eerder een seksueel misdrijf heeft gepleegd;
b. de verdachte bevond zich na de moord in de omgeving van de plaats delict.
c. de verdachte heeft het delict bekend tijdens het politieverhoor;
De bekentenis wordt beschouwd als een sterk bewijsmiddel.


Van Koppen is volhardend geweest in het aansturen op een kritische heroverweging. Uit DNA revisie: blijkt géén DNA van de verdachte te zijn aangetroffen. Bovendien stemde de getuigenverklaring niet overeen met het profiel van de verdachte. Slechts op grond van één aanname en één feit is het proces gestuurd richting de veroordeling van de verkeerde. Het is de vraag waarom en onder welke omstandigheden de verdachte is gedreven tot het afleggen van een valse bekentenis. Wel is onder ogen gezien dat de verdachte labiel overkwam ten tijde van het verhoor. 

> Wat weet de zittingsrechter over de inkleding van het verhoor? Proces-verbaal voldoende, of ook aandacht voor context?  

II. Ook rechters maken menselijke fouten:[4]
Bij kennis van het procesdossier veroordeelt zowel 100% van de actieve rechters als 100% van de lijdelijke rechters de verdachte. Is het procesdossier niet bekend, dan veroordeelt maar liefst 71% van de passieve rechters de verdachte, tegenover slechts 27% van de actieve rechters.
> Wat kan hieruit worden geconcludeerd? Overtuiging door het OM doorslaggevend voor de lijdelijke rechter?

Conclusie
Een belangrijk gegeven is dat de zittingsrechter verantwoordelijk is voor het gehele onderzoek, van het vooronderzoek tot en met het (eind)onderzoek ter terechtzitting. De zittingsrechter is verantwoordelijk voor de materiële juistheid van de bewezenverklaring, zoals ik onder stelling 2 zal toelichten. Het is een onjuiste gevolgtrekking om te concluderen dat het verificatoir karakter van het eindonderzoek de oorzaak is van de ondermijning van een belangrijk procesbeginsel, dat van de onschuldpresumptie. Het verificatoir karakter van het eindonderzoek brengt echter wel een belangrijk risico mee: het volledige strafproces is in praktijk ingericht op het bevestigen van de hypothese dat de verdachte schuld draagt, waarbij de confirmation bias en belief perseverance vrij spel hebben;  het verificatoire eindonderzoek biedt geen ruimte voor de toetsing van aannemelijke alternatieve scenario’s.

Hoe zeer confirmation bias en belief perseverance kunnen leiden tot gerechtelijke dwaling, tonen enkele bekende voorbeelden uit de rechtspraktijk aan, waaronder de zaak-Schiedammer parkmoord. Het verdient aanbeveling dat de zittingsrechter ruim onderzoek doet naar de context waarin bepaald bewijs is vergaard. Een bekentenis is niet zonder meer een bekentenis: het maakt uit of de verdachte een volmondig 'ja' aflegt of een halfslachtig 'mwah', of de verdachte langdurig is verhoord en uit vermoeidheid 'toegeeft' of details onthult die alleen een direct betrokkene bekend kunnen zijn.


[1] H.F.M. Crombag, ‘Over tunnelvisie’, in: P.J. van Koppen e.a. (red.), Reizen met mijn rechter: psychologie van het recht, Deventer: Kluwer 2010, p. 387-398.
[2] W.A. Wagenaar, H.F.M. Crombag & H. Israëls, ‘Ook rechters maken menselijke fouten’, in: P.J. van Koppen e.a. (red.), Reizen met mijn rechter: psychologie van het recht, Deventer: Kluwer 2010, p. 882.
[3] P. Bal, Dwangkommunikatie in de rechtszaal. Een onderzoek naar de verbale interaktie tussen rechter en verdachte tijdens de strafzitting van de politierechter (diss.), Arnhem: Gouda Quint 1988.
[4] W.A. Wagenaar, H.F.M. Crombag & H. Israëls, ‘Ook rechters maken menselijke fouten’,
in: P.J. van Koppen e.a. (red.), Reizen met mijn rechter: psychologie van het recht, Deventer: Kluwer 2010.

zondag 28 juli 2019

4.2 Big Data in het strafrecht: aanbevelingen en scriptiesuggesties


4.2 Aanbevelingen

De conclusie van mijn onderzoek naar de toepassing van Big Data-analyses voor strafvorderlijke doeleinden, is dat deze toepassing overwegend niet verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven van burgers (art. 8 EVRM). Duidelijke, gedetailleerde regels omtrent de gedragingen van de burger die aanleiding kunnen geven tot de inzet van iColumbo, zouden de onmogelijkheid tot de uitoefening van het recht op eerbiediging van het privéleven kunnen compenseren, ware het niet dat dergelijke regels ontbreken. Het onafhankelijke toezicht op de inzet van data-analysemethoden als iColumbo komt in gevaar door het gebrek aan inzicht in de geautomatiseerde processen die in het strafrecht worden toegepast. 

Buiten twijfel is gesteld dat de opsporingsinstantie gerechtvaardigde doeleinden kan hebben om heimelijk Big Data-analyses ten behoeve van strafrechtelijk onderzoek uit te voeren. Het knelpunt is dat de bevoegdheid om dergelijke analyses uit te voeren, wordt gegrond op een wettelijke bepaling die te algemeen is en niet strekt tot bevoegdheidsverlening voor vergaande, geautomatiseerde analysemethoden. Bij dit alles moet worden bedacht dat het gaat om het onderzoeken van de gegevens van burgers die (nog) niet verdacht worden van een strafbaar feit; het sociale netwerk van een relatie van een persoon die niet verdacht is, kan bijvoorbeeld worden blootgelegd met iColumbo. Bij de bestudering van de nieuwe Wet politiegegevens en het moderniseringsproject van Boek 2 Strafvordering, ben ik een aantal ontwikkelingen tegengekomen die de inzet van strafvorderlijke Big Data-analyses meer in overeenstemming kunnen brengen met de criteria die het EHRM stelt aan het recht op eerbiediging van het privéleven van burgers.

Positief is de ontwikkeling dat de wetgever een gegevensbeschermingseffectbeoordeling of Privacy Impact Assessment op moet nemen in artikel 4c van de nieuwe Wpg. Opsporingsambtenaren moeten standaard de proportionaliteit en subsidiariteit van de in te zetten Big Data-analysemethode beoordelen: het recht op eerbiediging van het privéleven moet worden afgewogen tegen het belang van de handhaving van de openbare orde en veiligheid, waarnaast moet worden beoordeeld of de inzet van het middel de minst ingrijpende manier is om de beveiliging van de samenleving te bereiken.  Hetzelfde kan mijns inziens worden bereikt door een afspiegeling van de proportionaliteitseis en doelbindingseis uit de Wiv 2017 op te nemen in de Wpg. 

Aanbevelenswaardig is wat mij betreft het in ‘harde’ wetten opnemen van een expliciteringseis, zoals voorgesteld door de Commissie-Koops, die inhoudt dat de gegevensverwerker die op grond van geautomatiseerde analyses een vervolgingsbeslissing neemt, moet kunnen motiveren waarom de automatische analyse tot die beslissing heeft geleid. Dat maakt de beslissing achteraf toetsbaar door een onafhankelijke partij. 

Ook audit-logbestanden, opgeslagen voor het controleren van geautomatiseerde besluitvorming, kunnen de effectiviteit van toetsing door een onafhankelijke instantie vergroten. Anders dan in de vorm van een ‘soft law’-aanbeveling die wordt gedaan in de PIA-bijlage, zou deze mogelijkheid in de Wpg kunnen worden opgenomen als een vast criterium voor de automatische verwerking van persoonsgegevens. 

Wel moet één belangrijke kanttekening worden geplaatst bij alle ontwikkelingen. Hoe veelbelovend principes als dataminimalisatie en doelbinding en de verplichting tot het uitvoeren van een PIA door overheidsinstanties ook mogen lijken, alles staat of valt met de kracht van de toezichthoudende autoriteit, in het bijzonder de Autoriteit Persoonsgegevens. De AP zal zich moeten inspannen om de naleving van het PIA/de gegevensbeschermingseffectbeoordeling in de praktijk handen en voeten te geven.

Suggesties voor verder onderzoek/scripties/artikelen
De onderzoeker is niet alleen op zoek naar antwoorden, de onderzoeker blijft zichzelf vragen stellen. Tijdens het schrijven ben ik op veel vragen gekomen die niet binnen het bestek van deze bijdrage besproken konden worden, maar mij die wél interessant lijken voor verder onderzoek. Daarom wil ik hierbij de mogelijkheid gebruiken om suggesties te doen. Onderwerpen die in een scriptie, een onderzoek of een juridisch artikel nader zouden kunnen worden onderzocht, zijn:

1. Inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven door andere burgers (in de Secure Lane), in opdracht van de overheid: een verticale inmenging met een ‘horizontaal randje’?

Dit onderwerp kan op twee manieren worden benaderd. De Commissie-Mevis heeft reeds in 2001 voorgesteld om artikel 126ng in het Wetboek van Strafvordering op te nemen.[1] Dit artikel ziet op de situatie waarin van derden data-analyse gevorderd kan worden. Het rapport van de Commissie-Mevis is een heroverweging waard. Anders is de situatie waarin bijvoorbeeld particuliere beveiligingsbedrijven vrijwillig  deelnemen in Big Data-analyse en predictive policing-methoden die andere burgers betreffen. Een voorbeeld hiervan is de Secure Lane, waarin burgers observaties uitvoeren ten behoeve van data-analyse met ANPR (2.3.3). Onderzocht zou kunnen worden of het betrekken van burgers bij predictive policing-methoden wenselijk is en hoe de eerbiediging van het privéleven van de onderzochte in dergelijke situaties moet worden gewaarborgd. Hoe moet het zorgvuldig opgebouwde EHRM-toetsingskader in dergelijke horizontale situaties worden toegepast?

2. Big Data-analyses in rechtsgebiedoverstijgende situaties: een ‘creepy’ function? Over Systeem Risico Indicatie (SyRI)

SyRI, Systeem Risico Indicatie, is een door algoritmen gestuurd instrument van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) om sociale verzekeringsfraude via bestuursrechtelijke weg op te sporen en te sanctioneren. Het doel van SyRI is te komen tot een profielschets van een burger, op grond waarvan een indicatie moet worden gegeven hoe groot de kans is dat de burger zich schuldig maakt aan sociale verzekeringsfraude. Algoritmen construeren uit onder meer opleidingsgegevens, gegevens over de sociaal-economische positie, informatie over de woonomgeving en strafrechtelijke antecedenten een profiel; met dit profiel wordt het risico op fraude door de burger getaxeerd (versimpelde weergave). Het principe, de inschatting van een risico dat een bepaalde gedraging zich voordoet, is vergelijkbaar met het principe dat ten grondslag ligt aan de inzet van PredPol en CAS. De situatie kan zich voordoen dat uit SyRI strafrechtelijk relevante resultaten voortvloeien of dat ontdekkingen worden gedaan die in een strafprocedure kunnen worden gebruikt en andersom. Hoe moet het bestuursrechtelijke verbod van détournement de pouvoir (dpp) in een dergelijke situatie worden uitgelegd? Bestaan er internationale aanknopingspunten voor het invoeren van een strafrechtelijk verbod van ddp? Wat de mogelijkheid tot rechtsvergelijking betreft: welke verschillen zijn er tussen de rechtswaarborgen voor een burger die verdacht wordt van sociale verzekeringsfraude en de strafrechtelijke verdachte in de zin van artikel 27 Sv en zijn verschillen in de mogelijkheden tot verdediging te rechtvaardigen? Heeft de onschuldpresumptie betekenis voor de rechtsbescherming van burgers die verdacht worden van sociale verzekeringsfraude? 

3. Hoe verhoudt de inzet van predictive policing-methoden en algoritmische besluitvorming binnen het proces van Big Data-analyse zich tot strafrechtelijke waarborgen voor het recht op een eerlijke procesvoering, waaronder de onschuldpresumptie en ‘equality of arms’ (artikel 6 EVRM)? 

Het was mijn bedoeling om deze probleemstelling uit te werken, maar ik heb het advies gekregen om dit onderzoek uit te werken in de huidige opzet, met de nadruk op het recht op eerbiediging van het privéleven van de burger als bedoeld in artikel 8 EVRM en artikel 10 van de Grondwet. Het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM is belangwekkend. Het fundamentele rechtsbeginsel van de onschuldpresumptie en het in de jurisprudentie van het EHRM tot de huidige omvang gekomen beginsel van ‘equality of arms’ hebben een complexe verhouding met technologische ontwikkelingen als voorspellende algoritmen. Hoe moeten deze beginselen worden uitgelegd in het licht van predictive policing-methoden en besluitvorming op grond van geautomatiseerde Big Data-analyses? 

Het rechtsbeginsel van de onschuldpresumptie is voor meerdere uitleg vatbaar. Weigend betoogt dat de strafrechtelijke onschuldpresumptie geen feitelijke presumptie is, maar een bewijsrechtelijke constructie om tegenwicht te bieden aan de macht van de staat en de burger te beschermen tegen het risico op een onzorgvuldige bewijsvoering door de vervolgende instanties.[2] In deze lezing past de onschuldpresumptie zoals die in artikel 6 lid 2 EVRM en artikel 48 lid 1 van het EU-Handvest is vervat. De onschuldpresumptie in de lezing van deze artikelen houdt in, dat een ieder tegen wie een strafrechtelijke vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte (na het onherroepelijk worden van de veroordeling) is komen vast te staan. Richtlijn (EU) 2016/343 ter versterking van bepaalde vermoedens van onschuld maakt duidelijk dat het een cruciaal aspect van de strafrechtelijke onschuldpresumptie is, dat de bewijslast op de vervolgende instantie rust. Het probabilisme bij de toepassing van PredPol en andere vormen van predictive policing, impliceert dat iedere burger potentieel verdacht is. Een complicerende factor is het naar de achtergrond verdwijnen van het strafvorderlijke ‘verdachtebegrip’ in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering in het geval van proactieve of anticiperende opsporing. Welbeschouwd mist de onschuldpresumptie van artikel 6 EVRM toepassing, zolang de vervolging nog niet is ingesteld. 

Begrippen die raken aan de onschuldpresumptie binnen het gehele strafproces, van opsporing tot berechting, zijn de ‘confirmation bias’ en ‘belief perseverance’. Rechtspsychologische inzichten zijn onmisbaar voor de uitleg van deze processen. Technische kwesties met gevolgen voor de fundamentele rechten van de burger en de rechtspositie van verdachten die uitwerking verdienen, zijn begrippen als ‘black box’ en ‘garbage out’.  

De ‘black box’, waarmee wordt geduid op het niet inzichtelijk zijn van de toegepaste datasets voor de training van voorspellende algoritmen in Big Data-processen en predictive policing en het verborgen blijven van de resultaten van profilering, kunnen een risico betekenen voor de ‘equality of arms’ als op grond van deze processen de vervolging wordt ingesteld. Een informatieasymmetrie kan optreden ten nadele van de verdachte. Wat is daarbij de waarde van de ‘white box’-aanbeveling in het PIA-model?

Garbage out’ is weliswaar een belangrijk principe in data-analyse, inhoudend dat de data in het Warehouse zo moeten worden ververst dat inaccurate informatie uit het systeem verdwijnt, maar is dat ook gegarandeerd ten aanzien van bijvoorbeeld valse aangiften? Algoritmen die met vervuilde data werken, geven een verkeerde voorstelling van zaken. De confirmation bias en belief perseverance zijn hardnekkige fenomenen die een riskante wisselwerking kunnen vertonen  met het verificatoire karakter van het strafproces. Het belang van een adversaire behandeling van de strafzaak wordt daarmee onderstreept.  

Studenten die geïnteresseerd zijn in deze materie, kunnen wellicht aanknopingspunten vinden in de AERIUS I- en AERIUS II-zaken, de studies van de Europese Commissie (‘Study on the Human Rights Dimension of algorithms’, MSI-NET), het onderzoek van P. Jeffrey Brantingham, ‘Does Predictive Policing lead to biased arrests?’ en het boek van P.J. van Koppen e.a, ‘Reizen met mijn rechter: psychologie van het recht’.


[1] Rapport van de Commissie Strafvorderlijke gegevensvergaring in de Informatiemaatschappij, 2001, p. 68.
[2] T. Weigend, ‘There is only one presumption of innocence’, Netherlands Journal of Legal Philosophy 2013/42-3, p. 193, 195-197.

zaterdag 29 september 2018

Stellingen tegen het verificatoire karakter van het eindonderzoek: de ondergraving van de onschuldpresumptie door confirmation bias en belief perseverance (1)


1. De onschuldpresumptie wordt ondergraven door sturing die het onvermijdelijke gevolg is van de inrichting van het strafproces. Twee belangrijke mechanismen die daaraan ten grondslag liggen zijn confirmation bias en belief perseverance. Het verificatoir karakter van het onderzoek ter terechtzitting vormt daarbij een risico voor de volledigheid van het onderzoek en de materiële juistheid van de bewezenverklaring

Crombag geeft inzicht in de processen die met het ontstaan van tunnelvisie gemoeid zijn en die het proces van kop tot staart beïnvloeden.[1] Het gaat hier niet om slordigheidsfoutjes. De systematiek van menselijke denkprocessen leidt tot tunnelvisie. Confirmation bias houdt in dat men geneigd is om evidentie te zoeken voor het bevestigen van een bestaande hypothese. Zo stuurt de zaaksofficier het proces door tegenstrijdigheden buiten het dossier te laten en bepaalde getuigen niet op te roepen. De zittingsrechter heeft geen inzicht in de denkprocessen van de officier, bovendien heeft hij geen kennis van stukken die als ‘irrelevant’ terzijde zijn geschoven;[2]  door elkaar versterkende processen raakt het verificatoir proces gericht op volharding in de overtuiging van de schuld van verdachte (belief perseverance).
            De voorzitter neemt in de regel de processtukken door en vraagt de verdachte om bevestiging van de inhoud van de bewijsmiddelen. Daarbij worden geen kritische vragen aan het OM gesteld. Wettige bewijsmiddelen worden als feiten beschouwd, ondanks tegenspraak van de verdachte. Door het weglaten van ontlastend materiaal uit het procesdossier, wordt de verdachte feitelijk belast met ontkrachten van het bewijs, terwijl op de verdachte formeel geen bewijslast rust. Zoals hieronder aan de orde zal worden gesteld, is een bijkomend probleem dat de interventie van de verdachte minder dan één seconde bedraagt.[3]
            Informatie die niet (rechtstreeks)  relevant is voor het onderzoek, wordt desondanks in de oordeelsvorming over de verdachte in relatie tot de voorliggende tenlastelegging betrokken. Een voorbeeld om dit te illustreren: Israëls en Crombach noemen het opnemen van een strafblad in het procesdossier als zou het een relevant gegeven betreffen, terwijl dit strafblad geen concrete betekenis heeft voor de bewijsvoering.
Het is een onjuiste gevolgtrekking om nu te concluderen dat het verificatoir karakter van het eindonderzoek de oorzaak is van de ondermijning van een belangrijk procesbeginsel, dat van de onschuldpresumptie. Gesteld kan worden dat het volledige strafproces de facto is ingericht op het bevestigen van de hypothese, dat de verdachte schuld draagt, waarbij de confirmation bias en belief perseverance vrij spel hebben; het verificatoir karakter van het eindonderzoek beschouw ik als een risicofactor voor de volledigheid van het onderzoek en materiële juistheid van de bewezenverklaring, omdat het verificatoire eindonderzoek geen plaats biedt voor de toetsing van aannemelijke alternatieve scenario’s. In het algemeen kan worden aangenomen dat voor falsificatie geen plaats is.
            Complicerende factor bij de materiële juistheid van de bewezenverklaring is groepsdruk. Dat groepsdruk een belangrijke factor is in het ontstaan van tunnelvisie, blijkt uit het onderzoek naar de Enschedese vuurwerkramp. Dissidenten bij de recherche die zich niet in de onderzoeksresultaten konden vinden en zich meldden bij de Centrale Recherche Informatiedienst, werd een gebrek aan solidariteit verweten. Groepsconformiteit is een gevaarlijke factor. De macht van de meerderheid beperkt de mogelijkheid om alternatieve scenario’s te onderzoeken. Wat doet de enkeling die ziet dat de meerderheid het fout heeft? Voet bij stuk houden? Pesterijen riskeren omwille van de waarheidsvinding? Het klemt dat het eindonderzoek, door het verificatoire karakter ervan, geen of nauwelijks plaats biedt voor het in twijfel trekken van de resultaten van door tunnelvisie getekend vooronderzoek. 

           Gesteld zou kunnen worden, dat de rechter tijdens het onderzoek ter terechtzitting verantwoordelijk is voor het gehele proces, van vooronderzoek tot eindonderzoek; de beraadslaging zou als controlemechanisme dienen om te doorzien waar de confirmation bias in wisselwerking met belief perseverance tot onjuiste aannames heeft geleid. Drion en Savornin Lohman wijzen terecht op een zwakke plek in ons rechtssysteem: ook in de meervoudige kamer kan groepsdruk leiden tot bevestiging van de confirmation bias en volharding in de belief perseverance. De meervoudige kamer treedt naar buiten toe als één geheel en voor dissenting opinions is in het Nederlands recht geen plaats.

Ik geef twee voorbeelden om te illustreren hoe processen als confirmation bias en belief perseverance in de rechtspraktijk werken: 


Discussiestukken
I. Trema december 2015: ‘Het bepalen van de Bayesiaanse prior odds in strafzaken’, F. Alkemade en H. Stikkelbroeck:
In de zaak-Schiedammer Parkmoord is een als veroordeelde pedofiel bekendstaande man ten onrechte veroordeeld. De argumentatie op grond van het procesdossier is als volgt:
a. de verdachte is een pedofiel die eerder een seksueel misdrijf heeft gepleegd;
b. de verdachte bevond zich na de moord in de omgeving van de plaats delict.
c. de verdachte heeft het delict bekend tijdens het politieverhoor;
De bekentenis wordt beschouwd als een sterk bewijsmiddel.


Van Koppen is volhardend geweest in het aansturen op een kritische heroverweging. Uit DNA revisie: blijkt géén DNA van de verdachte te zijn aangetroffen. Bovendien stemde de getuigenverklaring niet overeen met het profiel van de verdachte. Slechts op grond van één aanname en één feit is het proces gestuurd richting de veroordeling van de verkeerde. Het is de vraag waarom en onder welke omstandigheden de verdachte is gedreven tot het afleggen van een valse bekentenis. Wel is onder ogen gezien dat de verdachte labiel overkwam ten tijde van het verhoor. 

> Wat weet de zittingsrechter over de inkleding van het verhoor? Proces-verbaal voldoende, of ook aandacht voor context?  

II. Ook rechters maken menselijke fouten:[4]
Bij kennis van het procesdossier veroordeelt zowel 100% van de actieve rechters als 100% van de lijdelijke rechters de verdachte. Is het procesdossier niet bekend, dan veroordeelt maar liefst 71% van de passieve rechters de verdachte, tegenover slechts 27% van de actieve rechters.
> Wat kan hieruit worden geconcludeerd? Overtuiging door het OM doorslaggevend voor de lijdelijke rechter?

Conclusie
Een belangrijk gegeven is dat de zittingsrechter verantwoordelijk is voor het gehele onderzoek, van het vooronderzoek tot en met het (eind)onderzoek ter terechtzitting. De zittingsrechter is verantwoordelijk voor de materiële juistheid van de bewezenverklaring, zoals ik onder stelling 2 zal toelichten. Het is een onjuiste gevolgtrekking om te concluderen dat het verificatoir karakter van het eindonderzoek de oorzaak is van de ondermijning van een belangrijk procesbeginsel, dat van de onschuldpresumptie. Het verificatoir karakter van het eindonderzoek brengt echter wel een belangrijk risico mee: het volledige strafproces is in praktijk ingericht op het bevestigen van de hypothese dat de verdachte schuld draagt, waarbij de confirmation bias en belief perseverance vrij spel hebben;  het verificatoire eindonderzoek biedt geen ruimte voor de toetsing van aannemelijke alternatieve scenario’s. Hoe zeer confirmation bias en belief perseverance kunnen leiden tot gerechtelijke dwaling, tonen enkele bekende voorbeelden uit de rechtspraktijk aan, waaronder de zaak-Schiedammer parkmoord. Het verdient aanbeveling dat de zittingsrechter ruim onderzoek doet naar de context waarin bepaald bewijs is vergaard. Een bekentenis is niet zonder meer een bekentenis: het maakt uit of de verdachte een volmondig 'ja' aflegt of een halfslachtig 'mwah', of de verdachte langdurig is verhoord en uit vermoeidheid 'toegeeft' of details onthult die alleen een direct betrokkene bekend kunnen zijn.

[1] H.F.M. Crombag, ‘Over tunnelvisie’, in: P.J. van Koppen e.a. (red.), Reizen met mijn rechter: psychologie van het recht, Deventer: Kluwer 2010, p. 387-398.
[2] W.A. Wagenaar, H.F.M. Crombag & H. Israëls, ‘Ook rechters maken menselijke fouten’, in: P.J. van Koppen e.a. (red.), Reizen met mijn rechter: psychologie van het recht, Deventer: Kluwer 2010, p. 882.
[3] P. Bal, Dwangkommunikatie in de rechtszaal. Een onderzoek naar de verbale interaktie tussen rechter en verdachte tijdens de strafzitting van de politierechter (diss.), Arnhem: Gouda Quint 1988.
[4] W.A. Wagenaar, H.F.M. Crombag & H. Israëls, ‘Ook rechters maken menselijke fouten’,
in: P.J. van Koppen e.a. (red.), Reizen met mijn rechter: psychologie van het recht, Deventer: Kluwer 2010.