Posts tonen met het label Wsnp. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Wsnp. Alle posts tonen

vrijdag 6 april 2018

Bescherming van meerderjarigen: curatele en bewind (II): onderbewindstelling van het vermogen van de meerderjarige

Overzicht
Deel I: curatele
1.    Bewind: gronden voor het bewind en bewind tegenover curatele;
1.1  Beheers- en beschikkingsbevoegdheid over privé- en gemeenschapsgoederen;
1.2  Verzoek tot onderbewindstelling van het vermogen;
1.3  Omvang van het bewind;
1.4  Benoeming van de bewindvoerder;
1.5  Verplichtingen van de bewindvoerder;
1.6  Publicatie in de openbare registers;
1.7  Bewind en rechtshandelingen gedurende het bewind;
1.8  Taken en bevoegdheden van de bewindvoerder;
1.9  Positie en bescherming wederpartij en aansprakelijkheid van de rechthebbende en de bewindvoerder;
1.10 Einde van de taak van de bewindvoerder en einde van het bewind

1. Bewind: gronden voor het bewind en bewind tegenover curatele
Een onderbewindstelling is mogelijk, indien een meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van (art. 1:431 lid 1 BW):
a. een lichamelijke of geestelijke stoornis;
b. verkwisting of het hebben van problematische schulden (vgl. art. 284 lid 1 Faillissementswet).

Verkwisting als grond voor curatele is thans verlaten en verplaatst naar de gronden voor onderbewindstelling van het vermogen. Waar de algemene publicatieregels voor het openbaar register over "verkwisting" spreken, gaat het dan ook alleen om de publicatie van gegevens over het bewind. 

Het bewind ziet, anders dan curatele, alleen op vermogensrechtelijke belangen. Voor het behartigen van zorgbelangen kan een mentor worden aangewezen (art. 1:450 BW); mentorschap en bewind sluiten elkaar niet uit, dit in tegenstelling tot curatele en bewind enerzijds en curatele en mentorschap anderzijds. Dat curatele zich uitstrekt over vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen en bewind beperkt blijft tot het vermogen, leidt tot een verschil in terminologie. De belanghebbende die onder curatele is gesteld, heeft voor het verrichten van rechtshandelingen in de regel toestemming nodig van de curator; de belanghebbende wiens vermogen onder bewind is gesteld, heeft medewerking nodig van de bewindvoerder. Bewind over een persoon bestaat niet, curatele heeft juist wel betrekking op de persoon van de betrokkene.

1.1 Beheers- en beschikkingsbevoegdheid over privé- en gemeenschapsgoederen
De kantonrechter kan bewind instellen over één of meer goederen die de betrokkene als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren (toekomstige vorderingen en verkrijgingen). Onder de aan de meerderjarige toebehorende goederen zijn begrepen de goederen die behoren tot de huwelijksgemeenschap of gemeenschap van geregistreerd partnerschap en die niet uitsluitend onder het bestuur van de echtgenoot of geregistreerd partner staan. In de gemeenschap van goederen vallen  de goederen die op grond van art. 1:90, 91 en 97 BW:
a. onder het bestuur van de rechthebbende staan;
b. onder cumulatief bestuur van de rechthebbende en zijn echtgenoot/geregistreerd partner staan (rechthebbende of echtgenoot);
c. die onder het bestuur van de rechthebbende en zijn echtgenoot/geregistreerd partner gezamenlijk (rechthebbende en echtgenoot) staan.

Tijdens het bewind komt het beheer over de goederen niet toe aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder (art. 1:438 lid 1 BW). De rechthebbende kan slechts met medewerking van de bewindvoerder over de onder het bewind staande goederen beschikken (art. 1:438 lid 2 BW).
Ten aanzien van de gemeenschapsgoederen die onder het bewind staan:
1. treedt de bewindvoerder alleen in de beheersbevoegdheid;
2. treedt de rechthebbende gezamenlijk met de bewindvoerder in de beschikkingsbevoegdheid.

Deze bepaling betekent voor de hierboven onder a-c genoemde vermogensbestanddelen van de gemeenschap dat:
a. ten aanzien van goederen die onder het bestuur van de rechthebbende staan, alleen de bewindvoerder bevoegd is tot het beheer en de rechthebbende en bewindvoerder gezamenlijk beschikkingsbevoegd zijn;
b. ten aanzien van goederen die onder cumulatief bestuur van de rechthebbende en zijn echtgenoot staan, de echtgenoot of de bewindvoerder van de rechthebbende cumulatief beheersbevoegd is.
De cumulatieve bevoegdheid ('of-constructie') houdt in dat door verlening van medewerking door de bewindvoerder, de rechthebbende en bewindvoerder gezamenlijk beschikkingsbevoegd zijn of de echtgenoot van de rechthebbende beschikkingsbevoegd is;
c. ten aanzien van goederen die onder gezamenlijk bestuur van de rechthebbende en zijn echtgenoot staan, zijn de bewindvoerder en echtgenoot van de rechthebbende beheersbevoegd. De collectieve bevoegdheid ('en-constructie') brengt mee dat door verlening van medewerking door de bewindvoerder, de rechthebbende, bewindvoerder en echtgenoot gezamenlijk beschikkingsbevoegd zijn.

1.2 Verzoek tot onderbewindstelling van het vermogen
Instelling van het bewind kan worden verzocht door de rechthebbende, zijn echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel, zijn bloedverwanten in de rechte lijn en zijlijn tot en met de vierde graad, degene die ingevolge art. 1:253sa of 253t het gezag uitoefent, zijn voogd, curator en mentor. Indien is te voorzien dat de meerderjarige rechthebbende binnen afzienbare tijd niet meer in staat is om zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk te behartigen (art. 1:431 lid 3 BW), dan kan alleen de rechthebbende zelf het verzoek indienen (art. 1:432 lid 1 BW).

Instelling van het bewind kan worden verzocht door het OM en de instelling waar de rechthebbende wordt verzorgd of begeleid. Onderbewindstelling van het vermogen kan tevens door het college van burgemeester en wethouders worden verzocht, maar alleen wanneer het gaat om verkwisting of het hebben van problematische schulden in de zin van art. 284 van de Faillissementswet in het kader van de schuldsaneringsregeling. Bij toepassing van het tweede lid van art. 1:432 BW wordt vermeld waarom de in het eerste lid genoemde personen die tot de directe kring van de rechthebbende horen- uitgezonderd de bloedverwanten in de zijlijn vanaf de derde graad- niet om het bewind hebben verzocht (art. 1:432 lid 2 BW).

Het bewind kan reeds voor de meerderjarigheid worden ingesteld, indien te verwachten is dat de rechthebbende op het tijdstip van het bereiken van de meerderjarigheid niet in staat zal zijn zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen (art. 1:431 lid 2 BW). Is voor de rechter een verzoek tot het verlenen van een voorlopige of voorwaardelijke machtiging, een observatiemachtiging of en machtiging tot voortgezet verblijf als bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen (Bopz) of een rechterlijke machtiging als bedoeld in art. 33 Bopz aanhangig, dan is de rechter tevens bevoegd tot kennisname van het verzoek tot instelling van het bewind (art. 1:431 lid 4 BW).

Bewind en curatele kunnen niet naast elkaar bestaan. Het bewind eindigt dan ook door de ondercuratelestelling van de rechthebbende (art. 1:449 lid 1 BW). Het bewind kan door de rechter ambtshalve worden ingesteld bij afwijzing van het verzoek tot ondercuratelestelling of inwilliging van de opheffing van curatele (art. 1:432 lid 3 BW). Het verzoek tot instelling van een bewind ten behoeve van een onder curatele gestelde wordt aanhangig gemaakt bij de rechter die bevoegd is om over de opheffing van de curatele te beslissen (art. 1:432 lid 4 BW). Ook kan de rechter bij de opheffing van de rechterlijke bestuursopdracht (art. 1:91 BW) beslissen tot de instelling van het bewind (art. 1:432 lid 5 BW).

De rechter kan overigens twee bewindvoerders aanwijzen (art. 1:437 lid 1 BW). 

1.3 Omvang van het bewind, uitbreiding en inkrimping
De rechter bepaalt ambtshalve welke goederen onder bewind worden gesteld en welke goederen uit het bewind worden ontslagen (art. 1:434 lid 1 BW). De onderbewindstelling van een goed en ontslag van een goed uit het bewind treden in werking, daags nadat de beschikking is verstrekt (art. 1:434 lid 2 BW).

Tenzij bij de onderbewindstelling anders is bepaald, omvat het bewind ook de goederen die in de plaats treden van het aan het bewind onderworpen goed (bijvoorbeeld zaaksvervanging als gevolg van schadevergoeding), alsmede de vruchten en andere voordelen die een onder bewind staand goed oplevert (art. 1:433 lid 1 BW). Het ingestelde bewind kan ook worden uitgebreid of ingekrompen (art. 1:433 lid 2 BW).

1.4 Benoeming van de bewindvoerder
De rechter volgt bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen een zodanige benoeming verzetten (art. 1:435 lid 3 BW). Heeft de betrokkene geen voorkeur geuit, dan wordt bij voorkeur de echtgenoot, geregistreerd partner of een andere levensgezel tot bewindvoerder benoemd. Ontbreekt een of andere levensgezel, dan gaat de voorkeur uit naar ouders, kinderen, broers of zussen. Huwt de rechthebbende, gaat hij een geregistreerd partnerschap aan of krijgt hij een andere levensgezel, dan kan de nieuwe echtgenoot/partner/vriend/vriendin in de plaats van de tegenwoordige bewindvoerder worden benoemd (art. 1:435 lid 4 BW).

Alleen rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid kunnen tot bewindvoerder worden benoemd (art. 1:435 lid 5 BW). De professionele bewindvoerder (= bewindvoerder ten behoeve van drie of meer personen) komt alleen in aanmerking, indien deze wat zijn bedrijfsvoering en scholing betreft, alsmede, voor zover van toepassing, de werving, scholing en begeleiding van en het toezicht op de personen door wie hij de taken van een bewindvoerder uitoefent, voldoet aan het Besluit kwaliteitseisen, alsmede aan de verplichtingen bedoeld in art. 1:436 lid 4 en 3:15i BW (art. 1:453 lid 7 BW). De professional legt aan de rechter over een verklaring dat hij aan de kwaliteitseisen voldoet, een accountantsverslag als bedoeld in art. 2:393 lid 1 BW en een accountantsverklaring omtrent de bedrijfsbalans (art. 2:10 BW) en de jaarrekening als bedoeld in titel 2.9 (art. 1:453 lid 8 BW). Vrijgesteld van overleg van de accountantsverklaring zijn banken, notarissen, gerechtsdeurwaarders en accountants (art. 1:453 lid 9 BW).

1.4.1 Categoriale uitsluiting van personen die tot bewindvoerder kunnen worden benoemd
De volgende personen kunnen niet tot bewindvoerder worden benoemd (art. 1:453 lid 6 BW):
a. handelingsonbekwamen;
b. zij ten behoeve van wie een mentorschap is ingesteld;
c. zij van wie één of meer goederen onder een bewind (titel 1.19) staan;
d. zij die in staat van faillissement verkeren;
e. zij ten aanzien van wie de Wsnp van toepassing is;
f. de schuldsaneringsbewindvoerder (art. 287 lid 3 Faillissementswet);
g. een direct betrokken of behandelend hulpverlener;
h. personen horende tot de leiding of het personeel van de instelling waar de rechthebbende wordt verzorgd of begeleid;
i. personen, onder meer door (groot)aandeelhouderschap of economische eenheid (art. 2:24b BW) verbonden met de instelling waar de rechthebbende wordt verzorgd of begeleid (art. 1:453 lid 6 onder i onder 1-3 BW).

1.5 Verplichtingen van de bewindvoerder
De bewindvoerder is verplicht zo spoedig mogelijk een beschrijving van de aan het bewind onderworpen goederen op te maken en een afschrift in te leveren ter griffie van de ingevolge art. 266 Rv bevoegde rechtbank (art. 1:436 lid 1 BW). De bepalingen betreffende voogdij over de vervanging van de boedelbeschrijving door een verklaring, zekerheidstelling en einde van de zekerheidstelling (art. 1:339, 1:363 en 1:364 BW) zijn van toepassing op het bewind (art. 1:436 lid 2 BW). De kantonrechter is verplicht zo spoedig mogelijk een bankrekening te openen voor de betalingen die hij bij de vervulling van zijn taak verricht of ontvangt (art. 1:436 lid 4 BW).

Ten overstaan van de kantonrechter dient de bewindvoerder jaarlijks en aan het einde van het bewind, rekening en verantwoording af te leggen aan de rechthebbende, alsmede aan het eind van zijn taak aan zijn opvolger (art. 1:445 lid 1 BW). Is de rechthebbende niet in staat om de rekening op te nemen, dan wordt de rekening en verantwoording afgelegd aan de rechter (art. 1:445 lid 2 BW). Voor zover dit niet onredelijk is, kan de rechthebbende alsnog om een rekening en verantwoording van de bewindvoerder vragen. Na verloop van telkens vijf jaren, doet de bewindvoerder aan de kantonrechter verslag van her verloop van het bewind. Hij laat zich daarbij uit over de vraag, of het bewind dient voort te duren, dan wel of een minder ver, of een verder strekkende voorziening nodig is (art. 1:446a BW).

1.6 Publicatie in de openbare registers
Uit art. 1:436 lid 3 BW volgen drie publicatieverplichtingen:
a. indien tot het bewind registergoederen behoren, is de bewindvoerder verplicht zo spoedig mogelijk de beschikking tot onderbewindstelling en de benoeming in de openbare registers (afd. 3.1.2) te doen inschrijven;
b. is een onderneming of een aandeel in een vof onder bewind gesteld, dan is de bewindvoerder verplicht om de beschikking en de benoeming in het handelsregister te doen inschrijven;
c. het bewind wegens verkwisting dan wel het hebben van problematische schulden moet zo spoedig mogelijk worden gepubliceerd in het curatele- en bewindregister (art. 1:391 lid 1 onder 2 jo. 1:436 lid 3 BW).

De kantonrechter kan bepalen dat rechterlijke beslissingen betreffende een onderbewindstelling van het vermogen wegens de lichamelijke of geestelijke stoornis van de rechthebbende in het register worden gepubliceerd (art. 1:436 lid 3 BW, laatste volzin).

1.7 Bewind en rechtshandelingen gedurende het bewind
Tijdens het bewind komt het beheer over de onder bewind staande goederen alleen toe aan de bewindvoerder (art. 1:438 lid 1 BW). Beschikkingshandelingen mogen slechts met medewerking van de bewindvoerder worden verricht, tenzij de kantonrechter de rechthebbende machtigt tot het verrichten van beschikkingshandelingen (art. 1:438 lid 2 BW).

Onder beheer wordt verstaan de handelingen ter normale exploitatie van een goed (art. 3:170 leden en 1 2 BW). Beschikkingshandelingen zijn de goederenrechtelijke rechtshandelingen, waaronder vervreemding en de daarvoor vereiste overdracht en de vestiging van beperkte rechten (art. 3:81 en 3:83 BW).

Indien een rechtshandeling ongeldig is (nietig), omdat zij ondanks het bewind werd verricht door of gericht tot de rechthebbende, kan deze ongeldigheid aan de wederpartij slechts worden tegengeworpen, zo deze het bewind kende of behoorde te kennen (art. 1:439 lid 1 BW). Indien een goed is vervreemd of bezwaard door iemand die daartoe ingevolge het bewind niet bevoegd was, kan deze onbevoegdheid aan een verkrijger van het goed of een beperkt recht slechts worden tegengeworpen, zo deze het bewind kende of behoorde te kennen (art. 1:439 lid 2 BW). Een beroep op de goede trouw (art. 3:11 BW) wordt bemoeilijkt door de verplichte publicatie in de openbare registers (art. 1:436 lid 3 jo. 391 BW).

De obligatoire rechtshandeling tot beschikking over een onder bewind staand goed die niet kan worden aangemerkt als beheershandeling, wordt niet belet door art. 1:438 lid 1 BW. Hoewel de rechthebbende ingevolge art. 1:438 lid 2 BW niet beschikkingsbevoegd is, kan de overdracht evenwel tot stand worden gebracht. Is de verkrijger van het goed vóór de overdracht  op de hoogte geraakt van het bewind, dan zal een beroep op de goede trouw als bedoeld in art. 1:439 lid 2 BW niet slagen.
In dat geval biedt art. 1:440 lid 1 BW soelaas.

Een voorbeeld. Koper K koopt een onder bewind staand goed van rechthebbende R. De koper is niet op de hoogte van het bewind; er kan vanuit worden gegaan dat K te goeder trouw handelde. Voordat het op overdracht aankomt, krijgt de bewindvoerder lucht van de obligatoire overeenkomst. De bewindvoerder houdt de overdracht tegen en besluit tot vernietiging van de overeenkomst. Dan ontstaat een vordering van K op R. De schuld van R, die voortspruit uit een tijdens het bewind met hem verrichte rechtshandeling zonder dat sprake was van medewerking van de bewindvoerder of een rechterlijke machtiging, kan niet op de onder bewind staande goederen worden verhaald, indien K op de hoogte was van het bewind of het bewind behoorde te kennen (art. 1:440 lid 1 BW). Het einde van het bewind brengt hierin geen wijziging.

Indien het bewind alle goederen betreft die daarvoor krachtens art. 1:431 lid 1 BW in aanmerking komen, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing ten aanzien van ten tijde van de handeling niet onder het bewind staande goederen waarop verhaal mogelijk zou zijn (art. 1:440 lid 2 BW).

1.8 Taken en bevoegdheden van de bewindvoerder 
Tijdens het bewind vertegenwoordigt de bewindvoerder de rechthebbende in en buiten rechte. De bewindvoerder draagt zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de rechthebbende, voor zover dit onder het bewind staat en niet besteed behoort te worden voor de verzorging van de rechthebbende. De bewindvoerder kan voor de rechthebbende alle rechtshandelingen verrichten die aan een goed bewind bijdragen (art. 1:441 lid 1 BW). Indien de rechthebbende niet in staat of weigerachtig is om de bewindvoerder te machtigen tot het optreden in rechte, kan de bewindvoerder zich door de kantonrechter laten machtigen om te procederen (art. 1:443 BW).

De bewindvoerder is met uitsluiting van de rechthebbende bevoegd de verdeling te vorderen van goederen, waarvan een onverdeeld aandeel tot zijn bewind behoort. Tot een verdeling van de goederen (dus niet: de vordering tot verdeling zelf) behoeft de bewindvoerder toestemming of machtiging krachtens art. 1:441 lid 2 BW (art. 1:441 lid 4 BW), zelfs al geschiedt de verdeling krachtens rechtelijk bevel. De bewindvoerder kan met uitsluiting van de rechthebbende, een aan de rechthebbende opgekomen nalatenschap aanvaarden. Zonder toestemming van de rechthebbende kan de bewindvoerder niet anders aanvaarden dan onder het voorrecht van boedelbeschrijving
(= beneficiair) (art. 1:441 lid 5 BW).

1.8.1 Beperking van de bevoegdheden van de bewindvoerder
De bevoegdheden van de bewindvoerder worden op grond van art. 1:441 lid 2 BW beperkt. De bewindvoerder behoeft toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging van de kantonrechter voor de volgende rechtshandelingen:
a. beschikken en aangaan van overeenkomsten tot beschikking over een onder bewind staand goed, tenzij de handeling als een gewone beheersdaad kan worden beschouwd of krachtens rechterlijk bevel geschiedt;
b. een making of gift waaraan lasten of voorwaarden zijn verbonden, aannemen;
c. geld lenen of de rechthebbende als borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbinden;
d. overeenkomen dat een boedel, waartoe de rechthebbende gerechtigd is, voor een bepaalde tijd onverdeeld wordt gelaten;
e. het aangaan, buiten het geval van een minnelijke schikking (art. 87 Rv) van een overeenkomst tot het beëindigen van een geschil, tenzij het voorwerp van het geschil een waarde van 700 Euro niet te boven gaat;
f. andere bij de instelling van het bewind of nadien aangewezen handelingen.

1.9 Positie en bescherming wederpartij en aansprakelijkheid van de rechthebbende en de bewindvoerder
Heeft iemand als bewindvoerder een rechtshandeling verricht, dan richten de rechten en plichten van de wederpartij zich naar hetgeen dienaangaande is bepaald in titel 3.3 (volmacht). Regels die de bevoegdheid van een bewindvoerder betreffen en feiten die voor een oordeel omtrent zijn bevoegdheid van belang zijn, kunnen niet aan de wederpartij worden tegengeworpen, indien deze daarmee niet bekend was of had behoren te zijn (art. 1:442 lid 1 BW). 

De rechthebbende is, onverminderd de toerekenbare onrechtmatige daad (art. 6:172 BW), aansprakelijk voor alle schulden die voortspruiten uit rechtshandelingen die de bewindvoerder in zijn hoedanigheid in naam van de rechthebbende verricht. Wanneer de rechthebbende onder bewind staande goederen aanwijst tot verhaal van de schuld, is hij niet verplicht de schuld ten laste van het overige vermogen te voldoen (art. 1:442 lid 2 BW).

De vermelding van de toerekenbare onrechtmatige daad (art. 6:172 BW) houdt in dat de rechthebbende als vertegenwoordigde kwalitatief aansprakelijk is voor de handelingen van zijn vertegenwoordiger, de bewindvoerder. De kwalitatieve aansprakelijkheid bestaat alleen voor zover de onrechtmatige daad op grond van art. 6:162 BW aan de bewindvoerder als vertegenwoordiger kan worden toegerekend. Is daaraan voldaan, dan zijn de rechthebbende en de bewindvoerder hoofdelijk aansprakelijk (art. 6:102 lid 1 BW). Voor de bepaling van hetgeen de rechthebbende en bewindvoerder krachtens art. 6:10 BW in hun onderlinge verhouding jegens elkaar moeten bijdragen, wordt de schade over hen verdeeld met toepassing van art. 6:101 BW ('eigen schuld').

Een bewindvoerder is jegens de rechthebbende aansprakelijk, indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder te kort schiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend (art. 1:444 BW).

1.10 Einde van de taak van de bewindvoerder en einde van het bewind
De taak van de bewindvoerder eindigt onder meer bij het einde van het bewind en door tijdsverloop, indien het bewind voor bepaalde tijd was ingesteld (art. 1:448 lid 1 onder a-e BW).
Wanneer de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Wsnp) op de bewindvoerder van toepassing wordt verklaard, de bewindvoerder failliet wordt verklaard, de bewindvoerder onder curatele komt te staan of over één of meer van zijn eigen goederen bewind wordt ingesteld, eindigt de taak van de bewindvoerder (art. 1:448 lid 1 onder c en d BW).

Een gewezen bewindvoerder blijft verplicht om al datgene te doen, wat niet zonder nadeel voor de rechthebbende kan worden uitgesteld (art. 1:448 lid 3 BW). Als de taak van de bewindvoerder eindigt door de dood van de bewindvoerder, zijn zijn erfgenamen verplicht tot waarneming tot de nieuwe bewindvoerder is aangesteld. Wordt de bewindvoerder in een schuldsaneringstraject opgenomen, dan is de schuldsaneringsbewindvoerder verplicht tot waarneming van de taak tot de opvolger aantreedt; bij faillissement van de bewindvoerder is het zijn curator die de zaken waarneemt. Wordt over de goederen van de bewindvoerder een bewind ingesteld, dan is de betreffende bewindvoerder verplicht tot de waarneming. Voor alle personen die krachtens art. 1:448 lid 3 i.v.m. 1:448 lid 1 onder c en d BW gehouden zijn tot zaakwaarneming tot de opvolgende bewindvoerder aantreedt, geldt dat de verplichting pas bestaat, indien zij van het bewind kennisdragen.

Het bewind eindigt onder meer door het verstrijken van de tijdsduur waarvoor het is ingesteld. De kantonrechter kan het bewind opheffen, zo het bewind hem niet zinvol is gebleken. Degene die gerechtigd is om onderbewindstelling te verzoeken, kan een verzoek tot de opheffing van het bewind indienen, maar het is ook mogelijk om verlenging te verzoeken (art. 1:449 leden 2 en 3 BW). Tegen de afwijzing van het verzoek staat geen hogere voorziening open. Bewind en curatele zijn niet met elkaar te verenigen en kunnen evenmin naast elkaar bestaan. De ondercuratelestelling van de rechthebbende leidt tot beëindiging van het bewind (art. 1:449 lid 1 BW). Aangenomen kan worden dat in dat geval behoefte bestaat aan een vergaande bescherming van zowel de vermogensrechtelijke als niet-vermogensrechtelijke belangen van de rechthebbende, waarin niet zal kunnen worden voorzien door bewind en mentorschap naast elkaar in te stellen.

donderdag 5 april 2018

Bescherming van meerderjarigen: curatele en bewind (I): curatele

Overzicht
1.     Algemeen kader: handelingsonbekwaamheid en onbevoegdheid;
2.     Curatele;
2.1   Verzoek tot het onder curatele stellen van een persoon;
2.2   Provisioneel bewind;
2.3   Aanvang van de curatele;
2.4   In welke gevallen is de onder curatele gestelde handelingsbekwaam?;
2.5   Benoeming curator en kwaliteitseisen professionele curatoren;
2.6   Overeenkomstige toepassing regelingen bijzondere curator en voogdij;
2.7   Publicatie en openbare registers;
2.8   Einde curatele

1. Algemeen kader: handelingsonbekwaamheid en handelingsonbevoegdheid 
De rechtsgevolgen van curatele en bewind zijn verschillend. Curatele brengt handelingsonbekwaamheid met zich, onderbewindstelling van het vermogen (niet: onderbewindstelling van een persoon, want die rechtsfiguur bestaat niet) van een meerderjarige leidt tot handelingsonbevoegdheid. Handelingsonbekwaamheid is het algehele onvermogen om onaantastbaar rechtshandelingen te verrichten. Minderjarigen die zonder toestemming van een wettelijke vertegenwoordiger handelen (art. 1:234 BW) en onder curatele gestelden (art. 1:381 lid 2 BW) zijn handelingsonbekwaam. Van de handelingsonbekwaamheid en handelingsonbevoegdheid, twee uitsluitend juridische begrippen, moet worden onderscheiden de "wilsonbekwaamheid" of feitelijke onbekwaamheid, het onvermogen om zelf verantwoord beslissingen te nemen, het onvermogen om informatie te begrijpen en de consequenties van een beslissing te overzien, onder meer als gevolg van een geestesziekte, zwakzinnigheid of dementie. Via curatele, onderbewindstelling van het vermogen of mentorschap kan wilsonbekwaamheid tot handelingsonbekwaamheid respectievelijk -onbevoegdheid leiden.

Handelingsonbevoegdheid is het onvermogen om bepaalde rechtshandelingen onaantastbaar te verrichten. Onderbewindstelling leidt tot handelingsonbevoegdheid (art. 1:438 BW), evenals mentorschap (art. 1:453 BW). Andere voorbeelden van handelingsonbevoegdheid worden gevonden in art. 1:88 en 1:89 BW (rechtshandelingen die de toestemming van de andere echtgenoot behoeven) en 3:43 BW (handelingen van rechterlijk ambtenaren en overige bekleders van openbaar gezag).

1.1 Gevolgen: vernietigbaarheid en nietigheid van rechtshandelingen
Een rechtshandeling van een onbekwame is vernietigbaar. Meerzijdig of eenzijdig gerichte rechtshandelingen zijn vernietigbaar. Een eenzijdig ongerichte rechtshandeling van een onbekwame is nietig (art. 3:32 lid 2 BW). In het geval van onbevoegdheid als bedoeld in art. 3:43 BW wordt de nietigheidssanctie vermeld. De handelingsonbevoegdheid die het gevolg is van het ontbreken van de toestemming van de andere echtgenoot, brengt vernietigbaarheid van de rechtshandeling met zich.

1.2 Geestelijke stoornissen en feitelijke onbekwaamheid tegenover juridische onbekwaamheid
Een rechtshandeling vereist een op rechtsgevolg gerichte wil, die zich door een verklaring heeft geopenbaard (art. 3:33 BW). Heeft een geestelijk gestoorde iets verklaard, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken, indien de stoornis de redelijke waardering van de betrokken belangen belet of de verklaring onder invloed van de stoornis is gedaan (art. 3:34 lid 1 BW). De rechtsgevolgen van het verrichten van een rechtshandeling door de geestelijk gestoorde c.q. feitelijk onbekwame, zijn neergelegd in art. 3:34 lid 2 BW: het ontbreken van de wil maakt de eenzijdig of meerzijdig gerichte rechtshandeling vernietigbaar. Een eenzijdig ongerichte rechtshandeling is nietig.

De juridische onbekwaamheid als gevolg van curatele heeft hetzelfde rechtsgevolg ten aanzien van de door de onbekwame verrichte rechtshandelingen: zij zijn vernietigbaar, indien en voor zover zij eenzijdig of meerzijdig gericht zijn (art. 3:32 lid 2 BW). Het verschil tussen feitelijke onbekwaamheid als gevolg van een geestesstoornis en juridische onbekwaamheid als gevolg van curatele schuilt in de bescherming van de wederpartij. Het ontbreken van een met de verklaring overeenstemmende wil kan niet worden tegengeworpen aan de partij die gerechtvaardigd vertrouwde op de wilsverklaring van de geestelijk gestoorde, bijvoorbeeld als het hem in het geheel niet duidelijk was dat zijn wederpartij onder invloed van een psychische stoornis handelde (art. 3:35 BW). In het geval van curatele kan echter geen beroep worden gedaan op het gerechtvaardigd vertrouwen. De bescherming door art. 3:35 BW gaat niet op, omdat curatele in de openbare registers en in de Staatscourant worden gepubliceerd (art. 3:390 en 3:391 BW).

2. Curatele
Een meerderjarige kan door de kantonrechter onder curatele worden gesteld, wanneer hij zijn belangen niet behoorlijk waarneemt of zijn veiligheid of die van anderen in gevaar brengt, als gevolg van zijn lichamelijke aandoening of geestesstoornis, dan wel verslaving aan drank of drugs (art. 1:378 lid 1 BW). De curatele wordt slechts opgelegd, indien een voldoende belangenbehartiging niet met een minder verstrekkende voorziening kan worden bereikt. De curatele heeft niet alleen betrekking op vermogensrechtelijke belangen. Ook de aangelegenheden betreffende verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding overeenkomstig art. 1:453 en 1:454 BW (mentorschap) zijn van toepassing op de belangenbehartiging door de curator (art. 1:381 lid 4 BW). De aansprakelijkheid van de curator wordt ook geregeld via art. 1:381 lid 4 jo. 454 lid 2 BW.

Curatele en meerderjarigenbewind en curatele en mentorschap sluiten elkaar uit (art. 1:389 lid 1 onder c, 1:449 lid 1 en 1:462 lid 1 BW). Dit is logisch, aangezien curatele alles omvat wat het bewind en mentorschap ieder afzonderlijk beogen te beschermen. Naast de bescherming van het vermogen en de behartiging van de zorgbelangen door de curator zou geen behoefte bestaan aan een bewind of mentorschap.

Zoals hiervoor onder 1.2 vermeld, wordt de curatele in de Staatscourant en openbare registers gepubliceerd (art. 3:390 en 3:391 BW). De publicatie is relevant met betrekking tot het ontbreken van rechtsbescherming van partijen die rechtshandelingen verrichten met de onder curatele gestelde. De rechtshandeling die door de onder curatele gestelde wordt verricht, kan worden vernietigd. De wederpartij zal nu geen beroep kunnen doen op het gerechtvaardigd vertrouwen.

2.1 Het verzoek tot het onder curatele stellen van een persoon
De curatele kan worden verzocht door de betrokkene, zijn echtgenoot of geregistreerde partner of een andere levensgezel, zijn bloedverwanten in de rechte lijn en in de zijlijn tot en met de vierde graad, degene die ingevolge art. 1:253sa (gezamenlijk gezag van ouder tezamen met een ander dan een ouder, zijnde een echtgenoot of geregistreerd partner) of 1:253t (gezag van een ouder samen met een niet-ouder), zijn voogd, zijn bewindvoerder als bedoeld in titel 1.19 en zijn mentor als bedoeld in titel 1.20 (art. 1:379 lid 1 BW). De curatele kan ook door het OM of een inrichting worden verzocht. In dat geval vermeldt het verzoekschrift waarom de in het eerste lid genoemde personen (bloedverwanten in de zijlijn vanaf de derde graad uitgezonderd) niet tot het verzoek zijn overgegaan (art. 1:379 lid 2 BW).

2.2 Provisioneel bewind
Ten behoeve van de curandus (de persoon voor wie het verzoek tot curatele aanhangig is) kan op verzoek of door ambtshalve door de rechter een provisionele bewindvoerder worden benoemd (art. 1:380 lid 1 BW). De bevoegdheden van de provisionele bewindvoerder worden in de beschikking geregeld. De rechter kan het bewind over bepaalde of alle goederen opdragen. Ook andere bevoegdheden kunnen aan de provisionele bewindvoerder worden opgedragen, met dien verstande dat aan hem géén bevoegdheden kunnen worden toegekend die de curator niet heeft (art. 1:380 lid 2 BW). Let erop, dat de onder curatele gestelde niet onbekwaam is vanwege een opname in een inrichting. Toepassing van de Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen (Bopz) brengt niet zonder meer handelingsonbekwaamheid mee.

Degene wiens curatele is verzocht, kan met betrekking tot de onder het provisioneel bewind gestelde goederen, zonder medewerking van de bewindvoerder geen beheers- en beschikkingsdaden verrichten, noch overeenkomsten aangaan strekkende tot beschikking over die goederen (art. 1:380 lid 2 laatste volzin BW). De beheers- en beschikkingsonbevoegdheid en de onbevoegdheid om zonder medewerking van de bewindvoerder obligatoire overeenkomsten tot beschikking (goederenrechtelijke rechtshandeling) wordt beantwoord met de nietigheidssanctie.

Wat beheer inhoudt, heb ik eerder besproken onder 2.1 van Huwelijksvermogensrecht: gemeenschap van goederen en ontbinding van de gemeenschap. Een definitie van "beheer" is gegeven in art. 3:170 leden 1 en 2 BW: handelingen dienende tot gewoon onderhoud en handelingen ter normale exploitatie van een goed. Beschikkingsbevoegdheid heeft betrekking op het verrichten van een goederenrechtelijke rechtshandeling, waaronder vervreemding, bezwaring en vestiging van beperkte rechten (zie art. 3:81 en 3:83 BW). Het sluiten van obligatoire overeenkomsten in het kader van een goederenrechtelijke rechtshandeling kan een hybride karakter dragen, waarvan sprake is als  beschikkingshandelingen leiden tot beheershandelingen (voorbeeld: de vervreemding houdt verband met de normale exploitatie van het goed). Om uit te sluiten dat de persoon die zonder medewerking van de provisionele bewindvoerder beheersonbevoegd is, goederen aan het bewind kan onttrekken door op grond van een obligatoire overeenkomst beschikkingsdaden te verrichten, is expliciet vermeld dat zonder medewerking van de bewindvoerder géén obligatoire overeenkomsten strekkende tot beschikking kunnen worden aangegaan (art. 1:380 lid 2 BW, laatste zinsnede).

In de beschikking kan worden bepaald dat schulden die degene wiens curatele is verzocht, na de bekendmaking van de benoeming van de provisionele bewindvoerder maakt, op de onder bewind gestelde goederen gedurende dit bewind en de curatele, indien deze volgt, niet kunnen worden verhaald (art. 1:380 lid 3 BW). Op de dag waarop de taak van curator aanvangt, eindigt het provisioneel bewind. De provisionele bewindvoerder is verplicht ten overstaan van de rechter aan de curator rekening en verantwoording af te leggen. Wordt de provisionele bewindvoerder zelf tot curator benoemd, dan wordt rekening en verantwoording aan de kantonrechter afgelegd (art. 1:383 lid 11 BW). Het provisioneel bewind eindigt, indien het verzoek tot ondercuratelestelling wordt afgewezen, daags na de uitspraak en uiterlijk daags na het in kracht van gewijsde gaan van de afwijzing van het verzoek tot curatele, tenzij de rechter anders bepaalt (art. 1:383 lid 12 BW).

2.3 Aanvang van de curatele
De curatele werkt met ingang vanaf de dag waarop zij is uitgesproken. Is de curatele reeds vóór de meerderjarigheid uitgesproken (art. 1:378 lid 2 BW), dan werkt de curatele vanaf het bereiken van de meerderjarigheid (art. 1:381 lid 1 BW). Van deze tijdstippen is de onder curatele gestelde onbekwaam rechtshandelingen te verrichten (art. 1:381 lid 2 BW). De taak van de curator vangt aan daags nadat de beslissing houdende de benoeming van de curator is verstrekt of verzonden (art. 1:383 lid 11 BW).

Indien de beschikking houdende de benoeming van de curator in hoger beroep of cassatie wordt vernietigd, blijven de door de curator (of met zijn toestemming) verrichte rechtshandelingen voor de onder curatele gestelde verbindend (art. 1:384 BW); vgl. art. 13 Faillissementswet.

2.4 In welke gevallen is de onder curatele gestelde handelingsbekwaam?
Een onder curatele gestelde is bekwaam rechtshandelingen te verrichten met toestemming van de curator, voor zover de curator bevoegd is om rechtshandelingen voor de onder curatele gestelde te verrichten (art. 1:381 lid 3 BW). Ingevolge art. 1:386 lid 1 BW zijn de omtrent het bewind van de voogd gegeven voorschriften van overeenkomstige toepassing (zie art. 1:337-371a BW). De curator heeft dus een machtiging van de kantonrechter nodig voor rechtshandelingen zoals het aangaan van overeenkomsten strekkende tot de verkoop van een onroerende zaak (art. 1:381 lid 3 jo. 1:386 lid 1 jo. 1:345 lid 1 onder a BW). De toestemming van de curator kan slechts worden verleend voor een bepaalde rechtshandeling of voor een bepaald doel en moet schriftelijk worden verleend (art. 1:381 lid 3 laatste volzin BW).

De onder curatele gestelde is bekwaam over gelden ten behoeve van levensonderhoud te beschikken (art. 1:381 lid 5 BW). De onder curatele gestelde blijft bekwaam om in curatelezaken in rechte op te treden (art. 1:381 lid 6 BW).

2.4.1 Curatele uit hoofde van drank- of drugsmisbruik en handelingsbekwaamheid
Hij die uit hoofde van gewoonte van drank- of drugsmisbruik onder curatele is gesteld, blijft bekwaam tot het verrichten van familierechtelijke handelingen (art. 1:382 BW). De onder curatele gestelde mag met toestemming van de curator of vervangende toestemming van de kantonrechter, een huwelijk aangaan (art. 1:37 BW). Vóór het huwelijk kunnen huwelijkse voorwaarden worden gemaakt of gewijzigd met toestemming van de curator of vervangende toestemming van de kantonrechter (art. 1:117 lid 1 in samenhang met art. 1:37 BW). De echtgenoot die onder curatele staat, kan staande het huwelijk met toestemming van de curator huwelijkse voorwaarden maken of wijzigen (art. 1:118 BW). Zij die op een andere grond dan wegens een lichamelijke of geestelijke stoornis onder curatele staan, kunnen uiterste wilsbeschikkingen maken (art. 4:55 lid 1 BW). De toestemming van de curator of rechter wordt in dit geval niet genoemd.

2.4.2 Curatele uit hoofde van een geestesstoornis of lichamelijke aandoening en handelingsbekwaamheid
De persoon die uit hoofde van een lichamelijke of geestelijke stoornis onder curatele staat, mag slechts met toestemming van de rechter een huwelijk aangaan (art. 1:38 BW). Het erkennen van een kind mag slechts na toestemming van de kantonrechter (art. 1:204 lid 5 BW). Ook uiterste wilsbeschikkingen kunnen alleen na toestemming van de kantonrechter worden gemaakt (art. 4:55 lid 2 BW).

2.5 Benoeming curator en kwaliteitseisen professionele curatoren
De rechter volgt bij de benoeming van de curator de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen een zodanige benoeming verzetten (art. 1:383 lid 2 BW). Heeft de betrokkene geen voorkeur geuit, dan wordt bij voorkeur de echtgenoot, geregistreerd partner of een andere levensgezel tot curator benoemd. Ontbreekt een of andere levensgezel, dan gaat de voorkeur uit naar ouders, kinderen, broers of zussen. Huwt de onder curatele gestelde, gaat hij een geregistreerd partnerschap aan of krijgt hij een andere levensgezel, die niet onder curatele staat, dan kan de nieuwe echtgenoot/partner/vriend/vriendin in de plaats van de tegenwoordige curator worden benoemd (art. 1:383 lid 3 BW). De voorkeur voor een curator die een vertrouwensband heeft met betrokkene komt dus in de wet tot uitdrukking.

Ook een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid kan tot curator worden benoemd (art. 1:383 lid 4 BW). Het is mogelijk om twee curatoren te benoemen. Ieder van hen kan de taken alleen verrichten. Zo nodig stelt de kantonrechter een taakverdeling op. Ontstaat er een meningsverschil tussen de curatoren, dan beslist de kantonrechter op verzoek van één van hen of op verzoek van een instelling als bedoeld in art. 1:379 lid 2 BW. De kantonrechter kan ook de beloning bepalen om geschillen over de verdeling van de beloning te voorkomen (art. 1:383 lid 10 BW).

De professionele curator (= curator ten behoeve van drie of meer personen) komt alleen in aanmerking voor benoeming, als hij wat betreft zijn bedrijfsvoering en scholing, alsmede de werving, scholing en toezicht op personeel voldoet aan de eisen uit het Besluit kwaliteitseisen curatoren, alsmede aan de verplichtingen bedoeld in art. 1:386 lid 3 BW (plicht tot het openen van een bankrekening) en art. 3:15i BW (het voeren van de administratie) (art. 1:383 lid 7 BW). De professionele curator legt aan de kantonrechter over (art. 1:386 lid 8 BW): (a) een verklaring dat hij aan de in het zevende lid bedoelde kwaliteitseisen voldoet, (b) een accountantsverslag als bedoeld in art. 2:393 lid 1 BW en een accountantsverklaring omtrent de bedrijfsbalans (art. 2:10 BW) en de jaarrekening (titel 2.9). Vrijgesteld van overleg van de accountantsverklaring zijn banken, notarissen, gerechtsdeurwaarders en accountants (art. 1:383 lid 9 BW).  

2.5.1 Categoriale uitsluiting van personen die tot curator kunnen worden benoemd 
De volgende personen kunnen niet tot curator worden benoemd (art. 1:383 lid 5): (a) handelingsonbekwamen, (b) zij ten behoeve van wie een mentorschap is ingesteld, (c) de bewindvoerder van de onder curatele gestelde in de zin van art. 287 lid 3 Fw (schuldsaneringsbewindvoerder), (d) een direct betrokken of behandelend hulpverlener, (e) personen behorende tot de leiding of tot het personeel van de instelling waar de onder curatele gestelde wordt verzorgd of begeleid en (f) personen, onder meer door (groot)aandeelhouderschap of economische eenheid (art. 2:24b BW) verbonden met de instelling waar de onder curatele gestelde wordt verzorgd of begeleid (art. 1:383 lid 5 onder f onder 1-3 BW).

Evenmin tot curator benoemd kunnen worden zij van wie één of meer goederen onder een bewind als bedoeld in titel 1.19 staan, zij die in staat van faillissement verkeren en zij ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (Wsnp) van toepassing is. Gaat het echter om een persoon als bedoeld in art. 1:383 lid 3 BW en wordt het bewind van de onder curatele gestelde door een medecurator gevoerd, dan geldt deze uitsluiting niet (art. 1:383 lid 6 BW).

2.6 Overeenkomstige toepassing regelingen bijzondere curator en voogdij
De schakelbepaling van art. 1:385 BW verklaart de volgende regelingen van overeenkomstige toepassing op de curatele:
a. art. 1:250 inzake de benoeming van een bijzondere curator;
b. art. 1:280 onder b betreffende de aanvang van de voogdij;
c. art. 1:281 lid 1 onder a en lid 2 over het einde van de voogdij;
d. art. 1:322 lid 1 onder a en c betreffende het ontslag van de voogdij;
e. art. 1:324 betreffende de onbevoegdheid tot de voogdij;
f. art. 1:336 betreffende toezicht van de voogd over de minderjarige;
g. art. 1:372-377 inzake de rekening en verantwoording bij het einde van de voogdij.

2.6.1 Doelmatige belegging, verslaglegging en wenselijkheid voortduren curatele
De curator doet na verloop van vijf jaren verslag van het verloop van de curatele. Hij laat zich uit over de wenselijkheid van het voortduren van de curatele (art. 1:385 lid 2 BW). Op het bewind van de curator zijn de omtrent het bewind van de voogd gegeven voorschriften van toepassing, met dien verstande dat de curator jaarlijks de rekening en verantwoording van zijn bewind indient, anders dan art. 1:359 lid 1 BW voor de voogd voorschrijft (art. 1:386 lid 1 BW).

De curator draagt zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de onder curatele gestelde, voor zover dit niet besteed hoeft te worden voor een voldoende verzorging (art. 1:386 lid 2 BW). De curator is verplicht om zo spoedig mogelijk een rekening te openen voor de betalingen die hij bij de vervulling van zijn taak verricht of ontvangt (art. 1:386 lid 3 BW).

2.7 Publicatie en openbare registers
Alle uitspraken waarbij een curatele wordt verleend of opgeheven of waarbij een uitspraak tot ondercuratelestelling wordt vernietigd, almede beschikkingen tot provisioneel bewind, worden binnen tien dagen nadat zij kunnen worden ten uitvoer gelegd, gepubliceerd in de Staatscourant (art. 1:390 BW).

In het openbaar register worden de rechtsfeiten aangetekend die betrekking hebben op curatele en bewind als bedoeld in titel 1.19. Onderdeel 2 van art. 1:391 lid 1 BW verplicht tot het publiceren van uittreksels van de rechterlijke beslissingen van:
a. instelling, opheffing of verlenging van de curatele;
b. instelling, opheffing of verlenging van het bewind wegens verkwisting dan wel het hebben van problematische schulden (art. 284 lid 1 Faillissementswet).

Onderdeel 3 van art. 1:391 lid 1 BW is geen verplichte publicatie. De kantonrechter kan namelijk bepalen dat een beschikking tot onderbewindstelling van het vermogen wegens een lichamelijke of geestelijke stoornis in het register als bedoeld in art. 1:391 wordt ingeschreven (art. 1:391 lid 1 onder 3 BW jo. 1:436 lid 3, derde volzin BW). Dit is een discretionaire bevoegdheid.

2.8 Einde curatele
In art. 1:389 BW worden de manieren genoemd waarop de curatele kan eindigen. Zo eindigt de curatele door het verstrijken van de tijdsduur waarvoor zij is ingesteld (art. 1:389 lid 1 onder a BW). Aangezien curatele enerzijds en bewind of mentorschap anderzijds elkaar uitsluiten, bepaalt art. 1:389 lid 1 onder c BW dat de curatele kan worden omgezet in een bewind op grond van titel 1.19 of mentorschap op grond van titel 1.20 BW.

Degene die gerechtigd is de curatele te verzoeken (art. 1:379 BW), alsmede de curator, kan verzoeken om verlenging van de curatele. Tegen de afwijzing van het verzoek staat geen hogere voorziening open (art. 1:389 lid 3 BW).