Posts tonen met het label Mercedes Bouter pleitnota. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Mercedes Bouter pleitnota. Alle posts tonen

zaterdag 28 mei 2016

Pleittips voor studenten: pleitnota handelsrecht/ verbintenissenrecht


Deze pleitnota is beoordeeld met een tweeledige 8: een 8 voor het onderdeel "grammatica en stijl" en een 8 voor "inhoud en opbouw van het betoog".  Een en ander heb ik aangepast om de nota in te korten. Let erop dat de bevoegdheid van de rechter, ontvankelijkheid en inleiding níet in deze notitie zijn inbegrepen. Natuurlijk mag de inleiding bij de mondelinge behandeling niet ontbreken!
- - - - - - - - - - - - - -

RECHTBANK ROTTERDAM
Sector Handelsrecht

PLEITNOTA

in het geschil tussen:

Queso BV
Gevestigd te Dordrecht
EISERES
Gemachtigde: M. Bouter

en

Parma
Gevestigd te Modena (Italië)

en

Compagnia
Gevestigd te Messina (Italië)
en

Logistica BV
Gevestigd te Rotterdam
VERWEERDER(S)
Gemachtigde: mr. R. Scyphozoa (Rotterdam)
INHOUD
1. Uiteenzetting van de feiten
2. Vordering en grondslag
3. Verweer
4. Weerlegging van verweer

         1. Uiteenzetting van de feiten
Mijn cliënt, groothandel "Queso BV",  gevestigd te Dordrecht,  heeft bij  “Parma”, gevestigd te Modena, een lading van honderd Parmezaanse kazen (Parmigiano Reggiano) tegen de prijs van vijfhonderd Euro per stuk besteld. Tijdens het voortransport vanaf het terrein van “Parma” zijn dertig kazen onherstelbaar beschadigd geraakt door oververhitting; gedurende het transport over zee hebben veertig kazen vorstschade opgelopen; bij de stuwadoor zijn vervolgens twee kazen ontvreemd.  Mijn cliënt stelt dat aan hem een non-conforme lading is geleverd, hetgeen gevolg is van het onzorgvuldig handelen door verweerders. 
       2. Vordering en grondslag
"Queso BV", hierna te noemen: cliënt, vordert van verweerder "Parma" primair schadevergoeding, op grond van wanprestatie, ex. art. 6:74 BW; cliënt vordert van "Compagnia" vergoeding van de schade op grond van schending van de zorgplicht krachtens art. 8:381 lid 2 BW en op grond van niet-nakoming van de resultaatsverbintenis krachtens art. 8:378 BW. Cliënt vordert van "Logistica BV" schadevergoeding op grond van de onrechtmatige daad, begaan door een ondergeschikte, krachtens art. 6:162 BW jo. 6:170 BW.

Mijn cliënt is de rechtmatig cognossementhouder ex. art. 8:441 BW. Daarmee is hij gerechtigd om schadevergoeding te vorderen van verweerders. Cliënt is met "Queso BV" levering FOB (Messina)  overeengekomen. Zoals de chauffeur van wegvervoerder "Autocarro" heeft aangegeven, heeft een werknemer van "Queso" de belading van de vrachtwagen op zich genomen. De koelinstallatie is door deze werknemer niet ingeschakeld, terwijl dat voor het conserveren van Parmigiano Reggiano noodzakelijk is. Bij ontvangst door de zeevervoerder "Compagnia" in de laadhaven, heeft de kapitein de schadestaat op het cognossement aangetekend: van de honderd kazen die aan de zeevervoerder zijn overgedragen, zijn dertig stuks beschadigd geraakt door tijdens het voortransport naar de terminal, niet onder optimale temperatuur te zijn opgeslagen. Het door een expert opgemaakte rapport bevestigt dat de dertig kazen door te hoge temperaturen, onherstelbaar beschadigd zijn geraakt.
Naar Nederlands recht is een schuldenaar ex. art. 6:74 BW, verplicht de schade te vergoeden die schuldeiser lijdt door iedere tekortkoming in de verbintenis, behoudens het geval dat de tekortkoming niet aan de schuldenaar is toe te rekenen (ofwel: overmacht). "Parma" is toerekenbaar tekort geschoten. De non-conforme levering is geheel te wijten aan het onzorgvuldig handelen van een medewerker van "Parma". Cliënt eist dan ook een marktconforme vergoeding voor de dertig beschadigde kazen.
       Tijdens het zeetransport, verricht door rederij "Compagnia", heeft de lading forse temperatuurschommelingen doorgemaakt. De deklading is door onvoldoende bevestiging losgeschoten tijdens de vaart; daarbij is uitschakeling van de koelinstallatie, waarin de lading zich bevond, bewerkstelligd. Het handelen van de bemanning heeft er echter voor gezorgd dat de lading gedurende een halve week bevroren is geweest. Veertig kazen zijn gedeeltelijk onherstelbaar beschadigd door vorst. Mijn cliënt stelt dat de zorgplicht ten aanzien van de lading, ex. art. 8:381 lid 2 BW, is geschonden door verweerder. De bemanning heeft niet slechts de temperatuurinstelling foutief ingeschakeld, maar deze ook niet gecontroleerd gedurende een halve week. Bovendien zij hier gewezen op de resultaatsverplichting ex. art. 8:378 BW, die de rederij op zich heeft genomen als zeevervoerder onder cognossement. "Compagnia" heeft zich verbonden om de lading af te leveren in de staat waarin deze is ontvangen van voorschakel "Autocarro". Nu de lading in verslechterd staat is afgeleverd aan mijn cliënt, is de resultaatsverplichting niet nagekomen door de rederij. Van "Compagnia" wordt vergoeding van de veertig beschadigde gevorderd, behoudens de wettelijke mitigering ex. art. 8:388 BW, verminderd met de opbrengst uit verkoop van de intacte gedeelten van de veertig kazen.
      Bij stuwadoorsbedrijf  "Logistica BV" zijn twee stuks van de lading ontvreemd; vermoedelijk is een medewerker van de stuwadoor hiervoor verantwoordelijk. Eiser stelt een vordering op grond van de onrechtmatige daad in. Art. 6:162  lid 1 BW bepaalt dat hij, die jegens een ander een onrechtmatige daad begaat, welke hem kan worden toegerekend, gehouden is de schade te vergoeden. Krachtens art. 6:162 lid 2 BW, wordt als een onrechtmatige daad aangemerkt, een inbreuk op een subjectief recht. Met het ontvreemden van twee stuks van de lading, is een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van eiser. Ten gevolge van het ontvreemden, lijdt mijn cliënt schade. Het onrechtmatig handelen valt de werknemer van stuwadoor "Logistica BV" toe te rekenen. "Logistica BV" wordt kwalitatief aansprakelijk gesteld op grond van art. 6:170 BW, nu de stuwadoor uit hoofde van diens rechtsbetrekking, de zeggenschap had over de werknemer, die bij de uitvoering van zijn werkzaamheden een onrechtmatige daad heeft begaan.

          3. Verweer
Verweer "Parma"
"Parma" voert aan dat aansprakelijkheid voor het voortransport over de weg is uitgesloten, daar op het wegvervoer de CMR-bepalingen van toepassing zijn. Nu wegvervoerder "Autocarro" het voortransport op zich heeft genomen, kan "Parma" niet aansprakelijk zijn voor de geleden zaakschade. Bovendien voert "Parma" causaliteitsverweer: het is niet onomstotelijk vast komen te staan, dat er causaal verband bestaat tussen de schade en de te hoge temperaturen tijdens het wegtransport.

Verweer "Compagnia"
Eiser en vervoerder "Compagnia" hebben de vervoerovereenkomst voor het zeetransport afgesloten, conform art. 8:370 BW; er is een "Before and After"-clausule krachtens art. 8:386 BW inbegrepen. De rederij stelt niet aansprakelijk te zijn voor schade die bestond na het lossen van de lading. De grootst mogelijke zorgvuldigheid ten aanzien van de lading is betracht. Het schip was vóór aanvang van het transport, zeewaardig ex. art. 8:381 lid 1 sub a BW; voorafgaand aan de vaart zijn bij een grondige controle, geen onregelmatigheden aangetroffen. Het schip was behoorlijk bemand, conform art. 8:381 lid 1 sub b BW; ook de koelruimten waren geheel geschikt voor het vervoeren van de lading, ex. art. 8:381 lid 1 sub c BW.  Nu aan alle voorwaarden van art. 8:381 lid 1 is voldaan, komt de rederij een beroep toe op de ontheffingsgronden uit art. 8:383 lid 1 en 2 BW. Specifiek is art. 8:383 lid 2 onder d van toepassing, omdat de schade is veroorzaakt door onverwacht extreme weersomstandigheden die zich hebben voorgedaan tijdens het transport over zee. Windkracht 12 op de schaal van Beaufort is volgens de reder gelijk te stellen met een orkaan. Verificatie bij het Kennis- en datacentrum van het KNMI bevestigt deze bewering. Het losgeraken van de deklading had niet voorkomen kunnen worden; het ontregeld raken van de temperatuurinstallatie in de koelruimten is evenmin aan het handelen van de rederij te wijten. Voorts wijst "Compagnia" op de FIOS-clausule die is opgenomen in de overeenkomst. Op grond van deze clausule is de rederij niet aansprakelijk voor schade die ontstaat tijdens stuwage, belading en lossen van de lading.

Verweer "Logistica BV"
Rederij "Compagnia" heeft, ter ondersteuning bij het lossen van de lading, bij overeenkomst een beroep gedaan op de diensten van stuwadoor "Logistica BV". De stuwadoor merkt op dat rederij "Compagnia" en ladingbelanghebbende "Queso BV", een "Before and After"-clausule zijn overeengekomen. "Logistica BV" meent derhalve alle aansprakelijkheid uit te kunnen sluiten bij wijze van een op de "Before and After"-clausule geënte "Himalayaclausule". In dit verband geldt het volgende: "Logistica BV" is géén partij bij de vervoerovereenkomst tussen de rederij en de ladingbelanghebbende. De overeenkomst van zeevervoer was echter nog niet geëindigd ten tijde van de vermeende ontvreemding, nu de kazen niet waren afgeleverd aan "Queso". Verweerder werpt de condities die ten opzichte van de rederij zijn bedongen, tegen aan ladingbelanghebbende. Verweerder kan, naar Nederlands recht, de aansprakelijkheid uitsluiten voor het opzettelijk onrechtmatig handelen door personen die níet met de bedrijfsleiding zijn belast, zoals volgt uit de uitspraak Rechtbank Rotterdam, 3 mei 2006, 207692/ HA ZA 03-3015.  Bovendien betwijfelt "Logistica" het ontvreemden van twee kazen uit de lading door één van de medewerkers: eiser kan slechts bewijzen dat twee stuks, sinds het transport over zee, ontbreken.

             4. Weerlegging verweer
Verweer "Parma"
Mijn cliënt en "Parma", zijn FOB (Messina) overeengekomen. Onder A5 en B5 van het FOB-beding is bepaald, dat het risico op schade en verlies overgaat van de verkoper op de koper, op het moment dat de lading aan boord van het schip is gebracht. Gedurende het transport van "Parma" in Modena, naar de laadhaven in Messina, is de lading aan extreem hoge temperaturen onderworpen; dit is het directe gevolg van het handelen van een medewerker van "Parma". Verworpen wordt de stelling dat de voorwaarden uit de CMR-regeling die door "Autocarro" zijn bedongen, "Parma" de aansprakelijkheid voor het voortransport ontnemen. Het is juist het FOB-beding, dat het risico tijdens het voortransport op de verkoper doet rusten.
    "Parma" had redelijkerwijs moeten begrijpen dat, door de lading ongekoeld te vervoeren op een hete zomerdag, deze aan bederf onderhevig zou zijn. "Parma" houdt zich immers al jaren professioneel bezig met het produceren en distribueren van Parmigiano en weet als geen ander dat deze specialiteit onder optimale omstandigheden geconserveerd dient te worden. Nogmaals zij hier opgemerkt dat de expert schade door overmatig zweten heeft gerapporteerd. De kapitein heeft op het cognossement op niet mis te verstane wijze aangegeven dat het overmatig zweten reeds vóór het laden van de kazen in het schip is geconstateerd; uitsluitend het voortransport kan tot deze conditie hebben geleid.

Verweer "Compagnia"
Eiser bevestigt dat een "Before and After"-clausule in de overeenkomst tot het vervoer over zee is opgenomen. Daarmee is evenwel niet gezegd, dat deze clausule gelding heeft in het geding tussen eiser en  rederij "Compagnia": de vorstschade is tijdens het zeetransport ontstaan, niet gedurende de periode vóór of ná het lossen, waarop de clausule betrekking heeft. Hiermee kan eveneens worden geconcludeerd dat de FIOS-clausule geen uitkomst kan bieden: de schade is niet het gevolg van belading, stuwage of het lossen van de lading.
     Mijn cliënt weerspreekt niet dat het schip voldeed aan de vereisten van zeewaardigheid en ladinggeschiktheid zoals bepaald in art. 8:381 lid 1 sub a, respectievelijk sub c. Cliënt onderkent dat extreme weersomstandigheden bovendien een overmachtsgrond op kunnen leveren. Dat bepaalde risico's inherent zijn aan het vervoer van producten over zee, is een algemeen gegeven. Het zijn in onderhavige kwestie echter niet de calamiteiten die voor een ontregeling van de temperatuur in de koelruimten hebben gezorgd. Dat de bemanning pas na een halve week heeft bemerkt dat de lading door eigen toedoen bevroren was, duidt volgens eiser op grove onzorgvuldigheid.

Verweer "Logistica BV"
Eiser, in de hoedanigheid van ladingbelanghebbende, betwist dat de stuwadoorscondities aan hem kunnen worden tegengeworpen. Als de stuwadoorscondities de toets der redelijkheid en billijkheid kunnen doorstaan, dan verzet de rechtsverhouding tussen verweerder en mijn cliënt zich tegen een toepassing van deze voorwaarden: eiser heeft géén contractuele relatie met "Logistica BV", zie
HR 20 juni 1986, NJ 1987, 35, Deka-Hanno/ Citronas: stuwadoorscondities kunnen niet aan derden, waaronder ladingontvangers, worden tegengeworpen.
Door de opslag van de lading op zich te nemen, fungeerde de stuwadoor als zogeheten "terminal operator". "Logistica BV" is door "Compagnia" als zelfstandig opererende stuwadoor ingeschakeld en kan de condities alleen jegens deze inroepen. Er is geen uitzondering die rechtvaardigt dat de stuwadoorscondities aan mijn cliënt worden tegengeworpen (HR 22 februari 2011, Schip en Schade 2013, 131, Heinrich J). Bovendien wordt exoneratie van aansprakelijkheid voor schade die het gevolg is van bewuste roekeloosheid of opzet, in het Nederlands recht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, onaanvaardbaar geacht. Zie in dit verband het arrest Gerechtshof ’s-Gravenhage, 29 september 2009, S&S 2010, 2, Nedlloyd Lijnen B.V. / Irano European Co. Ireco S.A.

donderdag 16 juli 2015

Pleittips voor studenten : de pleitnota (formeel strafrecht)

De casus: u bent raadsman van de heer J. Groot. U dient de rechter-commissaris te overtuigen geen voorlopige hechtenis toe te passen.

Normaal gesproken wordt een pleitnota voorlopige hechtenis niet in het geheel uitgeschreven. Natuurlijk worden de relevante wetsartikelen vermeld. Onderstaande voorbeeld is mijn eerste pleitnotitie (N.B. data van feiten en verschenen rapporten zijn bijgewerkt tot 2015).
Deze pleitnota is beoordeeld met een 8,3.

Geachte rechter-commissaris,

Een eigen huis, al zes jaar een relatie met zijn verloofde, een goede baan: zo op het eerste gezicht heeft de heer Groot het goed voor elkaar. Hoewel mijn cliënt is opgegroeid in een omgeving met vrienden die veelal voor een criminele carrière hebben gekozen, steekt hij letterlijk alles in het werk om op het rechte pad te blijven. Mijn cliënt is met recht trots op zijn werk als vrachtwagenchauffeur voor een internationale organisatie, waarbij hij vaak ritten naar het buitenland maakt. Jaloezie kan helaas een nare spelbreker zijn. Toen de heer Groot op 9 december 2014 eerder uit Spanje kwam om zijn vriendin te verrassen, trof hij, tot zijn grote ontsteltenis, niet alleen zijn geliefde aan, maar ook haar nieuwe vriend, met wie zij al enige tijd een geheime verhouding bleek te hebben. Dat laatstgenoemde de voormalig dansleraar en een goede vriend van de heer Groot was, maakt dat mijn cliënt zich erg verraden voelde. Vervolgens heeft mijn cliënt volgens aangever, de heer Rivera, gedaan wat nooit had mogen gebeuren: de heer Groot zou de heer Rivera in blinde woede op zijn gezicht hebben geslagen.
                Tijdens mijn bezoek aan de heer Groot op het politiebureau, trof ik hem zeer aangeslagen aan. Het doorbrengen van de tijd in de politiecel heeft veel indruk gemaakt op cliënt, temeer omdat hij bang is om verleid te worden tot een carrière in de criminaliteit- dat heeft hij nu juist te allen tijde willen vermijden. De heer Groot wil niet het risico lopen dat hij zijn werk niet voort kan zetten en daardoor niet in staat is de maandelijkse lasten te bekostigen. Allereerst is het zaak om te bepalen of aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, om de vordering van de officier van justitie tot voorlopige hechtenis toe te wijzen. Ik zal uiteenzetten waarom mijns inziens niet is voldaan aan een grond voor het toepassen van de voorlopige hechtenis.
               Mijn cliënt wordt verdacht van zware mishandeling, zoals bepaald in art. 302 lid 1 Sr. Dit is een delict waarop maximaal acht jaren gevangenisstraf is gesteld. Aan een geval voor het toepassen van de voorlopige hechtenis, inzake art. 67 lid 1 sub a Sv, is naar alle waarschijnlijkheid wel voldaan.
Aan het criterium van ernstige bezwaren, zoals bepaald in art. 67 lid 3 Sv, is eveneens voldaan. Uit feiten en omstandigheden blijkt dat er sprake is van méér dan slechts een redelijk vermoeden van schuld, in de zin van art. 26 lid 1 Sv. Er ligt namelijk een aangifte van het slachtoffer; er is een getuigenverklaring beschikbaar; cliënt heeft  een verklaring afgelegd; er is een medisch rapport voorhanden en de reclassering heeft een vroeghulprapport betreffende mijn cliënt aan het dossier toegevoegd.
              Art. 67a lid 1 sub a Sv bepaalt dat ernstig gevaar voor vlucht een grond is voor het toepassen van de voorlopige hechtenis. Er zijn geen persoonlijke omstandigheden, noch geeft de houding van mijn cliënt blijk van ernstig gevaar voor vlucht. Mijn cliënt is een onmisbare kracht voor de organisatie waar hij werkzaam is, zo heeft de organisatie aangegeven. De heer Groot heeft een eigen woning, waarnaar hij graag wil terugkeren. Om de vaste lasten te betalen, is het ook noodzakelijk dat de heer Groot zo spoedig mogelijk weer aan het werk kan.
              Er is, inzake art. 67a lid 1 sub b Sv, geen gewichtige reden van maatschappelijke onveiligheid, welke onverwijlde vrijheidsbeneming vordert. Art. 67a lid 2 onder 1° Sv, bepaalt dat er sprake dient te zijn van verdenking van een feit waarop een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld en waarbij de rechtsorde ernstig door het feit is geschokt. Ten eerste is het delict waarvan mijn cliënt wordt verdacht, geen delict waarop twaalf jaar gevangenisstraf is bedreigd; ten tweede meen ik dat de rechtsorde niet ernstig is geschokt, als de vordering tot voorlopige hechtenis van de heer Groot niet wordt toegepast.
            Zoals volgt uit art. 67a lid 2 onder 2° Sv, wordt een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid in aanmerking genomen, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat mijn cliënt een delict begaat waarop naar de wettelijke omschrijving zes jaren of meer gevangenisstraf is gesteld, of waardoor de veiligheid van de staat in gevaar kan worden gebracht. Het is niet waarschijnlijk dat mijn cliënt een dergelijk delict begaat. De heer Groot heeft geen strafblad, zo blijkt uit raadpleging van het Justitieel Documentatiesysteem. In het vroeghulprapport, opgemaakt door de Stichting Reclassering Nederland, is te lezen dat de heer Groot geen problemen heeft met alcohol of drugs.
            Een grond voor voorlopige hechtenis kan worden aangenomen, indien er nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de dag waarop mijn cliënt voor één van de in art. 67a lid 2 onder 3° Sv opgesomde delicten is veroordeeld.  Mijn cliënt is een zogeheten `first offender´. Er is geen recidivegrond aanwezig: de uitkomst van de risicotaxatie, uitgevoerd door de reclassering, onderschrijft dit. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat de heer Groot het delict waarvan hij wordt verdacht, wederom zal begaan. Ik wil benadrukken, dat het bepaalde in art. 67a lid 2 onder 3° Sv, in het bijzonder is opgesteld in het kader van recidive bij vermogensdelicten (vakliteratuur: zie Mr. dr. uit Beijerse, Strafblad, 2008, "Voorlopige hechtenis"). Tegen deze achtergrond kan worden geconcludeerd dat er in onderhavige zaak níet is voldaan aan het gestelde in art. 67a lid 2 onder 3° Sv.
          Inzake art. 67a lid 2 sub 4 Sv, kan een bevel tot voorlopige hechtenis worden gegeven, indien noodzakelijk voor het, anders dan door verklaringen van de verdachte, aan de dag brengen van de waarheid. Dat de verklaring van de getuige en de aangifte overeenkomen met de verklaring van mijn cliënt, bewijst mijns inziens dat de grond van de waarheidsvinding niet aanwezig is.
         Ik wil u voorts wijzen op het anticipatiegebod, wettelijk geregeld in art. 67a lid 3 (zie literatuur: Mr. Janssen, Strafblad 2014, "Praktijk van de voorlopige hechtenis"). De kans is aanwezig dat mijn cliënt, bij tenuitvoerlegging van het bevel, langer de vrijheid wordt benomen dan het geval is, wanneer het tot een veroordeling zou komen.
        Het verdient aanbeveling om de onschuldpresumptie in acht te nemen. Volgens art. 6 lid 2 van het EVRM, dient een ieder onschuldig gehouden te worden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Toewijzing van de voorlopige hechtenis loopt vooruit op een eventuele veroordeling. Hoewel mijn cliënt een bekentenis heeft afgelegd, heeft ook hij het recht om voor onschuldig gehouden te worden, tot onomstotelijk is bewezen dat cliënt ook daadwerkelijk het hier aan de orde gestelde delict heeft begaan.
       Mocht de vordering tot voorlopige hechtenis worden toegewezen, is dit middel dan toch uiterst noodzakelijk, ofwel, is voldaan aan het beginsel van de proportionaliteit? Ik ben van mening dat mijn cliënt onevenredig zwaar in zijn belangen wordt getroffen. De toekomst van de heer Groot staat namelijk op het spel. Als de voorlopige hechtenis wordt toegewezen, dan is de kans reëel dat cliënt zijn werk en daarmee zijn inkomen verliest.
       Een minder zwaar middel kan worden toegepast. Billijk is het om de voorlopige hechtenis voorwaardelijk te schorsen, ex. art. 80 Sv. Ik stel u voor om in de voorwaarden op te nemen, een contact- en gebiedsverbod, gedurende bepaalde tijd op te leggen aan cliënt. De heer Groot heeft een eigen huis, zijn ex-vriendin woont niet bij hem in. Dit maakt het gemakkelijker om de afstand te bewaren. Het is aan te bevelen dat cliënt psychologische ondersteuning zoekt. Wellicht kan de heer Groot te zijner tijd deel nemen aan een bemiddelingstraject tussen aangever, de ex-vriendin van cliënt en cliënt zelf. Aan het beginsel van de subsidiariteit kan zodoende worden voldaan.
     Zoals betoogd, is waarschijnlijk niet voldaan aan een grond voor het toepassen van de voorlopige hechtenis. Als aan alle materiële voorwaarden is voldaan, is het nog maar de vraag of de voorlopige hechtenis aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit voldoet. Er staan minder zware middelen ter beschikking, waaronder enkele alternatieven die ik hiervoor heb aanbevolen. Derhalve verzoek ik u, om van de voorlopige hechtenis af te zien.

M. Bouter
- - - - - - - - -
  • Let erop dat dit betoog voornamelijk bedoeld is om de wettelijke regelingen te doorgronden. Vanzelfsprekend bevat ieder pleidooi de van toepassing zijnde wetten en relevante jurisprudentie. Het is echter niet de bedoeling om tijdens het mondelinge pleidooi de artikelen keer op keer te herhalen;
  • Verbazend maar waar: de ervaring leert dat sommige studenten geneigd zijn om een vergaande schuldbekentenis in het pleidooi op te nemen: `De heer Groot is schuldig, dat weet hij zelf ook wel, maar..´. Dat is een fatale fout. U verdedigt uw cliënt, voorkom dat u met een misplaatste opmerking verantwoordelijk bent voor het ter plekke veroordelen van uw cliënt;
  • Om het lastiger te maken voor de beginnende pleiter: ga uit van een cliënt die de schijn tegen zich heeft. Hij is excessief te werk gegaan en heeft schuld bekend. Probeer uw cliënt zo positief mogelijk uit te laten komen, maar laat de fantasie zeker nooit de overhand krijgen!;
  • Blijf in uw professionele rol. Bejegen uw cliënt op zakelijke wijze. Uw cliënt is een volwassen persoon - we hebben het hier niet over het jeugdstrafrecht. Pleitnota´s waarin gesproken wordt over `Jordy die Kees een stomp heeft verkocht´, komen onprofessioneel en amicaal over;
  • Als u vergelijkingen trekt en anekdotes gebruikt ter ondersteuning van het betoog, zorg er dan voor dat de vergelijking wel treffend is. Een poging tot het maken van een scherpe opmerking, kan gekunsteld overkomen.  Clichés kunnen beter worden vermeden.