Posts tonen met het label PIA. Alle posts tonen
Posts tonen met het label PIA. Alle posts tonen

donderdag 3 december 2020

De SyRI's worden nog altijd ingezet- en dit is hoe u uw informatierecht kunt uitoefenen

Nog steeds wordt het hardnekkige misverstand verspreid dat de rechter in de SyRI-zaak heeft geoordeeld dat het Systeem Risico Indicatie (SyRI) niet meer ingezet mag worden. De rechter heeft slechts bepaald dat de wetgeving waarop het instrument SyRI is gebaseerd, de SUWI-wetgeving, moest worden aangepast.

Een korte terugblik op eerdere berichtgeving over dit specialisme (Privacyrechten bij de heimelijke inzet van Big Data-analyse en dataveillance): 

1. SyRI is in strijd met de EHRM-criteria, maar de lagere rechter zal het gebruik ervan rechtmatig oordelen (3 november 2019, prognose van de uitkomst in de SyRI-zaak);
2. Datamining, Machine Learning en voorspellende algoritmen: hoe geschikt zijn deze methoden voor risicotaxatie? (algoritmen zijn niet geschikt om risico's te taxeren en daarom wezenlijk een invalide instrument, 11 november 2019);
3. Het "black box"-karakter van geheime dataveillance & Big Data-analyse en uw rechten (deel I) (17 november 2019);
4. Het "black box"-karakter van geheime dataveillance & Big Data-analyse en uw rechten (deel II);
5. Het "black box"-karakter van geheime dataveillance & Big Data-analyse en uw rechten (deel III);
6. Het "black box"-karakter van geheime dataveillance & Big Data-analyse en uw rechten (deel IV);
7. Het Privacy Impact Assessment (PIA) in geval van geheime dataveillance, risicotaxatie en profilering (30 november 2019);
8. Wat kunt u doen, wanneer u aan 'voorspellende' algoritmen wordt onderworpen? (14 december 2019);
9. Het uitoefenen van uw informatie- en inzagerecht onder de AVG (28 januari 2020);
10. Rechtbank Den Haag: SUWI-wetgeving als basis voor de inzet van SyRI in strijd met de EHRM-criteria (uitspraak in de SyRI-zaak, 5 februari 2020);
11. De discussie over de toelaatbaarheid van systemen zoals SyRI moet permanent zijn (6 februari 2020)

De SyRI's worden nog altijd ingezet, waaronder door private bedrijfjes ("Data Labs") die persoonsgegevens in opdracht van gemeenten en andere bestuurlijke overheidsorganen analyseren en verwerken. Instrumenten voor risicotaxatie/-indicatie houden in, dat op grond van het samenvoegen van persoonlijke gegevens wordt ingeschat hoe hoog het risico op fraude is. In de volksmond wordt wel gesproken van "voorspellende algoritmen".

Voorspellende algoritmen zijn formules die een indicatie geven van het frauderisico. Het opvragen van voorspellende algoritmen heeft weinig betekenis ten aanzien van de uitoefening van de informatierechten door een betrokkene. Gemeenten zouden kunnen menen te volstaan met het verschaffen van grafiekjes of rekenformules. Voor betrokkenen is het goed om te weten dat zij hun informatie-, inzage- en rectificatierechten kunnen uitoefenen, alsmede het recht op verwijdering van persoonsgegevens ("recht op vergeetbaarheid"). Gegevensverwerkers kunnen de plicht om te voldoen aan deze eisen uit de AVG niet verzaken door een beroep te doen op het "black box"-karakter van  methoden voor (geheime) surveillance/dataveillance, zoals SyRI. 

 1. Het uitoefenen van uw informatierecht: gegevens die u kunt vorderen

- De verwerkingsverantwoordelijke dient de identiteit en contactgegevens van zichzelf en/of de vertegenwoordiger te verstrekken op grond van art. 14 lid 1 onder a AVG. Onder meer de  gemeentelijke instantie, het Inlichtingenbureau of een privaat Data lab/miningbedrijf dienen u de eigen identiteit en contactgegevens te verstrekken;
- De verwerkingsdoeleinden waarvoor uw persoonsgegevens zijn bestemd en de categorieën van persoonsgegevens moeten aan u worden verstrekt op grond van art. 14 lid 1 onder c-d AVG;
- Gegevens van de persoon of instantie die de persoonsgegevens van de verwerker ontvangt dienen aan u te worden verstrekt o.g.v. art. 14 lid 1 onder e AVG;
- De verwerkingsverantwoordelijke dient u in klare taal informatie te verschaffen over uw recht om bezwaar te maken tegen de verwerking van uw persoonsgegevens (art. 14 lid 2 onder c AVG) en de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de Autoriteit Persoonsgegevens art. 14 lid 2 onder e AVG);
- Informatie over de wijze waarop de verwerkingsverantwoordelijke voldoet aan de plicht om u op grond van art. 13 of 14 AVG in verband met art. 5 lid 1 AVG vooraf te informeren over het feit dat u aan profilering wordt onderworpen;
- Gegevens over het belang van profilering voor de verwerkingsverantwoordelijke en de door u te verwachten gevolgen van profilering (art. 14 lid 2 AVG)

2. Het uitoefenen van uw recht van inzage (art. 15 AVG)

- Wijs de verwerkingsverantwoordelijke erop dat u inzage dient te krijgen in de doeleinden van de verwerking, de betrokken categorieën van persoonsgegevens die worden verwerkt, de ontvangers aan wie uw persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, de periode van opslag van uw gegevens en de bronnen waaruit uw gegevens zijn betrokken (art. 15 lid 1 AVG);
- De verwerkingsverantwoordelijke dient aan u een kopie te verstrekken van de gegevens die worden verwerkt (art. 15 lid 3 AVG);
-  De verwerkingsverantwoordelijke dient u inzage te verschaffen in de gegevens die als input zijn gebruikt (datasets) om een profiel over u op te maken. U dient tevens inzage te krijgen in de informatie over de u betreffende profilering en de details van de categorie waarin u bent ingedeeld (Guidelines on automated Individual decision-making and Profiling for the purposes of Regulation 2016/679, 6 feb. 2018, WP251rev.01, p. 17).

3. Uw recht van rectificatie, verwerkingsbeperking en gegevenswissing

- Zijn de verwerkte persoonsgegevens die u betreffen, onjuist of onvolledig? Verzoek dan om rectificatie (art. 15 lid 1 onder e AVG jo. art. 16 AVG);
- Verzoek om beperking van de verwerking van uw persoonsgegevens (art. 15 lid 1 jo. 18 AVG). U hebt het recht op 'vergetelheid' (art. 15 lid 1 onder e AVG jo. 17 AVG);
- De verwerkingsverantwoordelijke dient u in kennis te stellen inzake de rectificatie of wissing van uw persoonsgegevens of de verwerkingsbeperking (art. 19 AVG);
- Maakt u bezwaar tegen de verwerking van uw gegevens onder toepassing van art. 21 AVG, dan hebt u tevens recht op beperking van de verwerking van uw persoonsgegevens (art. 18 lid 1 onder d AVG).

4. De plicht van verwerkingsverantwoordelijke om op transparante wijze begrijpelijke informatie te verschaffen (art. 12 in verband met art. 5 lid 1 sub a AVG)

De verwerkingsverantwoordelijke dient u op transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke wijze informatie te verschaffen (art. 12 AVG). De informatie dient voor de gemiddelde betrokkene begrijpelijk te zijn (Guideline WP260 rev.01, 11 April 2018, p. 7-8). Uit de informatie moet blijken hoe uw persoonsgegevens zijn verwerkt en voor welke doeleinden. De informatieverplichtingen op grond van art. 12 AVG dienen immers uw informatierecht (art. 13-14 AVG) te faciliteren.
 
5. De plicht van de verwerkingsverantwoordelijke om een Privacy Impact Assessment (PIA of DPIA) uit te voeren 

De verwerkingsverantwoordelijke dient vóór de verwerking van persoonsgegevens een beoordeling uit te voeren van het effect van de beoogde verwerkingsactiviteit op de bescherming van persoonsgegevens (art. 35 lid 1 AVG). De beoordeling bevat ten minste een systematische beschrijving van de beoogde verwerkingen en verwerkingsdoeleinden, waaronder de belangen van de verwerkingsverantwoordelijke; ook dient de verwerkingsverantwoordelijke een beoordeling te geven van de noodzaak en evenredigheid van de verwerkingen met betrekking tot de doeleinden (proportionaliteit en subsidiariteit); voorts dient de beoordeling te omschrijven welke maatregelen zijn getroffen en aan te tonen hoe aan de waarborging van de bescherming van de persoonsgegevens en de rechten en gerechtvaardigde belangen van de betrokken burgers is voldaan (art. 35 lid 7 AVG).

Het verplichte Privacy Impact Assessment bij geheime dataveillance, profilering, samenwerking met private bedrijven en de verwerking van biometrische gegevens
De beperkingen op de transparantieverplichtingen van verwerkingsverantwoordelijken en de beperkingen van het recht van de burger op informatie en inzage gelden niet ten aanzien van het PIA. Een verwerkingsverantwoordelijke die geheime methoden voor Big Data-analyse/profilering/risicotaxatie toepast, is verplicht om het Privacy Impact Assessment (PIA) uit te voeren. Dit is bepaald in art. 35 AVG en wordt nog eens onderstreept door het Besluit Verplichte Gegevensbeschermingseffectbeoordeling van 27 november 2019 (Staatscourant nr. 64418). De verplichte uitvoering van het DPIA geldt onder meer voor:

- Grootschalige verwerkingen van persoonsgegevens en stelselmatige monitoring waarbij persoonsgegevens worden verzameld zonder de betrokkene daarover vooraf in te lichten, bijvoorbeeld heimelijk onderzoek door particuliere bureaus/Data Labs en onderzoek in het kader van fraudebestrijding (waaronder SyRI);
- Grootschalige verwerkingen van gegevens en monitoring in het kader van fraudebestrijding door sociale diensten;
-  Samenwerkingsverbanden waarin gemeenten en/of andere overheidsorganen met andere publieke of private partijen bijzondere persoonsgegevens of gegevens van gevoelige aard met elkaar uitwisselen;
- Grootschalige verwerking en monitoring van locatiegegevens, herleidbaar tot natuurlijke personen, bijvoorbeeld door ANPR-mobiel, of verwerking van gegevens van personen in het openbaar vervoer;
- Biometrische gegevens, waaronder vingerafdrukken, toetsaanslaganalyses, irisscans, gezichtsprofielen en stemopnamen (de verwerking van biometrische gegevens is enkel toegestaan wanneer de verwerking van biometrische gegevens noodzakelijk is voor beveiligingsdoeleinden);
- Profilering: de systematische beoordeling van persoonlijke aspecten van natuurlijke personen, gebaseerd op geautomatiseerde verwerking (profilering is geautomatiseerde verwerking).

Inhoud van het PIA: concrete verplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke
De verwerkingsverantwoordelijke dient vóór de verwerking van persoonsgegevens een beoordeling uit te voeren van het effect van de beoogde verwerkingsactiviteit op de bescherming van persoonsgegevens (art. 35 lid 1 AVG). De beoordeling bevat ten minste een systematische beschrijving van de beoogde verwerkingen en verwerkingsdoeleinden, waaronder de belangen van de verwerkingsverantwoordelijke; ook dient de verwerkingsverantwoordelijke een beoordeling te geven van de noodzaak en evenredigheid van de verwerkingen met betrekking tot de doeleinden (proportionaliteit en subsidiariteit); voorts dient de beoordeling te omschrijven welke maatregelen zijn getroffen en aan te tonen hoe aan de waarborging van de bescherming van de persoonsgegevens en de rechten en gerechtvaardigde belangen van de betrokken burgers is voldaan (art. 35 lid 7 AVG).

 


dinsdag 28 januari 2020

Het uitoefenen van uw informatie- en inzagerecht onder de AVG

Ik heb wel wat te verbergen...en u ook!
Het zou altijd 'dag van...' moeten zijn. Vandaag, 28 januari 2020, is het Dag van de Privacy (Data Protection Day),  een "feestdag" die in het leven is geroepen door de Raad van Europa, om bij zowel burgers als organisaties meer bewustzijn te creëren voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De bescherming van persoonsgegevens zou wat mij betreft altijd in de belangstelling moeten staan. De bescherming van uw privacy wordt rechtstreeks geraakt door de wijze waarop overheidsinstanties en andere organen met de verzameling en verwerking van uw persoonsgegevens omgaan.

Sommige burgers menen dat ze niets te verbergen hebben. Het mantra zou wat mij betreft moeten zijn dat u wél wat te verbergen hebt: uw recht op privacy is niet gegeven om de deur open te zetten voor een inbreuk op uw persoonlijke levenssfeer. Het kan zijn dat een overheidsorgaan of een organisatie van andere aard uw gegevens verzamelt en verwerkt, zonder dat u hiervan op de hoogte bent gesteld. Ook kan het zijn dat u niet op de hoogte bent gesteld van de aard en categorie van uw gegevens die in een dossier zijn verwerkt en wat de concrete verwerkingsdoeleinden van het overheidsorgaan of een andere organisatie inhouden. Dan is het goed om te weten dat u op grond van de AVG (voordien op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens) recht hebt op informatie, inzage, beperking van de verwerking van uw gegevens, rectificatie en gegevenswissing.

Het vorderen van inzage in de verwerking van uw persoonsgegevens

1. Het uitoefenen van uw informatierecht

- De verwerkingsverantwoordelijke dient de identiteit en contactgegevens van zichzelf en/of de vertegenwoordiger te verstrekken op grond van art. 14 lid 1 onder a AVG. Onder meer de  gemeentelijke instantie, het Inlichtingenbureau of een privaat Data lab/miningbedrijf dienen u de eigen identiteit en contactgegevens te verstrekken;
- De verwerkingsdoeleinden waarvoor uw persoonsgegevens zijn bestemd en de categorieën van persoonsgegevens moeten aan u worden verstrekt op grond van art. 14 lid 1 onder c-d AVG;
- Gegevens van de persoon of instantie die de persoonsgegevens van de verwerker ontvangt dienen aan u te worden verstrekt o.g.v. art. 14 lid 1 onder e AVG;
- De verwerkingsverantwoordelijke dient u in klare taal informatie te verschaffen over uw recht om bezwaar te maken tegen de verwerking van uw persoonsgegevens (art. 14 lid 2 onder c AVG) en de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de Autoriteit Persoonsgegevens art. 14 lid 2 onder e AVG).

2. Het uitoefenen van uw recht van inzage (art. 15 AVG)

- Wijs de verwerkingsverantwoordelijke erop dat u inzage dient te krijgen in de doeleinden van de verwerking, de betrokken categorieën van persoonsgegevens die worden verwerkt, de ontvangers aan wie uw persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, de periode van opslag van uw gegevens en de bronnen waaruit uw gegevens zijn betrokken (art. 15 lid 1 AVG);
- De verwerkingsverantwoordelijke dient aan u een kopie te verstrekken van de gegevens die worden verwerkt (art. 15 lid 3 AVG).

3. Uw recht van rectificatie, verwerkingsbeperking en gegevenswissing

- Zijn de verwerkte persoonsgegevens die u betreffen, onjuist of onvolledig? Verzoek dan om rectificatie (art. 15 lid 1 onder e AVG jo. art. 16 AVG);
- Verzoek om beperking van de verwerking van uw persoonsgegevens (art. 15 lid 1 jo. 18 AVG). U hebt het recht op 'vergetelheid' (art. 15 lid 1 onder e AVG jo. 17 AVG);
- De verwerkingsverantwoordelijke dient u in kennis te stellen inzake de rectificatie of wissing van uw persoonsgegevens of de verwerkingsbeperking (art. 19 AVG);
- Maakt u bezwaar tegen de verwerking van uw gegevens onder toepassing van art. 21 AVG, dan hebt u tevens recht op beperking van de verwerking van uw persoonsgegevens (art. 18 lid 1 onder d AVG).

4. De plicht van verwerkingsverantwoordelijke om op transparante wijze begrijpelijke informatie te verschaffen (art. 12 in verband met art. 5 lid 1 sub a AVG)

De verwerkingsverantwoordelijke dient u op transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke wijze informatie te verschaffen (art. 12 AVG). De informatie dient voor de gemiddelde betrokkene begrijpelijk te zijn (Guideline WP260 rev.01, 11 April 2018, p. 7-8). Uit de informatie moet blijken hoe uw persoonsgegevens zijn verwerkt en voor welke doeleinden. De informatieverplichtingen op grond van art. 12 AVG dienen immers uw informatierecht (art. 13-14 AVG) te faciliteren.
 
5. De plicht van de verwerkingsverantwoordelijke om een Privacy Impact Assessment (PIA of DPIA) uit te voeren 

De verwerkingsverantwoordelijke dient vóór de verwerking van persoonsgegevens een beoordeling uit te voeren van het effect van de beoogde verwerkingsactiviteit op de bescherming van persoonsgegevens (art. 35 lid 1 AVG). De beoordeling bevat ten minste een systematische beschrijving van de beoogde verwerkingen en verwerkingsdoeleinden, waaronder de belangen van de verwerkingsverantwoordelijke; ook dient de verwerkingsverantwoordelijke een beoordeling te geven van de noodzaak en evenredigheid van de verwerkingen met betrekking tot de doeleinden (proportionaliteit en subsidiariteit); voorts dient de beoordeling te omschrijven welke maatregelen zijn getroffen en aan te tonen hoe aan de waarborging van de bescherming van de persoonsgegevens en de rechten en gerechtvaardigde belangen van de betrokken burgers is voldaan (art. 35 lid 7 AVG).

zaterdag 30 november 2019

Het Privacy Impact Assessment (PIA) in geval van geheime dataveillance, risicotaxatie en profilering

Instrumenten voor geheime dataveillance, -analyse, profilering en risicotaxatie en de plicht om een PIA uit te voeren
De verwerkingsverantwoordelijke (organisatie) die privacygevoelige gegevens verwerkt, is verplicht om een Privacy Impact Assessment (PIA), ook wel 'gegevensbeschermingseffectbeoordeling' of 'Data Protection Impact Assessment' (DPIA) uit te voeren.

In vorige berichten heb ik het 'black box'-karakter van geheime methoden voor dataveillance en -analyse besproken, alsmede de toepassing van voorspellende algoritmen met een 'black box'-karakter, waaronder het Systeem Risico Taxatie (SyRI). Ik heb daarbij aangegeven dat de verwerkingsverantwoordelijke op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) transparant dient te zijn en dat de verwerkingsverantwoordelijke verplicht is tot het verschaffen van informatie en inzage aan de betrokken burger, ondanks het heimelijke karakter van de gegevensverzameling en -verwerking. Onder uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer door menselijk toedoen een ramp dreigt te worden veroorzaakt, mag de verwerkingsverantwoordelijke de informatie- en inzagerechten, alsmede het recht op rectificatie, beperken (art. 23 AVG). Het 'black box'-karakter van instrumenten die heimelijk worden ingezet om burgers te onderwerpen aan dataveillance en -analyse kan echter niet worden tegengeworpen aan de plicht van verwerkende instanties om een Privacy Impact Assessment (PIA) uit te voeren.

Het verplichte PIA bij geheime dataveillance, profilering, samenwerking met private bedrijven en de verwerking van biometrische gegevens
De beperkingen op de transparantieverplichtingen van verwerkingsverantwoordelijken en de beperkingen van het recht van de burger op informatie en inzage gelden niet ten aanzien van het PIA. Een verwerkingsverantwoordelijke die geheime methoden voor Big Data-analyse/profilering/risicotaxatie toepast, is verplicht om het Privacy Impact Assessment (PIA) uit te voeren. Dit is bepaald in art. 35 AVG en wordt nog eens onderstreept door het Besluit Verplichte Gegevensbeschermingseffectbeoordeling van 27 november 2019 (Staatscourant nr. 64418). De verplichte uitvoering van het DPIA geldt onder meer voor:

- Grootschalige verwerkingen van persoonsgegevens en stelselmatige monitoring waarbij persoonsgegevens worden verzameld zonder de betrokkene daarover vooraf in te lichten, bijvoorbeeld heimelijk onderzoek door particuliere bureaus/Data Labs en onderzoek in het kader van fraudebestrijding (waaronder SyRI);
- Grootschalige verwerkingen van gegevens en monitoring in het kader van fraudebestrijding door sociale diensten;
-  Samenwerkingsverbanden waarin gemeenten en/of andere overheidsorganen met andere publieke of private partijen bijzondere persoonsgegevens of gegevens van gevoelige aard met elkaar uitwisselen;
- Grootschalige verwerking en monitoring van locatiegegevens, herleidbaar tot natuurlijke personen, bijvoorbeeld door ANPR-mobiel, of verwerking van gegevens van personen in het openbaar vervoer;
- Biometrische gegevens, waaronder vingerafdrukken, toetsaanslaganalyses, irisscans, gezichtsprofielen en stemopnamen (de verwerking van biometrische gegevens is enkel toegestaan wanneer de verwerking van biometrische gegevens noodzakelijk is voor beveiligingsdoeleinden);
- Profilering: de systematische beoordeling van persoonlijke aspecten van natuurlijke personen, gebaseerd op geautomatiseerde verwerking (profilering is geautomatiseerde verwerking).

Inhoud van het PIA: concrete verplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke
De verwerkingsverantwoordelijke dient vóór de verwerking van persoonsgegevens een beoordeling uit te voeren van het effect van de beoogde verwerkingsactiviteit op de bescherming van persoonsgegevens (art. 35 lid 1 AVG). De beoordeling bevat ten minste een systematische beschrijving van de beoogde verwerkingen en verwerkingsdoeleinden, waaronder de belangen van de verwerkingsverantwoordelijke; ook dient de verwerkingsverantwoordelijke een beoordeling te geven van de noodzaak en evenredigheid van de verwerkingen met betrekking tot de doeleinden (proportionaliteit en subsidiariteit); voorts dient de beoordeling te omschrijven welke maatregelen zijn getroffen en aan te tonen hoe aan de waarborging van de bescherming van de persoonsgegevens en de rechten en gerechtvaardigde belangen van de betrokken burgers is voldaan (art. 35 lid 7 AVG).

woensdag 20 november 2019

Het 'black box'-karakter van geheime dataveillance & Big Data-analyse en uw rechten (deel III)

Deel II: uw recht om niet te worden onderworpen aan profilering, het recht van verzet en passende maatregelen ter compensatie van de inbreuk op uw recht om niet geprofileerd te worden

Overzicht
1. De wettelijke grondslag voor de rechtmatigheid van de verwerking van uw persoonsgegevens;
2. Doelbinding;
3. Proportionaliteit en subsidiariteit (noodzaak en dataminimalisatie)

1. De wettelijke grondslag voor de rechtmatigheid van de verwerking van uw persoonsgegevens
De verwerking van uw persoonsgegevens in het kader van dataveillance, data-analyse of profilering is slechts rechtmatig, indien de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen (art. 6 lid 1 onder e AVG). De wettelijke grondslag moet specifiek zijn. Een beroep op de ‘publieke taak’ is onvoldoende specifiek voor de rechtmatigheid van de gegevensverwerking in het kader van data-analyse en profilering. De wettelijke grondslag voor gegevensverwerking kan niet gelijkgesteld worden met de wettelijke grondslag voor het uitvoeren van de publieke taak (Kamerstukken II 2017/18, 34 851, nr. 4, p. 34). 

Met de ‘wettelijke verplichting’ op grond van de Participatiewet is géén specifieke grondslag voor de rechtmatigheid van de gegevensverwerking gegeven. Het uitvoeren van een wettelijke verplichting moet redelijkerwijs niet goed mogelijk zijn zonder verwerking van de persoonsgegevens. Met andere woorden: de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit brengen mee, dat de wettelijke grondslag voor de uitvoering van de publieke taak slechts als grondslag voor de gegevensverwerking kan gelden, indien de gegevensverwerking noodzakelijk is (lees: een voorwaarde) voor de uitvoering van de 'publieke taak'. Die noodzaak wordt onderschreven in het Model GEB Rijksdienst (Privacy Impact Assessment), zie onderdeel B,  'Beoordeling rechtmatigheid gegevensverwerkingen', p. 15.

De AVG moet worden uitgelegd overeenkomstig het recht op eerbiediging van het privéleven van de burger als bedoeld in art. 8 EVRM. De verwerking van persoonsgegevens raakt direct aan het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (EHRM 25 februari 1997, 22009/93 (Z./Finland), r.o. 117); EHRM 16 februari 2000, 27798/95 (Amann/Zwitserland), r.o. 65). Gegevensverwerking brengt een inmenging in het recht van art. 8 EVRM teweeg (EHRM 6 september 1978, 5029 /71 (Klass/Duitsland), r.o. 41; EHRM 2 augustus 1984, 8691/79 (Malone/Verenigd Koninkrijk)).

De relatie tussen de AVG en het EVRM brengt mee dat de wettelijke grondslag voor gegevensverwerking moet voldoen aan de voorzienbaarheidseis van het EHRM (EHRM 26 april 1979, 6538/74 (The Sunday Times/Verenigd Koninkrijk), r.o. 47-48). De ‘voorzienbaarheid’ houdt in dat de wetgeving dusdanig duidelijk moet zijn, dat betrokkene kan begrijpen onder welke omstandigheden en voorwaarden het overheidsoptreden inmenging kan maken op zijn privéleven (EHRM 2 augustus 1984, 8691/79 (Malone/Verenigd Koninkrijk), r.o. 67; EHRM 24 april 1990, 11105/84 (Huvig/Frankrijk), r.o. 29; EHRM 4 december 2008, 30562/04 en 30566/04 (S. en Marper/Verenigd Koninkrijk), r.o. 95; EHRM 18 mei 2010, 26839/05 (Kennedy/Verenigd Koninkrijk), r.o. 151; EHRM 29 juni 2006, 54934/00 (Weber en Saravia/Duitsland), r.o. 93; EHRM 28 juni 2007, 62540/00 (Association for European Integration and Human Rights en Ekimdzhiev/Bulgarije), r.o. 75). 

2. Doelbinding
Persoonsgegevens moeten voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en mogen niet op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt (art. 5 lid 1 onder b AVG). Het zonder vooraf bepaalde doeleinden ‘minen’ van persoonsgegevens, het ongericht verzamelen en analyseren van data om aanwijzingen te verkrijgen dat sprake is van een verhoogde kans op fraude, is niet verenigbaar met het doelbindingsprincipe (
E.M.L. Moerel & J.E.J. Prins, Privacy voor de homo digitalis, in: Homo digitalis, Handelingen Nederlandse Juristen Vereniging 2016/146-1, p. 19).  

De WRR merkt op dat het secundaire gebruik van data inherent is aan Big Data en op gespannen voet staat met het doelbindingscriterium (WRR, Big Data in een vrije en veilige samenleving, Den Haag/Amsterdam 2016, p. 90-93 en 108). Door de koppeling van databases van verschillende overheidsinstanties en hergebruik van opgeslagen data neemt de druk op de doelbinding toe (WRR, Big Data in een vrije en veilige samenleving, Den Haag/Amsterdam 2016, p. 107). De kans op verkrijging van niet-voorziene data is groot bij de inzet van voorspellende algoritmen, omdat de menselijke interventie beperkt is gedurende de processen van datamining en data-analyse.

3. Proportionaliteit en subsidiariteit (noodzaak en dataminimalisatie)
Het doelbindingsprincipe is onderdeel van de proportionaliteits- en subsidiariteitseis. Het beginsel van dataminimalisatie (art. 5 lid 1 onder c AVG) houdt in dat de verzameling en verwerking van persoonsgegevens blijft beperkt tot wat noodzakelijk is voor het bereiken van specifiek bepaalde, uitdrukkelijk omschreven doeleinden. Gegevens dienen zo selectief mogelijk te worden verzameld en verwerkt én alleen voor zover noodzakelijk. De verwerking dient noodzakelijk te zijn voor de vervulling van een van de voorwaarden in art. 6 lid 1 AVG. 

De door het EHRM ontwikkelde proportionaliteitseis houdt in, dat de inmenging in de persoonlijke levenssfeer strikt genomen noodzakelijk moet zijn vanwege een dringende maatschappelijke behoefte (‘pressing social need’) en dat die inmenging door dataverzameling en -verwerking proportioneel is om de gerechtvaardigde doeleinden te bereiken (EHRM 2 september 2010, 35623 (Uzun/Duitsland), r.o. 78; EHRM 26 maart 1978, 9248/81 (Leander/Zweden), r.o. 58). De inbreuk op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer moet evenredig zijn in verhouding tot het doeleinde van de gegevensverwerking/profilering/datamining. Wanneer het om geheime surveillance gaat, is de discretionaire bevoegdheid van de nationale overheid ten aanzien van de invulling van de noodzakelijkheid beperkt (EHRM 12 januari 2016, 37138/14 (Szabó en Vissy/Hongarije), r.o. 54).

De ‘fair balance’-test van het EHRM in S. en Marper/Verenigd Koninkrijk bevat meerdere belangrijke vingerwijzingen voor het beoordelen van de proportionaliteit van de inmenging in het privéleven van de burger. De aard en ernst van de overtreding of misdrijf waarvan de betrokkene wordt verdacht, de duur van de bewaring van de persoonsgegevens, de mogelijkheden voor de betrokkene om zijn persoonsgegevens te laten verwijderen en de mogelijkheid tot onafhankelijk toezicht op de opslag van de persoonsgegevens zijn factoren die concreet worden gewogen in de proportionaliteitsbeoordeling door het EHRM. 

Of een instrument met een ‘black box’-karakter de proportionaliteitstoets van het EHRM zal doorstaan, is afhankelijk van de volgende vragen:
- Is er een dringende maatschappelijke behoefte waarvoor de dataveillance/profilering wordt toegepast?
- Van welke overtreding wordt de burger verdacht en hoe ernstig is deze overtreding?
- Heeft de burger de mogelijkheid om zijn persoonsgegevens te laten verwijderen?
- Kan de burger effectief zijn recht op het inschakelen van onafhankelijk toezicht uitoefenen? 

De subsidiariteitseis houdt in, dat alleen de minst ingrijpende methode mag worden ingezet om met de inbreuk op de rechten van de burger proportionele doeleinden te bereiken (EHRM 4 december 2015, 47143/06 (Zakharov/Rusland), r.o. 232). De verwerkingsverantwoordelijke die stelt dat het gekozen instrument voor dataveillance/analyse/profilering adequater is dan andere instrumenten, voldoet niet aan de subsidiariteitseis. Concreet moet worden getoetst of het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt, in redelijkheid niet op een andere, voor de burger minder nadelige wijze kan worden bereikt (Advies SyRI, Autoriteit Persoonsgegevens 18 februari 2014, p. 4). 

In deel IV bespreek ik de toelaatbaarheid van beperkingen op de transparantie- en informatieplichten in uitzonderlijke gevallen, de uitzonderingsgronden in art. 41 Uitvoeringswet AVG, de behoefte aan rechtsvorming ten aanzien van art. 23 AVG en de specifieke gedragsregels die door de Autoriteit Persoonsgegevens zijn uitgevaardigd

zaterdag 27 juli 2019

4-4.1 De verenigbaarheid van de toepassing van Big Data in het strafrecht met het recht op privéleven: conclusies en aanbevelingen

4.1 Conclusie
In deze bijdrage heb ik onderzocht, in hoeverre de toepassing van Big Data-analyses en predictive policing-methoden in het kader van strafrechtelijke opsporing en vervolging, verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM en artikel 10 van de Grondwet. Daarbij is de invloed van de nieuwe, nog in werking te treden Wpg en het gemoderniseerde Boek 2 van het Wetboek van Strafrecht beoordeeld. 

Om antwoord te kunnen geven op de hoofdvraag, is in het eerste hoofdstuk ingegaan op de technische aspecten en de strafvorderlijke relevantie van enkele in de Nederlandse strafrechtelijke praktijk toegepaste Big Data-analysetechnieken en predictive policing-methoden. Het begrip ‘Big Data’ is niet te definiëren, omdat over dit abstracte begrip, dat zich voortdurend blijft ontwikkelen door uitdijende informatie en een veelheid aan bronnen, geen consensus zal worden bereikt. Die onuitputtelijkheid neemt niet weg dat een benadering mogelijk is met factoren als Volume (de kwantiteit van de data), Velocity (de snelheid waarmee de hoeveelheid data toeneemt) en Variety (de verscheidenheid aan bronnen). Het doel van de verkrijging van Big Data is de Value; in het strafrecht is de Value gelegen in betrouwbaar bewijsmateriaal.

Enkele voorbeelden van Big Data-analyses die met het oog op strafvordering worden ingezet, zijn uitgelicht. Hansken is een methode om databestanden van inbeslaggenomen datadragers te analyseren; de geanalyseerde data kunnen als bewijsmateriaal in een strafzaak dienen. iColumbo en het netwerk iRN dienen ertoe om (groepen van) personen te profileren en systematisch op geautomatiseerde wijze data betreffende personen of groepen via internet te verzamelen, te analyseren en te presenteren aan opsporingsinstanties. iColumbo kan worden ingezet om ‘verdacht’ gedrag via internet te detecteren. Typerend aan iColumbo is dat dit instrument continu het internet afspeurt om data van een betrokkene, die geen verdachte in de zin van artikel 27 Sv hoeft te zijn, te verzamelen en te analyseren. 


De Raffinaderij is een instrument waarin Big Data-analysemethoden worden samengevoegd om de capaciteit van het geautomatiseerde proces van het vinden van patronen tussen data en het vormen van informatie uit data te vergroten. De Nederlandse toepassingen van predictive policing-methoden zijn onder meer PredPol en het Criminaliteits Anticipatie Systeem (CAS), te verrijken met het systeem Cognos. De mogelijkheden en beperkingen van door algoritmen aangedreven predictive policing-methoden zijn besproken. Een belangrijke beperking van allerlei algoritmische toepassingen is dat onderzoek naar het causaal verband tussen oorzaak en gevolg buiten beschouwing blijft. Het verklaren van fenomenen blijft noodzakelijk en hoofdzakelijk afhankelijk van menselijke interventie.

In het tweede hoofdstuk is het wettelijke kader voor de regulering van de inzet van Big Data-analyses voor strafvorderlijke doeleinden toegelicht. Bij gebreke van een wettelijke definitie van Big Data, wordt aansluiting gezocht bij het begrip ‘persoonsgegeven’ als bedoeld in artikel 4 onder 1 AVG. De verzameling van data in het kader van strafrechtelijke data-analyses wordt gebaseerd op de algemene politietaak, de handhaving van de openbare orde en veiligheid (artikel 3 Politiewet in samenhang met artikel 142 Sv). De verwerking van persoonsgegevens, waaronder de opslag, het gebruik en de automatische vergelijking begrepen, wordt bestreken door de Wpg en Wjsg. Onder de huidige wettelijke regulering bestaan knelpunten ten aanzien van de inzetvan Big Data-analyses in het strafrecht. 

Een belangrijk knelpunt is dat het doelbindingsprincipe, dat inhoudt dat de gegevensverzameling en -verwerking wordt beperkt door een vooraf bepaalde doelstelling, onder druk komt te staan door het karakter van Big Data-analyse. Big Data-analyse kan tot doel hebben om (zoveel mogelijk) data te verzamelen, maar ook meebrengen dat data-analyse met het oog op de dagelijkse politietaak in de handhaving van de openbare orde, wordt gebruikt voor de bewijsverzameling voor eventuele strafvorderlijke beslissingen. Opsporingsambtenaren die de Raffinaderij gebruiken, drukken zelfs uit ‘booming informatie’, ofwel een zo groot mogelijke verzameling persoonsgegevens om verbanden uit te construeren met gecombineerde data-analyses, als doel te beschouwen. 

Het Moderniseringsproject van Boek 2 van het Wetboek van Strafvordering en de nieuwe, nog in werking te treden Wpg zijn ter discussie gesteld, evenals deadviezen van de Commissie-Koops, die volgens de wetgever grotendeels directzullen worden opgenomen in de wet. De gegevensbeschermingseffectbeoordeling (PIA) die in artikel 4c van de nieuwe Wpg zal worden opgenomen, dwingt de gegevensverwerkende instantie om alle belangen af te wegen. De proportionaliteit en subsidiariteit van een methode voor gegevensverwerking, waaronder gegevensverwerking in het kader van strafrechtelijke Big Data-analyses, moeten standaard worden getoetst voorafgaand aan de inzet. De privacy van de burger is één van de belangen die tegen het belang van de inzet van de methode moet worden afgewogen. Een ‘soft-law’-instrument is de aanbeveling om een Kafkaknop in te bouwen, voor de situatie waarin een systeemfout optreedt. De fout moet natuurlijk wel worden ontdekt en het systeem zou direct moeten worden uitgeschakeld bij een geconstateerde fout, anders kan de Kafkaknop weer tot Kafkaëske toestanden leiden. 

Een sterk punt is het voorstel van de Commissie-Koops, om een expliciteringseis in het Wetboek van Strafvordering op te nemen. Deze houdt in dat bij een beslissing die is genomen naar aanleiding van de uitkomst van geautomatiseerde besluitvorming, waaronder de inzet van een predictive policing-methode of het instellen van de vervolging, uitdrukkelijk uitgelegd zal moeten worden hoe en waarom tot de strafvorderlijke beslissing is gekomen. Een zwakte is dat géén normering voorafgaand aan de inzet van data-analyses inhoudt, zodat het risico blijft bestaan dat begrippen als doelbinding, dataminimalisatie en subsidiariteit niet (voldoende) worden toegepast.

In het derde hoofdstuk is uiteengezet hoe het recht op eerbiediging van het privéleven van burgers en de bescherming van persoonsgegevens zich tot elkaar verhouden en hoe de bescherming van persoonsgegevens bij de geautomatiseerde verwerking, in het Europese recht geïntroduceerd met het Dataprotectieverdrag/Conventie 108, in de zaak-Amann/Zwitserland expliciet onder de reikwijdte van artikel 8 EVRM inzake het recht op eerbiediging van het privéleven van de burger is gebracht. Artikel 10 van de Nederlandse Grondwet heeft ten aanzien van het recht op eerbiediging van de privacy vooral een formele functie, in die zin dat overheidsinmenging slechts geoorloofd is als de bevoegdheid waarmee de inmenging wordt gemaakt, in een wet in formele zin is neergelegd. Voor de materiële rechtsbescherming van de privacy van burgers is artikel 8 EVRM van de grootste betekenis.

Concreet zijn de inzet van iColumbo en het gebruik van het iRN-netwerk voor Big Data-analyse voor strafvorderlijke doeleinden, getoetst aan artikel 10 van de Grondwet en de EHRM-criteria inzake het recht op eerbiediging van het privéleven van burgers. Ten aanzien van artikel 10 van de Grondwet is het voldoende dat de inzet van iColumbo en iRN worden gebaseerd op de Politiewet, de Wpg en Wjsg, omdat daarmee is voldaan aan de eis van een wettelijke grondslag in formele zin. 

Ten aanzien van artikel 8 EVRM zijn iColumbo en iRN onderworpen aan het toetsingskader van het EHRM inzake de beoordeling van overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven van burgers. Het eerste criterium houdt in, dathet overheidsoptreden met iColumbo en iRN een inmenging moet opleveren in het privéleven van de betrokkene. In de opvatting van het EHRM moet het privéleven zo worden uitgelegd, dat niet slechts het leven binnen de muren van de eigen woning of het leven binnen de eigen familie beschermd wordt door artikel 8 EVRM; de burger mag ook redelijkerwijs verwachten dat contacten die worden onderhouden in een werkomgeving en overige ‘buitenwereld’, onder de privésfeer vallen. Betoogd is dat het handelen van de burger in een internetomgeving, als een digitale plaats bestemd voor communicatie met de ‘buitenwereld’, onder de reikwijdte van het privéleven valt. Het privéleven van de burger wordt geraakt als iColumbo persoonlijke informatie over het leven van de burger via internet verzamelt en analyseert. iColumbo levert daarnaast een inmenging in het privéleven van de burger op, door het continue karakter (stelselmatige ‘dataveillance’) waarmee de data van de burger worden verzameld en geanalyseerd. 

Het tweede criterium van het EHRM-toetsingskader houdt in, dat inmenging geoorloofd is, mits het overheidsoptreden aan drie subcriteria voldoet: het overheidsoptreden moet gebaseerd zijn op een wettelijke basis, die toegankelijk is voor de burger en het overheidsoptreden moet voorzienbaar zijn. De wettelijke basis voor de inzet van iColumbo en iRN en de toegankelijkheid van de wet zijn niet problematisch. Voldoende is dat de inzet wordt gebaseerd op een wettelijke bepaling. Sinds de Politiewet, Wpg en Wjsg aan het strengere vereiste van een ‘wet in formele zin’ als bedoeld in artikel 10 van de Grondwet voldoen én deze wetten voor een ieder in Nederland toegankelijk zijn, is aan de eerste twee subcriteria voldaan. De voorzienbaarheid van de inzet van iColumbo en iRN levert een eerste probleem op. Het is voor burgers niet voorzienbaar welke categorieën van burgers kunnen worden geprofileerd met iColumbo, op grond van welke gedragingen de burger aan deze Big Data-analysemethoden kan worden onderworpen. 

De inmenging door het overheidsoptreden in het recht op eerbiediging van het privéleven van de burger hoeft geen schending van artikel 8 EVRM te betekenen. De inmenging is geoorloofd als wordt voldaan aan één van de legitimerende grondenvan artikel 8 lid 2 EVRM (waaronder de bescherming van de democratische samenleving) en de inmenging strikt noodzakelijk is voor het bereiken van dit legitieme doel. Het is onduidelijk, in hoeverre de inzet van iRN en iColumbo voldoet aan de eis van strikte noodzakelijkheid. Eén van de genoemde doelen van iRN is het verzamelen van gegevens van betrokkene die eventueel als strafvorderlijk bewijs kunnen dienen. De mogelijkheid om de democratische rechtsorde beter te beveiligen kan daarnaast worden vergroot door de uitvoering van stelselmatige data-analyses op grond van iColumbo en het iRN-netwerk. Niet is gebleken of gebruikers van deze methoden (opsporingsambtenaren) in overweging nemen dat het stelselmatig verzamelen, opslaan en analyseren van persoonsgegevens, zonder dat sprake is van een verdenking in de zin van artikel 27 Sv, strikt noodzakelijk is om de veiligheid in de democratische samenleving te waarborgen. 

Tot slot kunnen compenserende factoren maken dat een inbreuk op het privéleven vande burger geoorloofd moet worden geacht. De compensatie van de onmogelijkheid van de burger om zijn recht op eerbiediging van het privéleven ingevolge artikel 8 EVRM uit te oefenen, kent een aantal minimumvereisten. Zo dient in ieder geval onafhankelijk en effectief toezicht te bestaan. De Autoriteit Persoonsgegevens is belast met het toezicht op de naleving van de Wpg bij de inzet van iColumbo. De effectiviteit van het toezicht kan in het gedrang zijn komen bij Big Data-analyses. Bij de vergaande automatische analyse van persoonsgegevens in de Fietstas van iColumbo bestaat het risico op ontoereikend toezicht, zoals onderkend is door het EHRM. Dat risico heeft te maken met met het gebrek aan inzicht in de geautomatiseerde processen die plaatsvinden na de menselijke interventie, die ‘verdwijnt’ na het invoeren van de zoekopdracht in het netwerk iRN en pas weer terugkeert in de fase van de beoordeling van de resultaten van een volledig automatische analyse van de data van betrokkene. 

Op grond van de overwegingen tot dusver is mijn conclusie, dat de inzet van Big Data-analysemethoden zoals iColumbo en het netwerk iRN, op een aantal punten niet verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven van de burger als bedoeld in artikel 8 EVRM. Aan artikel 10 van de Grondwet is wel voldaan. De inzet van iColumbo en iRN doorstaat de EHRM-toets niet op het punt van de voorzienbaarheid, omdat het voor betrokkene onduidelijk en niet inzichtelijk is onder welke omstandigheden hij aan de instrumenten kan worden onderworpen. Onduidelijk is hoe de ‘fair balance’-test als bedoeld in S. en Marper/Verenigd Koninkrijk door de opsporingsinstanties concreet wordt toegepast.

Duidelijke, gedetailleerde regels omtrent de gedragingen van de burger die aanleiding kunnen geven tot de inzet van iColumbo, zouden de onmogelijkheid tot de uitoefening van het recht op eerbiediging van het privéleven kunnen compenseren, ware het niet dat dergelijke regels ontbreken. Het onafhankelijke toezicht op de inzet van data-analysemethoden als iColumbo komt in gevaar door het gebrek aan inzicht in volledig geautomatiseerde processen die plaatsvinden na de invoering van de zoekopdracht. Een ‘karaktertrek’ van Big Data-analyse bemoeilijkt zoals gezegd de proportionaliteit en subsidiariteit van het onderzoek: het doel van data-analyse kan gelegen zijn in het zoveel mogelijk en ongericht verzamelen van gegevens.[1] Het doelbindingsprincipe als onderdeel van de proportionaliteit komt op losse schroeven te staan door het formuleren van nieuwe doeleinden voor hergebruik van data.[2] Onder 4.2 zet ik uiteen hoe de overheid bij de toepassing van methoden voor Big Data-analyse, waaronder iColumbo, kan voldoen aan de eisen die het EHRM stelt aan het overheidsoptreden.


[1] WRR, Big Data in een vrije en veilige samenleving, Den Haag/Amsterdam 2016, p. 106 en 109.
[2] WRR, Big Data in een vrije en veilige samenleving, Den Haag/Amsterdam 2016, p. 108-109.