Vindplaats: Kamerstukken II 2014/15, 34 059, Nr. 2.
Overzicht
1. Algemene procedurele bepalingen (zie deel I);
2. Procesinleiding (deel I);
3. Oproeping (deel I);
4. Verschijning van de verweerder in de procedure (deel I);
5. Mondelinge behandeling en uitspraak;
6. Concentratie van verweer
5. Mondelinge behandeling en uitspraak
5.1. Mondelinge behandeling (art. 30j-q NRv)
Zoals onder Rv (oud), is er onder NRv in beginsel eerst een
schriftelijke ronde, waarin de vordering en het verweer, inclusief
excepties, het verweer ten principale en de eis in reconventie worden
ingesteld resp. gevoerd. Het onderscheid tussen de schriftelijke en
mondelinge behandeling van de zaak is echter minder strikt, aangezien
art. 30o NRv de rechter vrijheid geeft om in iedere stand van het geding
een mondelinge behandeling of een "andere zitting" (regiezitting) te
gelasten.
5.1.1. Oproeping tot mondelinge behandeling (art. 30j NRv)
De
rechter bepaalt de datum van de mondelinge behandeling zo spoedig
mogelijk nadat de verweerder in de procedure is verschenen als bedoeld
in art. 114, dan wel na ontvangst van de procesinleiding in een
verzoekprocedure. De termijn tussen de uitnodiging van partijen en de
mondelinge behandeling is ten minste drie weken, tenzij sprake is van
een behandeling in kort geding (art. 30j lid 1 NRv). De griffier roept
de eiser of verzoeker en verweerder of belanghebbende op (art. 30j lid 3
NRv). In kantonzaken kan de mondelinge behandeling achterwege blijven,
tenzij partijen verklaren gebruik te willen maken van het recht om te
worden gehoord; ook kunnen partijen de rechter verzoeken om de
mondelinge behandeling achterwege te laten en uitspraak te doen
(art. 30j lid 6 NRv).
5.2. Inhoud mondelinge behandeling (art. 30k NRv)
Tijdens
de mondelinge behandeling stelt de rechter de partijen in de gelegenheid
hun stellingen toe te lichten en kan de rechter (art. 30k lid 1 NRv):
a. partijen verzoeken hem inlichtingen te geven (vgl. comparitie na antwoord, art. 131 Rv (oud));
b. partijen gelegenheid geven hun stellingen nader te onderbouwen;
c. een schikking beproeven (vgl. comparitie na antwoord, art. 131 Rv (oud));
d. met partijen overleggen hoe de procedure zal verlopen;
e. die aanwijzingen geven of die proceshandelingen bevelen die hij geraden acht.
5.2.1. Comparitie na antwoord
De comparitie na antwoord,
art. 131 Rv (oud) in samenhang met art. 87 en 88 Rv (oud), komt te
vervallen. Zoals blijkt uit de formulering van art. 30k lid 1 onder a en
c, is de behoefte aan de verschijning van partijen voor inlichtingen of
een minnelijke schikking, ondervangen. Sinds de nadruk in het NRv op de
mondelinge ronde ligt, is het apart bevelen van comparitie na antwoord
ook niet langer nodig.
5.2.2. Pleidooien
Met het
schrappen van art. 134 Rv (oud) komt de mogelijkheid tot het houden van
pleidooien te vervallen. Onder het huidige Rv (oud) is de gelegenheid
voor pleidooien al uitzondering op de regel: als immers de comparitie na
antwoord op de voet van art. 131 RV (oud) is bevolen, wordt in beginsel
aangenomen dat aan partijen voldoende mogelijkheid is geboden om hun
standpunten mondeling toe te lichten (art. 134 lid 1 Rv (oud) ).
Mijns
inziens komt het NRv ruimschoots tegemoet aan de behoefte tot het
houden van pleidooien. Zo biedt art. 30k lid 1 onder b de mogelijkheid
aan partijen om mondeling hun stellingen te onderbouwen. Tevens kan de
mondelinge behandeling in elke stand van het geding worden "verlengd" of
ingelast, zie art. 30o lid 1 onder c NRv. Op grond van art. 30o NRv
komt de rechter discretionaire bevoegdheid toe om aan de procedure naar
eigen inzicht, met het oog op een goede instructie van de zaak,
invulling te geven.
5.2.3. Verhoor van getuigen (art. 30k lid 2 NRv)
Met voorafgaande toestemming van de rechter, kunnen getuigen en partijdeskundigen worden gehoord. De namen en woonplaatsen van getuigen worden ten minste tien dagen vóór het verhoor aan de wederpartij en griffier opgegeven; de belanghebbende partij roept de getuigen ten minste tien dagen voor verhoor bij exploot of aangetekende brief op (art. 170 lid 1 NRv). De negende afdeling van de tweede titel is van overeenkomstige toepassing, onverminderd art. 284 lid 1 NRv; dit houdt in dat de regeling van toepassing is op verzoekprocedures, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet.
5.2.4. Indiening van processtukken (art. 30k lid 5-6 NRv)
Indien een partij zich bij procesinleiding, verweerschrift, conclusie of akte op enig stuk beroept, is zij verplicht een afschrift van het stuk bij te voegen (art. 85 lid 1 NRv). Verlangt de wederpartij inzage in het processtuk, dan is de partij die zich op het stuk beroept, verplicht dit ter griffie te deponeren (art. 85 lid 2 NRv). Is aan enig voorschrift van art. 85 NRv of art. 30k lid 5 NRv niet voldaan, dan kan de wederpartij zich daarop tot aan het eindvonnis beroepen (art. 85 lid 3 NRv).
Onverminderd art. 85, dienen processtukken en andere stukken zoveel mogelijk onmiddellijk bij de indiening van de procesinleiding en het verweerschrift, tot uiterlijk tien dagen vóór de mondelinge behandeling te worden ingediend, tenzij bij wet anders is bepaald. Stukken die na deze termijn zijn ingediend, worden buiten beschouwing gelaten, tenzij de indiener redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest (art. 30c lid 8 NRv) , of tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet (art. 30k lid 5 NRv).
De rechter bepaalt een nadere termijn, wanneer een bevel als bedoeld in art. 22 NRv is gegeven (art. 30k lid 6 NRv). Op grond van art. 22 kan de rechter in elke stand van het geding overlegging van processtukken bevelen.
5.3. Uitspraak (art. 30p NRv)
De rechter kan, indien alle partijen op de mondelinge behandeling zijn verschenen, tijdens of na de mondelinge behandeling ter zitting mondeling uitspraak doen (art. 30p lid 1 NRv). In afwijking van de artikelen 230 NRv (vereisten aan het vonnis, per definitie op schrift gesteld) en 287 NRv, bestaat de mondelinge uitspraak uit de beslissingen en de gronden daarvan (art. 30p lid 2 NRv).
Voordien kon van de regeling inzake het schriftelijke vonnis ex. art. 230 en 231 lid 1 Rv (oud) slechts worden afgeweken, indien (art. 232 Rv (oud) ):
a. een tussenvonnis werd gewezen bij verschijning van alle partijen als bedoeld in art. 87 en 88;
b. indien een tussenvonnis werd gewezen ter beslissing op een incidentele vordering en de wederpartij te kennen heeft gegeven tegen toewijzing geen bezwaar te hebben.
5.3.1. Proces-verbaal uitspraak (art. 30p lid 3 en 5 NRv)
Van de mondelinge uitspraak wordt proces-verbaal opgemaakt (art. 30p lid 3 NRv) en het proces-verbaal wordt binnen twee weken beschikbaar gesteld aan partijen (art. 30p lid 5 NRv). Een mogelijk knelpunt dat uit de laatste bepaling voortvloeit, is dat de termijn voor het aanwenden van rechtsmiddelen (hoger beroep resp. beroep in cassatie) direct na de uitspraak begint te lopen.
5.3.2. Termijn schriftelijke uitspraak (art. 30q NRv)
Tenzij mondeling uitspraak wordt gedaan, doet de rechter in kantonzaken binnen vier weken en in andere zaken binnen zes weken na afloop van de mondelinge behandeling of na het verrichten van de laatste proceshandeling, schriftelijk uitspraak (art. 30q lid 1 NRv). In bijzondere gevallen kan de rechter de termijn verlengen (art. 30q lid 2 NRv). Alleen op het gezamenlijk verlangen van de in het geding verschenen partijen kan de rechter de uitspraak uitstellen of achterwege laten (art. 30q lid 3 NRv).
6. Concentratie van verweer
6.1. De vervanging van art. 128 Rv oud door art. 30i NRv en art. 128 NRv
De concentratie van verweer is
neergelegd in art. 30i NRv; dit artikel is, zoals uit het eerste lid
blijkt, zowel van toepassing op de vorderingsprocedure (voorheen:
dagvaardingsprocedure), als op de verzoekprocedure.
Onder het NRv zal
niet langer worden gesproken van "gedaagde", maar van "verweerder". De eerste twee leden van art. 128 Rv
(oud) luidden:
Art. 128 (oud) Rv:
1. Indien de gedaagde bij
gemachtigde of advocaat procedeert, deelt hij op de eerste roldatum de
naam en het (kantoor)adres van gemachtigde of advocaat mede;
2. De gedaagde neemt zijn met redenen omklede conclusie van antwoord op de eerste of nader te bepalen roldatum,
doch niet nadat hij het verschuldigde griffierecht heeft voldaan. De
rechter houdt de zaak aan zolang de termijn [..] nog loopt.
Leden 3 tot en met 7 van art. 128 Rv (oud) zullen worden verplaatst naar art. 30i NRv of worden vervangen door art. 128 NRv.
Art. 128 Nieuw Rv zal als volgt komen te luiden (de verschillen met Rv (oud) zijn gecursiveerd):
1. Indien de verweerder bij gemachtigde of advocaat procedeert, deelt hij de naam en het adres van de gemachtigde of advocaat mede zodra hij in de procedure verschijnt als bedoeld in art. 114;
2. Indiening van het verweerschrift
geschiedt niet dan nadat de verweerder het verschuldigde griffierecht
heeft voldaan. De rechter houdt de zaak aan zolang de termijn [..] nog
loopt;
3. [ identiek aan art. 128 lid 6 Rv (oud)];
4. [ identiek aan art. 128 lid 7 Rv (oud)].
De met redenen omklede conclusie van antwoord is verwijderd uit art. 128 lid 2 NRv en verplaatst naar art. 30i lid 1 NRv, dat luidt:
Art. 30i NRv:
1.
Iedere verweerder in een vorderingsprocedure en iedere belanghebbende
in een verzoekprocedure kan binnen de daarvoor gestelde termijn zijn met redenen omkleed antwoord schriftelijk bij de rechter indienen.
Het
tweede lid van art. 30i NRv biedt de mogelijkheid tot mondeling verweer
en het mondeling nemen van conclusies en akten in zaken waarin partijen
in persoon kunnen procederen (sector kanton).
Belangrijk is het
vierde lid van art. 30i NRv, waarin de concentratie van verweer is
neergelegd, ter vervanging van art. 128 lid 3 Rv (oud):
Art. 30i NRv:
4. De verweerder brengt alle excepties en zijn verweer ten principale tegelijk naar voren, op straffe van verval.
Art. 30i lid 5 NRv (termijn voor concentratie van verweer) vervangt art. 128 lid 4 Rv (oud);
Art. 30i lid 6 NRv (bewijsmiddelen) vervangt art. 128 lid 5 Rv (oud);
Art. 30i leden 7 t/m 9 NRv zijn ingevoegd als aanvulling op de bepalingen die voordien waren neergelegd in art. 128 Rv (oud).
200.000 bezoekers | Strafrecht & Privaatrecht | Juridisch: uitleg voor studenten die zich toeleggen op de togaberoepen |
Posts tonen met het label NRv. Alle posts tonen
Posts tonen met het label NRv. Alle posts tonen
vrijdag 9 juni 2017
KEI. Enkele veranderingen door de komst van NRv (deel II)
woensdag 7 juni 2017
KEI. Enkele veranderingen door de komst van NRv (deel I)
Achtergrond: Kwaliteit en Innovatie rechtspraak en het NRv
Het huidige Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv (oud) ) wordt op dit moment gefaseerd gewijzigd door het project-KEI (Kwaliteit en Innovatie rechtspraak). Het Nieuwe wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna te noemen: NRv) dient op een voor de "gewone man" begrijpelijke wijze te worden geformuleerd, Burgerlijke Rechtsvordering is immers recht ten behoeve van de burger en verbintenissen op grond van het burgerlijk recht.
Onder het NRv zal de taak van de deurwaarder aanzienlijk worden ingeperkt. De deurwaarder en de betekening van het exploot van dagvaarding worden zoveel mogelijk vervangen door de digitale weg en door oproeping via de griffier.
In de vorderingsprocedure komt de nadruk te liggen op de mondelinge behandeling, anders dan bij de dagvaardingsprocedure onder Rv (oud) het geval was. In iedere fase van de procedure kan de rechter een mondelinge behandeling of regiezitting gelasten. De regiefunctie van de rechter is vastgelegd in art. 19 lid 2 NRv. Zoals ik nog nader zal toelichten, wordt deze regiefunctie uitgewerkt in onder meer de artikelen 30k in samenhang met 30l, 30o en 30p NRv. De concentratie van het verweer (excepties en verweer ten principale) en de eis in reconventie worden compacter gepresenteerd. Het pleidooi zal krijgt een andere plaats in de procedure en zal worden ontdaan van de definitie "pleidooi".
Met de invoeging van Derde afdeling A wordt een groot aantal procedurele bepalingen aan het Rv toegevoegd; de artikelen 30a-q zijn (inhoudelijk) de omvangrijkste.
Ik geef een overzicht van de belangrijkste veranderingen die het NRv brengt ten opzichte van het huidige Rv (oud). Ik baseer me daarbij op de vergelijking die ik heb gemaakt tussen de wetteksten van Rv (oud) en NRv (toekomstig Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
Vindplaats: Kamerstukken II 2014/15, 34 059, Nr. 2.
Overzicht
1. Algemene procedure bepalingen;
2. Procesinleiding;
3. Oproeping;
4. Verschijning van de verweerder in de procedure;
5. Mondelinge behandeling en uitspraak (zie deel II);
6. Concentratie van verweer (zie deel II)
1. Algemene procedurele bepalingen
1.1. Vorderingsprocedures en verzoekprocedures (art. 30a lid 2 NRv)
Het oude Rv maakt onderscheid tussen de dagvaardingsprocedure (Eerste Boek, Tweede titel art. 78-253 Rv (oud)) en de verzoekschriftprocedure (Eerste Boek, Derde titel art. 261-291 Rv (oud) ).
Art. 30a lid 2 NRv vervangt "dagvaardingsprocedure" door "vorderingsprocedure" en "verzoekschriftprocedure" door "verzoekprocedure".
1.1.1. Aanhangigheid van het geding (art. 125 NRv)
Het geding is aanhangig met ingang van de dag waarop de procesinleiding is ingediend als bedoeld in art. 30a lid 1 NRv (art. 125 NRv).
1.2. Combinatie van vordering en verzoek (art. 30b NRv)
Het instellen van een vordering en het indienen van een verzoek kunnen worden gecombineerd tot één procesinleiding, mits tussen de vordering en het verzoek voldoende samenhang bestaat en de Nederlandse rechter bevoegd is (art. 30b lid 1 NRv).
Wordt art. 30b lid 1 NRv toegepast, dan zijn de bepalingen van de vorderingsprocedure van toepassing, tenzij de aard van de bepalingen zich daartegen verzet of tenzij uit de wet of de rechter met het oog op een goede procesorde, anders bepaalt (art. 30b lid 2 NRv).
Ten aanzien van de niet-tijdige betaling van griffierechten en het instellen van hoger beroep en cassatie gelden evenwel andere regels (art. 30b lid 3 NRv).
1.3.1. Gevolgen niet-tijdige betaling griffierechten in de vorderingsprocedure
Niet-tijdige voldoening door eiser
Voldoet de eiser in de vorderingsprocedure niet tijdig het griffierecht, dan wordt verweerder ontslagen van de instantie, met veroordeling van eiser in de kosten (art. 127a lid 2 NRv).
Niet-tijdige voldoening door verweerder
Voldoet verweerder in de vorderingsprocedure niet tijdig het griffierecht, dan wordt hij bij verstek veroordeeld (art. 128 lid 3 NRv).
1.3.2. Gevolgen niet-tijdige betaling griffierechten in de verzoekprocedure
Niet-tijdige voldoening door verzoeker
Voldoet verzoeker in de verzoekprocedure niet tijdig het griffierecht, dan wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard (art. 282a lid 2 NRv).
Niet-tijdige voldoening door verweerder
Voldoet belanghebbende in de verzoekprocedure niet tijdig het griffierecht, dan wordt zijn verweerschrift niet betrokken bij de beslissing van de rechter op het verzoek (art. 282a lid 3 NRv).
2. Procesinleiding
2.1. Eén regeling voor de inleiding van de vorderings- of verzoekprocedure (art. 30a lid 1 NRv)
Rv (oud) brengt onderscheid aan in de manieren waarop de dagvaarding en verzoekschriftprocedure moeten worden ingeleid, bij exploot (art. 111 lid 1 Rv (oud) ) onderscheidenlijk bij verzoekschrift (art. 261 lid 1 (oud) ).
Deze artikel(led)en zijn vervangen door art. 30a lid 1 NRv, waarin is bepaald dat de eiser of verzoeker zijn vordering instelt, resp. zijn verzoek indient, door middel van een procesinleiding.
Artikel 45 NRv ziet op de betekening en inhoud van exploten. Dit artikel komt niet te vervallen, omdat het eisen stelt aan de betekening van exploten in algemene zin. De verwijzing van art. 111 Rv (oud) naar de minimumvereisten in art. 45 Rv (oud) (vormvoorschriften exploten) is geschrapt, omdat in art. 111 NRv "dagvaarding, betekend door de deurwaarder" is vervangen door "oproepingsbericht, verzonden door de griffier". De betekening van de dagvaarding ter inleiding van het proces is niet langer noodzakelijk, daarom zijn art. 111 Rv en art. 45 Rv ontkoppeld. Let erop, dat betekening van de procesinleiding wel degelijk mogelijk blijft (art. 113 NRv en art. 30a lid 3 onder c NRv, laatste volzin).
2.2. Vereisten aan de procesinleiding (art. 30a lid 3 NRv)
Omdat de procesinleiding niet compleet is zonder een minimum aan gegevens, is een deel van art. 45 Rv (oud) (vormvoorschriften exploten) overgenomen in art. 30a lid 3 NRv.
De procesinleiding vermeldt ten minste:
a. de naam en bij natuurlijke personen tevens de voornamen van de eiser of verzoeker, de door eiser gekozen woonplaats resp. de woonplaats, of het werkelijk verblijf van verzoeker;
b. de naam en woonplaats van de verweerder in vorderingsprocedures; de bij de verzoeker bekende namen en woonplaats van de belanghebbende in verzoekprocedures;
c. de dag waarop in de vorderingsprocedure de verweerder ten laatste kan verschijnen (ten minste vier weken en uiterlijk zes maanden na de dag van indiening van de procesinleiding bij de rechter); in geval van toepassing van art. 113 ten minste twee weken en uiterlijk zes maanden na betekening van de procesinleiding (bij exploot) aan de verweerder;
d. de vordering of het verzoek en de gronden waarop het berust;
e. de naam en het kantooradres van gemachtigde of advocaat, indien aangewezen door eiser of verzoeker;
f. de door de verweerder tegen de vordering of door de belanghebbende tegen het verzoek aangevoerde verweren en de gronden daarvoor;
g. de bewijsmiddelen waarover eiser of verzoeker kan beschikken tot staving van de betwiste gronden van zijn vordering of verzoek, en de getuigen die hij daartoe kan horen;
h. de aanwijzing van de bevoegde rechter die van de zaak kennisneemt.
2.3. Procesinleiding langs de digitale weg (art. 30c NRv)
In beginsel dient de eiser of verzoeker de procesinleiding langs elektronische weg in bij de rechter (art. 30c lid 1 NRv). Gedurende de procedure dienen partijen en anderen dan partijen, die bij de procedure worden betrokken, ook overige stukken in langs de elektronische weg. "Anderen dan partijen" zijn géén derden die zich door tussenkomst in de procedure voegen; zij worden door voeging of tussenkomst immers partij in de procedure. (art. 217 Rv (oud) ).
De verplichting tot digitaal procederen geldt niet voor natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte, tenzij zij worden vertegenwoordigd door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent (art. 30c lid 4 NRv).
2.4. Zaak pas aanhangig op dag indiening procesinleiding (art. 125 NRv)
Aandacht verdient de bepaling van art. 125 NRv. Het geding is pas aanhangig met ingang van de dag waarop de procesinleiding is ingediend als bedoeld in art. 30a lid 1 NRv (art. 125 NRv). Het eerder doen betekenen van het oproepingsbericht, in afwijking van art. 112 NRv, is wel mogelijk (art. 113 lid 1 NRv). De eiser dient zich er wel van te vergewissen dat art. 113 lid 2 NRv enigszins misleidend is geformuleerd: het langs officiële weg betekenen van het oproepingsbericht brengt niet mee dat het geding aanhangig is. Eiser dient na de betekening van het oproepingsbericht, onverwijld het exploot van betekening van het oproepingsbericht en de procesinleiding in (art. 113 lid 3 NRv).
3. Oproeping
3.1. Onderscheid vorderingszaken en verzoekprocedures
In vorderingszaken is de griffier verantwoordelijk voor het zenden van het oproepingsbericht aan de eiser (art. 111 NRv). De eiser, op zijn beurt, zorgt ervoor dat de verweerder in de vorderingsprocedure het oproepingsbericht ontvangt (art. 112 e.v. NRv).
In verzoekprocedures roept de griffier de verzoekers en in de procedure verschenen belanghebbenden schriftelijk op (art. 271 NRv).
3.2. Oproepingsbericht (art. 111 NRv)
De griffier stuurt de eiser een oproepingsbericht na ontvangst van de procesinleiding (art. 111 lid 1 NRv).
In het oproepingsbericht vermeldt de griffier ten minste (art. 111 lid 2 NRv):
a. in zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen (kanton): de wijze waarop de verweerder in de procedure moet verschijnen, te weten in persoon of bij gemachtigde en de wijze waarop en de termijn waarbinnen verweerder zich kan verweren, zoals bepaald in art. 30i lid 2 en art. 82;
b. in zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen: de wijze waarop verweerder in de procedure moet verschijnen, te weten vertegenwoordigd door een advocaat;
c. de dag waarop verweerder ten laatste zijn verweerschrift in kan dienen: in kantonzaken vier weken en in andere zaken zes weken na de dag waarop hij als verweerder in de procedure is verschenen als bedoeld in art. 114;
d. de rechtsgevolgen van verstekverlening op grond van art. 139, of het door het niet-tijdig voldoen van door zijn verschijning verschuldigde griffierecht in zaken, niet-zijnde kantonzaken of zaken in kort geding;
e. indien er verschillende verweerders zijn, het in art. 140 lid 3 genoemde rechtsgevolg dat intreedt (het tussen alle partijen wijzen van één vonnis, dat als een contradictoir vonnis heeft te gelden, waardoor verzet niet mogelijk is) indien niet alle verweerders op de voorgeschreven wijze in de procedure zijn verschenen;
f. indien het een zaak betreft met verschillende verweerders: mededelingen over het eenmalig (gezamenlijk) verschuldigde griffierecht;
g. mededeling of van verweerders griffierecht zal worden geheven;
h. in het geval van een kort geding, de plaats, dag en uur van de mondelinge behandeling.
3.3. Wijzen van oproeping door eiser in vorderingszaken (art. 112 NRv)
Optie 1. Het oproepingsbericht als bedoeld in art. 111 wordt bij de verweerder bij exploot betekend;
Optie 2. Het oproepingsbericht wordt door eiser op andere wijze bezorgd;
In beide gevallen binnen twee weken na de dag van indiening van de procesinleiding, tenzij de wet anders bepaalt. Het exploot van betekening van het oproepingsbericht wordt door eiser ingediend uiterlijk op de dag voorafgaande aan de dag waarop de verweerder ten laatste kan verschijnen, tenzij verweerder eerder is verschenen (art. 112 lid 1 NRv).
3.3.1. Informele oproeping in vorderingszaken en het niet-verschijnen van verweerder
Heeft de eiser het oproepingsbericht bezorgd op andere wijze en verschijnt de verweerder niet uiterlijk op de laatste dag waarop hij diende te verschijnen, dan kan eiser binnen een termijn van twee weken na de dag waarop verweerder uiterlijk diende te verschijnen, het oproepingsbericht doen betekenen. De termijn om te verschijnen (art. 30a lid 3 onder c NRv) wordt verlengd met vier weken na de laatste dag waarop verweerder diende te verschijnen (art. 112 lid 2 NRv). Leden 1 en 2 worden van toepassing verklaard op de procesinleiding die is ingediend voor een combinatie van de vorderings- en verzoekprocedure (art. 112 lid 4 NRv).
Laat de eiser de oproeping bij exploot achterwege, dan wordt hij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering (art. 112 lid 3 NRv). In dat geval wordt geen verstek verleend aan de niet-verschenen verweerder.
De deurwaarder kan bij toepassing van art. 112 lid 2 het oproepingsbericht en de procesinleiding verbeteren of aanvullen, met dien verstande dat de eis niet gewijzigd mag worden (art. 112 lid 5 NRv).
4. Verschijning van de verweerder in de procedure
4.1. Termijn (art. 30a lid 3 onder c NRv)
De termijn waarbinnen de verweerder dient te verschijnen, is afhankelijk van de wijze waarop de eiser de verweerder heeft opgeroepen:
Optie 1: is verweerder op de voet van art. 112 NRv opgeroepen, dan is de termijn ten minste vier weken en uiterlijk zes maanden (art. 30a lid 3 onder c NRv);
Optie 2: is verweerder op de voet van art. 113 NRv opgeroepen, heeft eiser aldus de oproeping bij exploot laten betekenen vóórdat hij de procesinleiding heeft ingediend, dan is de termijn ten minste twee weken en uiterlijk zes maanden (art. 30a lid 3 onder c NRv).
4.1.1. Verschijningstermijn voor buiten Nederland woonachtige verweerder (art. 115 NRv)
Let op: heeft de verweerder woonplaats buiten Nederland, dan bepaalt art. 115 NRv, gelezen in samenhang met art. 30a lid 3 onder c NRv de verschijningstermijn.
4.2. Wijze van verschijnen (art. 114 NRv)
Een verweerder geldt als in de procedure verschenen:
a. in kantonzaken, indien hij binnen de gestelde termijn (art. 30a lid 3 onder c) de griffie schriftelijk bericht dat hij in de procedure betrokken wenst te worden of zijn verweerschrift indient;
b. in zaken voor de voorzieningenrechter, indien hij verschijnt op de mondelinge behandeling;
c. in alle overige zaken, indien hij binnen de termijn advocaat stelt.
4.3. Verweerschrift (art. 30i NRv)
Iedere verweerder in een vorderingsprocedure en iedere belanghebbende in een verzoekprocedure kan binnen de daarvoor geldende termijn zijn met redenen omkleed schriftelijk verweer bij de rechter indienen (art. 30i lid 1 NRv).
De termijn voor het indienen van het verweerschrift in vorderingsprocedures is zes weken na de dag waarop verweerder conform art. 114 in het geding is verschenen (art. 111 lid 2 onder c NRV). De termijn kan, met het oog op een goede instructie van de zaak, door de rechter worden verlengd op de voet van art. 30o NRv.
In de verzoekprocedure geldt dat de belanghebbende tot tien dagen voor aanvang van de mondelinge behandeling zijn verweerschrift indient (art. 282 NRv). Op verzoekzaken is art. 30i NRv van toepassing; daarnaast zijn de art. 30a lid 3 onderdelen a en d en art. 278 van overeenkomstige toepassing verklaard op de verzoekprocedure (art. 282 NRv).
In kantonzaken kan het verweer ook mondeling worden gevoerd, en kunnen conclusies en akten mondeling worden genomen, mits de verweerder in persoon verschijnt (art. 30i lid 2 NRv). Ook ten aanzien van het mondeling verweer geldt, dat in elke stand van het geding een mondelinge behandeling kan worden gehouden of verlengd (art. 30o lid 1 onder c NRv).
4.3.1. Concentratie van verweer: excepties en verweer ten principale (art. 30i lid 4 NRv)
De verweerder brengt alle excepties en zijn verweer ten principale tegelijk naar voren, op straffe van verval van niet aangevoerde excepties en, indien niet ten principale verweer is gevoerd, verval van het recht om dit alsnog te doen (art. 30i lid 4 NRv).
4.3.2. Bewijs (art. 30i lid 6 NRv)
Het verweerschrift bevat de bewijsmiddelen waarover verweerder of belanghebbende kan beschikken tot staving van de gronden van zijn verweer, en de getuigen die hij daartoe kan doen horen (art. 30i lid 6 NRv). Processtukken, waaronder de bewijsmiddelen, dienen zoveel mogelijk onmiddellijk bij de procesinleiding en tot uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling te worden ingediend (art. 30k lid 5 NRv).
4.3.3. Tegenvordering/ tegenverzoek (art. 30i lid 8/ art. 282 NRv)
De bepalingen inzake reconventie 136-138 Rv (oud) zijn vervallen. Onder de nieuwe terminologie "tegenvordering en tegenverzoek" is in art. 30i lid 8 NRv een soortgelijke regeling getroffen, waarmee verweerder of belanghebbende een eis in reconventie in kan stellen. De nieuwe bepaling is compacter dan de verzameling artikelen in het huidige Rv (oud).
Het verweerschrift mag een tegenvordering of tegenverzoek bevatten, tenzij de oorspronkelijk eiser (de eiser in conventie) in hoedanigheid is opgetreden en de tegenvordering of het tegenverzoek hem persoonlijk zou betreffen of omgekeerd. Art. 30a lid 3 onder f en g is van overeenkomstige toepassing (art. 30i lid 8 NRv).
De redactie van art. 282 Rv (oud) is drastisch veranderd. Zo is de connexiteitseis uit het artikel verwijderd. De connexiteitseis hield in dat het verweerschrift een zelfstandig verzoek mocht bevatten, mits dit betrekking had op onderwerp van het oorspronkelijke verzoek (art. 282 lid 4 Rv (oud) ). Aan het tegenverzoek in de verzoekschriftprocedure van art. 282 Rv (oud) waren dus andere voorwaarden verbonden dan de eis van reconventie in de dagvaardingsprocedure van art. 136 Rv (oud).
Het onderscheid tussen de tegenvordering (voorheen: reconventie) en het tegenverzoek is minder scherp geworden door de komst van art. 30i NRv. Het is zelfs zo, dat het instellen van tegenvordering of tegenverzoek niet langer afhankelijk is gesteld van de gevolgde procedure. Voorwaarde voor het instellen van een tegenvordering/ tegenverzoek is slechts, dat een gezamenlijke behandeling van beide vormen vanuit het oogpunt van doelmatigheid is gerechtvaardigd.
Het huidige Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv (oud) ) wordt op dit moment gefaseerd gewijzigd door het project-KEI (Kwaliteit en Innovatie rechtspraak). Het Nieuwe wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna te noemen: NRv) dient op een voor de "gewone man" begrijpelijke wijze te worden geformuleerd, Burgerlijke Rechtsvordering is immers recht ten behoeve van de burger en verbintenissen op grond van het burgerlijk recht.
Onder het NRv zal de taak van de deurwaarder aanzienlijk worden ingeperkt. De deurwaarder en de betekening van het exploot van dagvaarding worden zoveel mogelijk vervangen door de digitale weg en door oproeping via de griffier.
In de vorderingsprocedure komt de nadruk te liggen op de mondelinge behandeling, anders dan bij de dagvaardingsprocedure onder Rv (oud) het geval was. In iedere fase van de procedure kan de rechter een mondelinge behandeling of regiezitting gelasten. De regiefunctie van de rechter is vastgelegd in art. 19 lid 2 NRv. Zoals ik nog nader zal toelichten, wordt deze regiefunctie uitgewerkt in onder meer de artikelen 30k in samenhang met 30l, 30o en 30p NRv. De concentratie van het verweer (excepties en verweer ten principale) en de eis in reconventie worden compacter gepresenteerd. Het pleidooi zal krijgt een andere plaats in de procedure en zal worden ontdaan van de definitie "pleidooi".
Met de invoeging van Derde afdeling A wordt een groot aantal procedurele bepalingen aan het Rv toegevoegd; de artikelen 30a-q zijn (inhoudelijk) de omvangrijkste.
Ik geef een overzicht van de belangrijkste veranderingen die het NRv brengt ten opzichte van het huidige Rv (oud). Ik baseer me daarbij op de vergelijking die ik heb gemaakt tussen de wetteksten van Rv (oud) en NRv (toekomstig Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
Vindplaats: Kamerstukken II 2014/15, 34 059, Nr. 2.
Overzicht
1. Algemene procedure bepalingen;
2. Procesinleiding;
3. Oproeping;
4. Verschijning van de verweerder in de procedure;
5. Mondelinge behandeling en uitspraak (zie deel II);
6. Concentratie van verweer (zie deel II)
1. Algemene procedurele bepalingen
1.1. Vorderingsprocedures en verzoekprocedures (art. 30a lid 2 NRv)
Het oude Rv maakt onderscheid tussen de dagvaardingsprocedure (Eerste Boek, Tweede titel art. 78-253 Rv (oud)) en de verzoekschriftprocedure (Eerste Boek, Derde titel art. 261-291 Rv (oud) ).
Art. 30a lid 2 NRv vervangt "dagvaardingsprocedure" door "vorderingsprocedure" en "verzoekschriftprocedure" door "verzoekprocedure".
1.1.1. Aanhangigheid van het geding (art. 125 NRv)
Het geding is aanhangig met ingang van de dag waarop de procesinleiding is ingediend als bedoeld in art. 30a lid 1 NRv (art. 125 NRv).
1.2. Combinatie van vordering en verzoek (art. 30b NRv)
Het instellen van een vordering en het indienen van een verzoek kunnen worden gecombineerd tot één procesinleiding, mits tussen de vordering en het verzoek voldoende samenhang bestaat en de Nederlandse rechter bevoegd is (art. 30b lid 1 NRv).
Wordt art. 30b lid 1 NRv toegepast, dan zijn de bepalingen van de vorderingsprocedure van toepassing, tenzij de aard van de bepalingen zich daartegen verzet of tenzij uit de wet of de rechter met het oog op een goede procesorde, anders bepaalt (art. 30b lid 2 NRv).
Ten aanzien van de niet-tijdige betaling van griffierechten en het instellen van hoger beroep en cassatie gelden evenwel andere regels (art. 30b lid 3 NRv).
1.3.1. Gevolgen niet-tijdige betaling griffierechten in de vorderingsprocedure
Niet-tijdige voldoening door eiser
Voldoet de eiser in de vorderingsprocedure niet tijdig het griffierecht, dan wordt verweerder ontslagen van de instantie, met veroordeling van eiser in de kosten (art. 127a lid 2 NRv).
Niet-tijdige voldoening door verweerder
Voldoet verweerder in de vorderingsprocedure niet tijdig het griffierecht, dan wordt hij bij verstek veroordeeld (art. 128 lid 3 NRv).
1.3.2. Gevolgen niet-tijdige betaling griffierechten in de verzoekprocedure
Niet-tijdige voldoening door verzoeker
Voldoet verzoeker in de verzoekprocedure niet tijdig het griffierecht, dan wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard (art. 282a lid 2 NRv).
Niet-tijdige voldoening door verweerder
Voldoet belanghebbende in de verzoekprocedure niet tijdig het griffierecht, dan wordt zijn verweerschrift niet betrokken bij de beslissing van de rechter op het verzoek (art. 282a lid 3 NRv).
2. Procesinleiding
2.1. Eén regeling voor de inleiding van de vorderings- of verzoekprocedure (art. 30a lid 1 NRv)
Rv (oud) brengt onderscheid aan in de manieren waarop de dagvaarding en verzoekschriftprocedure moeten worden ingeleid, bij exploot (art. 111 lid 1 Rv (oud) ) onderscheidenlijk bij verzoekschrift (art. 261 lid 1 (oud) ).
Deze artikel(led)en zijn vervangen door art. 30a lid 1 NRv, waarin is bepaald dat de eiser of verzoeker zijn vordering instelt, resp. zijn verzoek indient, door middel van een procesinleiding.
Artikel 45 NRv ziet op de betekening en inhoud van exploten. Dit artikel komt niet te vervallen, omdat het eisen stelt aan de betekening van exploten in algemene zin. De verwijzing van art. 111 Rv (oud) naar de minimumvereisten in art. 45 Rv (oud) (vormvoorschriften exploten) is geschrapt, omdat in art. 111 NRv "dagvaarding, betekend door de deurwaarder" is vervangen door "oproepingsbericht, verzonden door de griffier". De betekening van de dagvaarding ter inleiding van het proces is niet langer noodzakelijk, daarom zijn art. 111 Rv en art. 45 Rv ontkoppeld. Let erop, dat betekening van de procesinleiding wel degelijk mogelijk blijft (art. 113 NRv en art. 30a lid 3 onder c NRv, laatste volzin).
2.2. Vereisten aan de procesinleiding (art. 30a lid 3 NRv)
Omdat de procesinleiding niet compleet is zonder een minimum aan gegevens, is een deel van art. 45 Rv (oud) (vormvoorschriften exploten) overgenomen in art. 30a lid 3 NRv.
De procesinleiding vermeldt ten minste:
a. de naam en bij natuurlijke personen tevens de voornamen van de eiser of verzoeker, de door eiser gekozen woonplaats resp. de woonplaats, of het werkelijk verblijf van verzoeker;
b. de naam en woonplaats van de verweerder in vorderingsprocedures; de bij de verzoeker bekende namen en woonplaats van de belanghebbende in verzoekprocedures;
c. de dag waarop in de vorderingsprocedure de verweerder ten laatste kan verschijnen (ten minste vier weken en uiterlijk zes maanden na de dag van indiening van de procesinleiding bij de rechter); in geval van toepassing van art. 113 ten minste twee weken en uiterlijk zes maanden na betekening van de procesinleiding (bij exploot) aan de verweerder;
d. de vordering of het verzoek en de gronden waarop het berust;
e. de naam en het kantooradres van gemachtigde of advocaat, indien aangewezen door eiser of verzoeker;
f. de door de verweerder tegen de vordering of door de belanghebbende tegen het verzoek aangevoerde verweren en de gronden daarvoor;
g. de bewijsmiddelen waarover eiser of verzoeker kan beschikken tot staving van de betwiste gronden van zijn vordering of verzoek, en de getuigen die hij daartoe kan horen;
h. de aanwijzing van de bevoegde rechter die van de zaak kennisneemt.
2.3. Procesinleiding langs de digitale weg (art. 30c NRv)
In beginsel dient de eiser of verzoeker de procesinleiding langs elektronische weg in bij de rechter (art. 30c lid 1 NRv). Gedurende de procedure dienen partijen en anderen dan partijen, die bij de procedure worden betrokken, ook overige stukken in langs de elektronische weg. "Anderen dan partijen" zijn géén derden die zich door tussenkomst in de procedure voegen; zij worden door voeging of tussenkomst immers partij in de procedure. (art. 217 Rv (oud) ).
De verplichting tot digitaal procederen geldt niet voor natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte, tenzij zij worden vertegenwoordigd door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent (art. 30c lid 4 NRv).
2.4. Zaak pas aanhangig op dag indiening procesinleiding (art. 125 NRv)
Aandacht verdient de bepaling van art. 125 NRv. Het geding is pas aanhangig met ingang van de dag waarop de procesinleiding is ingediend als bedoeld in art. 30a lid 1 NRv (art. 125 NRv). Het eerder doen betekenen van het oproepingsbericht, in afwijking van art. 112 NRv, is wel mogelijk (art. 113 lid 1 NRv). De eiser dient zich er wel van te vergewissen dat art. 113 lid 2 NRv enigszins misleidend is geformuleerd: het langs officiële weg betekenen van het oproepingsbericht brengt niet mee dat het geding aanhangig is. Eiser dient na de betekening van het oproepingsbericht, onverwijld het exploot van betekening van het oproepingsbericht en de procesinleiding in (art. 113 lid 3 NRv).
3. Oproeping
3.1. Onderscheid vorderingszaken en verzoekprocedures
In vorderingszaken is de griffier verantwoordelijk voor het zenden van het oproepingsbericht aan de eiser (art. 111 NRv). De eiser, op zijn beurt, zorgt ervoor dat de verweerder in de vorderingsprocedure het oproepingsbericht ontvangt (art. 112 e.v. NRv).
In verzoekprocedures roept de griffier de verzoekers en in de procedure verschenen belanghebbenden schriftelijk op (art. 271 NRv).
3.2. Oproepingsbericht (art. 111 NRv)
De griffier stuurt de eiser een oproepingsbericht na ontvangst van de procesinleiding (art. 111 lid 1 NRv).
In het oproepingsbericht vermeldt de griffier ten minste (art. 111 lid 2 NRv):
a. in zaken waarin partijen in persoon kunnen procederen (kanton): de wijze waarop de verweerder in de procedure moet verschijnen, te weten in persoon of bij gemachtigde en de wijze waarop en de termijn waarbinnen verweerder zich kan verweren, zoals bepaald in art. 30i lid 2 en art. 82;
b. in zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen: de wijze waarop verweerder in de procedure moet verschijnen, te weten vertegenwoordigd door een advocaat;
c. de dag waarop verweerder ten laatste zijn verweerschrift in kan dienen: in kantonzaken vier weken en in andere zaken zes weken na de dag waarop hij als verweerder in de procedure is verschenen als bedoeld in art. 114;
d. de rechtsgevolgen van verstekverlening op grond van art. 139, of het door het niet-tijdig voldoen van door zijn verschijning verschuldigde griffierecht in zaken, niet-zijnde kantonzaken of zaken in kort geding;
e. indien er verschillende verweerders zijn, het in art. 140 lid 3 genoemde rechtsgevolg dat intreedt (het tussen alle partijen wijzen van één vonnis, dat als een contradictoir vonnis heeft te gelden, waardoor verzet niet mogelijk is) indien niet alle verweerders op de voorgeschreven wijze in de procedure zijn verschenen;
f. indien het een zaak betreft met verschillende verweerders: mededelingen over het eenmalig (gezamenlijk) verschuldigde griffierecht;
g. mededeling of van verweerders griffierecht zal worden geheven;
h. in het geval van een kort geding, de plaats, dag en uur van de mondelinge behandeling.
3.3. Wijzen van oproeping door eiser in vorderingszaken (art. 112 NRv)
Optie 1. Het oproepingsbericht als bedoeld in art. 111 wordt bij de verweerder bij exploot betekend;
Optie 2. Het oproepingsbericht wordt door eiser op andere wijze bezorgd;
In beide gevallen binnen twee weken na de dag van indiening van de procesinleiding, tenzij de wet anders bepaalt. Het exploot van betekening van het oproepingsbericht wordt door eiser ingediend uiterlijk op de dag voorafgaande aan de dag waarop de verweerder ten laatste kan verschijnen, tenzij verweerder eerder is verschenen (art. 112 lid 1 NRv).
3.3.1. Informele oproeping in vorderingszaken en het niet-verschijnen van verweerder
Heeft de eiser het oproepingsbericht bezorgd op andere wijze en verschijnt de verweerder niet uiterlijk op de laatste dag waarop hij diende te verschijnen, dan kan eiser binnen een termijn van twee weken na de dag waarop verweerder uiterlijk diende te verschijnen, het oproepingsbericht doen betekenen. De termijn om te verschijnen (art. 30a lid 3 onder c NRv) wordt verlengd met vier weken na de laatste dag waarop verweerder diende te verschijnen (art. 112 lid 2 NRv). Leden 1 en 2 worden van toepassing verklaard op de procesinleiding die is ingediend voor een combinatie van de vorderings- en verzoekprocedure (art. 112 lid 4 NRv).
Laat de eiser de oproeping bij exploot achterwege, dan wordt hij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering (art. 112 lid 3 NRv). In dat geval wordt geen verstek verleend aan de niet-verschenen verweerder.
De deurwaarder kan bij toepassing van art. 112 lid 2 het oproepingsbericht en de procesinleiding verbeteren of aanvullen, met dien verstande dat de eis niet gewijzigd mag worden (art. 112 lid 5 NRv).
4. Verschijning van de verweerder in de procedure
4.1. Termijn (art. 30a lid 3 onder c NRv)
De termijn waarbinnen de verweerder dient te verschijnen, is afhankelijk van de wijze waarop de eiser de verweerder heeft opgeroepen:
Optie 1: is verweerder op de voet van art. 112 NRv opgeroepen, dan is de termijn ten minste vier weken en uiterlijk zes maanden (art. 30a lid 3 onder c NRv);
Optie 2: is verweerder op de voet van art. 113 NRv opgeroepen, heeft eiser aldus de oproeping bij exploot laten betekenen vóórdat hij de procesinleiding heeft ingediend, dan is de termijn ten minste twee weken en uiterlijk zes maanden (art. 30a lid 3 onder c NRv).
4.1.1. Verschijningstermijn voor buiten Nederland woonachtige verweerder (art. 115 NRv)
Let op: heeft de verweerder woonplaats buiten Nederland, dan bepaalt art. 115 NRv, gelezen in samenhang met art. 30a lid 3 onder c NRv de verschijningstermijn.
4.2. Wijze van verschijnen (art. 114 NRv)
Een verweerder geldt als in de procedure verschenen:
a. in kantonzaken, indien hij binnen de gestelde termijn (art. 30a lid 3 onder c) de griffie schriftelijk bericht dat hij in de procedure betrokken wenst te worden of zijn verweerschrift indient;
b. in zaken voor de voorzieningenrechter, indien hij verschijnt op de mondelinge behandeling;
c. in alle overige zaken, indien hij binnen de termijn advocaat stelt.
4.3. Verweerschrift (art. 30i NRv)
Iedere verweerder in een vorderingsprocedure en iedere belanghebbende in een verzoekprocedure kan binnen de daarvoor geldende termijn zijn met redenen omkleed schriftelijk verweer bij de rechter indienen (art. 30i lid 1 NRv).
De termijn voor het indienen van het verweerschrift in vorderingsprocedures is zes weken na de dag waarop verweerder conform art. 114 in het geding is verschenen (art. 111 lid 2 onder c NRV). De termijn kan, met het oog op een goede instructie van de zaak, door de rechter worden verlengd op de voet van art. 30o NRv.
In de verzoekprocedure geldt dat de belanghebbende tot tien dagen voor aanvang van de mondelinge behandeling zijn verweerschrift indient (art. 282 NRv). Op verzoekzaken is art. 30i NRv van toepassing; daarnaast zijn de art. 30a lid 3 onderdelen a en d en art. 278 van overeenkomstige toepassing verklaard op de verzoekprocedure (art. 282 NRv).
In kantonzaken kan het verweer ook mondeling worden gevoerd, en kunnen conclusies en akten mondeling worden genomen, mits de verweerder in persoon verschijnt (art. 30i lid 2 NRv). Ook ten aanzien van het mondeling verweer geldt, dat in elke stand van het geding een mondelinge behandeling kan worden gehouden of verlengd (art. 30o lid 1 onder c NRv).
4.3.1. Concentratie van verweer: excepties en verweer ten principale (art. 30i lid 4 NRv)
De verweerder brengt alle excepties en zijn verweer ten principale tegelijk naar voren, op straffe van verval van niet aangevoerde excepties en, indien niet ten principale verweer is gevoerd, verval van het recht om dit alsnog te doen (art. 30i lid 4 NRv).
4.3.2. Bewijs (art. 30i lid 6 NRv)
Het verweerschrift bevat de bewijsmiddelen waarover verweerder of belanghebbende kan beschikken tot staving van de gronden van zijn verweer, en de getuigen die hij daartoe kan doen horen (art. 30i lid 6 NRv). Processtukken, waaronder de bewijsmiddelen, dienen zoveel mogelijk onmiddellijk bij de procesinleiding en tot uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling te worden ingediend (art. 30k lid 5 NRv).
4.3.3. Tegenvordering/ tegenverzoek (art. 30i lid 8/ art. 282 NRv)
De bepalingen inzake reconventie 136-138 Rv (oud) zijn vervallen. Onder de nieuwe terminologie "tegenvordering en tegenverzoek" is in art. 30i lid 8 NRv een soortgelijke regeling getroffen, waarmee verweerder of belanghebbende een eis in reconventie in kan stellen. De nieuwe bepaling is compacter dan de verzameling artikelen in het huidige Rv (oud).
Het verweerschrift mag een tegenvordering of tegenverzoek bevatten, tenzij de oorspronkelijk eiser (de eiser in conventie) in hoedanigheid is opgetreden en de tegenvordering of het tegenverzoek hem persoonlijk zou betreffen of omgekeerd. Art. 30a lid 3 onder f en g is van overeenkomstige toepassing (art. 30i lid 8 NRv).
De redactie van art. 282 Rv (oud) is drastisch veranderd. Zo is de connexiteitseis uit het artikel verwijderd. De connexiteitseis hield in dat het verweerschrift een zelfstandig verzoek mocht bevatten, mits dit betrekking had op onderwerp van het oorspronkelijke verzoek (art. 282 lid 4 Rv (oud) ). Aan het tegenverzoek in de verzoekschriftprocedure van art. 282 Rv (oud) waren dus andere voorwaarden verbonden dan de eis van reconventie in de dagvaardingsprocedure van art. 136 Rv (oud).
Het onderscheid tussen de tegenvordering (voorheen: reconventie) en het tegenverzoek is minder scherp geworden door de komst van art. 30i NRv. Het is zelfs zo, dat het instellen van tegenvordering of tegenverzoek niet langer afhankelijk is gesteld van de gevolgde procedure. Voorwaarde voor het instellen van een tegenvordering/ tegenverzoek is slechts, dat een gezamenlijke behandeling van beide vormen vanuit het oogpunt van doelmatigheid is gerechtvaardigd.
zaterdag 3 juni 2017
Verloop van de dagvaardingsprocedure (3): reconventie, comparitie na antwoord, re- en dupliek en verstek (KEI: een vergelijking tussen het huidige Rv en NRv)
1.1. Eis van reconventie (onder het huidige Rv)
De gedaagde is bevoegd om een eis in reconventie in te stellen. De oorspronkelijke vordering, ingesteld door eiser, is de eis in conventie. De gedaagde is niet bevoegd om een eis in reconventie in te stellen, als de eiser in conventie is opgetreden in hoedanigheid (qualitate qua) en de reconventie hem persoonlijk zou betreffen, of omgekeerd (art. 136 Rv). Een eis van reconventie wordt dadelijk bij de conclusie van antwoord ingesteld (art. 137 Rv). Wordt verzet gedaan, dan vermeldt het exploot van verzet de eis van reconventie, onder vermelding van de gronden daarvan (art. 146 lid 2 Rv).
Art. 111 lid 3 Rv wordt op zowel art. 137 als 146 lid 2 Rv van toepassing verklaard.
De zaken in conventie en reconventie worden gelijktijdig behandeld en bij hetzelfde eindvonnis beslist. Dat de eis in reconventie een zelfstandige procedure betreft, blijkt uit de laatste volzin van art. 138 lid 1 Rv: oordeelt de rechter dat één van de zaken, die in conventie dan wel in reconventie, vroeger kan worden afgedaan, dan worden de zaken niet bij hetzelfde eindvonnis beslist.
Gelden er verschillende procedurele voorschriften ten aanzien van de zaak in conventie en reconventie, dan worden de zaken gesplitst. Dat is het geval als één van de zaken wordt voortgezet volgens de verzoekschriftprocedure, als de rechter op de voet van art. 71 Rv de zaak verwijst of als de rechter zich absoluut onbevoegd verklaart (art. 138 lid 2 Rv).
1.2. KEI: tegenvordering of tegenverzoek onder het Nieuwe Rv (art. 30i lid 8 NRv)
De artikelen 131-138 van Rv (oud), waaronder de artikelen inzake het instellen van de eis van reconventie, komen te vervallen.
De mogelijkheid voor verweerder om een eis in reconventie in te stellen, blijft onder het NRv echter gehandhaafd. De verweerder (voorheen: gedaagde) dient een met redenen omkleed verweerschrift in op grond van art. 30i lid 1 NRv. Daarbij is bepaald dat het verweerschrift een tegenverzoek of tegenvordering mag bevatten, tenzij de oorspronkelijke eiser of verzoeker is opgetreden in hoedanigheid en de tegenvordering of het tegenverzoek hem persoonlijk zou betreffen en omgekeerd. Art. 30a lid 3 onder f en g NRv is van overeenkomstige toepassing (art. 30i lid 8 NRv).
De regel dat de zaak in conventie en reconventie in beginsel bij hetzelfde vonnis worden afgedaan (art. 138 Rv (oud) ), tenzij de rechter anders bepaalt, is neergelegd in art. 30i lid 9 NRv.
Ten aanzien van de eis in reconventie brengen art. 30i lid 8 en 9 NRv dus niets anders dan een compacte herformulering van de terminologie.
2.1. Comparitie na antwoord onder het huidige Rv (art. 131 Rv (oud) )
Heeft de gedaagde voor antwoord geconcludeerd, dan beveelt de rechter een verschijning ter terechtzitting als bedoeld in art. 87 Rv, voor het treffen van een schikking, of art. 88 Rv, voor het geven van inlichtingen (art. 131 Rv). Tegen het bevel van comparitie, bij vonnis gegeven, staat geen rechtsmiddel open.
2.2. KEI: de mondelinge behandeling centraal onder NRv (vervallen art. 131-138 Rv (oud) )
Uit een aantal opeenvolgende artikelen blijkt dat de mondelinge behandeling prevaleert in het NRv:
a. Mondelinge conclusies en akten (art. 30i NRv).
In kantonzaken kan mondeling verweer worden gevoerd en reeds in de eerste fase, die onder het oude Rv schriftelijk was, kunnen mondelinge conclusies en akten worden genomen (art. 30i lid 2 NRv);
b. Mondelinge behandeling al aan het begin van het proces centraal (art. 30j NRv).
Zodra de verweerder in de procedure is verschenen, bepaalt de rechter wanneer de mondelinge behandeling plaatsvindt (art. 30j lid 1 NRv);
c. Vervanging comparitie na antwoord (art. 30j-o NRv).
De regeling omtrent de comparitie na antwoord (art. 131 Rv (oud) ) komt te vervallen, maar een soortgelijke regeling is getroffen in art. 30j-o NRv.
Tijdens de mondelinge behandeling worden partijen in de gelegenheid gesteld om hun stellingen toe te lichten. De rechter kan partijen verzoeken om inlichtingen, een schikking beproeven of aanwijzingen geven (art. 30k lid 1 onder a-e NRv);
d. Mogelijkheid tot pleidooi (art. 30k NRv).
Onder het oude Rv werd in beginsel géén ruimte geboden voor pleidooien, omdat het zwaartepunt immers bij de comparitie na antwoord (art. 131 Rv (oud) ) lag; hoofdregel was dat bij uitzondering gelegenheid geboden werd voor pleidooien (art. 134 Rv (oud) ). Art. 134 Rv wordt geschrapt. Het recht op pleidooi is inhoudelijk niet vervallen, maar er wordt niet langer een onderscheid aangebracht tussen comparitie na antwoord en pleidooi ( art. 30k lid 1 en art. 30o NRv);
e. Gelegenheid tot re- en dupliek (art. 30o lid 1 NRv).
Tot re- en dupliek wordt onder het NRv in beginsel gelegenheid geboden, wat logisch is: met het schrappen van art. 131 en art. 132 Rv (oud) vervalt de regel, dat de gelegenheid tot het concluderen voor re- en dupliek in beginsel slechts wordt geboden als geen comparitie na antwoord is bevolen. Art. 132 lid 2 Rv (oud) inzake re- en dupliek is bijna letterlijk overgenomen (art. 30o lid 1 NRv (aanhef)).
3.1. Repliek en dupliek (onder het huidige Rv)
Het proces wordt bij voorkeur geconcentreerd rond comparitie na antwoord; dat blijkt uit de formulering art. 132 Rv door de wetgever: is geen verschijning ter terechtzitting op de voet van art. 131 Rv bevolen, dan geeft de rechter aan eiser gelegenheid om voor repliek te concluderen; hierop kan de gedaagde voor dupliek concluderen (art. 132 lid 1 Rv). Hoofdregel onder het huidige wetboek van Rv is dus, dat de procedure schriftelijk is, met aanvulling van de mondelinge ronde, die bestaat uit de comparitie na antwoord en het vonnis.
Is wel comparitie na antwoord bevolen, dan wordt slechts gelegenheid geboden voor repliek en dupliek, als dit met het oog op "hoor en wederhoor" (art. 19 Rv), of met het oog op een goede instructie van de zaak noodzakelijk is (art. 132 lid 2 Rv). Met betrekking tot de goede procesorde kunnen ook meer conclusies worden toegestaan (art. 132 lid 3 Rv). Het nemen van conclusies van re- en dupliek is een uitzondering op de hiervoor genoemde regel.
Tegen géén van de beslissingen op grond van lid 2 en 3 staat een hogere voorziening open (art. 132 lid 4 Rv).
3.2. KEI: re- en dupliek onder het Nieuwe Rv (art. 30o NRv)
Als gevolg van het project-KEI zal art. 132 Rv komen te vervallen. Het NRv stelt voorop dat de procedure bestaat uit een schriftelijke én mondelinge behandeling (Derde Afdeling A). Van de mondelinge behandeling kan worden afgeweken, indien dit met het oog op art. 19 NRv (hoor en wederhoor) of een goede instructie van de zaak is vereist. De rechter kan op verzoek van partijen bepalen, dat partijen schriftelijk reageren op elkaars standpunten (art. 30o lid 1 sub b Nieuw Rv).
Wat is het wezenlijke verschil? De fase van re- en dupliek is onder het NRv evengoed mogelijk als onder het oude Rv. De hoofdregel in het Nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is woordelijk het omgekeerde van de hoofdregel in het oude Rv, maar in geen van beide versies van Rv zijn de voorwaarden waaronder de fase van re- en dupliek kunnen worden toegestaan, wezenlijk anders.
4. Termijnen voor het nemen van conclusies
Partijen kunnen uitstel vragen voor het nemen van conclusies, evenals voor het verrichten van andere proceshandelingen (art. 133 lid 2 en 3 Rv). Conclusies en proceshandelingen dienen immers over het algemeen te voldoen aan de motivering en bewijsaanvoer als bedoeld in art. 111 lid 3 Rv en art. 128 lid 5 Rv. Als uitstel van het nemen van conclusies tot onredelijke vertraging zou leiden, wordt het eenstemmig verzoek tot uitstel niet toegewezen.
De termijnen voor het indienen van processtukken en het nemen van conclusies en akten in civiele zaken is geregeld in art. 2.7. Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken (LR-rb). Uitstel wordt geregeld in art. 2.8. LR-rb.
5. Verstekverlening (art. 139-142 Rv)
Verschijnt de gedaagde niet op de eerste of een door de rechter te bepalen roldatum in het geding of verzuimt hij advocaat te stellen, of verzuimt hij (indien verschuldigd) het griffierecht te voldoen, hoewel hem dat bij dagvaarding was aangezegd en zijn de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen, dan verleent de rechter hem verstek en wijst hij de vordering van eiser toe, tenzij de vordering de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt (art. 139 Rv).
De kosten die het gevolg zijn van het niet verschijnen in het geding door een partij, of die het gevolg zijn van het niet tijdig voldoen van het griffierecht, komen voor rekening van die partij, tenzij het verstek is verleend op een dagvaarding die nietig wordt verklaard (art. 141 Rv).
Het verstek kan worden gezuiverd. Zolang het eindvonnis niet is gewezen, kan de gedaagde alsnog in het geding verschijnen of alsnog het griffierecht voldoen. Op de gevolgen uit art. 141 Rv na, vervallen de gevolgen van de verstekverlening (art. 142 Rv).
5.1. Verzet tegen verstek (art. 143 Rv)
Heeft de gedaagde geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om het verstek te zuiveren, dan kan hij in verzet komen tegen de veroordeling bij verstek, gewezen bij eindvonnis (art. 143 lid 1 Rv). De gedaagde dient verzet te doen bij exploot van dagvaarding, binnen vier weken na de betekening van het vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering van het vonnis opgemaakte akte (art. 143 lid 2 Rv).
Berust de bij verstek veroordeelde gedaagde in het vonnis, dan kan hij daartegen niet meer in verzet komen (art. 143 lid 4 Rv). Het vonnis is dan vatbaar voor hoger beroep; zie de regeling inzake hoger beroep tegen eindbeschikkingen, art. 358 Rv.
5.2. Schorsende werking verzet (art. 145 Rv)
Verzet, mits tijdig gedaan, schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis, tenzij dit uitvoerbaar bij voorraad was verklaard (art. 145 Rv).
5.3. Heropening van de zaak door verzet (art. 147 Rv)
Verzet heeft tot gevolg dat de instantie wordt heropend. Het geding verloopt (weer) als bepaald in art 125-135 Rv. Het exploot van verzet (art. 146 Rv) heeft te gelden als conclusie van antwoord door gedaagde in de zin van art. 128 lid 2 Rv (art. 147 lid 1 Rv).
De gedaagde is bevoegd om een eis in reconventie in te stellen. De oorspronkelijke vordering, ingesteld door eiser, is de eis in conventie. De gedaagde is niet bevoegd om een eis in reconventie in te stellen, als de eiser in conventie is opgetreden in hoedanigheid (qualitate qua) en de reconventie hem persoonlijk zou betreffen, of omgekeerd (art. 136 Rv). Een eis van reconventie wordt dadelijk bij de conclusie van antwoord ingesteld (art. 137 Rv). Wordt verzet gedaan, dan vermeldt het exploot van verzet de eis van reconventie, onder vermelding van de gronden daarvan (art. 146 lid 2 Rv).
Art. 111 lid 3 Rv wordt op zowel art. 137 als 146 lid 2 Rv van toepassing verklaard.
De zaken in conventie en reconventie worden gelijktijdig behandeld en bij hetzelfde eindvonnis beslist. Dat de eis in reconventie een zelfstandige procedure betreft, blijkt uit de laatste volzin van art. 138 lid 1 Rv: oordeelt de rechter dat één van de zaken, die in conventie dan wel in reconventie, vroeger kan worden afgedaan, dan worden de zaken niet bij hetzelfde eindvonnis beslist.
Gelden er verschillende procedurele voorschriften ten aanzien van de zaak in conventie en reconventie, dan worden de zaken gesplitst. Dat is het geval als één van de zaken wordt voortgezet volgens de verzoekschriftprocedure, als de rechter op de voet van art. 71 Rv de zaak verwijst of als de rechter zich absoluut onbevoegd verklaart (art. 138 lid 2 Rv).
1.2. KEI: tegenvordering of tegenverzoek onder het Nieuwe Rv (art. 30i lid 8 NRv)
De artikelen 131-138 van Rv (oud), waaronder de artikelen inzake het instellen van de eis van reconventie, komen te vervallen.
De mogelijkheid voor verweerder om een eis in reconventie in te stellen, blijft onder het NRv echter gehandhaafd. De verweerder (voorheen: gedaagde) dient een met redenen omkleed verweerschrift in op grond van art. 30i lid 1 NRv. Daarbij is bepaald dat het verweerschrift een tegenverzoek of tegenvordering mag bevatten, tenzij de oorspronkelijke eiser of verzoeker is opgetreden in hoedanigheid en de tegenvordering of het tegenverzoek hem persoonlijk zou betreffen en omgekeerd. Art. 30a lid 3 onder f en g NRv is van overeenkomstige toepassing (art. 30i lid 8 NRv).
De regel dat de zaak in conventie en reconventie in beginsel bij hetzelfde vonnis worden afgedaan (art. 138 Rv (oud) ), tenzij de rechter anders bepaalt, is neergelegd in art. 30i lid 9 NRv.
Ten aanzien van de eis in reconventie brengen art. 30i lid 8 en 9 NRv dus niets anders dan een compacte herformulering van de terminologie.
2.1. Comparitie na antwoord onder het huidige Rv (art. 131 Rv (oud) )
Heeft de gedaagde voor antwoord geconcludeerd, dan beveelt de rechter een verschijning ter terechtzitting als bedoeld in art. 87 Rv, voor het treffen van een schikking, of art. 88 Rv, voor het geven van inlichtingen (art. 131 Rv). Tegen het bevel van comparitie, bij vonnis gegeven, staat geen rechtsmiddel open.
2.2. KEI: de mondelinge behandeling centraal onder NRv (vervallen art. 131-138 Rv (oud) )
Uit een aantal opeenvolgende artikelen blijkt dat de mondelinge behandeling prevaleert in het NRv:
a. Mondelinge conclusies en akten (art. 30i NRv).
In kantonzaken kan mondeling verweer worden gevoerd en reeds in de eerste fase, die onder het oude Rv schriftelijk was, kunnen mondelinge conclusies en akten worden genomen (art. 30i lid 2 NRv);
b. Mondelinge behandeling al aan het begin van het proces centraal (art. 30j NRv).
Zodra de verweerder in de procedure is verschenen, bepaalt de rechter wanneer de mondelinge behandeling plaatsvindt (art. 30j lid 1 NRv);
c. Vervanging comparitie na antwoord (art. 30j-o NRv).
De regeling omtrent de comparitie na antwoord (art. 131 Rv (oud) ) komt te vervallen, maar een soortgelijke regeling is getroffen in art. 30j-o NRv.
Tijdens de mondelinge behandeling worden partijen in de gelegenheid gesteld om hun stellingen toe te lichten. De rechter kan partijen verzoeken om inlichtingen, een schikking beproeven of aanwijzingen geven (art. 30k lid 1 onder a-e NRv);
d. Mogelijkheid tot pleidooi (art. 30k NRv).
Onder het oude Rv werd in beginsel géén ruimte geboden voor pleidooien, omdat het zwaartepunt immers bij de comparitie na antwoord (art. 131 Rv (oud) ) lag; hoofdregel was dat bij uitzondering gelegenheid geboden werd voor pleidooien (art. 134 Rv (oud) ). Art. 134 Rv wordt geschrapt. Het recht op pleidooi is inhoudelijk niet vervallen, maar er wordt niet langer een onderscheid aangebracht tussen comparitie na antwoord en pleidooi ( art. 30k lid 1 en art. 30o NRv);
e. Gelegenheid tot re- en dupliek (art. 30o lid 1 NRv).
Tot re- en dupliek wordt onder het NRv in beginsel gelegenheid geboden, wat logisch is: met het schrappen van art. 131 en art. 132 Rv (oud) vervalt de regel, dat de gelegenheid tot het concluderen voor re- en dupliek in beginsel slechts wordt geboden als geen comparitie na antwoord is bevolen. Art. 132 lid 2 Rv (oud) inzake re- en dupliek is bijna letterlijk overgenomen (art. 30o lid 1 NRv (aanhef)).
3.1. Repliek en dupliek (onder het huidige Rv)
Het proces wordt bij voorkeur geconcentreerd rond comparitie na antwoord; dat blijkt uit de formulering art. 132 Rv door de wetgever: is geen verschijning ter terechtzitting op de voet van art. 131 Rv bevolen, dan geeft de rechter aan eiser gelegenheid om voor repliek te concluderen; hierop kan de gedaagde voor dupliek concluderen (art. 132 lid 1 Rv). Hoofdregel onder het huidige wetboek van Rv is dus, dat de procedure schriftelijk is, met aanvulling van de mondelinge ronde, die bestaat uit de comparitie na antwoord en het vonnis.
Is wel comparitie na antwoord bevolen, dan wordt slechts gelegenheid geboden voor repliek en dupliek, als dit met het oog op "hoor en wederhoor" (art. 19 Rv), of met het oog op een goede instructie van de zaak noodzakelijk is (art. 132 lid 2 Rv). Met betrekking tot de goede procesorde kunnen ook meer conclusies worden toegestaan (art. 132 lid 3 Rv). Het nemen van conclusies van re- en dupliek is een uitzondering op de hiervoor genoemde regel.
Tegen géén van de beslissingen op grond van lid 2 en 3 staat een hogere voorziening open (art. 132 lid 4 Rv).
3.2. KEI: re- en dupliek onder het Nieuwe Rv (art. 30o NRv)
Als gevolg van het project-KEI zal art. 132 Rv komen te vervallen. Het NRv stelt voorop dat de procedure bestaat uit een schriftelijke én mondelinge behandeling (Derde Afdeling A). Van de mondelinge behandeling kan worden afgeweken, indien dit met het oog op art. 19 NRv (hoor en wederhoor) of een goede instructie van de zaak is vereist. De rechter kan op verzoek van partijen bepalen, dat partijen schriftelijk reageren op elkaars standpunten (art. 30o lid 1 sub b Nieuw Rv).
Wat is het wezenlijke verschil? De fase van re- en dupliek is onder het NRv evengoed mogelijk als onder het oude Rv. De hoofdregel in het Nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is woordelijk het omgekeerde van de hoofdregel in het oude Rv, maar in geen van beide versies van Rv zijn de voorwaarden waaronder de fase van re- en dupliek kunnen worden toegestaan, wezenlijk anders.
4. Termijnen voor het nemen van conclusies
Partijen kunnen uitstel vragen voor het nemen van conclusies, evenals voor het verrichten van andere proceshandelingen (art. 133 lid 2 en 3 Rv). Conclusies en proceshandelingen dienen immers over het algemeen te voldoen aan de motivering en bewijsaanvoer als bedoeld in art. 111 lid 3 Rv en art. 128 lid 5 Rv. Als uitstel van het nemen van conclusies tot onredelijke vertraging zou leiden, wordt het eenstemmig verzoek tot uitstel niet toegewezen.
De termijnen voor het indienen van processtukken en het nemen van conclusies en akten in civiele zaken is geregeld in art. 2.7. Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken (LR-rb). Uitstel wordt geregeld in art. 2.8. LR-rb.
5. Verstekverlening (art. 139-142 Rv)
Verschijnt de gedaagde niet op de eerste of een door de rechter te bepalen roldatum in het geding of verzuimt hij advocaat te stellen, of verzuimt hij (indien verschuldigd) het griffierecht te voldoen, hoewel hem dat bij dagvaarding was aangezegd en zijn de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen, dan verleent de rechter hem verstek en wijst hij de vordering van eiser toe, tenzij de vordering de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt (art. 139 Rv).
De kosten die het gevolg zijn van het niet verschijnen in het geding door een partij, of die het gevolg zijn van het niet tijdig voldoen van het griffierecht, komen voor rekening van die partij, tenzij het verstek is verleend op een dagvaarding die nietig wordt verklaard (art. 141 Rv).
Het verstek kan worden gezuiverd. Zolang het eindvonnis niet is gewezen, kan de gedaagde alsnog in het geding verschijnen of alsnog het griffierecht voldoen. Op de gevolgen uit art. 141 Rv na, vervallen de gevolgen van de verstekverlening (art. 142 Rv).
5.1. Verzet tegen verstek (art. 143 Rv)
Heeft de gedaagde geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om het verstek te zuiveren, dan kan hij in verzet komen tegen de veroordeling bij verstek, gewezen bij eindvonnis (art. 143 lid 1 Rv). De gedaagde dient verzet te doen bij exploot van dagvaarding, binnen vier weken na de betekening van het vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering van het vonnis opgemaakte akte (art. 143 lid 2 Rv).
Berust de bij verstek veroordeelde gedaagde in het vonnis, dan kan hij daartegen niet meer in verzet komen (art. 143 lid 4 Rv). Het vonnis is dan vatbaar voor hoger beroep; zie de regeling inzake hoger beroep tegen eindbeschikkingen, art. 358 Rv.
5.2. Schorsende werking verzet (art. 145 Rv)
Verzet, mits tijdig gedaan, schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis, tenzij dit uitvoerbaar bij voorraad was verklaard (art. 145 Rv).
5.3. Heropening van de zaak door verzet (art. 147 Rv)
Verzet heeft tot gevolg dat de instantie wordt heropend. Het geding verloopt (weer) als bepaald in art 125-135 Rv. Het exploot van verzet (art. 146 Rv) heeft te gelden als conclusie van antwoord door gedaagde in de zin van art. 128 lid 2 Rv (art. 147 lid 1 Rv).
Abonneren op:
Posts (Atom)