Posts tonen met het label mythes over hoogbegaafdheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label mythes over hoogbegaafdheid. Alle posts tonen

zaterdag 20 april 2024

Het Hoogbegaafdentaboe/intelligentieverschillen als taboe

De emancipatie van hoogbegaafden is helaas nog altijd hard nodig. Vanaf de basisschool te maken krijgen met de stigma's, altijd maar moeten aanpassen aan het "gemiddelde", altijd maar 10 stappen terug moeten nemen, is belemmerend.

Jezelf tijdens bepaalde momenten vervelen hoort bij het leven en is niet onoverkomelijk. Als hoogbegaafden op school of op hun werk niet op de juiste plek zitten, leren zij echter alleen maar dat hun  capaciteiten niet gewenst zijn. Ze leren hun mond te houden en mooi te zitten, minder energiek te zijn, te doen alsof alles goed gaat en een rem op hun hele bestaansvorm te plaatsen. Voor extravert gefocuste hoogbegaafden is het extra slopend om in een omgeving te moeten functioneren waar alles op een laag pitje staat. 

De hoogbegaafde werknemer praat bijvoorbeeld graag met verschillende mensen en de omgeving vormt cliques die de hele dag over de was, tv-series, nagellak en het uiterlijk van anderen praten (waargebeurd). Door extraverte energie kan een hoogbegaafde worden aangezien voor een ADHD'er, die erop wordt gewezen dat hij moet leren om zijn drukte en beweeglijkheid te temmen. De hoogbegaafde kleuter kan al vreemde talen en rekenen en moet van zijn juf in de zandbak spelen, "omdat hij moet socialiseren". 

Iedereen wordt er ongelukkig van, onder of boven zijn eigen niveau van functioneren moeten mikken. 

Zoals het niet bevorderend werkt om iemand te overladen met taken die voor die persoon onbegrijpelijk zijn, zo is het ook niet bevorderend om de verantwoordelijkheid te krijgen om anderen maar altijd "mee te moeten nemen in je eigen denkwijze", "gas terug te moeten nemen om het ook voor anderen begrijpelijk te maken" en "je manier van informatie verwerken in denkstappen te moeten opdelen".

Hoogbegaafde kinderen en volwassenen functioneren niet optimaal als ze hun hersenen altijd maar af moeten remmen, minder energiek en zelfs "minder enthousiast moeten doen". Verveling onder hoogbegaafden is géén luxeprobleem; het is een mentale uitputtingsslag. Een rem moeten leggen op je energieniveau/bioritme betekent dat je niet jezelf mag zijn, maar onder de radar moet blijven. 

Mensen die hoogbegaafd zijn, krijgen nog altijd dezelfde hardnekkige aannames te verstouwen:

"Hoogbegaafden zijn hun eigen grootste criticus"
"Intelligente mensen lijden onder faalangst"
"Je zult wel snel verveeld zijn"
"Hoogbegaafden vinden de omgang met anderen stressvol"
"Hoogbegaafden moet leren om te leren"
"Hoogbegaafden zijn perfectionistisch"
"Intelligente mensen zitten in hun hoofd. Daardoor raken ze het contact met hun gevoel kwijt"

"Ze kunnen niet met anderen omgaan"
"Er is bij hoogbegaafden scheefgroei tussen cognitie en sociale vermogens"
"Hoogbegaafden krijgen eerder psychische problemen, zoals een burnout of depressie"
"Hoogbegaafden hebben last van overprikkeling"

"Hoogbegaafden kruipen in hun schulp door kritiek"
"Ze zijn bang om de controle kwijt te raken"
"Hoogbegaafden houden niet van feesten en chitchat, want dat is te oppervlakkig"
"Ze zijn niet assertief"
"Je moet gewoon een hobby zoeken, vrijwilligerwerk doen en zorgen dat je niets hebt om over na te denken"

Deze aannames zijn nooit onderbouwd en worden zelfs weerlegd door onderzoek. Ik ben zo blij dat ik dit soort quasi-psychologisch geneuzel nooit heb gehoord bij neuroscience en dat intelligente mensen ook wars zijn van zulke nonsens.

Het beeld dat hoogbegaafden zouden lijden onder depressie, burnout, overprikkeling, sociale problemen en perfectionisme, is ontstaan door de aanname dat neurodivergentie (zoals ADHD en autisme) overeenkomsten heeft met hoogbegaafdheid. Wat altijd wordt miskend, is dat sociale begaafdheid een belangrijke dimensie is van begaafdheid. Het gaat níet om cognitie, maar om multidimensionaliteit.

De mythe, dat hoogbegaafden altijd sociale moeilijkheden hebben (dat ze niet met anderen om kunnen gaan en geen sociale handigheid hebben), dat ze te lijden hebben onder stress, niet met tegenslagen om kunnen gaan en psychisch kwetsbaarder zouden zijn, komt doordat het onderzoek onder hoogbegaafden plaatsvindt bij kinderen, adolescenten die zich bij psychologen melden voor problemen die niet per definitie oorzakelijk verband houden met hun begaafdheid. 

Waar de één door begaafdheid lijdt onder eenzaamheid door een gebrek aan voldoende gelijkwaardige vriendschappen, hoeft dit niet het geval te zijn als iemand opgroeit en werkt in een omgeving met voldoende mogelijkheden tot het aangaan van gelijkwaardig contact. Als het IQ relatief laag ligt in de omgeving van een hoogbegaafde en deze zich voortdurend moet aanpassen aan het "gemiddelde" (en te horen krijgt dat hij/zij minder snel moet zijn in handelen en denken), kan dit leiden tot eenzaamheid. 

Zoals bij ieder intelligentieniveau het geval is, kunnen sommige hoogbegaafde mensen autistisch en/of ADHD'er zijn of psychische problemen hebben.
Helaas worden de mythes over depressie bij hoogbegaafden gretig verspreid door mensen die begaafdheid niet begrijpen. Het is meermaals gebleken dat hoogbegaafden juist geen of weinig last hebben van psychisch lijden en sociale problematiek, omdat zij door hun geavanceerde hersenverbindingen flexibel omgaan met tegenslagen en uitdagingen (L. Terman).

Dunning-Kruger: een zeer beperkte en inmiddels weerlegde studie die werd uitgevoerd op een studentengroep, wordt tot tegeltjeswijsheid gereduceerd
Het is ook niet zo (uitzonderingen daargelaten), dat hogerbegaafden aan hun eigen vermogens twijfelen. Een bekende mythe is dat intelligentie wordt bepaald door de mate waarin iemand aan zichzelf twijfelt. Deze mythe wordt ontleend aan de theorie van Dunning en Kruger. 

De psychologische paradox van Dunning-Kruger ("Onintelligente mensen overschatten hun eigen vaardigheden en intelligente mensen onderschatten zichzelf") is inmiddels verworpen als pseudowetenschap. Het Dunning-Krugereffect was getest op een kleine groep studenten en kon niet worden gerepliceerd. 

Het tegendeel bleek waar: de meeste mensen kunnen hun eigen capaciteiten accuraat inschatten en twijfel betekent niet dat iemand intelligent is. Twijfel is dus een vals-positieve graadmeter van begaafdheid, net als vertrouwen in het eigen kunnen een vals-negatieve graadmeter is van begaafdheid.

Valse bescheidenheid ("Ik ben onzeker over mijn eigen kunnen") wordt tegenwoordig gewaardeerd, omdat het een compensatie is voor eventuele bedreigingen. Bij voorgewende onzekerheid denken mensen dat iemand zich kwetsbaar durft op te stellen. In het algemeen zijn de clichés anno 2024 gericht op het reduceren van de mens tot een onzeker wezen: "Iedereen heeft wel dat kritische stemmetje in z'n achterhoofd", "We twijfelen allemaal aan onszelf", "Iedereen heeft moeite met presenteren in het openbaar", "Iedereen heeft last van stress", "We hebben allemaal last van een herfstdepressie". Een vriendin noemde het de Libellisering van de samenleving; clichés uit de zelfmanagement- en coachingwereld dringen door in het taalgebruik. Het gevolg is dat iedereen met een stabiel zelfbeeld, als arrogant wordt beschouwd. Je bent van de pot gerukt als je toegeeft niet aan jezelf te twijfelen!

Perceptie over begaafden: een barrière bij het krijgen van kansen 
Het probleem bij hoogbegaafdheid is níet dat hoogbegaafden niet met anderen kunnen omgaan.
De perceptie over hoogbegaafden is het probleem. Vaak krijgen zij van gemiddeld begaafde mensen niet eens een kans: de aannames zijn niet te bestrijden.

Het begint met "Wil je altijd het hoogst haalbare?" en "Raak je niet snel verveeld?", tot "Zijn we je dan binnen een jaar alweer kwijt?". Werkgevers kunnen denken dat een hoogbegaafde niet in de bedrijfscultuur past, onvolkomenheden op de werkvloer ontdekt en bekritiseert, met voorstellen tot vernieuwing komt en geen behoefte heeft aan chitchat met collega's. Werkgevers kunnen de aanname hebben, dat hoogbegaafden de status quo op de werkvloer bedreigen.

Het helpt niet dat sommige hoogbegaafden op sociale media vertellen dat ze ieder jaar een andere baan hebben, omdat ze overal op uitgekeken zijn. Daarmee maken ze het hun mede-hoogbegaafden erg moeilijk.

Zo maken ook hoogbegaafden die roepen dat ze voortdurend een innerlijke kritische stem hebben die ze tot perfectie drijft, dat ze zich onrecht énorm aantrekken (alsof het Weltschmerz is, of alsof hoogbegaafden allemaal een Robin Hood-syndroom hebben), dat ze niet van socialiseren houden, een prikkelarme werkomgeving willen en het liefst introspectieve activiteiten doen, het hun mede-hoogbegaafden ook onnodig moeilijk. Die kenmerken, faalangst, perfectionisme, sensitiviteit voor onrecht en introverte focus, zijn géén kenmerken van begaafdheid, maar persoonlijke kenmerken die bij ieder niveau voorkomen.

Het is beperkend als hoogbegaafden alleen maar op functies als solist, als zelfstandige, binnen branches als ICT of management binnen prikkelarme omgevingen zonder contactmogelijkheden met anderen zijn aangewezen. Als de fout wordt gemaakt om hoogbegaafden als mensen met introverte focus te zien, worden hoogbegaafden geïsoleerd terwijl ze vaak juist grote behoefte hebben aan prikkels, drukte, inspiratie, vrijheid, creativiteit en praten.

Een andere manier van denken
Wat ik merk, is dat mensen die gemiddeld of minder intelligent zijn, meestal in shortcuts en aannames denken, of in te simpele gevolgtrekkingen (overhaaste conclusies):

"Stel je voor..."
"Waar ben je bang voor (emotionaliseren)"
"Morgen kan alles anders zijn (magische factor)"
"Niet geschoten is altijd mis"
"Je kunt niet weten wat een ander denkt"
"Alles.....niets"


Niet-begaafde mensen hebben de neiging om altijd de magische factor te gebruiken ("Morgen is alles anders") en te handelen naar "Niet geschoten is altijd mis". Een begaafd iemand is sterk in anticiperen. Het is geen glazenbollenwerk om situaties ver van tevoren in te kunnen schatten; het is het vermogen om aanwijzingen op de juiste manier in te schatten. Een intelligent iemand weet de kans op slagen in te schatten door kansen en succesfactoren in een inschatting te betrekken.

Als er voorwaarden worden gesteld (bijvoorbeeld: je moet opleiding A hebben gevolgd, in stad B wonen en ervaring C hebben), dan is het illusoir om te denken dat de kans op succes groot is als je niet aan deze voorwaarden voldoet. Met lef kom je er niet als de voorwaarden heel strikt worden gesteld. Je kunt solliciteren tot je een ons weegt, tegen de voorwaarden in op een woning bieden of een financiering aanvragen zonder succes, omdat "Niet geschoten.." helemaal geen geldingskracht heeft in de sociaaleconomische toestand van het Nederland van de afgelopen 30 jaar.

Anticiperen wordt vooral door onintelligente mensen uitgelegd als angst. Waar hoogbegaafde mensen bepaalde risico's goed kunnen inschatten en hun gedrag daarop afstemmen, zeggen onintelligente mensen "Waar ben je bang voor?". Onintelligente mensen denken dat alles moet worden geëmotionaliseerd; hun dialogen gaan over "angst", "bang voor", "ruzie met", "conflict met", "durven". Het vocabulaire is gekleurd door emotionalisering van alledaagse situaties. 

De absolute stelligheid, in tegenstelling tot multidimensionaal denken, onderscheidt minder intelligente mensen van intelligentere mensen en hoogbegaafden. Als ik zelf bijvoorbeeld zeg dat ik niet iedereen wil en geen voldoening haal uit met iedereen omgaan, krijg ik te horen "Wil je dan niemand?", "Wil je met niemand omgaan?", of "Ben je zo veeleisend?". Het zijn shortcuts. Het hele brede palet van graag met iedereen omgaan of graag omgaan met de mensen die bij me passen, wordt gereduceerd tot "iedereen of niemand" en "alles of niets". Het is een simplistische manier van denken zonder nuance.

Hun beeld is burgerlijk. Zo snel mogelijk een relatie beginnen, een huis kopen en ieder jaar drie weken op zomervakantie, moeten werken voor de hypotheek, twee auto's moeten hebben en vrienden hebben die dezelfde gezinssamenstelling hebben, wordt als hoogste goed gezien. Als je niet in dat beeld past, ben je een buitenstaander. Ik vind die bekrompenheid en burgerlijkheid niet de moeite om na te streven. Het is mij om het even wat of je gebonden, ouder of vrijgezel bent. De positie binnen het gezien bepaalt niet iemands identiteit als persoon.

"Je kunt niet weten wat een ander denkt" getuigt ervan dat mensen de expressie, intonatie en intenties van anderen niet doorhebben en ook niet aanvoelen wat een ander eigenlijk bedoelt. Hoogbegaafden voelen juist wat anderen van plan zijn. Als de boodschap van wat iemand zegt niet klopt met zijn intenties, dan voelt een hoogbegaafde dat aan. Dat wordt wel als eng gezien, als "iemand doorhebben".

Ik heb in mijn vriendenkring alleen maar wetenschappers, schrijvers en kunstenaars, die hoger intelligent tot hoogbegaafd zijn. Wat ik merk, is dat hoogbegaafden heel anders denken. Niet alleen is het vanzelfsprekend om met elkaar snelle sprongen te kunnen nemen zonder alles uit te hoeven leggen, het is ook zo dat clichés écht niet worden gebruikt.

Ik vind het een verademing om met ze om te gaan. Ik hoef niet naar iemand te luisteren die er eindeloos over doet om iets uit te leggen, ik hoeft zelf niet alles uit te leggen, we kunnen daardoor heel veel onderwerpen bespreken. Qua sociaal aspect is het prettig om mensen te hebben die weten hoe de wereld om zich heen werkt. Om mensen te hebben die óók doorhebben wat de intenties van anderen zijn. Bovenal is het contact druk en optimistisch. Dat is waar ik behoefte aan heb, niet aan mensen die mopperen over burgerlijke problemen. 




zondag 3 maart 2024

Eenzaamheid is anders dan depressie of niet sociaal zijn (ik ben juist actief, vrolijk en heb altijd aanspraak, maar dat betekent niet dat ik gelijkwaardige contacten heb in mijn omgeving)

Als ik zeg dat ik eenzaam ben, krijg ik altijd te horen:
'Jij?!!'
'En je bent altijd vrolijk'
zelfs 'Jij kunt toch iedereen krijgen, jij hoeft toch nooit alleen te zijn?!'

Mensen missen de essentie. Ik heb het onderwerp eens voorgelegd aan een psycholoog, die begon over negatieve gedachten die tot eenzaamheid leiden en sociale terughoudendheid. Ik herkende me daar niet in: ik ben niet bepaald teruggetrokken. Ik ben nog nooit bang geweest dat iemand een oordeel over me heeft en ik heb niet die innerlijke criticus die me weerhoudt om met mensen te praten of (praktisch) presentaties te geven.

Eenzaamheid door écht alleen-zijn (situationele eenzaamheid) is iets anders dan een depressie. Ik heb geen negatieve connotatie met alleen-zijn; ik heb er geen plezier in om alleen te zijn. Dat betekent niet dat ik mijn eigen gezelschap niet kan waarderen. Ik ben gemaakt voor gezelschap. Ik merk het als ik van een evenement/bijeenkomst kom of de hele avond met iemand heb zitten praten; ik geniet er niet van om alleen te zijn. Ik ben ook niet gemaakt om introspectieve activiteiten te doen, zoals lezen of series kijken.

Achtergrond: begaafheid en eenzaamheid. Ik wil niet anders zijn, ik wil meer gelijkgestemden, maar ook een diversiteit aan mensen om me heen. Ik leef voor gezelschap!

Een vast thema in mijn berichtgeving is eenzaamheid in relatie tot begaafdheid. Anders dan de mythe wil, is hoogbegaafdheid niet beperkt tot cognitieve "prestaties". Hogerbegaafden scheppen niet op over hun staat van zijn, maar geven aan dat zij het leven anders beleven dan niet-hoogbegaafden, simpelweg omdat de hersenen heel efficiënt werken.

Het predikaat-hoogbegaafheid heeft niets te maken met "zich hoger wanen", maar met de manier waarop informatie wordt verwerkt en vaardigheden worden toegepast. Er zijn meerdere dimensies. Probleemoplossend vermogen, snel schakelen, snelle lichaamsbeweging, veel levensenergie en een groot referentiegeheugen zijn enkele kenmerken van hoogbegaafdheid. Het betekent niet dat een hoogbegaafde altijd behoefte heeft aan contact met mede-hoogbegaafden. Voor een sociaal begaafd persoon is contact met andere empathische mensen betekenisvol, ongeacht de cognitieve prestaties van de ander.

Voor mij is contact met intelligente, invoelende mensen belangrijk, omdat ik niet op de rem hoef. Ik zou er niet tegen kunnen om bij alles 10 stappen terug te moeten nemen en niet mijn drukke, beweeglijke, invoelende aard te mogen laten zien.

Ik heb helaas vanaf mijn 2e levensjaar te maken met hardnekkige stigma's rond hoogbegaafdheid. Met 5 maanden begon ik te praten, met 10 maanden had ik een uitgebreider vocabulaire, op mijn derde kon ik lezen, schrijven, rekenen en Engels begrijpen. Ik ben ik staat om me meerdere vakgebieden eigen te maken en bijna alles te begrijpen. Omdat ik een groot vocabulaire heb en snel schakel, denken mensen dat ik heel erg belezen ben. Dat ben ik niet. Ik heb andere dimensies. Ik beschik over een grote interne muzikale encyclopedie, een gedeeltelijk fotografisch geheugen, ik ben goed in ritme, motoriek, kluswerk en dansen (kinesthetische begaafdheid).

Mijn ervaring is dat anderen al snel vermoeden dat ik hoogbegaafd ben, omdat ik abstract denk en een rijk vocabulaire heb. In sommige situaties waarin het een beperking kan opleveren (zoals net beginnen in een nieuwe functie) heb ik geprobeerd dat te verbergen. Ik heb werkelijk nog nooit met iemand buiten mijn  vriendenkring over begaafdheid gesproken en tóch komt in verschillende dagelijkse situaties al snel het oordeel: "Jij zult je snel gaan vervelen". Dat werkt heel beperkend.

Het gaat niet over cognitie, maar over sociaal-emotionele begaafdheid: ik voel intenties en emoties van anderen aan

Mijn meest typerende gave is het aanvoelen van intenties en emoties van andere mensen. Binnen een seconde kan ik me een accuraat beeld vormen en weet ik welke persoonlijke ervaringen, schuldgevoelens en dilemma's iemand heeft zonder dit kenbaar te maken (emotionele begaafdheid). Vanaf jonge leeftijd begrijp ik het functioneren van de mens en alle moeilijkheden die mensen in hun leven tegenkomen. Ik kon als kind als een volwassene praten. Niet als "kleine professor"/pedant, maar als iemand die de menselijke emoties en intenties feilloos aanvoelde en kon verwoorden.

Mijn andere gave is een grote veerkracht. Ik heb geen goed leven. Ik ben iemand die er zonder familie voor staat, die geen naasten meer heeft. Ik heb geen perspectief. Ik word alleen wakker, ga alleen naar bed, ik leef alleen maar voor mezelf. Mijn vrienden wonen ver weg. De afstand afleggen vind ik niet erg, ik ben nu 2,5 uur onderweg om bij vrienden te komen, maar als er iets dringends is, is die afstand wel een hindernis. Bellen is fijn, maar kan nooit persoonlijk contact en aanraking vervangen.

Voor en na de dood van mijn moeder (vorig jaar), stond ik er totaal alleen voor. Mijn moeder heeft 5 keer kanker gehad. Wij zijn samen onder de armoedegrens gestort. Ik heb de lelijkste kanten van de mens (de tegenwerking en de totale onverschilligheid, zelfs toen ik 8 was werden mijn moeder en ik in de steek gelaten door de vele "vrienden" die zich opeens niet meer lieten zien) en de gezondheidszorg doorstaan. Net als mijn moeder, ben ik nooit pessimistisch, somber, triest of teruggetrokken geraakt. Het is géén verdienste. Het is niet zo dat stand houden na intense tegenslagen in het leven, komt door een positieve mindset. Het geloof in een "mindset" impliceert dat mensen die de pech hebben om depressief te worden, niet genoeg hebben gedaan om positief te blijven.

Mijn moeder en ik hebben nooit psychisch te lijden gehad, omdat we genetisch iets hebben waardoor we altijd vrolijk en optimistisch zijn gebleven. Er is niet iets wat ik "doe of denk" om niet ten onder te gaan aan wat allemaal is gebeurd en aan het gebrek aan gelijkwaardige, warme contacten die ik in persoon kan bereiken. Genetisch niet te lijden hebben onder stress en/of psychische klachten is geen verdienste; ik zeg dit omdat het veel knapper is als mensen wél psychische klachten hebben, maar hier zelf mee om weten te gaan. Dat vraagt veel meer veerkracht. Ik spreek soms mensen die aanleg hebben voor depressiviteit en zij moeten zichzelf altijd motiveren om uit een depressie te blijven. Dat is "knap", omdat ze hun eigen gevoelens onderkennen en zo sterk zijn om motivatie te vinden.

Eenzaam zijn, als iemand die makkelijk contact maakt en graag praat met mensen: geen paradox, maar een kwestie van ongelukkige situationele factoren
Ik maak snel contact met mensen en kan ook contact onderhouden, daar ligt het niet aan. Ik ben eenzaam, maar heb géén last van verlegenheid, zelfdeprecatie, moeite met benaderen, ik heb van nature geen "introverte focus", maar ben juist op de buitenwereld gericht. Ik krijg geen zelfhaat door eenzaamheid. Ik ben bepaald geen piekeraar. Die mythes over eenzaamheid (en begaafdheid) gelden niet voor mij.

Sommigen denken in paradoxen. Daardoor denken ze dat makkelijk contact maken én eenzaam zijn, tegenstrijdigheden zijn. Dat is niet het geval; wederkerigheid is voor mij het sleutelwoord. Ik heb behoefte aan gelijkwaardig, wederkerig contact, zonder dat mensen het als een plicht zien. Als ik op pad ga om een vriend(in) te helpen, is dat niet uit plichtsbesef, maar omdat ik graag bij diegene ben.

Ik voel me direct thuis bij mensen die net als ik snel kunnen schakelen, drukke praters zijn en vol zitten met plannen. Dat komt door de herkenning. Ik heb geen behoefte aan hoogdravend contact, maar dat is ook niet de essentie van begaafdheid. Voor mij is contact gewenst met mensen die graag dóen, maar ook over hun ideeën en over het leven kunnen praten.

Iets specifieker: ik merk dat ik mensen bijna altijd aanvoel. Ik voel hun intenties, ik voel zelfs de gevoelens die zij hebben over een bepaalde gebeurtenis. Veel mensen met wie ik te maken heb gehad in het onderwijs, werk en alledaagse situaties, begrijpen dat niet. Of ze vinden het "eng".

Ik heb een paar keer gehad dat iemand dacht dat ik gedachten kon lezen. Zo is het niet. Ik heb wél vanaf mijn geboorte de eigenschap om intenties van anderen door te hebben. Mensen zeggen graag "Je kunt niet weten wat een ander denkt", maar mensen kunnen intenties niet verbergen.

Mijn moeder vertelde me dat ze wist waardoor ik eenzaam was. Ik kon me dat niet voorstellen, maar eigenlijk is het logisch. Ik heb er inderdaad vaak mee te maken dat mensen bang zijn dat ik alles door heb. Niemand heeft mij ooit iets wijs kunnen maken.

Dat probleem is er voor mij niet als ik met oprechte mensen te maken heb. Die ontmoet ik soms. Dat zijn de mensen die ook interesse in hebben hoe het leven in elkaar zit en wat andere mensen beweegt. Recentelijk heb ik nog een hele avond met iemand zitten praten. Dan voel ik me thuis en absoluut niet eenzaam. Het vraagt wel wat van de ander, die moet zich ook open kunnen stellen. Die verfijning, niet alles over jezelf over een ander uitstorten, maar wel persoonlijk kunnen zijn, is wat vorm geeft aan vriendschappen en relaties.

Toxische positiviteit: "Alleen zijn leert je om je eigen gezelschap te waarderen". Hoe eenzaamheid wordt verheerlijkt en men daarmee de menselijke dynamiek miskent
Op dit moment is het op sociale media de tendens om eenzaamheid te verheerlijken en met eufemismen te omkleden. Populair zijn psychologie-van-de-koude-grond clichés als
"Leer je eigen beste vriend te zijn"
"Als je eenzaam bent als je alleen bent, ben je in slecht gezelschap"
"Alleen zijn is vreedzaam".

Langdurig solitair leven zou géweldig zijn voor de zelfontwikkeling, "alleen zijn is zo fijn, want je hoeft niet aan iemands verwachtingen te voldoen" en "Je leert je eigen gezelschap waarderen als je lang alleen bent". Zulke toxische positiviteit miskent het dynamische ontwerp van veel mensen: vriendschappen en nauwe sociale banden zijn belangrijk voor zelfontwikkeling.

Mensen ontwikkelen zich niet geïsoleerd, maar ze zijn gemaakt om in een netwerk van sociale contacten te leven.

Mensen die zeggen dat het heerlijk is om alleen te zijn, halen vaak aan dat ze teleurstellingen hebben moeten incasseren. Hoewel ik door bijna iedereen in de steek ben gelaten, zelfs op de ergste momenten in mijn leven niemand heb gehad die thuis gaf en nare ervaringen met buren heb gehad (waaronder een terreurbuur), heb ik nooit gedacht "Je kunt niemand vertrouwen".

Ik heb altijd opengestaan voor nieuwe contacten en zoek bevriende buren en kennissen ook op. Ik heb van nature niet de instelling dat iedereen teleurstellend is. Trouwens, als iedereen slecht zou zijn, dan zou ik mezelf ook slecht moeten vinden, terwijl ik nog nooit iemand heb laten barsten.

Dat cliché "Niemand is te vertrouwen, ze laten je toch barsten dus kun je beter alleen zijn", is een valse dichotomie. Natúúrlijk zit niemand te wachten op schijnvrienden en mensen die je in de steek laten. Natuurlijk kun je dan beter alleen zijn. Dat neemt niet weg dat de meeste mensen van nature behoefte hebben aan waardevolle contacten. Omgaan met eenzaamheid is slechts coping, maar niet hetzelfde als gelukkig zijn.

Bovendien halen mensen die van nature op de buitenwereld zijn gefocust (in tegenstelling tot introspectief gefocuste mensen), geen voldoening uit een solitair bestaan. Ik ben zo iemand. Ik ben ongeïnspireerd en ongelukkig als ik alleen moet zijn. Dat betekent niet dat ik "gemotiveerd moet worden" of "per se iemand nodig heb", maar dat ik er niet voor gemaakt ben om zonder gezelligheid te moeten leven. Het helpt niet dat ik veel kennissen heb die het heerlijk vinden om alleen te zijn.

Waarom kies ik ervoor om over eenzaamheid te praten?

Ik ben de aangewezen persoon om over "onaangename" onderwerpen te praten. Ik heb geen zelfmedelijden en ik heb het moeilijkste wat mensen mee kunnen maken allemaal zelf moeten verwerken omdat ik geen naasten heb (ik ben geen Nederlander en heb na het verlies van mijn moeder geen familie meer omdat ik niet waar in Azië en Oost-Europa ze wonen). Ik heb ook geen moeite om de juiste woorden voor iets te vinden; ik schrijf zoals ik praat, dus ik vertel dit ook gerust in persoon aan mensen die ervoor openstaan.

Ik ben vocaal over moeilijke onderwerpen en het onaangename. Het is niets voor mij om het voor mezelf te houden. Juist omdat ik geen kwetsbaar karakter heb, past het echt bij mij om me uit te spreken. Ziekten, dood, eenzaamheid en ongelukkigheid moeten geen taboes zijn!

Bovendien zie ik heel helder in waarom jongeren niet over eenzaamheid praten. Het komt door de vervelende tendens van mensen om het onaangename met toxische positiviteit af te dekken, door de "schuld" bij de persoon zelf neer te leggen en stigma, dat "iets mis moet zijn" met degene die onder eenzaamheid lijdt.

De oplossing ligt bij eenzaamheid niet voor de hand. Het heeft niets te maken met geen toenadering tot anderen zoeken, maar het vinden van potentieel betekenisvol contact. Een veelgemaakte fout is het cliché "Als je eenzaam bent, moet je veel mensen ontmoeten". De kwantiteit van veel mensen ontmoeten maakt dat het filter voor het vinden van gelijkwaardig contact, juist té a-select is.

Ik houd ervan om mensen te ontmoeten en heb altijd aanspraak. Dat is niet hetzelfde als in de eigen omgeving veel mensen hebben om mee om te gaan!
Ik houd juist heel erg van mensen ontmoeten, evenementen, feesten, praten met mensen die ik tegenkom, onderweg, in het ov. Ik heb aanspraak. Op bijeenkomsten word ik altijd benaderd. Ik ben van nature een prater. Nog nooit heb ik om woorden verlegen gezeten, dus ik voel geen terughoudendheid als ik mensen ga ontmoeten.

Ik merk dat ik gedurende mijn schooltijd vaak geen aanspraak had onder mijn leeftijdsgenoten, omdat ze me geestelijk rijper vonden. Ze dachten dat ik op jonge leeftijd al op mezelf woonde en alles zelf kon bestieren. Ze dachten ook dat alles me makkelijk af ging en dat we daarom weinig aanknopingspunten zouden hebben. 

Ik heb geen last van het "buitenstaander"-syndroom, ik heb simpelweg nooit iets gehad met cliques
Maar misschien is het ook iets cultureels en stedelijks: Nederlandse, stadse ouders benadrukten dat iedereen pas "normaal" was als ze net als zij dachten, op dezelfde manier hun vakanties doorbrachten, hetzelfde aten en hun sociale leven in groepjes zonder buitenstaanders hadden. Naar anderen toe was de mentaliteit "Jij hoort er niet bij, het is ieder voor zich als jij niet in ons groepje zit". Ik kon het goed vinden met expats. De weinige schoolvriendinnen die ik had, kwamen uit Portugal en Iran. Ik heb ze maar kort meegemaakt, omdat ze weer terug zijn gegaan met hun ouders.

In de ICT was ik nooit eenzaam. Ik had binnen de kortste tijd een groep goede vrienden. We waren altijd samen. Onder mannen was wel groepsvorming, maar ik had daar geen last van. Ik werd pas eenzaam toen ik in een door vrouwen gedomineerde wereld (het recht) stapte. Vrouwen kunnen mij als rivaal zien, omdat ze merken dat veel mensen mij al snel mogen. Hoewel uiterlijk een rol speelt bij rivaliteit, heb ik het meest met afgunst van vrouwelijke leeftijdsgenoten te maken gehad omdat ze mij te intelligent of te "charismatisch" vonden. Je hoeft niet mooi te zijn om charismatisch over te komen; ik hoor dat mensen mij authentiek vinden en dat dát mijn beste en lelijkste levenservaringen oproept.

Zelfs universitair studenten waren onderdeel van cliques. Ik hoorde niet bij een clique. Tijdens practica of Masterclasses viel me iedere keer op dat ik goed kon opschieten met studenten die binnen de reguliere colleges altijd in hun clique zaten. Ik leerde medestudenten pas echt kennen, als mens, als eigen persoonlijkheid, als ze niet in hun vaste groep zaten. Vanaf de basisschool werd het vormen van cliques hier al gevoed; we moesten groepen samenstellen om 3 jaar mee door te brengen. Ik had geen enkele groep waar ik het echt mee kon vinden. 

Ik heb vrienden, maar niet in mijn eigen omgeving
Wat maakt het moeilijk om vrienden te vinden? Ik heb ze wel gevonden, maar de afstand is groot. In mijn eigen omgeving heb ik ze niet. Ik kan het wel snel met mensen vinden, dat is niet het probleem, maar situationeel gezien heb ik hier in mijn omgeving weinig tot geen mensen die even bij me binnenlopen (zoals ik ben opgevoed: openheid en gezelligheid). De culturele interesses zijn hier ook 0,0. Ik houd van dansen (Paso, tango, samba, buikdansen, dat doe ik zelf allemaal), praten, eten, muziek. 

Het zijn allemaal duidelijk uitingsvormen die me altijd hebben getrokken. Ik heb een intrinsieke drive tot expressie, niet tot thuis op de bank achter de tv zitten, feiten vergaren of verzamelen en al helemaal niet tot passief neerploffen en snoepen. Ik zou het liefst de hele avond met iemand buiten zitten en kletsen, of naar een evenement gaan, maar alleen vind ik er niets aan.

Ik ben niet depressief, maar mis in mijn omgeving de mogelijkheden om iets te doen met wat ik kan en wat mij allemaal interesseert. Dat gemis, naast het missen van mijn familie, van mijn naaste, is wat een stempel op mijn bestaan drukt. Het is alsof ik steeds in een kooi word geduwd terwijl ik een grote hang naar openheid en vrijheid heb. 

Eenzaamheid vind ik zonde. 

 








maandag 24 april 2023

Mythes over hoogbegaafdheid en hyperintelligentie [+ waarom hoogbegaafdheid totaal geen parallellen heeft met neurodiversiteit, zoals ASS en PDD]

 Nog altijd gaan mensen de fout in door hoogbegaafden en hyperintelligenten te typeren als "Perfectionistische mensen die hun eigen grootste vijand/criticus zijn". Als het over arbeid en het sollicitatieproces gaat, typeren mensen hoogintelligenten als "Mensen die zichzelf niet weten te verkopen", of "Mensen die niet uit weten te leggen wat hun kwaliteiten zijn".

Dat komt van mensen die intelligentie niet goed hebben begrepen. Natuurlijk zal er een groep bovenmatig kritische hoogbegaafden individuen zijn die zichzelf te laag inschat. Natuurlijk zullen er hoogbegaafden zijn die in sollicitatiegesprekken onhandig overkomen. Bovendien zijn sommige vragen voor meerdere uitleg vatbaar en hebben intelligente mensen meerdere expertises, wat door minder intelligente mensen niet op waarde wordt geschat, laat staan begrepen. Het kan ook zijn dat iemand zich, ongeacht het intelligentieniveau, niet zo "aantrekkelijk" weet te presenteren. De leus "Je moet jezelf verkopen" is bovendien nonsens die helemaal niet goed toepasbaar is in de meeste sectoren. 

Helaas werkt het zo dat mensen clichés gaan geloven. Door het bijna onuitroeibare geloof in clichés, worden mensen die als hoogbegaafd of hyperintelligent worden ingeschat door anderen, ook benadeeld door de toepassing van stereotyperingen:

"Je zit veel te vaak in je hoofd";
"Je bent vast alleen maar theoretisch ingesteld";
"Je denkt waarschijnlijk meer met je verstand dan met je gevoel";
"Je zult wel een bolleboos zijn en van blokken houden";
"Mensen die intelligent zijn, zijn snel verveeld";

"Hoogbegaafden zijn zo kritisch, dat ze hun eigen grootste vijand zijn";
"Hoogbegaafden vallen uit omdat ze ongemotiveerd zijn. Daardoor zakken echt intelligente personen meestal voor hun opleiding";
"Als hoogbegaafden op de universiteit komen, vallen ze uit, omdat ze niet gewend zijn om te moeten leren";
"Hyperintelligente mensen haten small talk"

Deze clichés zijn het gevolg van psychologie van de koude grond. Mensen hebben ooit bedacht dat er een onderscheid zou kunnen worden gemaakt tussen denken en voelen. In werkelijkheid is het proces van denken en voelen altijd een fijn gecoördineerd proces. Je kunt niet "in je hoofd zitten" en "niet in je hoofd zitten". Door pseudowetenschap is het beeld ontstaan dat mensen zichzelf los kunnen koppelen van wat er in hun hersenen omgaat, maar een dergelijk proces bestaat niet.

Als intelligentie gepaard gaat met een behoefte aan ontdekken en verschillende interesses, dan houdt dat niet in dat hyperintelligente mensen er per definitie behoefte aan hebben om in de boeken te zitten. Dat is een stoffig stereotype. Hyperintelligente mensen kunnen juist de neiging hebben om ideeën met anderen te bespreken.

Bij hoge begaafdheid komt vaker een actief levenspatroon voor, dit gaat gepaard met activiteitendrang en waardering voor het uitwisselen van ervaringen. Small talk wordt niet geschuwd, het verschil is dat bij zeer intelligente mensen de interesse er niet is om voortdurend over het weer te klagen, roddels uit  te wisselen en over entertainment te praten. 

Het is waar dat hyperintelligente mensen en hoogbegaafden snel verveeld kunnen zijn, maar de lijn wordt zo doorgetrokken, dat de indruk wordt gewekt dat werkelijk iedere werkzaamheid of activiteit als vervelend wordt ervaren. Tegen dit vooroordeel kan niet worden opgebokst. Recruiters en mensen die de sollicitaties beoordelen zijn op voorhand zó overtuigd dat een intelligent persoon zich zal gaan vervelen, dat er geen kansen worden geboden. Dat een functie kan worden gezien als een mogelijkheid om door te stromen of er expertise bij te krijgen, wordt miskend door sollicitatiecommissies, die het liever zo veilig mogelijk spelen door een kandidaat aan te nemen die zij als minder intelligent inschatten. 

De ongemotiveerdheid van hyperintelligente en hoogbegaafde mensen in het onderwijs heeft zeker een kern van waarheid, ware het niet dat de gevolgtrekking niet juist is: "Hoogbegaafde mensen zakken meestal voor hun opleiding" en "Hoogbegaafde mensen vallen uit op de universiteit, omdat ze ineens moeten leren". Het kan zijn dat sommige hyperintelligente mensen uitvallen wegens gebrek aan motivatie, als ze echt weigeren om nog iets te doen. Toch is het zo dat het halen van de vakken en het slagen voor de opleiding niet veel moeite kost. 

Ik kan mezelf als voorbeeld nemen. Ik ben met weinig motivatie op het voortgezet onderwijs begonnen. Als sinds mijn vierde kreeg ik van de school te horen dat ik hoogbegaafd was. Ik werd aangemeld bij Pharos, Stichting IQ+, die de school adviseerde dat mij moeilijker onderwijs moest worden geboden. De school zegde dat toe, maar heeft het nooit in praktijk gebracht. Na jaren van gebrek aan motivatie en weerzin tegen het onderwijs, heb ik letterlijk niets meer gedaan vanaf mijn 10e. Zo werd ik na het maken van de Cito-toets op vmbo-niveau ingeschat.

Op het voortgezet onderwijs was ik niet bijzonder gemotiveerd, maar ik had grote interesse in vakken als natuurkunde en biologie. Bij kunst (en kunstgeschiedenis) was ik blij dat ik de ruimte kreeg om mijn eigen opdrachten uit te voeren. Ik haalde ik alleen maar negens voor alle vakken, met een paar afgeronde tienen. Ik heb het geluk gehad dat ik docenten heb gehad die de "gok" aandurfden om mij te bevorderen. Ik heb de boeken van 2 tot en met 6 Vwo aan moeten schaffen en heb mezelf in 10 maanden alles bijgebracht. Ik heb zelfs nog anderhalve maand vertraging opgelopen omdat ik een zware operatie moest ondergaan. De school wilde er geen druk achter zetten. Mijn mentor zei nog "Het is niet erg als je een paar vakken over moet doen". Ik heb alles in die 10 maanden gehaald.

Ik herken me niet in het beeld dat de universiteit vies tegenvalt, omdat intelligente mensen voor het eerst "moeten leren leren". Voor mij is dat een vreemde voorstelling van zaken. Ik heb ook op de universiteit weinig moeite hoeven doen om de vakken te halen. Natuurlijk moest ik naar de hoorcolleges en werkgroepen met aanwezigheidsplicht (een fenomeen van het kinderlijke "Probleemgestuurd Leren" op bijna alle Nederlandse universiteiten). Bij die verplichte hoorcolleges verveelde ik me stierlijk doordat de meeste professoren oude PowerPoints voorlazen, teksten uit het boek oplepelden, niet voor interactie zorgden en al helemaal niet in onderwijsontwikkeling investeerden. Alleen bij neuroscience heb ik een leuke tijd gehad. Dat was wel echt een interessante studie met een professor met jarenlange ervaring in het vak, afwisseling van hoorcolleges met practica en een schat aan praktijkvoorbeelden. 

Ik deed op de universiteit niet aan leren. Blokken/repeteren of nachtenlang lezen heeft helemaal geen zin. Ik las mijn boeken onderweg in de trein en plakte stickers bij wat ik relevant vond. Dat was voor mij genoeg. Af en toe schreef ik relevante stukken op losse blaadjes, iets waar mijn studiegenoten zich over verbaasden. Ik werd gekscherend "Die met die blaadjes" genoemd.

Dat ik mezelf ertoe zou hebben moeten aanzetten om te leren, is totaal niet het geval. De overgang van Atheneum naar de universiteit is voor mij dan ook vlekkeloos verlopen. Dat ik mijn belangrijkste studie niet als uitdagend heb ervaren door het gebrek aan inspiratie vanuit de organisatie, is een ander verhaal.

Dat "intelligente mensen moeten leren leren" miskent dat hoogbegaafde en hyperintelligente mensen vaak weinig moeite hoeven te doen om iets nieuws onder de knie te krijgen. Dat kan op andere manieren dan hoe de meeste mensen zich dat voorstellen: niet door te zitten en de lessen aan te horen, maar door zelf te proberen, of erover te schrijven of te tekenen. Het heeft veel meer te maken met de wijze van internalisering, dan met dat zogenaamde "leren leren". 

Hoogbegaafdheid is géén neurodiversiteit. De verschillen met bijvoorbeeld ASS (autisme) zijn duidelijk
Jeugdpsychologen hebben de neiging om hoogbegaafdheid verkeerd in te schatten of te problematiseren. Van alles wordt geopperd als leerlingen vastlopen in het schoolsysteem door intense verveling en conflicten die worden veroorzaakt door docenten die alles als "laks" of "onwelwillendheid" bestempelen.

Een heel foute aanname van psychologen die niet geschikt zijn voor de materie, is dat hoogbegaafdheid en autisme spectrum stoornissen (PDD-NOS, klassiek autisme, Asperger) overeenkomsten vertonen. Er bestaat niet zoiets als "een beetje autistisch zijn", dus een hoogbegaafde heeft óf een ASS, of niet. ASS mag dan wel een spectrum zijn, er zijn enkele grote overeenkomsten tussen mensen die zich binnen dit spectrum bevinden die een uitsluitend-HB'er niet heeft. Dat is van wezenlijk belang voor het duiden van het functioneren en het plaatsen van een HB'er in een (gespreks)groep met gelijkgestemden.

Het is geen waardeoordeel van mijn kant. Mensen met autisme die ik heb gesproken vinden het kwetsend als anderen autisme bagatelliseren door te stellen dat iedereen "een beetje autistische trekjes" heeft. Hoewel ik niet wil en kan generaliseren, weet ik van een jongvolwassen man uit mijn omgeving (dit is anekdotisch bewijs) dat PDD-NOS het erg moeilijk kan maken om met onverwachte gebeurtenissen, maar ook met slechte intenties van anderen om te gaan. Ook zijn er normaal- tot hoogintelligente ASS'ers die heel specifieke fobieën hebben die het dagelijks leven beperken.

Ik heb op de universiteit een extreem intelligente supervisor, enkele werkgroepdocenten en medestudenten gehad met ASS (wederom anekdotisch bewijs) en voor mij was het moeizaam om met eerstgenoemde om te gaan, omdat hij niet flexibel kon communiceren en beeldspraak letterlijk opvatte. Hij heeft bij een onverwachte situatie staan fladderen en stampen omdat hij last kreeg van overprikkeling. Ik moest mijn vragen gaan nummeren en hij vond het onduidelijk als er in een vraag voorwaarden werden gesteld ("of", "of"). Ik wist hoe ik rekening met hem kon houden, maar het was geen flexibiliteit en wederkerigheid. Dat was voor mij tekenend voor het verschil tussen HB zónder en HB mét ASS.

Weliswaar zijn er autistische mensen met hoogbegaafdheid, maar de verschillen tussen HB zonder autisme en ASS zijn behoorlijk duidelijk.

Rekening houdend met de sensitiviteit van het onderwerp "neurodivergentie" en zonder te ontkomen aan enige generalisering: autisme en andere vormen van neurodiversiteit hebben typische kenmerken die juíst niet voorkomen bij hoogbegaafdheid:

- Moeite met sociale cues en het op waarde schatten van andermans intenties;
- Een soort "naïviteit" die niet bij de intelligentie van de persoon past;
- Weinig variatie in intonatie en mimiek;
- Moeite met double entendres en beeldspraak;
- Grote moeite met sarcasme: ook als mensen met autisme zichzelf vaardig vinden in het "lezen" van sarcasme, kunnen zij grappen heel letterlijk uitleggen;
- De "professor" zijn op het gebied van beperkte onderwerpen met een sterke focus;
- Moeite met subtiele communicatie;
- Moeite met flexibiliteit, bijvoorbeeld schakelen tussen activiteiten, maar vasthouden aan plichten, plechtigheid en planmatigheid. De spontaniteit kan ontbreken;
- Vasthouden aan patronen of rituelen;
- Onbewust onconventionele of excentrieke gewoonten hebben of onconventioneel handelen (anderen kunnen denken dat iemand graag botte opmerkingen maakt of lak heeft aan de sociale normen). Dit is totaal anders dan bewuste non-conformiteit.

Zo heeft een hoogbegaafde géén problemen met prikkelverwerking, het aanvoelen van intenties, het "lezen" en juist interpreteren van lichaamstaal en intonatie, het begrijpen van beeldspraak, het gebruik van intonatie, het afwisselen van interesses en het verleggen van de focus. HB'ers kennen geen rituelen die nodig zijn om het leven behapbaar te maken.

Ik neem mezelf als voorbeeld. Ik heb als kind ADHD- en autismetests af moeten leggen bij een speltherapeut en de aan hem verbonden psychologe. Omdat ik de speltherapeut niet mocht en hem in mijn ogen als een stokoude man zag waar ik geen binding mee kreeg, weigerde ik spelletjes bij hem te doen. Hij bleek om die reden te hebben gerapporteerd dat ik zwaar was mishandeld en zo gehandicapt was, dat ik nooit voor mezelf zou kunnen zorgen. Hij heeft ook ernstig gefraudeerd en zijn wijze van rapporteren had met die fraudezaak te maken. CZ heeft geen onderzoek meer ingesteld, omdat de zaak na mijn 18e pas aan het licht kwam. Het gevolg was wel dat ik door de onzinvragenlijsten en - onderzoeken ben geleid. Het is een verdienmodel, die psychologie.

Ik scoorde extreem laag op de autismetests, 4 punten op een schaal van 60. De meeste mensen zitten tussen de 10 en de 20. Ik kreeg sociale situaties voorgelegd, mijn ouders werden "geïnterviewd" om een compleet beeld te krijgen en ik moest vragen beantwoorden over focus en prikkelverwerking. Deze vragenlijsten zijn ongeveer rond mijn 16e nog een keer voorgelegd, in de versie voor adolescenten. Wederom kwam eruit dat ik géén overeenkomsten heb met ASS. Hoogbegaafdheid was wel geopperd, maar er was geen psycholoog gespecialiseerd in HB.

Wat maakte zo evident dat ik als HB'er géén ASS-overeenkomsten heb?

- Ik ben gericht op het lezen van ogen, mimiek en houding. Wat mijn hoogbegaafdheid voor het eerst uitdrukte, was dat ik met 5 maanden begon te praten en sterk was in communicatie;

- Als kind was ik nooit "de kleine professor" die met formeel taalgebruik aan kwam, ik werd gezien als een volwassen gesprekspartner die alles begreep van het sociale leven en mensen goed aanvoelde;

- Mijn juiste inschatting van intenties van anderen is een aangeboren iets. Ik ken geen naïviteit. "Double entendres" zijn voor mij geen verwarrende stijlfiguren;

- Ik heb vele interesses, maar niet één interesse. Ik heb ook geen obsessie met één interesse en ben niet geneigd tot het verzamelen van feitelijke informatie;

- Ik heb geen moeite met schakelen. Ik heb geen sterke focus die me de omgeving en tijd doet vergeten. Ik plan ook nooit iets, omdat ik altijd alles heb onthouden en geen stappen hoef te nemen om iets uit te voeren;

- Doordat ik bijna nooit gelijkgestemden (andere hyperintelligente of HB-mensen) heb ontmoet, is de diepgang in mijn sociale contacten langdurig onvolwaardig geweest. Dat is iets anders dan sociale cues niet aanvoelen;

- Als ik een ander hyperintelligent iemand/een andere hoogbegaafde ontmoet, dan kunnen we écht uren kletsen alsof we elkaar altijd hebben gekend. De snelheid, de associaties, niet alles hoeven uitleggen, maakt dat het voelt alsof ik mijn familie heb gevonden;

- Ik geef niet om sociale conventies, maar dat is omdat ik zie waarom mensen vastzitten in hun patronen en de vanzelfsprekendheid daarvan niet zomaar aanneem. Dat is iets anders dan sociale conventies niet doorhebben;

- Ik voel het aan wanneer de gesprekspartner zich verveelt of iets niet begrijpt en heb niet de neiging om in een gesprek feiten op te sommen/een stortvloed aan informatie te geven;

- Onverwachte situaties en plotselinge sociale contacten zijn voor mij aangenaam, ik heb geen moeite met aanpassing aan het onverwachte;

- Ik ken geen fobieën en rituelen;

- Overprikkeling bestaat voor mij niet. Ik filter automatisch de prikkels die binnenkomen. Zo heb ik geen moeite met geluid, licht, smaak, tast of aanraking, ook niet als het onverwacht is;

- Ik ben niet verzonken in een innerlijke wereld. In mij gaan altijd ideeën rond, maar ik ben me volledig bewust van en gericht op mijn omgeving;

- Dat ik mensen in het openbaar niet meer aankijk, is een bewuste keuze. Ik word sinds mijn 8e (prepuberteit met volledige ontwikkeling) geseksualiseerd en sinds mijn 12e lastiggevallen door mannen. Ik word vanaf kinderleeftijd "geil koppie", "dikke tieten", "geil wijf" genoemd en belaagd door volwassen mannen, waaronder oudere mannen die me letterlijk vroegen om Lolita voor ze te spelen. Niet omdat ik er naïef uitzie, maar omdat ik Oost-Europees ben en daardoor als stereotype Russin/Oekraïense word gezien.

Ik heb geen zin om me nog vaker te moeten verdedigen omdat ik niet vogelvrij wens te worden verklaard door simpelweg de straat te betreden. Het is niet zo dat oogcontact voor mij prikkelend werkt. Integendeel. Ik houd heel erg van oogcontact met mensen die ik intuïtief vertrouw. Ook kijk ik graag naar ogen en mimiek.

Om een kort verhaal lang te maken: het is duidelijk dat ik als HB'er kan concluderen dat de grootste verschillen met neurodiversiteit zoals ASS zijn, dat ik geen moeite heb met focus verleggen/flexibiliteit, prikkels, onverwachte situaties, intenties, sociale cues en leven zonder planning.