Overzicht
1. Verzet;
1.1. Samenloop hoger beroep en verzet;
1.2. Samenloop cassatie en verzet;
2. Termijn voor verzet;
3. Procedure
1. Verzet
Tegen een op verstek gewezen vonnis staat het rechtsmiddel hoger beroep niet open, omdat het verstekvonnis géén vonnis op tegenspraak is. De gedaagde die bij verstek is veroordeeld, kan daartegen verzet doen (art. 143 lid 1 Rv). Verzet is een mogelijkheid voor de niet-verschenen gedaagde (1), die is veroordeeld (2) en tegen wie verstek is verleend (3), om bij wijze van heropening (art. 147 Rv) het geding op tegenspraak bij dezelfde rechter voort te zetten.
Het verstek heeft schorsende werking, tenzij het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard (art. 145 Rv). Na berusting in het vonnis, kan niet meer in verzet worden gekomen (art. 143 lid 4 Rv).
Verzet is alleen mogelijk in dagvaardingszaken, niet in verzoekschriftprocedures.
1.1. Samenloop hoger beroep en verzet
Voor de eiser is verzet geen mogelijkheid om op te komen tegen het verstekvonnis waarbij zijn vordering (ten dele) is afgewezen; voor de eiser staat slechts hoger beroep of beroep in cassatie open. Het hoger beroep, ingesteld door eiser, kan samenlopen met het verzet, ingesteld door de gedaagde tegen wie in de eerste instantie verstek is verleend.
In deze situatie voorziet art. 335 lid 1 Rv: "Van veroordeelingen bij verstek valt geen hooger beroep, doch indien de oorspronkelijke eischer van het vonnis in hooger beroep komt, zal dan gedaagde alle zijne verdedigingen insgelijks in het hooger beroep kunnen doen gelden, zelfs bij wege van incidenteel beroep, zonder van het middel van verzet in eersten aanleg meer gebruik te kunnen maken".
Het recht om zich in hoger beroep, ingesteld door de oorspronkelijk eiser, te verdedigen en het recht om incidenteel beroep in te stellen, doet het recht van verzet aldus vervallen.
1.2. Samenloop cassatieberoep en verzet
Ten aanzien van cassatie geven de artikelen 401b en 401c Rv eenzelfde regeling. Tegen een bij verstek gewezen uitspraak kan de niet-verschenen partij geen cassatieberoep instellen (art. 401b lid 1 Rv); zij kan echter, indien één der andere partijen cassatieberoep instelt, bij de Hoge Raad verweer voeren en incidenteel beroep instellen (art. 401b lid 2 Rv). Gebruik van deze bevoegdheid in cassatie doet het recht van verzet vervallen (art. 401c lid 1 Rv).
1.2.1. Beëindiging geding in cassatie vóór het doen van verzet
Eindigt het geding bij de Hoge Raad nog vóór het verzet is gedaan, dan belet dit niet het alsnog doen van verzet. Indien de Hoge Raad ten principale uitspraak deed, moet het verzet bij hem worden gedaan. De rechter is in alle gevallen gebonden aan hetgeen de Hoge Raad omtrent de rechtspunten had beslist (art. 401c lid 3 Rv).
2. Termijn voor verzet (art. 143 lid 2-3 Rv)
Het verzet moet worden gedaan bij exploot van dagvaarding:
a. binnen vier weken (veroordeelden in Nederland) en binnen acht weken (veroordeelden in het buitenland) na de betekening van het vonnis of van uit enige kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon.
"In persoon" moet in de letterlijke zin des woords worden opgevat, betekening aan de woonplaats is niet "in persoon". Een betekening aan een gedaagde in het buitenland ex. art. 55 lid 1 Rv is evenmin "in persoon". Betekening conform art. 5 van het Haags Betekeningsverdrag 1965 kan wél worden aangemerkt als betekening in persoon.
b. binnen vier weken na het plegen door gedaagde van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is.
De bekendheid met het vonnis moet blijken uit een door de veroordeelde verrichte daad (HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4071, r.o. 2.7; zie ook HR 27 november 1953, NJ 1955, 251).
Uit vaste rechtspraak volgt, dat het kennis nemen van de inhoud van een verstekvonnis door het lezen van dit vonnis door de veroordeelde zelf een daad oplevert, waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis hem bekend is (HR 11 mei 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC2014).
Het aangetekend versturen van een geschrift, met vermelding van het verstekvonnis, dat niet in persoon is betekend en niet in ontvangst is genomen door de veroordeelde, zal in beginsel niet tot een daad van bekendheid leiden. Een daad van bekendheid mag echter worden verondersteld, als de kinderen van gedaagde het schrijven in ontvangst hebben genomen en gedaagde zélf ter zitting heeft verklaard kennis te hebben genomen van het verstekvonnis (Rb. Limburg, 8 maart 2017, ECLI:NL:RBLIM:2017:2042
(Daad van bekendheid).
c. buiten de gevallen bedoeld in art. 143 lid 2 Rv, vanaf de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd (art. 143 lid 3 Rv).
Met deze regel is beoogd, mede tegen de achtergrond van art. 6 lid 1 EVRM, de toegang tot de rechter in geval van een verstekvonnis beter te waarborgen door, buiten de gevallen waarin er sprake is van betekening in persoon of een daad van bekendheid (art. 143 lid 2 Rv), de verzettermijn niet te laten eindigen, maar te laten ingaan op de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd.
Op grond van art. 144 onder b Rv wordt het vonnis geacht ten uitvoer te zijn gelegd, als de derdebeslagene uitbetaalt aan de beslaglegger. In de regel kan worden aangenomen dat de veroordeelde op de hoogte raakt van de executie en daardoor kennis neemt van het vonnis. In dergelijke gevallen is art. 143 lid 3 Rv in beginsel gerechtvaardigd.
Deze aanname geldt niet voor het geval, waarin de executie van een verstekvonnis geschiedt door uitbetaling van hetgeen de derdebeslagene meent aan de veroordeelde verschuldigd te zijn, terwijl achteraf blijkt dat de derdebeslagene in het geheel niets aan veroordeelde verschuldigd was. In een dergelijk geval bestaat de mogelijkheid dat de verzettermijn is verstreken voordat veroordeelde met het verstekvonnis bekend is geraakt, zodat toepassing van art. 143 lid 3 Rv niet is gerechtvaardigd (HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2629 (Morning Star International Corp./ Republiek Gabon), r.o. 3.6.4).
3. Procedure
Verzet wordt door de opposant gedaan bij exploot van dagvaarding (art. 146 lid 1 Rv). Op het exploot is art. 111 lid 2 onder a tot en met c en e tot en met h van overeenkomstige toepassing; in het exploot hoeft niet te worden vermeld op welke wijze de oorspronkelijk eiser kan antwoorden.
Indien de partij die in verzet komt, een eis in reconventie instelt, dient het exploot de gronden hiervan te vermelden; art. 111 lid 3 is van overeenkomstige toepassing (art. 146 lid 2 Rv).
Het geding in verzet verloopt als in de Vijfde Afdeling (art. 125-135 Rv) bepaald. Het exploot van verzet heeft te gelden als conclusie van antwoord (art. 147 lid 1 Rv).
Derhalve dient de opposant bij wijze van concentratie van verweer (art. 128 lid 3 Rv) alle excepties en zijn antwoord ten principale tegelijk naar voren te brengen en op grond van de bewijsaandraagplicht (art. 128 lid 5 Rv) alle bewijsmiddelen ter staving van het verweer te vermelden.
200.000 bezoekers | Strafrecht & Privaatrecht | Juridisch: uitleg voor studenten die zich toeleggen op de togaberoepen |
Posts tonen met het label verzet. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verzet. Alle posts tonen
vrijdag 16 juni 2017
zaterdag 3 juni 2017
Verloop van de dagvaardingsprocedure (3): reconventie, comparitie na antwoord, re- en dupliek en verstek (KEI: een vergelijking tussen het huidige Rv en NRv)
1.1. Eis van reconventie (onder het huidige Rv)
De gedaagde is bevoegd om een eis in reconventie in te stellen. De oorspronkelijke vordering, ingesteld door eiser, is de eis in conventie. De gedaagde is niet bevoegd om een eis in reconventie in te stellen, als de eiser in conventie is opgetreden in hoedanigheid (qualitate qua) en de reconventie hem persoonlijk zou betreffen, of omgekeerd (art. 136 Rv). Een eis van reconventie wordt dadelijk bij de conclusie van antwoord ingesteld (art. 137 Rv). Wordt verzet gedaan, dan vermeldt het exploot van verzet de eis van reconventie, onder vermelding van de gronden daarvan (art. 146 lid 2 Rv).
Art. 111 lid 3 Rv wordt op zowel art. 137 als 146 lid 2 Rv van toepassing verklaard.
De zaken in conventie en reconventie worden gelijktijdig behandeld en bij hetzelfde eindvonnis beslist. Dat de eis in reconventie een zelfstandige procedure betreft, blijkt uit de laatste volzin van art. 138 lid 1 Rv: oordeelt de rechter dat één van de zaken, die in conventie dan wel in reconventie, vroeger kan worden afgedaan, dan worden de zaken niet bij hetzelfde eindvonnis beslist.
Gelden er verschillende procedurele voorschriften ten aanzien van de zaak in conventie en reconventie, dan worden de zaken gesplitst. Dat is het geval als één van de zaken wordt voortgezet volgens de verzoekschriftprocedure, als de rechter op de voet van art. 71 Rv de zaak verwijst of als de rechter zich absoluut onbevoegd verklaart (art. 138 lid 2 Rv).
1.2. KEI: tegenvordering of tegenverzoek onder het Nieuwe Rv (art. 30i lid 8 NRv)
De artikelen 131-138 van Rv (oud), waaronder de artikelen inzake het instellen van de eis van reconventie, komen te vervallen.
De mogelijkheid voor verweerder om een eis in reconventie in te stellen, blijft onder het NRv echter gehandhaafd. De verweerder (voorheen: gedaagde) dient een met redenen omkleed verweerschrift in op grond van art. 30i lid 1 NRv. Daarbij is bepaald dat het verweerschrift een tegenverzoek of tegenvordering mag bevatten, tenzij de oorspronkelijke eiser of verzoeker is opgetreden in hoedanigheid en de tegenvordering of het tegenverzoek hem persoonlijk zou betreffen en omgekeerd. Art. 30a lid 3 onder f en g NRv is van overeenkomstige toepassing (art. 30i lid 8 NRv).
De regel dat de zaak in conventie en reconventie in beginsel bij hetzelfde vonnis worden afgedaan (art. 138 Rv (oud) ), tenzij de rechter anders bepaalt, is neergelegd in art. 30i lid 9 NRv.
Ten aanzien van de eis in reconventie brengen art. 30i lid 8 en 9 NRv dus niets anders dan een compacte herformulering van de terminologie.
2.1. Comparitie na antwoord onder het huidige Rv (art. 131 Rv (oud) )
Heeft de gedaagde voor antwoord geconcludeerd, dan beveelt de rechter een verschijning ter terechtzitting als bedoeld in art. 87 Rv, voor het treffen van een schikking, of art. 88 Rv, voor het geven van inlichtingen (art. 131 Rv). Tegen het bevel van comparitie, bij vonnis gegeven, staat geen rechtsmiddel open.
2.2. KEI: de mondelinge behandeling centraal onder NRv (vervallen art. 131-138 Rv (oud) )
Uit een aantal opeenvolgende artikelen blijkt dat de mondelinge behandeling prevaleert in het NRv:
a. Mondelinge conclusies en akten (art. 30i NRv).
In kantonzaken kan mondeling verweer worden gevoerd en reeds in de eerste fase, die onder het oude Rv schriftelijk was, kunnen mondelinge conclusies en akten worden genomen (art. 30i lid 2 NRv);
b. Mondelinge behandeling al aan het begin van het proces centraal (art. 30j NRv).
Zodra de verweerder in de procedure is verschenen, bepaalt de rechter wanneer de mondelinge behandeling plaatsvindt (art. 30j lid 1 NRv);
c. Vervanging comparitie na antwoord (art. 30j-o NRv).
De regeling omtrent de comparitie na antwoord (art. 131 Rv (oud) ) komt te vervallen, maar een soortgelijke regeling is getroffen in art. 30j-o NRv.
Tijdens de mondelinge behandeling worden partijen in de gelegenheid gesteld om hun stellingen toe te lichten. De rechter kan partijen verzoeken om inlichtingen, een schikking beproeven of aanwijzingen geven (art. 30k lid 1 onder a-e NRv);
d. Mogelijkheid tot pleidooi (art. 30k NRv).
Onder het oude Rv werd in beginsel géén ruimte geboden voor pleidooien, omdat het zwaartepunt immers bij de comparitie na antwoord (art. 131 Rv (oud) ) lag; hoofdregel was dat bij uitzondering gelegenheid geboden werd voor pleidooien (art. 134 Rv (oud) ). Art. 134 Rv wordt geschrapt. Het recht op pleidooi is inhoudelijk niet vervallen, maar er wordt niet langer een onderscheid aangebracht tussen comparitie na antwoord en pleidooi ( art. 30k lid 1 en art. 30o NRv);
e. Gelegenheid tot re- en dupliek (art. 30o lid 1 NRv).
Tot re- en dupliek wordt onder het NRv in beginsel gelegenheid geboden, wat logisch is: met het schrappen van art. 131 en art. 132 Rv (oud) vervalt de regel, dat de gelegenheid tot het concluderen voor re- en dupliek in beginsel slechts wordt geboden als geen comparitie na antwoord is bevolen. Art. 132 lid 2 Rv (oud) inzake re- en dupliek is bijna letterlijk overgenomen (art. 30o lid 1 NRv (aanhef)).
3.1. Repliek en dupliek (onder het huidige Rv)
Het proces wordt bij voorkeur geconcentreerd rond comparitie na antwoord; dat blijkt uit de formulering art. 132 Rv door de wetgever: is geen verschijning ter terechtzitting op de voet van art. 131 Rv bevolen, dan geeft de rechter aan eiser gelegenheid om voor repliek te concluderen; hierop kan de gedaagde voor dupliek concluderen (art. 132 lid 1 Rv). Hoofdregel onder het huidige wetboek van Rv is dus, dat de procedure schriftelijk is, met aanvulling van de mondelinge ronde, die bestaat uit de comparitie na antwoord en het vonnis.
Is wel comparitie na antwoord bevolen, dan wordt slechts gelegenheid geboden voor repliek en dupliek, als dit met het oog op "hoor en wederhoor" (art. 19 Rv), of met het oog op een goede instructie van de zaak noodzakelijk is (art. 132 lid 2 Rv). Met betrekking tot de goede procesorde kunnen ook meer conclusies worden toegestaan (art. 132 lid 3 Rv). Het nemen van conclusies van re- en dupliek is een uitzondering op de hiervoor genoemde regel.
Tegen géén van de beslissingen op grond van lid 2 en 3 staat een hogere voorziening open (art. 132 lid 4 Rv).
3.2. KEI: re- en dupliek onder het Nieuwe Rv (art. 30o NRv)
Als gevolg van het project-KEI zal art. 132 Rv komen te vervallen. Het NRv stelt voorop dat de procedure bestaat uit een schriftelijke én mondelinge behandeling (Derde Afdeling A). Van de mondelinge behandeling kan worden afgeweken, indien dit met het oog op art. 19 NRv (hoor en wederhoor) of een goede instructie van de zaak is vereist. De rechter kan op verzoek van partijen bepalen, dat partijen schriftelijk reageren op elkaars standpunten (art. 30o lid 1 sub b Nieuw Rv).
Wat is het wezenlijke verschil? De fase van re- en dupliek is onder het NRv evengoed mogelijk als onder het oude Rv. De hoofdregel in het Nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is woordelijk het omgekeerde van de hoofdregel in het oude Rv, maar in geen van beide versies van Rv zijn de voorwaarden waaronder de fase van re- en dupliek kunnen worden toegestaan, wezenlijk anders.
4. Termijnen voor het nemen van conclusies
Partijen kunnen uitstel vragen voor het nemen van conclusies, evenals voor het verrichten van andere proceshandelingen (art. 133 lid 2 en 3 Rv). Conclusies en proceshandelingen dienen immers over het algemeen te voldoen aan de motivering en bewijsaanvoer als bedoeld in art. 111 lid 3 Rv en art. 128 lid 5 Rv. Als uitstel van het nemen van conclusies tot onredelijke vertraging zou leiden, wordt het eenstemmig verzoek tot uitstel niet toegewezen.
De termijnen voor het indienen van processtukken en het nemen van conclusies en akten in civiele zaken is geregeld in art. 2.7. Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken (LR-rb). Uitstel wordt geregeld in art. 2.8. LR-rb.
5. Verstekverlening (art. 139-142 Rv)
Verschijnt de gedaagde niet op de eerste of een door de rechter te bepalen roldatum in het geding of verzuimt hij advocaat te stellen, of verzuimt hij (indien verschuldigd) het griffierecht te voldoen, hoewel hem dat bij dagvaarding was aangezegd en zijn de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen, dan verleent de rechter hem verstek en wijst hij de vordering van eiser toe, tenzij de vordering de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt (art. 139 Rv).
De kosten die het gevolg zijn van het niet verschijnen in het geding door een partij, of die het gevolg zijn van het niet tijdig voldoen van het griffierecht, komen voor rekening van die partij, tenzij het verstek is verleend op een dagvaarding die nietig wordt verklaard (art. 141 Rv).
Het verstek kan worden gezuiverd. Zolang het eindvonnis niet is gewezen, kan de gedaagde alsnog in het geding verschijnen of alsnog het griffierecht voldoen. Op de gevolgen uit art. 141 Rv na, vervallen de gevolgen van de verstekverlening (art. 142 Rv).
5.1. Verzet tegen verstek (art. 143 Rv)
Heeft de gedaagde geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om het verstek te zuiveren, dan kan hij in verzet komen tegen de veroordeling bij verstek, gewezen bij eindvonnis (art. 143 lid 1 Rv). De gedaagde dient verzet te doen bij exploot van dagvaarding, binnen vier weken na de betekening van het vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering van het vonnis opgemaakte akte (art. 143 lid 2 Rv).
Berust de bij verstek veroordeelde gedaagde in het vonnis, dan kan hij daartegen niet meer in verzet komen (art. 143 lid 4 Rv). Het vonnis is dan vatbaar voor hoger beroep; zie de regeling inzake hoger beroep tegen eindbeschikkingen, art. 358 Rv.
5.2. Schorsende werking verzet (art. 145 Rv)
Verzet, mits tijdig gedaan, schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis, tenzij dit uitvoerbaar bij voorraad was verklaard (art. 145 Rv).
5.3. Heropening van de zaak door verzet (art. 147 Rv)
Verzet heeft tot gevolg dat de instantie wordt heropend. Het geding verloopt (weer) als bepaald in art 125-135 Rv. Het exploot van verzet (art. 146 Rv) heeft te gelden als conclusie van antwoord door gedaagde in de zin van art. 128 lid 2 Rv (art. 147 lid 1 Rv).
De gedaagde is bevoegd om een eis in reconventie in te stellen. De oorspronkelijke vordering, ingesteld door eiser, is de eis in conventie. De gedaagde is niet bevoegd om een eis in reconventie in te stellen, als de eiser in conventie is opgetreden in hoedanigheid (qualitate qua) en de reconventie hem persoonlijk zou betreffen, of omgekeerd (art. 136 Rv). Een eis van reconventie wordt dadelijk bij de conclusie van antwoord ingesteld (art. 137 Rv). Wordt verzet gedaan, dan vermeldt het exploot van verzet de eis van reconventie, onder vermelding van de gronden daarvan (art. 146 lid 2 Rv).
Art. 111 lid 3 Rv wordt op zowel art. 137 als 146 lid 2 Rv van toepassing verklaard.
De zaken in conventie en reconventie worden gelijktijdig behandeld en bij hetzelfde eindvonnis beslist. Dat de eis in reconventie een zelfstandige procedure betreft, blijkt uit de laatste volzin van art. 138 lid 1 Rv: oordeelt de rechter dat één van de zaken, die in conventie dan wel in reconventie, vroeger kan worden afgedaan, dan worden de zaken niet bij hetzelfde eindvonnis beslist.
Gelden er verschillende procedurele voorschriften ten aanzien van de zaak in conventie en reconventie, dan worden de zaken gesplitst. Dat is het geval als één van de zaken wordt voortgezet volgens de verzoekschriftprocedure, als de rechter op de voet van art. 71 Rv de zaak verwijst of als de rechter zich absoluut onbevoegd verklaart (art. 138 lid 2 Rv).
1.2. KEI: tegenvordering of tegenverzoek onder het Nieuwe Rv (art. 30i lid 8 NRv)
De artikelen 131-138 van Rv (oud), waaronder de artikelen inzake het instellen van de eis van reconventie, komen te vervallen.
De mogelijkheid voor verweerder om een eis in reconventie in te stellen, blijft onder het NRv echter gehandhaafd. De verweerder (voorheen: gedaagde) dient een met redenen omkleed verweerschrift in op grond van art. 30i lid 1 NRv. Daarbij is bepaald dat het verweerschrift een tegenverzoek of tegenvordering mag bevatten, tenzij de oorspronkelijke eiser of verzoeker is opgetreden in hoedanigheid en de tegenvordering of het tegenverzoek hem persoonlijk zou betreffen en omgekeerd. Art. 30a lid 3 onder f en g NRv is van overeenkomstige toepassing (art. 30i lid 8 NRv).
De regel dat de zaak in conventie en reconventie in beginsel bij hetzelfde vonnis worden afgedaan (art. 138 Rv (oud) ), tenzij de rechter anders bepaalt, is neergelegd in art. 30i lid 9 NRv.
Ten aanzien van de eis in reconventie brengen art. 30i lid 8 en 9 NRv dus niets anders dan een compacte herformulering van de terminologie.
2.1. Comparitie na antwoord onder het huidige Rv (art. 131 Rv (oud) )
Heeft de gedaagde voor antwoord geconcludeerd, dan beveelt de rechter een verschijning ter terechtzitting als bedoeld in art. 87 Rv, voor het treffen van een schikking, of art. 88 Rv, voor het geven van inlichtingen (art. 131 Rv). Tegen het bevel van comparitie, bij vonnis gegeven, staat geen rechtsmiddel open.
2.2. KEI: de mondelinge behandeling centraal onder NRv (vervallen art. 131-138 Rv (oud) )
Uit een aantal opeenvolgende artikelen blijkt dat de mondelinge behandeling prevaleert in het NRv:
a. Mondelinge conclusies en akten (art. 30i NRv).
In kantonzaken kan mondeling verweer worden gevoerd en reeds in de eerste fase, die onder het oude Rv schriftelijk was, kunnen mondelinge conclusies en akten worden genomen (art. 30i lid 2 NRv);
b. Mondelinge behandeling al aan het begin van het proces centraal (art. 30j NRv).
Zodra de verweerder in de procedure is verschenen, bepaalt de rechter wanneer de mondelinge behandeling plaatsvindt (art. 30j lid 1 NRv);
c. Vervanging comparitie na antwoord (art. 30j-o NRv).
De regeling omtrent de comparitie na antwoord (art. 131 Rv (oud) ) komt te vervallen, maar een soortgelijke regeling is getroffen in art. 30j-o NRv.
Tijdens de mondelinge behandeling worden partijen in de gelegenheid gesteld om hun stellingen toe te lichten. De rechter kan partijen verzoeken om inlichtingen, een schikking beproeven of aanwijzingen geven (art. 30k lid 1 onder a-e NRv);
d. Mogelijkheid tot pleidooi (art. 30k NRv).
Onder het oude Rv werd in beginsel géén ruimte geboden voor pleidooien, omdat het zwaartepunt immers bij de comparitie na antwoord (art. 131 Rv (oud) ) lag; hoofdregel was dat bij uitzondering gelegenheid geboden werd voor pleidooien (art. 134 Rv (oud) ). Art. 134 Rv wordt geschrapt. Het recht op pleidooi is inhoudelijk niet vervallen, maar er wordt niet langer een onderscheid aangebracht tussen comparitie na antwoord en pleidooi ( art. 30k lid 1 en art. 30o NRv);
e. Gelegenheid tot re- en dupliek (art. 30o lid 1 NRv).
Tot re- en dupliek wordt onder het NRv in beginsel gelegenheid geboden, wat logisch is: met het schrappen van art. 131 en art. 132 Rv (oud) vervalt de regel, dat de gelegenheid tot het concluderen voor re- en dupliek in beginsel slechts wordt geboden als geen comparitie na antwoord is bevolen. Art. 132 lid 2 Rv (oud) inzake re- en dupliek is bijna letterlijk overgenomen (art. 30o lid 1 NRv (aanhef)).
3.1. Repliek en dupliek (onder het huidige Rv)
Het proces wordt bij voorkeur geconcentreerd rond comparitie na antwoord; dat blijkt uit de formulering art. 132 Rv door de wetgever: is geen verschijning ter terechtzitting op de voet van art. 131 Rv bevolen, dan geeft de rechter aan eiser gelegenheid om voor repliek te concluderen; hierop kan de gedaagde voor dupliek concluderen (art. 132 lid 1 Rv). Hoofdregel onder het huidige wetboek van Rv is dus, dat de procedure schriftelijk is, met aanvulling van de mondelinge ronde, die bestaat uit de comparitie na antwoord en het vonnis.
Is wel comparitie na antwoord bevolen, dan wordt slechts gelegenheid geboden voor repliek en dupliek, als dit met het oog op "hoor en wederhoor" (art. 19 Rv), of met het oog op een goede instructie van de zaak noodzakelijk is (art. 132 lid 2 Rv). Met betrekking tot de goede procesorde kunnen ook meer conclusies worden toegestaan (art. 132 lid 3 Rv). Het nemen van conclusies van re- en dupliek is een uitzondering op de hiervoor genoemde regel.
Tegen géén van de beslissingen op grond van lid 2 en 3 staat een hogere voorziening open (art. 132 lid 4 Rv).
3.2. KEI: re- en dupliek onder het Nieuwe Rv (art. 30o NRv)
Als gevolg van het project-KEI zal art. 132 Rv komen te vervallen. Het NRv stelt voorop dat de procedure bestaat uit een schriftelijke én mondelinge behandeling (Derde Afdeling A). Van de mondelinge behandeling kan worden afgeweken, indien dit met het oog op art. 19 NRv (hoor en wederhoor) of een goede instructie van de zaak is vereist. De rechter kan op verzoek van partijen bepalen, dat partijen schriftelijk reageren op elkaars standpunten (art. 30o lid 1 sub b Nieuw Rv).
Wat is het wezenlijke verschil? De fase van re- en dupliek is onder het NRv evengoed mogelijk als onder het oude Rv. De hoofdregel in het Nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is woordelijk het omgekeerde van de hoofdregel in het oude Rv, maar in geen van beide versies van Rv zijn de voorwaarden waaronder de fase van re- en dupliek kunnen worden toegestaan, wezenlijk anders.
4. Termijnen voor het nemen van conclusies
Partijen kunnen uitstel vragen voor het nemen van conclusies, evenals voor het verrichten van andere proceshandelingen (art. 133 lid 2 en 3 Rv). Conclusies en proceshandelingen dienen immers over het algemeen te voldoen aan de motivering en bewijsaanvoer als bedoeld in art. 111 lid 3 Rv en art. 128 lid 5 Rv. Als uitstel van het nemen van conclusies tot onredelijke vertraging zou leiden, wordt het eenstemmig verzoek tot uitstel niet toegewezen.
De termijnen voor het indienen van processtukken en het nemen van conclusies en akten in civiele zaken is geregeld in art. 2.7. Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken (LR-rb). Uitstel wordt geregeld in art. 2.8. LR-rb.
5. Verstekverlening (art. 139-142 Rv)
Verschijnt de gedaagde niet op de eerste of een door de rechter te bepalen roldatum in het geding of verzuimt hij advocaat te stellen, of verzuimt hij (indien verschuldigd) het griffierecht te voldoen, hoewel hem dat bij dagvaarding was aangezegd en zijn de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen, dan verleent de rechter hem verstek en wijst hij de vordering van eiser toe, tenzij de vordering de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt (art. 139 Rv).
De kosten die het gevolg zijn van het niet verschijnen in het geding door een partij, of die het gevolg zijn van het niet tijdig voldoen van het griffierecht, komen voor rekening van die partij, tenzij het verstek is verleend op een dagvaarding die nietig wordt verklaard (art. 141 Rv).
Het verstek kan worden gezuiverd. Zolang het eindvonnis niet is gewezen, kan de gedaagde alsnog in het geding verschijnen of alsnog het griffierecht voldoen. Op de gevolgen uit art. 141 Rv na, vervallen de gevolgen van de verstekverlening (art. 142 Rv).
5.1. Verzet tegen verstek (art. 143 Rv)
Heeft de gedaagde geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om het verstek te zuiveren, dan kan hij in verzet komen tegen de veroordeling bij verstek, gewezen bij eindvonnis (art. 143 lid 1 Rv). De gedaagde dient verzet te doen bij exploot van dagvaarding, binnen vier weken na de betekening van het vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering van het vonnis opgemaakte akte (art. 143 lid 2 Rv).
Berust de bij verstek veroordeelde gedaagde in het vonnis, dan kan hij daartegen niet meer in verzet komen (art. 143 lid 4 Rv). Het vonnis is dan vatbaar voor hoger beroep; zie de regeling inzake hoger beroep tegen eindbeschikkingen, art. 358 Rv.
5.2. Schorsende werking verzet (art. 145 Rv)
Verzet, mits tijdig gedaan, schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis, tenzij dit uitvoerbaar bij voorraad was verklaard (art. 145 Rv).
5.3. Heropening van de zaak door verzet (art. 147 Rv)
Verzet heeft tot gevolg dat de instantie wordt heropend. Het geding verloopt (weer) als bepaald in art 125-135 Rv. Het exploot van verzet (art. 146 Rv) heeft te gelden als conclusie van antwoord door gedaagde in de zin van art. 128 lid 2 Rv (art. 147 lid 1 Rv).
woensdag 1 februari 2017
Strafprocesrecht: het aanwenden van gewone rechtsmiddelen (1)
Algemene opmerkingen: hoger beroep (art. 404 Sv) en cassatie (art. 427 Sv)
Tegen het vonnis van de rechter in eerste aanleg is beroep opengesteld, art. 404 Sv en art. 60 Wet RO. In hoger beroep wordt de zaak opnieuw behandeld op de grondslag van de tenlastelegging, zie de schakelbepaling, art. 415 lid 2 Sv. Cassatie staat open tegen arresten van de gerechtshoven, art. 427 Sv en art. 78 Wet RO. Cassatie ziet niet op een hernieuwde feitelijke behandeling van de zaak; artt. 431 Sv en 79 Wet RO wijzen op de mogelijkheid van vernietiging wegens vormverzuimen.
Het recht op het aanwenden van rechtsmiddelen hangt samen met het recht op "fresh determination" en het verwezenlijken van de verdedigingsrechten uit art. 6 EVRM. Het oneigenlijke "rechtsmiddel" der verzet kan worden uitgelegd in het licht van het recht op "fair and public hearing", zoals dat voortvloeit uit art. 6 van het EVRM.
1. Verzet tegen strafbeschikking
Tegen de strafbeschikking ex. art. 257a Sv, kan door de verdachte verzet worden gedaan, art. 257e Sv. Verzet moet worden gedaan binnen een termijn van veertien dagen, nadat het afschrift van de beschikking in persoon aan de verdachte is uitgereikt, dan wel zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte met de strafbeschikking bekend is (lid 1). Een uitzondering is te vinden in de tweede volzin van lid 1: "tegen een strafbeschikking waarin een geldboete van niet meer dan 340 Euro is opgelegd, wegens een overtreding welke ten hoogste vier maanden voor toezending is gepleegd, kan verzet worden gedaan tot uiterlijk zes weken na toezending". Dat de termijn alsdan ook veertien dagen is, blijkt uit de zinsnede "onverminderd de vorige zin".
De tenuitvoerlegging van de beschikking geschiedt veertien dagen na de uitreiking in persoon of toezending van het afschrift, art. 257g lid 1 Sv. Het verzet schorst of schort de tul op, zie lid 2.
1.2. afstand van verzet
Voldoet de verdachte "vrijwillig" aan de strafbeschikking, dan doet hij daarmee afstand van de bevoegdheid tot verzet, art. 257e lid 1, laatste volzin. Hoewel dat niet logisch lijkt, kan de verdachte ook schriftelijk afstand doen van de bevoegdheid tot verzet. Hij moet dan wel worden bijgestaan door een raadsman. In het eerste geval kan de verdachte "per ongeluk" afstand doen van zijn recht door te menen dat hij tot voldoening gehouden is; in het tweede geval eist de wet expliciet dat de verdachte zijn wil tot het doen van afstand uitdrukkelijk kenbaar maakt.
1.3. het doen van verzet
Het verzet wordt gedaan bij het parket; wordt verzet gedaan bij het verkeerde parket, dan dient het verzet te worden doorgeleid naar de OvJ die het verzet bij de bevoegde rechter aanhangig kan maken, art. 257e lid 2 Sv. Het verzet kan door de verdachte of door een bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde, in persoon op het parket worden gedaan, art. 257e lid 3 Sv. Er kan direct gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om de oproeping tot de verschijning ter terechtzitting aan de verdachte te betekenen. Schriftelijk verzet is mogelijk, door de verdachte of een advocaat die verklaart bepaaldelijk door hem te zijn gevolmachtigd. De brief, die aan de OvJ wordt gericht, moet voldoen aan de criteria in art. 257e lid 4 Sv. Mededeling van de bezwaren tegen de beschikking is optioneel.
1.4. behandeling van het verzet ter terechtzitting
De OvJ brengt het verzet ter kennis van de rechtbank, art. 257f lid 1 Sv. De artt. 260 lid 5 en 265 lid 2 Sv worden van overeenkomstige toepassing verklaard. Tussen de oproeping van de verdachte en de dag der terechtzitting moeten ten minste tien dagen verlopen. De omschrijving van de gedraging in de oproeping wordt als een tenlastelegging aangemerkt, art. 257f lid 3 Sv. Deze is gelijk aan de korte omschrijving van de gedraging in de strafbeschikking of betreft een opgave die voldoet aan de eisen van art. 261 lid 1 en 2 Sv. Daarbij moet worden opgemerkt dat de korte omschrijving ter terechtzitting met deze eisen in overeenstemming kan worden gebracht, zie de verwijzing van art. 314a naar 257a lid 6 Sv.
De behandeling van de zaak ter terechtzitting verloopt, zoals gebruikelijk, via de bepalingen uit titel V en titel VI, met dien verstande dat de nietigheid ex. art. 257f lid 3 Sv afwijkt van art. 349 lid 1 Sv. De niet-onvankelijkheid wordt uitgesproken op grond van art. 257f lid 4 Sv; wordt het OM niet ontvankelijk verklaard, dan wordt de strafbeschikking vernietigd. Uitspraken op grond van art. 257f lid 3 en 4 Sv worden gelijkgesteld met einduitspraken; tegen een uitspraak op verzet kan dan ook beroep worden ingesteld.
2. Gewone rechtsmiddelen
2.1. algemene opmerkingen
De gewone rechtsmiddelen kunnen worden aangewend tegen einduitspraken in de zin van art. 138 Sv. Nevenuitspraken, waaronder een uitspraak op de vordering tot schadevergoeding door een benadeelde, alsmede tussenuitspraken (waaronder uitspraken als bedoeld in art. 283 en 313 Sv), worden ingevolge art. 406 Sv slechts gelijktijdig met het hoger beroep tegen een einduitspraak behandeld.
2.2. uitzonderingen op de beperkingen inzake hoger beroep en cassatie
Tegen vonnissen betreffende overtredingen kan hoger beroep worden ingesteld, tenzij:
1. met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel werd opgelegd (art. 404 lid 2 sub a Sv);
2. geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete of geldboetes met een maximum van vijftig Euro (art. 404 lid 2 sub b Sv).
Uitzonderingen op de beperkingen uit lid 2 worden gemaakt in art. 404 lid 3 en lid 4 Sv. Lid 3 van art. 404 Sv ziet op een bij verstek gewezen vonnis, indien de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg niet in persoon is gedaan of betekend én de verdachte niet anderszins met de dag van de terechtzitting bekend kon zijn.
Lid 4 van art. 404 Sv bepaalt dat tegen de vonnissen die onder de beperking van lid 2 sub a of b vallen en waartegen geen hoger beroep openstaat, beroep in cassatie openstaat, indien het overtredingen betreffen van een verordening van een provincie, gemeente of waterschap.
2.3. het aanwenden van gewone rechtsmiddelen
Hoger beroep en cassatie worden ingesteld door een verklaring af te leggen op de griffie van het gerecht, art. 449 Sv. Wordt het rechtsmiddel niet door de verdachte in persoon aangewend, dan bepaalt de wet expliciet dat:
1. een advocaat de rechtsmiddelen kan aanwenden, indien deze verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd (art. 450 lid 1 sub a Sv);
2. een vertegenwoordiger, bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigd (art. 450 lid 1 sub b Sv).
De gemachtigde neemt de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep in ontvangst (lid 2 ); de uitreiking van de oproeping aan gemachtigde geldt als een uitreiking in persoon aan verdachte, art. 450 lid 4 Sv. Opvallend is de bepaling, dat aan de schriftelijke bijzondere volmacht, verleend aan de medewerker van de griffie, tot het voor de verdachte aanwenden van het rechtsmiddel slechts gevolg wordt gegeven, indien de verdachte instemt met het door deze medewerker voor de verdachte aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping, zie art. 450 lid 3 Sv. Daarmee wordt beoogd, dat de verdachte zich niet eenvoudig aan de bekendmaking van de dag van de terechtzitting kan onttrekken door niet in persoon te verschijnen.
Bij weigering van het in ontvangst nemen van de oproeping door de gemachtigde, wordt de oproeping geacht te zijn uitgereikt, art. 450 lid 5 Sv, om te bereiken dat onder meer de termijn van veertien dagen voor het instellen van cassatieberoep ex. art 432 lid 1 Sv van kracht wordt.
2.4. afstand doen/ intrekken van de bevoegdheid tot het instellen van rechtsmiddelen
Afstand kan worden gedaan door een verklaring of te leggen op de griffie, art. 454 lid 1 Sv. Het is mogelijk om ter terechtzitting afstand te doen van de rechtsmiddelen, zie in het bijzonder artt. 381 en 397a Sv. De advocaat-generaal kan het hoger beroep, ingesteld door de OvJ, intrekken op grond van art. 453 lid 2 jo. 454 lid 2 Sv. Intrekking is afstand, zo volgt uit art. 453 lid 1 Sv.
2.5. termijnen
De bepalingen over de termijnen voor het instellen van hoger beroep of cassatie zijn nagenoeg identiek, vgl. art. 408 Sv met 432 Sv.
Hoger beroep of cassatie moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld, indien, lid 1:
a. de dagvaarding of oproeping aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de terechtzitting is verschenen;
c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat de verdachte met de dag der terechtzitting bekend was;
d. de dagvaarding of oproeping binnen zes weken nadat door de verdachte verzet ex. art. 257e Sv
is gedaan, rechtsgeldig aan verdachte is betekend met inachtneming van art. 588 a Sv en in eerste aanleg geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming meebrengt van langere duur dan zes maanden.
In 432 lid 1 sub d Sv zijn de woorden "verzet" en "eerste aanleg" uiteraard vervangen door "hoger beroep" resp. "hoger beroep".
Het uitgangspunt is dat het niet bekend raken met de dag van de terechtzitting, in beginsel niet tegen de verdachte mag worden gebruikt. Artt. 408 lid 2 en 432 lid 2 Sv formuleren het dan ook zo, dat in andere gevallen hoger beroep moet worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich "een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat de verdachte met de einduitspraak bekend is". Omwille van de voortvarendheid wordt de verstekverlening dan ook aan de verdachte medegedeeld, art. 366 Sv. De nodige waarborgen worden voorts ingebouwd door te bepalen dat:
a. de verdachte voor hoger beroep dient te worden opgeroepen (art. 408 a Sv);
b. indien alleen door de OvJ hoger beroep is ingesteld, het beroep aan verdachte wordt betekend
(art. 409 lid 2 Sv);
c. het beroep in cassatie aan de verdachte in persoon wordt aangezegd (art. 433 sv).
Aan de contradictoire procedure, zoals bedoeld in art. 279 lid 2 Sv, wordt het argument ontleend dat de termijn voor het instellen van een gewoon rechtsmiddel, veertien dagen na de einduitspraak beloopt, indien de verdachte op de dag van sluiting van het onderzoek ter terechtzitting is vertegenwoordigd door een uitdrukkelijk gemachtigde raadsman.
Tegen het vonnis van de rechter in eerste aanleg is beroep opengesteld, art. 404 Sv en art. 60 Wet RO. In hoger beroep wordt de zaak opnieuw behandeld op de grondslag van de tenlastelegging, zie de schakelbepaling, art. 415 lid 2 Sv. Cassatie staat open tegen arresten van de gerechtshoven, art. 427 Sv en art. 78 Wet RO. Cassatie ziet niet op een hernieuwde feitelijke behandeling van de zaak; artt. 431 Sv en 79 Wet RO wijzen op de mogelijkheid van vernietiging wegens vormverzuimen.
Het recht op het aanwenden van rechtsmiddelen hangt samen met het recht op "fresh determination" en het verwezenlijken van de verdedigingsrechten uit art. 6 EVRM. Het oneigenlijke "rechtsmiddel" der verzet kan worden uitgelegd in het licht van het recht op "fair and public hearing", zoals dat voortvloeit uit art. 6 van het EVRM.
1. Verzet tegen strafbeschikking
Tegen de strafbeschikking ex. art. 257a Sv, kan door de verdachte verzet worden gedaan, art. 257e Sv. Verzet moet worden gedaan binnen een termijn van veertien dagen, nadat het afschrift van de beschikking in persoon aan de verdachte is uitgereikt, dan wel zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte met de strafbeschikking bekend is (lid 1). Een uitzondering is te vinden in de tweede volzin van lid 1: "tegen een strafbeschikking waarin een geldboete van niet meer dan 340 Euro is opgelegd, wegens een overtreding welke ten hoogste vier maanden voor toezending is gepleegd, kan verzet worden gedaan tot uiterlijk zes weken na toezending". Dat de termijn alsdan ook veertien dagen is, blijkt uit de zinsnede "onverminderd de vorige zin".
De tenuitvoerlegging van de beschikking geschiedt veertien dagen na de uitreiking in persoon of toezending van het afschrift, art. 257g lid 1 Sv. Het verzet schorst of schort de tul op, zie lid 2.
1.2. afstand van verzet
Voldoet de verdachte "vrijwillig" aan de strafbeschikking, dan doet hij daarmee afstand van de bevoegdheid tot verzet, art. 257e lid 1, laatste volzin. Hoewel dat niet logisch lijkt, kan de verdachte ook schriftelijk afstand doen van de bevoegdheid tot verzet. Hij moet dan wel worden bijgestaan door een raadsman. In het eerste geval kan de verdachte "per ongeluk" afstand doen van zijn recht door te menen dat hij tot voldoening gehouden is; in het tweede geval eist de wet expliciet dat de verdachte zijn wil tot het doen van afstand uitdrukkelijk kenbaar maakt.
1.3. het doen van verzet
Het verzet wordt gedaan bij het parket; wordt verzet gedaan bij het verkeerde parket, dan dient het verzet te worden doorgeleid naar de OvJ die het verzet bij de bevoegde rechter aanhangig kan maken, art. 257e lid 2 Sv. Het verzet kan door de verdachte of door een bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde, in persoon op het parket worden gedaan, art. 257e lid 3 Sv. Er kan direct gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om de oproeping tot de verschijning ter terechtzitting aan de verdachte te betekenen. Schriftelijk verzet is mogelijk, door de verdachte of een advocaat die verklaart bepaaldelijk door hem te zijn gevolmachtigd. De brief, die aan de OvJ wordt gericht, moet voldoen aan de criteria in art. 257e lid 4 Sv. Mededeling van de bezwaren tegen de beschikking is optioneel.
1.4. behandeling van het verzet ter terechtzitting
De OvJ brengt het verzet ter kennis van de rechtbank, art. 257f lid 1 Sv. De artt. 260 lid 5 en 265 lid 2 Sv worden van overeenkomstige toepassing verklaard. Tussen de oproeping van de verdachte en de dag der terechtzitting moeten ten minste tien dagen verlopen. De omschrijving van de gedraging in de oproeping wordt als een tenlastelegging aangemerkt, art. 257f lid 3 Sv. Deze is gelijk aan de korte omschrijving van de gedraging in de strafbeschikking of betreft een opgave die voldoet aan de eisen van art. 261 lid 1 en 2 Sv. Daarbij moet worden opgemerkt dat de korte omschrijving ter terechtzitting met deze eisen in overeenstemming kan worden gebracht, zie de verwijzing van art. 314a naar 257a lid 6 Sv.
De behandeling van de zaak ter terechtzitting verloopt, zoals gebruikelijk, via de bepalingen uit titel V en titel VI, met dien verstande dat de nietigheid ex. art. 257f lid 3 Sv afwijkt van art. 349 lid 1 Sv. De niet-onvankelijkheid wordt uitgesproken op grond van art. 257f lid 4 Sv; wordt het OM niet ontvankelijk verklaard, dan wordt de strafbeschikking vernietigd. Uitspraken op grond van art. 257f lid 3 en 4 Sv worden gelijkgesteld met einduitspraken; tegen een uitspraak op verzet kan dan ook beroep worden ingesteld.
2. Gewone rechtsmiddelen
2.1. algemene opmerkingen
De gewone rechtsmiddelen kunnen worden aangewend tegen einduitspraken in de zin van art. 138 Sv. Nevenuitspraken, waaronder een uitspraak op de vordering tot schadevergoeding door een benadeelde, alsmede tussenuitspraken (waaronder uitspraken als bedoeld in art. 283 en 313 Sv), worden ingevolge art. 406 Sv slechts gelijktijdig met het hoger beroep tegen een einduitspraak behandeld.
2.2. uitzonderingen op de beperkingen inzake hoger beroep en cassatie
Tegen vonnissen betreffende overtredingen kan hoger beroep worden ingesteld, tenzij:
1. met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel werd opgelegd (art. 404 lid 2 sub a Sv);
2. geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete of geldboetes met een maximum van vijftig Euro (art. 404 lid 2 sub b Sv).
Uitzonderingen op de beperkingen uit lid 2 worden gemaakt in art. 404 lid 3 en lid 4 Sv. Lid 3 van art. 404 Sv ziet op een bij verstek gewezen vonnis, indien de dagvaarding voor de terechtzitting in eerste aanleg niet in persoon is gedaan of betekend én de verdachte niet anderszins met de dag van de terechtzitting bekend kon zijn.
Lid 4 van art. 404 Sv bepaalt dat tegen de vonnissen die onder de beperking van lid 2 sub a of b vallen en waartegen geen hoger beroep openstaat, beroep in cassatie openstaat, indien het overtredingen betreffen van een verordening van een provincie, gemeente of waterschap.
2.3. het aanwenden van gewone rechtsmiddelen
Hoger beroep en cassatie worden ingesteld door een verklaring af te leggen op de griffie van het gerecht, art. 449 Sv. Wordt het rechtsmiddel niet door de verdachte in persoon aangewend, dan bepaalt de wet expliciet dat:
1. een advocaat de rechtsmiddelen kan aanwenden, indien deze verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd (art. 450 lid 1 sub a Sv);
2. een vertegenwoordiger, bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigd (art. 450 lid 1 sub b Sv).
De gemachtigde neemt de oproeping van de verdachte voor de terechtzitting in hoger beroep in ontvangst (lid 2 ); de uitreiking van de oproeping aan gemachtigde geldt als een uitreiking in persoon aan verdachte, art. 450 lid 4 Sv. Opvallend is de bepaling, dat aan de schriftelijke bijzondere volmacht, verleend aan de medewerker van de griffie, tot het voor de verdachte aanwenden van het rechtsmiddel slechts gevolg wordt gegeven, indien de verdachte instemt met het door deze medewerker voor de verdachte aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping, zie art. 450 lid 3 Sv. Daarmee wordt beoogd, dat de verdachte zich niet eenvoudig aan de bekendmaking van de dag van de terechtzitting kan onttrekken door niet in persoon te verschijnen.
Bij weigering van het in ontvangst nemen van de oproeping door de gemachtigde, wordt de oproeping geacht te zijn uitgereikt, art. 450 lid 5 Sv, om te bereiken dat onder meer de termijn van veertien dagen voor het instellen van cassatieberoep ex. art 432 lid 1 Sv van kracht wordt.
2.4. afstand doen/ intrekken van de bevoegdheid tot het instellen van rechtsmiddelen
Afstand kan worden gedaan door een verklaring of te leggen op de griffie, art. 454 lid 1 Sv. Het is mogelijk om ter terechtzitting afstand te doen van de rechtsmiddelen, zie in het bijzonder artt. 381 en 397a Sv. De advocaat-generaal kan het hoger beroep, ingesteld door de OvJ, intrekken op grond van art. 453 lid 2 jo. 454 lid 2 Sv. Intrekking is afstand, zo volgt uit art. 453 lid 1 Sv.
2.5. termijnen
De bepalingen over de termijnen voor het instellen van hoger beroep of cassatie zijn nagenoeg identiek, vgl. art. 408 Sv met 432 Sv.
Hoger beroep of cassatie moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld, indien, lid 1:
a. de dagvaarding of oproeping aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de terechtzitting is verschenen;
c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat de verdachte met de dag der terechtzitting bekend was;
d. de dagvaarding of oproeping binnen zes weken nadat door de verdachte verzet ex. art. 257e Sv
is gedaan, rechtsgeldig aan verdachte is betekend met inachtneming van art. 588 a Sv en in eerste aanleg geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming meebrengt van langere duur dan zes maanden.
In 432 lid 1 sub d Sv zijn de woorden "verzet" en "eerste aanleg" uiteraard vervangen door "hoger beroep" resp. "hoger beroep".
Het uitgangspunt is dat het niet bekend raken met de dag van de terechtzitting, in beginsel niet tegen de verdachte mag worden gebruikt. Artt. 408 lid 2 en 432 lid 2 Sv formuleren het dan ook zo, dat in andere gevallen hoger beroep moet worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich "een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat de verdachte met de einduitspraak bekend is". Omwille van de voortvarendheid wordt de verstekverlening dan ook aan de verdachte medegedeeld, art. 366 Sv. De nodige waarborgen worden voorts ingebouwd door te bepalen dat:
a. de verdachte voor hoger beroep dient te worden opgeroepen (art. 408 a Sv);
b. indien alleen door de OvJ hoger beroep is ingesteld, het beroep aan verdachte wordt betekend
(art. 409 lid 2 Sv);
c. het beroep in cassatie aan de verdachte in persoon wordt aangezegd (art. 433 sv).
Aan de contradictoire procedure, zoals bedoeld in art. 279 lid 2 Sv, wordt het argument ontleend dat de termijn voor het instellen van een gewoon rechtsmiddel, veertien dagen na de einduitspraak beloopt, indien de verdachte op de dag van sluiting van het onderzoek ter terechtzitting is vertegenwoordigd door een uitdrukkelijk gemachtigde raadsman.
Abonneren op:
Posts (Atom)