Alwéér een bericht over eenzaamheid. Wat een gezeur, nietwaar?!
Ik weet hoe het is om het te zijn en hoe het is om het níet te zijn. Het gekke is dat ik niet eens heb gemerkt waar ik de grens overging naar niet-eenzaam zijn. Die grens is vloeiend.
Eén van mijn geëtste herinneringen (niet mijn vroegste herinnering) is een eenzame herinnering. Ik was bijna drie jaar oud en had gedachten over nietsheid, het voorafgaan aan het bestaan, het bewustzijn en de periode na de dood. Het besef van het Grote Niets (ik stel de dood niet gelijk aan niets!) was er al enige tijd, al had ik wel het gevoel dat ik alles al eens had meegemaakt, alsof ik al eerder had bestaan. Het besef van die donkere fase vond ik beangstigend, maar niet in de zin van een (jeugd)fobie; hoe kun je ooit "troost" vinden als het om zo'n concept gaat, waar eigenlijk geen passend vocabulaire voor bestaat? Er was immers niemand die me een antwoord kon geven. Ik zag kinderen van mijn leeftijd diep opgaan in hun spel en vroeg me af of en waarom zij niet dezelfde vragen hadden. Ik wilde weten wat het bestaan zélf inhield. Daardoor had ik een tijdlang het gevoel dat ik naar mezelf keek, als geïsoleerd, als bewustzijn dat onder de loep was komen te liggen, zelfs al had ik altijd gezelschap en vriend(inn)en in mijn leven. Ik zag plezier als een aangename afleiding, ik was een vrolijk kind, maar wel één vol met vragen. Kinderen waren vooral bezig met het vechten tegen monsters onder hun bed en tegen zulke wezens was er meestal wél troost te vinden. Opvallend was dat ik nooit de idee had dat volwassenen een antwoord konden geven.
Ondertussen werd ik aan de oppervlakte niet begrepen door pedagogen en later niet door school; hoe kon ik vanaf mijn derde al lezen, schrijven, abstract redeneren en Engels begrijpen? Waarom stelde ik vragen over concepten waar niemand aan leek te denken, of waar volwassenen liever niet aan wilden denken?
Ik werd meegezogen in de alledaagsheid; ik voelde al snel aan dat ik niet kon leren van school. Ik begon wel als een optimistisch kind; ik was nieuwsgierig naar biologie, wetenschap in het algemeen en andere talen zoals Frans maar werd weggezet als perfectionist; "Je hoeft dat allemaal nog niet te kunnen hoor!". Ik zou later mijn graad halen zonder naar de hoorcolleges te gaan, anders dan naar de activiteiten met aanwezigheidsplicht. Toen ik voorafgaand aan de master besprak dat ik twee studies wilde combineren in één studiejaar en daarbij vooral practica wilde, probeerde mijn studieadviseur me te ontmoedigen: "Je vraagt wel erg veel van jezelf!"
Ik kon simpelweg niets met passief onderwijs, zitten en luisteren, want het tempo lag in de werkgroepen al te laag, ik las mijn boeken onderweg in de trein en had daar genoeg aan. Het is niet dat ik me verheven voelde, ik had behoefte aan snel, non-lineair en intensief; ik zou het gecomprimeerd noemen.
In vroegere banen was ik verveeld als activiteiten en besprekingen repetitief waren en op een te laag tempo lagen. Ik moest erg opletten om geen fouten te maken, omdat ik dan in niveau zou worden teruggezet, wat zou leiden tot chronische onderprikkeling. Onderprikkeling is erg onbegrepen. Waar iemand misschien denkt dat fouten worden gemaakt doordat mensen een concept niet begrijpen, gaat hier om een behoefte aan het blijven prikkelen van waakzaamheid en werkgeheugen. Ik vroeg daarom om andere activiteiten, bijvoorbeeld het samenstellen van een presentatie of het schrijven van instructies. "Je hebt het al druk genoeg, neem de tijd!", kreeg ik te horen. Ook deze geschiedenis van onbegrepen-zijn wakkert bij mij een gevoel van eenzaamheid aan.
Gek genoeg kwam ik recentelijk tot het inzicht dat existentiële eenzaamheid voorafging aan de sociale eenzaamheid die ik in verschillende levensfasen zou ervaren.
Heterogeniteit van eenzaamheid
Dat komt door het heterogene karakter van het fenomeen. Voor ieder mens is de definitie persoonlijk, voor ieder mens ligt de drempel op een ander niveau. Globaal is het in te delen in situationele eenzaamheid (de omgeving, economische beperkingen of kansen, verandering van baan, verlies), absolute eenzaamheid (feitelijk niemand hebben om op terug te vallen), intellectuele eenzaamheid (geen diepgang vinden in relaties) en existentiële eenzaamheid.
Ik heb alle vormen ervaren, vaak in combinatie. Omdat ik een makkelijke prater ben en makkelijk contact leg met mensen, heb ik dit onderwerp met meerdere mensen besproken.
Wat opvalt, is dat de meeste mensen eenzaamheid kennen. De ergste vorm die mensen ervaren is eenzaamheid in relaties; mensen voelen zich niet gehoord door een partner, of krijgen niet de emotionele diepgang die ze verlangen in contact met een naaste. Het is geen zeldzaamheid dat mensen na jaren beseffen dat ze hun partner of familielid niet zo goed kennen als gedacht, of dat geen echte reciprociteit in een relatie blijkt te bestaan. Wederkerigheid is belangrijk voor een relatie. Geforceerde wederkerigheid, als plichtsbesef, maakt de band juist minder diepgaand.
Intellectuele eenzaamheid is het gevoel van gemis als een relatie met iemand oppervlakkig blijft. Zo een band zou perfect zijn voor de kring van vage kennissen, maar zorgt voor een gebrek in contact met een partner of andere naaste.
Existentiële eenzaamheid is een veelvoorkomende vorm, die typisch lijkt aan het mens-zijn (een mens is per definitie een existentialist); mensen proberen betekenis te vinden in het leven, dat is een eindeloze toestand, een levenslange zoektocht, tot een notie van zingeving opkomt. Dan nog is er geen inherente "zin van het leven", we moeten het als mens vanaf de geboorte maar zelf zien in te vullen. Die universele, eenzame vraag, 'Waar doe ik het eigenlijk voor?', komt vooral op bij een reflectie op het dagelijkse spel van het geciviliseerde voorkomen: een huis, een volwassen baan, geheel conventioneel voldoen aan de dagelijkse verplichtingen, ambities verzinnen, doen alsof je hobby's hebt, rationeel lijken. Mensen overschatten graag hun invloed op het bestaan, ze geloven dat mensen zich blijven ontwikkelen en richting een vaststaand doel bewegen, ook als ze maar wat doen en dit achteraf inkleuren met rationele overpeinzingen. Mensen zijn roofdieren! Het is een wonder dat mensen zo goed zijn te conditioneren tot "beschaafde" gecultiveerde wezens en dat we elkaar niet de schedel inslaan als we in een overvolle trein richting de kantoorjungle pendelen!
Als existentialist heb ik geen moeite om taboe-onderwerpen aan te brengen in een gesprek. Zo kom ik erachter hoe universeel eenzaamheid is, dat de meeste mensen een vorm ervaren of hebben ervaren, maar dat het onderwerp niet wordt aangeboord omdat het "ongemakkelijk" is. Als het taboe eenmaal weg is, wordt een gesprek persoonlijk; mensen hebben bijna allemaal dezelfde gevoelens en ervaringen, het verschil ligt meestal slechts in het vocabulaire.
Sommige mensen zijn bovendien opgevoed met de gedachte dat ze altijd een lach moeten fingeren, vriendelijk moeten zijn, niet mogen klagen en altijd vrolijk moeten blijven dóórgaan. De westerse cultuur is ook niet makkelijk als gesloten cultuur, waarin men niet direct zégt hoe het gaat en waarin men niet werkelijk vraagt hóe het met iemand gaat, maar "Goed, met jou ook?!" wil horen.
In de resten van de Oekraïens-Russische cultuur die ik heb meegekregen, is het heel normaal om confronterend te zijn en wordt het als belediging opgevat om een nepglimlach te tonen of te vragen hoe het met iemand gaat als je het niet méént. Mijn grootmoeder, moeder en ik werden en worden om die reden als onconventioneel en soms ongemakkelijk gezien. Ik vind het juist een verademing om authenticiteit voorop te stellen en niet de druk te voelen om me aan te passen aan conventies. Ik heb geen last van de schil van oppervlakkigheid, van aardig willen worden gevonden door iedereen. Ik heb altijd het lef gehad om niet aardig te willen worden gevonden.
Stereotypen over eenzaamheid
Doe een eenzaamheidstest en je wordt geconfronteerd met de beeldvorming: er worden vragen gesteld over (het gebrek aan) eigenwaarde, meegaandheid, depressieve gevoelens, zelfverwijt, schuldgevoelens en sociale isolatie. De hardnekkigste mythe is dat iemand die eenzaamheid ervaart, depressief is en zich van de wereld afzondert, zich chronisch onbegrepen voelt, zelfmedelijden heeft, interne leegte ervaart als anderen die leegte niet opvullen, een teveel aan tijd om handen heeft of in het algemeen mensenschuw is. Men associeert een existentieel verschijnsel ten onrechte met een laag zelfbeeld of het andere uiterste, een opgeblazen ego. Zelden komt de genuanceerde realiteit naar voren, dat een authentiek vrolijk en actief mens best eenzaam kan zijn, bijvoorbeeld omdat diegene een échte match op het gebied van intimiteit of vriendschappen mist; dat depressie een logisch gevolg kan zijn van langere periodes van eenzaamheid; dat het bovenal een biologisch en niet een pathologisch verschijnsel is.
Door de in het algemeen moeizame erkenning van het fenomeen eenzaamheid, lijkt een zo universele ervaring te zijn voorbehouden aan twee groepen: zij die onconventioneel zijn en zij die "somber, triest en behoeftig" zijn, ofwel mensen die "gefixt" moeten worden door de Zelfhulpbrigade.
De Zelfhulpbrigade vertelt eenzame mensen dat ze naar buiten moeten om contact te krijgen met anderen, dat ze naar de soos moeten om daar mensen aan te klampen, dat gedag zeggen tegen een "vreemde" helpt tegen eenzaamheid, dat je een kat moet adopteren, hobbygroepen moet opzoeken en vóóral dankbaar moet zijn voor iedere dag. Dat je vast sociale fobie hebt als je eenzaamheid ervaart, want er moet wel iets te "fixen" zijn, of dat je waarschijnlijk thuis met de rolluiken naar beneden zit te kniezen. Om je een schuldgevoel aan te smeren, komt daar de waardeloze vergelijking bij met "zij die het slechter hebben": ziekten en armoede worden erbij gehaald omdat eenzaamheid toch echt een luxeprobleem is. Mensen in armoede zouden zich immers niet druk kunnen maken om eenzaamheid, daar hebben ze de tijd en middelen niet voor. Of nog waardelozer: ze zijn gelukkig met wat ze hebben, dat is dus niets. Wat als mensen eenzaam zijn door armoede? Dan moeten ze maar om hulp vragen. Ook waardeloos is de magische factor: "Als je niet naar liefde en vriendschap zoekt, komt het vanzelf op je af". Wat doen mensen dan fout, in dat niet-zoeken, aangezien de liefde ze niet schijnt te vinden?
Het fenomeen eenzaamheid komt neer op een simpel evolutionair gegeven: mensen hebben zich ontwikkeld tot coöperatieve diersoort. We zijn gemaakt om in kleine, tribale groepen te leven, met een hiërarchie van wijsheid en cultuur gericht op bescherming van het voortbestaan van de eigen groep. Natuurlijk leeft geen enkele diersoort in vrede; het is heel normaal om ook met naasten conflicten te hebben. Om competitie en moord binnen de eigen groep te voorkomen, is onze neurofeedback wel overwegend afhankelijk van interpersoonlijke relaties. Nauw contact met naasten en intieme relaties zorgen voor het vrijkomen van onder meer dopamine. De dromen en nachtmerries van de meeste mensen gaan over het contact met naasten, conflicten, emotionele situaties met naasten en niet over meubels, geld en elektronica; persoonlijk contact is voor de mens (psychopaten uitgezonderd) het belangrijkste thema in het leven.
Mensen nodig hebben om gelukkig te zijn ≠ externe validatie (toxische positiviteit)
Omdat eenzaamheid gelijk wordt gesteld aan persoonlijk falen én omdat de toxische positiviteitsbeweging solitair leven verheerlijkt, wordt de behoefte aan andere mensen als zwakte beschouwd. Mensen zouden géén andere mensen nodig hebben om gelukkig te zijn, zelfliefde is het grootste goed, je moet niet "bang" zijn om alleen te zijn en wie niet gelukkig is als alleengaande, is in slecht gezelschap. Deze toxische beweging reduceert eenzaamheid tot het product van de behoefte aan externe validatie; iemand anders nodig hebben om gelukkig te zijn, zou een zwakte zijn. Het is heel fijn voor mensen als zij het heerlijk vinden om alleen te zijn, maar het menselijk ontwerp hoeft niet te worden miskend.
Als ons neurologische ontwerp bepaalt dat wij feedback krijgen van contact met anderen, hebben wij anderen nodig om gelukkig te zijn. Dat is geen zwakte, maar een fundamenteel verschijnsel. Voor iemand met extraverte energie, een ontwerp dat energie haalt uit contact met de buitenwereld, is alleen-zijn een manier om alle inspiratie te draineren. Ook dat is géén kwestie van een zwakte, het is geen behoefte aan externe validatie. Mensen zijn gemaakt om onderdeel te vormen van interpersoonlijke netwerken. Het is normaal gedrag van sociale diersoorten om met anderen te willen delen en reflectie van anderen te krijgen. Het gevoel van autonomie waarnaar mensen streven, impliceert dan ook niet dat we gelukkig zouden zijn met een solitair bestaan.
In mijn opvatting heeft eenzaamheid een onlosmakelijke band met het succes van de menselijke voortplanting. Met een DNA-overeenkomst van 99,9% zijn we biologisch gezien één van de minst diverse diersoorten, alle exemplaren van onze soort hebben een niet-noemenswaardige doch overschatte uniciteit. In onze persoonlijke wereld zijn we uniek, maar dat stelt in het geheel werkelijk niets voor omdat de variaties binnen die 0,1% passen. Van een familie met zo weinig diversiteit is het gelukt om flink wat exemplaren op de wereld te zetten met als gevolg een versplinterde, kunstmatige samenlevingsvorm: de maatschappij.
In plaats van in tribale groepen te leven, is de mens losgelaten in een a-selecte groep. In grote steden kan het moeilijk zijn om verbinding te zoeken en te vinden, de stedelijke inrichting zorgt al voor individualistische levensvormen. Wie uit relationele eenzaamheid is ontsnapt, vindt het vaak een verademing om zo te leven, maar uiteindelijk is het heel moeilijk om anoniem en grootschalig te leven.
Het stedelijke ongemak met een a-selecte groep mensen is merkbaar:
mensen in de trein doen alsof ze het druk hebben met hun telefoon,
vóór de introductie van de smartphone hadden mensen het druk met
“lezen” of uit het ramen turen, in de lift hebben mensen het druk
met liftstaren of hun sleutels “zoeken”. Het zijn niet de sociale
media die voor een gebrek aan contact zorgen, maar de
grootschaligheid van een drukbevolkt land. Als mensen dan toch
contact hebben met onbekenden, blijft het contact oppervlakkig. Gedag
zeggen en een praatje maken heeft niets te maken met verdieping in
contact. De flexibele schil van contacten (vage kennissen en
voorbijgangers) heeft zo een eigen functie (verkennen, afbakenen,
kortstondig vermaak), maar kan geen eenzaamheid wegnemen.
In een a-selecte maatschappij is het een opgave om mensen te vinden met
een gelijk bioritme, gelijkaardige cognitie en een gelijke intensiteit.
Dat zijn de kenmerken die mensen tot elkaar aantrekken. Anders dan
mensen tijdens een kennismaking vaak denken, interesseert het de meeste
mensen niet wat je burgerlijke status is, wat je hobby's zijn en uit
welke stad je komt, maar vormen mensen zich met hun gevoel een oordeel
over de energie van de ander en de chemie tussen zichzelf en de ander.
Een realiteitsgetrouwe definitie van eenzaamheid
Ik houd vast aan mijn eigen definitie van eenzaamheid die ik het meest accuraat vind wanneer het gaat om de menselijke realiteit. Het is géén waardeoordeel en het is geen truïsme verpakt als "advies"; het gaat niet over een gebrek aan zelfwaarde of andere stereotypen.
"Eenzaamheid is een cognitieve en emotionele discrepantie tussen sociale behoeften en het sociale netwerk; een "mismatch" tussen een neurobiologische behoefte en de kwaliteit & kwantiteit van een sociaal netwerk. Meer concreet gaat eenzaamheid over de behoefte aan compatibele, betekenisvolle relaties"
In deze definitie ligt zowel objectiviteit (afstand, een feitelijk gebrek aan contacten) als subjectiviteit (de strikt persoonlijk te duiden sociale behoefte van een individu) besloten en worden deze begrippen niet als twee uitersten geïsoleerd. De biologische behoefte (het aangeboren, evolutionaire mechanisme dat mensen naar nauw contact met andere mensen doet verlangen) vormt de kern.
De definitie is vrij van het beeld dat persoonlijk falen ten grondslag ligt aan eenzaamheid. Het kader blijft vooral weg van het presenteren van een neurobiologische behoefte als pathologie (depressie, afhankelijkheid. Bovendien kan deze definitie goed worden toegepast op intieme en seksuele relaties, niet uitsluitend op families en vriendschappen. Ook die behoeften hebben niet te maken met afhankelijkheid en externe validatie, maar met een aangeboren evolutionair mechanismen (het mitochondrion bepaalt uiteindelijk voor ons dat we behoefte hebben aan seks en intimiteit, het was wel zo makkelijk geweest om eenzijdig voort te planten zonder verlangens, zoektochten en drama, maar we hebben er helemaal niets over te zeggen!).
Er is geen ultieme remedie tegen eenzaamheid
De valse voorstelling is dat eenzaamheid altijd valt te bestrijden. Dat hangt samen met de heterogeniteit.
Verschillende soorten contacten kunnen belangrijk zijn om aan verschillende behoeften tegemoet te komen.
Voor iemand die daadwerkelijk geïsoleerd leeft en moeite heeft om sociaal contact te maken of die geen grote intellectuele diepgang verlangt, geeft een kort gesprek met mensen op straat, een groet of een spelletje met een groep mensen wellicht een gevoel van verbetering in de situatie. De drempel ligt dan voor die persoon hoog, maar in het algemeen vrij laag. Voor mensen die behoefte hebben om nódig te zijn, om het gevoel te hebben dat iets of iemand van ze afhankelijk is, is het antropomorfiseren van een huisdier misschien genoeg om een sociale behoefte te vervullen.
Ik heb geen waardeoordeel over zij die hun huisdier antropomorfiseren; huisdieren kunnen echter niet de behoefte aan contact van mens-tot-mens vervullen. Er is altijd een afhankelijkheidsverhouding tussen gedomesticeerd dier en mens en huisdieren hebben net als wij vaak de behoefte aan een sociaal netwerk van eigen soortgenoten. Hoewel huisdieren empathie voelen, betekent dit niet dat ze op interpersoonlijk niveau met ons communiceren. Met een (intelligent) mens kun je praten over concepten als menselijke dilemma's en ervaringen.
Mensen met diverse sociale behoeften kunnen baat hebben bij een selecte groep vrienden, een intieme partner, individuen om "niche" interesses of vraagstukken mee te delen en een losse schil van (semi-bevriende) collega's en kennissen voor de gezelligheid.
Voor zeer intelligente (intelligentie is niet slechts beperkt tot cognitie) mensen speelt de behoefte aan snel schakelen, emotionele intensiteit en multidimensionaal denken, maar ook het intuïtief voelen vaak een rol in eenzaamheid. Ten onrechte worden bijvoorbeeld hoogbegaafden gereduceerd tot personen die chitchat schuwen omdat áltijd behoefte zou zijn aan intellectuele diepgang, tot introvert gefocuste mensen die met hun neus in de boeken zitten en vooral perfectionistisch en theoretisch zijn. Het verschil zit 'm er vaak in dat alles sneller, intenser, minder conventioneel, non-lineair en over de breedte en diepte wordt gecommuniceerd. Als aan een ander intelligentieniveau moet worden aangepast, vraagt dat om afremmen, inkaderen van abstract naar concreet en het vocabulaire aanpassen. Het kan ook zijn dat het praten over onconventionele onderwerpen mensen afschrikt. Vaak wordt een leven lang van intelligente mensen gevraagd om zich aan te passen.
Ook in hun geval kan de sociale behoefte worden ondervangen door contact met verschillende sociale groepen; groepen die probleemoplossende vaardigheden toepassen op bijvoorbeeld de gebieden wetenschap, techniek, politiek, tactische sport en abstract redeneren.
Wel eenzaam, niet eenzaam
Sinds een aantal jaar heb ik een aantal vrienden. Ik noem niet zomaar iedereen "vriend". Het zijn mensen met wie ik mijn gevoelens kan bespreken en zij delen hun persoonlijke ervaringen ook met mij. Het is niet zo dat ik er lang voor nodig heb om vrienden met iemand te worden; het gaat als vanzelf, maar de gelegenheid en de juiste persoon moeten zich voordoen.
Dat het zo lang heeft geduurd, is niet iets dat binnen mijn eigen invloedssfeer lag. Bij gelegenheid ontmoette ik iemand met wie ik gelijk die chemie had. Net vóór en na mijn verhuizing volgden andere vriendschappen. Ik heb na mijn verhuizing een aantal buren met wie ik het héél goed kan vinden.
Het is nogal een contrast met de buurt waar ik vandaan kom, waar de teneur vooral werd bepaald door een terreurbuurman (een gediagnosticeerd psychopaat) die vriendschappen tussen buren onder druk zette en nieuwe bewoners schrik aanjoeg, maar waar ook lieden woonden die 's ochtends vroeg al over hun hek of achter hun keukengordijntje hingen om buurtroddels te kunnen fabriceren. Als ik ver voor zonsopkomst de deur uitging "riskeerde" ik al in dat smoel te kijken. Ik voelde me thuis en vrij in mijn huis en tuin, maar ik gruwelde wel van die bekrompenheid van 't buurtje.
Maar dat contrast is niet de reden waarom ik mijn huidige buren waardeer. Met hen heb ik ook zéér persoonlijke gesprekken. Ik hoef niet te schromen om existentiële kwesties te bespreken, het blijft niet bij oppervlakkige koffietafelpraat. Dat is héél bevrijdend. Al bespreken we geregeld "zware" onderwerpen, het is geen sombere bedoening. Integendeel, geanimeerd juist.
Met vrienden op afstand duren mijn telefoongesprekken vaak meer dan vier uur. Het is onvoorstelbaar dat we nooit zijn uitgepraat. Voor de rest is mijn week bezet met werk (met een treinreis van 4 uur op een dag duurt een werkdag van 05:15 tot 18:30 en als ik paraat moet staan tot 20:00). Op mijn werk ben ik ook meestal aan het praten. Ik houd niet van ergens alleen in een hoek in stilte werken, dat vind ik echt vreselijk.
In vakantieperiodes en in de weekeinden heb ik het moeilijk. Dan ben ik vaak absoluut alleen, omdat vrienden hun eigen gezinnen en families hebben. Na een feest, een volle werkdag of evenement heb ik het ook moeilijk. Zodra ik alleen thuiskom, voel ik me teleurgesteld. Thuis arriveren voelt als een klap in het gezicht. In plaats van blij te zijn met rust, verlies ik mijn energie en inspiratie. Ik ervaar heel sterk dat ik mijn energie en inspiratie haal uit contact met anderen. Voor mij is de drempel voor eenzaamheid dus erg laag. Dat is geen zwakte, maar mijn neurologische ontwerp; ik heb véél externe prikkels nodig.
Ik heb geen last van twijfel of zelfverwijt, ik ben sociaal terughoudend noch arrogant. Ik ben niet afhankelijk en heb geen behoefte aan externe validatie. Als ik wanhopig was, zou ik iedereen vastklampen. Ik moet er niet aan denken. Het is in essentie heel simpel: ik heb véél behoefte aan compatibele connecties. Alleen is het antwoord daarop niet zo simpel.
Het is een levenslange zoektocht.


.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)

.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)
.jpg)


















%20(1).jpg)












