Posts tonen met het label notarieel recht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label notarieel recht. Alle posts tonen

maandag 23 april 2018

Erfrecht: (beneficiaire) aanvaarding van de nalatenschap en aansprakelijkheid

Overzicht
Erfrecht: uiterste wilsbeschikkingen, executeurs en testamentair bewind
1.    Gevolgen van de erfopvolging;
1.1  Aansprakelijkheid;
1.2  Verklaring van erfrecht en derdenbescherming;
2.    Aanvaarding en verwerping van de nalatenschap;
2.1  Zuivere aanvaarding;
2.2  Beneficiaire aanvaarding;
2.3  Wet bescherming erfgenamen tegen schulden

1. Gevolgen van de erfopvolging
De erfgenamen volgen de erflater van rechtswege op in zijn voor overgang vatbare rechten en in zijn bezit en houderschap (art. 4:182 lid 1 BW). De eerste zin geldt niet, wanneer de nalatenschap ingevolge art. 4:13 BW (toepassing wettelijke verdeling indien de erflater een echtgenoot en ten minste één kind achterlaat) wordt verdeeld; in dat geval volgt de echtgenoot van rechtswege op in het bezit en houderschap van de erflater. De erfgenamen worden schuldenaar van de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan. Is een prestatie deelbaar, dan is ieder van de erfgenamen verbonden voor een deel, evenredig aan het erfdeel (art. 4:182 lid 2 BW).

Een erfgenaam kan de goederen van de nalatenschap met inbegrip van die welke de erflater op het tijdstip van zijn overlijden voor derden hield, opvorderen van iedere derde die de goederen zonder recht (met de nadruk op houden zonder recht) houdt (hereditatis petitio). Is de wettelijke verdeling toegepast (art. 4:13 BW), dan komt deze bevoegdheid toe aan de echtgenoot van de erflater (art. 4:183 BW).

1.1 Aansprakelijkheid
Schuldeisers van de nalatenschap kunnen hun vorderingen op de goederen van de nalatenschap verhalen (art. 4:184 lid 1 BW). De schuldeisers kunnen zich tevens op de privégoederen van de erfgenaam verhalen, omdat de aansprakelijkheid van de erfgenamen gezamenlijk in beginsel niet beperkt is tot de nalatenschap.

Op deze hoofdregel wordt een aantal uitzonderingen gemaakt, zoals blijkt uit art. 4:184 lid 2 BW. Een erfgenaam is niet verplicht om een schuld van de nalatenschap uit eigen vermogen te voldoen, tenzij hij:
a. zuiver aanvaardt, behalve voor zover de schuld niet op hem rust of hij deze geheel of gedeeltelijk niet hoeft te voldoen ingevolge art. 4:194a lid 2 BW, onverminderd de artikelen 4:14 lid 3 BW en 4:87 lid 5 BW;
b. de voldoening van de schuld verhindert en hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt;
c. goederen van de nalatenschap opzettelijk aan het verhaal van de schuldeisers onttrekt;
d. vereffenaar van de nalatenschap is en verwijtbaar in ernstige mate tekortschiet.

Wanneer de erfgenaam beneficiair aanvaardt, kunnen de schuldeisers van de nalatenschap zich op het vermogen van de erfgenaam slechts verhalen tot de waarde van hetgeen de erfgenaam uit de nalatenschap heeft ontvangen (art. 4:184 lid 3 BW).

De erfgenamen krijgen de tijd voor beraad, mits ten minste één van hen beneficiair heeft aanvaard. Gedurende drie maanden na het overlijden van de erflater kan op de goederen van de nalatenschap geen verhaal worden genomen, tenzij de schuldeiser in geval van faillissement van de erflater wél tot verhaal op de goederen van de nalatenschap over had kunnen gaan (art. 4:185 lid 1 BW). Gedurende en na afloop van de termijn van drie maanden kan de kantonrechter bepalen dat maatregelen tegen de schuldeisers worden genomen. Verlenging van beschermingsmaatregelen tegen bepaalde schuldeisers is mogelijk (art. 4:185 lid 3 BW). Bijzondere omstandigheden kunnen ertoe nopen om tegen de mogelijkheid van verhaal op de nalatenschap een dam op te werpen (art. 4:185 leden 2 en 3 BW). Het gaat om een discretionaire bevoegdheid van de kantonrechter.

1.2 Verklaring van erfrecht en derdenbescherming
De feiten die voor de rechtstoestand van de opengevallen nalatenschap van belang zijn, worden bijgehouden in het boedelregister (art. 4:186 lid 1 BW). De notaris die bij de afwikkeling van de nalatenschap is betrokken, doet zich in het register inschrijven (art. 4:186 lid 2 BW).

De verklaring van erfrecht is een formaliteit die in de rechtspraktijk is ontwikkeld. De verklaring van erfrecht is van belang voor de bescherming van derden. De derde die is afgegaan op de in een verklaring van erfrecht (art. 4:188 BW) vermelde feiten, geldt  te dezen als te goeder trouw (art. 4:187 lid 1 BW). De schuldenaar die op grond van de in een verklaring van erfrecht vermelde feiten heeft betaald aan een onbevoegde, kan het verweer van de bevrijdende betaling voeren (art. 4:187 lid 2 BW), tenzij de derde wist of er door grove nalatigheid niet van op de hoogte was, dat de inhoud van de verklaring niet met de werkelijkheid overeenstemt (art. 4:187 lid 3 BW).

De verklaring van erfrecht is een notariële akte, waarin onder meer wordt vermeld (art. 4:188 lid 1 onder a-e BW):
a. dat een of meer in de verklaring genoemde personen, al dan niet voor bepaalde erfdelen, erfgenaam zijn of de enige erfgenamen zijn, met vermelding of zij de nalatenschap reeds hebben aanvaard;
b. dat al dan niet aan de echtgenoot van de erflater een vruchtgebruik toekomt;
c. dat al dan niet het beheer van de nalatenschap aan executeurs, bewindvoerders of vereffenaars is opgedragen.

2. Aanvaarding en verwerping van de nalatenschap
Een erfgenaam kan de nalatenschap aanvaarden of verwerpen. De aanvaarding kan zuiver geschieden of onder voorrecht van boedelbeschrijving (art. 4:190 lid 1 BW). Het voorrecht van boedelbeschrijving wordt in de rechtspraktijk sinds jaar en dag aangeduid als "beneficiaire aanvaarding". Zoals ik uiteen zal zetten, houdt de beneficiaire aanvaarding niet in dat de erfgenaam niet in zijn eigen vermogen kan worden aangesproken. Wel heeft de beneficiaire aanvaarding een belangrijke beperking van de aansprakelijkheid tot gevolg, waarmee de erfgenaam slechts kan "verliezen" wat hem uit de nalatenschap is toegekomen. De zuivere aanvaarding of beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap geschiedt onherroepelijk: is eenmaal de keuze gemaakt, dan kan deze niet ten gunste van de erfgenaam worden teruggedraaid (art. 4:190 lid 4 BW).

De erflater kan de keuze van de erfgenamen niet beperken. De erfgenaam kan niet vóór het openvallen van de nalatenschap een beslissing over de aanvaarding nemen (art. 4:190 lid 2 BW). De zuivere of beneficiaire aanvaarding geschiedt onvoorwaardelijk en zonder tijdsbepaling. Een deel van het erfdeel aanvaarden is onmogelijk. Een deel dat krachtens vervulling van een door de erflater aan de erfstelling verbonden voorwaarde aan de erfgenaam toekomt, kan wel afzonderlijk worden aanvaard of verworpen (art. 4:190 lid 3 BW).

De Wet bescherming erfgenamen tegen (onverwachte) schulden (Kamerstukken II 2015/16, 34224, nr. 226) heeft een flinke nuance aangebracht in de volledige aansprakelijkheid die in beginsel de consequentie is van de zuivere aanvaarding van een nalatenschap. Van het "onherroepelijke" van de zuivere aanvaarding met werking ex tunc (art. 4:190 lid 4 BW) kan geen sprake meer zijn.

2.1 Zuivere aanvaarding
De zuivere aanvaarding wordt gedaan door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring ter griffie van de rechtbank; de verklaring wordt in het boedelregister ingeschreven (art. 4:191 lid 1 BW). Indien een erfgenaam zijn keuze nog niet heeft gedaan, kan de kantonrechter hem op verzoek van een belanghebbende een termijn stellen (art. 4:192 lid 2 BW). Laat de erfgenaam de termijn verstrijken, dan wordt hij geacht de nalatenschap zuiver te aanvaarden (art. 4:192 lid 3 BW). Wanneer een of meer mede-erfgenamen beneficiair aanvaarden, wordt de erfgenaam die nog geen keuze heeft gedaan, geacht beneficiair te aanvaarden (art. 4:192 lid 4 BW). Binnen drie maanden na kennisname van de beneficiaire aanvaarding door de mede-erfgenamen kan de erfgenaam die nog geen keuze heeft gedaan, alsnog zuiver aanvaarden of verwerpen.

Het "onvoorwaardelijke" van de zuivere aanvaarding is relatief: de erfgenaam die na zuivere aanvaarding bekend wordt met een uiterste wil die voor de erfgenaam nadelige lasten en legaten bevat, kan binnen drie maanden het verzoek doen om alsnog beneficiair te aanvaarden. De overige schulden van de nalatenschap komen niettemin ten laste van het gehele vermogen van de erfgenaam (art. 4:194 lid 1 BW).

Een wettelijk vertegenwoordiger van een erfgenaam kan niet zuiver voor hem aanvaarden; voor verwerping van de nalatenschap door de vertegenwoordiger is toestemming van de kantonrechter vereist (art. 4:193 lid 1 BW). De vertegenwoordiger is verplicht een verklaring van beneficiaire aanvaarding of verwerping af te leggen binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop (een deel van) de nalatenschap aan de erfgenaam toekomt (art. 4:193 lid 1 BW). Als de wettelijk vertegenwoordiger van de erfgenaam de termijn voor verwerping laat verstrijken, is de erfgenaam evenwel niet gebonden aan de zuivere aanvaarding en de daaraan verbonden volledige aansprakelijkheid; de erfgenaam wordt geacht in dat geval beneficiair te aanvaarden (art. 4:193 lid 2 BW).

2.2 Beneficiaire aanvaarding
Evenals de zuivere aanvaarding van de nalatenschap, is de aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving onherroepelijk en heeft de aanvaarding werking ex tunc (art. 4:190 leden 1 en 4 BW). De beneficiaire aanvaarding geschiedt bij verklaring (art. 4:191 lid 1 BW).

De beneficiaire aanvaarding vormt één van de gronden voor de verplichting tot de wettelijke vereffening van de nalatenschap (artikelen 4:195 en 4:202 lid 1 onder a BW). Heeft de erfgenaam die beneficiair heeft aanvaard, een schuld van de nalatenschap uit zijn eigen overig vermogen voldaan, dan treedt hij tot het einde van de vereffening op als schuldeiser van de nalatenschap voor het bedrag van de schuld in de rang die de door hem voldane schuld had. Hetzelfde geldt ten aanzien van de voldoening van een last uit eigen vermogen (art. 4:200 leden 1 en 3 BW).

2.3 Wet bescherming erfgenamen tegen schulden
De erfgenaam die nog geen keuze heeft gemaakt omtrent het aanvaarden van de nalatenschap, kan door bepaalde gedragingen worden aangemerkt als een erfgenaam die de nalatenschap zuiver heeft aanvaard. Wat de "stilzwijgende aanvaarding" inhoudt, is altijd twijfelachtig geweest. De dreiging van een stilzwijgende zuivere aanvaarding, met alle gevolgen van dien, leidde ertoe dat erfgenamen schroomden om enige handeling met betrekking tot de nalatenschap te verrichten. In 2013 heeft de wetgever een factsheet "Zuiver aanvaarden van een nalatenschap uit erfenis" gepubliceerd. Daarmee werd getracht om te verduidelijken welke handelingen wél en welke handelingen níet tot zuivere aanvaarding leiden.

Het leeghalen van de woning en bepalen wat er met de spullen gebeurt, het zonder voorbehoud voldoen van schulden van de nalatenschap, het als erfgenaam deelnemen aan de verdeling van de nalatenschap, het erkennen van schulden, het ondertekenen van een bankverklaring voor het vrijgeven van het tegoed van de erflater worden in de factsheet (2013) genoemd als voorbeelden van gedragingen die leiden tot zuivere aanvaarding.

Op de voorbeelden valt het nodige aan te merken. Dat het "bepalen wat er met de spullen gebeurt" duidt op beheershandelingen die tot zuivere aanvaarding leiden is begrijpelijk, maar leidt de enkele ontruiming van de woning tot zuivere aanvaarding? Het is in dat opzicht nogal verwarrend dat wel de "beherende" maatregelen, maar pertinent niet de "bewarende" maatregelen met betrekking tot de boedel tot zuivere aanvaarding leiden. Nog enkele regels die tot verwarring kunnen leiden: de bankverklaring leidt wel, maar het beleggen van contanten op een rekening-courant niet tot zuivere aanvaarding; het opmaken van de boedelbeschrijving leidt niet tot zuivere aanvaarding, maar een machtiging tot het "afwikkelen" van de nalatenschap (de afwikkeling van een nalatenschap is geen erkende rechtsfiguur!) leidt wel tot zuivere aanvaarding.

Het meest verwarrend is dat de wetgever aangeeft dat degene die zich als "heer en meester" over de nalatenschap gedraagt, zuiver aanvaardt, waarbij beheershandelingen worden genoemd; vervolgens wordt gesteld dat beheershandelingen niet leiden tot zuivere aanvaarding. Een praktisch probleem is hoe erfgenamen omgaan met schuldeisers. De erfgenaam die toegeeft aan de intimidatie door een schuldeiser van de nalatenschap, aanvaardt reeds om het handelen uit vrees voor vergaande consequenties. De gemiddeld genomen niet juridisch onderlegde of niet goed begrijpend lezende erfgenaam wordt opgescheept met een volledige aansprakelijkheid.

De Wet bescherming erfgenamen tegen schulden (8 juni 2016) heeft belangrijke veranderingen gebracht in de "onherroepelijkheid" van een bewust gekozen zuivere aanvaarding en de stilzwijgende zuivere aanvaarding als hiervoor aangestipt.

Wat een stilzwijgende aanvaarding inhoudt, wordt sinds de inwerkingtreding van de Wet bescherming erfgenamen tegen schulden bepaald door art. 4:192 lid 1 BW.  Een erfgenaam gedraagt zich zonder ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaardend erfgenaam, als hij goederen van de nalatenschap verkoopt, bezwaart of op andere wijze aan het verhaal van schuldeisers onttrekt. Het gevolg is dat hij door de genoemde handelingen zuiver aanvaardt, tenzij hij reeds zijn keuze heeft gedaan.

Het onherroepelijke karakter van een eenmaal gedane keuze voor zuivere aanvaarding van de nalatenschap wordt sterk gerelativeerd door art. 4:194a BW. Een erfgenaam die na zuivere aanvaarding bekend wordt met een schuld van nalatenschap, die hij niet kende en niet behoorde te kennen, kan alsnog worden gemachtigd om beneficiair te aanvaarden, indien hij binnen drie maanden na de ontdekking van de onbekende schuld een verzoek daartoe doet aan de kantonrechter (art. 4:194a lid 1 BW). De zuivere aanvaarding is daarmee niet langer onvoorwaardelijk en onherroepelijk, ondanks de strekking van art. 4:190 leden 3 en 4 BW.

Een machtiging tot beneficiaire aanvaarding kan zelfs op een zeer laat tijdstip worden verzocht, namelijk na het stadium van de vereffening of zelfs de verdeling van de nalatenschap. Ook op dat moment is doorslaggevend dat de erfgenaam de schuld van de nalatenschap niet had behoren te kennen. Alsdan kan de erfgenaam die door de kantonrechter wordt gemachtigd, na de verdeling van de nalatenschap alsnog beneficiair aanvaarden. De onherroepelijkheid en werking ex tunc van een zuivere aanvaarding kunnen niet helemaal overboord worden gegooid: worden na de vastlegging van de keuze geen onbekende schulden ontdekt, dan geldt de aanvaarding (hetzij zuiver, hetzij beneficiair) onverkort. De onvoorwaardelijkheid van een zuivere aanvaarding wordt wel in sterke mate aangetast. Feitelijk heeft de komst van art. 4:194a BW tot gevolg dat de zuivere aanvaarding voortaan geschiedt onder het voorbehoud dat ook na de verdeling van de nalatenschap géén onbekende schulden aan het licht zullen komen: "de nalatenschap wordt zuiver aanvaard; worden later schulden ontdekt, dan zal de nalatenschap beneficiair worden aanvaard".

donderdag 29 maart 2018

Huwelijksvermogensrecht: rechten en plichten van echtgenoten (II); bestuur van de gemeenschap

Overzicht
1.    Bestuur en bestuursbevoegdheid: onderscheid naar soort vermogen;
1.1  Bestuursbevoegdheid;
1.2  Bestuursverdeling;
1.3  Obligatoire overeenkomsten en goederenrechtelijke rechtshandelingen;
1.4  Uitzonderingen
1.5  Bestuursonbevoegdheid: mogelijkheid tot toetreding door bevoegde echtgenoot

1. Bestuur en bestuursbevoegdheid: onderscheid naar soort (huwelijks)vermogen
In vorig bericht is een onderscheid tussen de vermogens binnen een huwelijk gemaakt. Dit onderscheid is relevant in het kader van de bestuursbevoegdheid. Is sprake van een eenvoudige gemeenschap, bestaande in huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van de huwelijksgemeenschap of samenwonen zonder huwelijk of geregistreerd partnerschap en zijn goederen aan de deelgenoten tezamen geleverd, dan worden de bestuursbevoegdheid en gerechtigdheid overeenkomstig afdeling 3.7.1 BW bepaald.

Op de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap gedurende het huwelijk of geregistreerd partnerschap is titel 1.7 (art. 1:97 BW) van toepassing (zie voor het geregistreerd partnerschap art. 1:80b BW). De ontbonden huwelijksgemeenschap is een bijzondere gemeenschap waarop afdeling 3.7.2 van toepassing is (art. 1:99 lid 4 BW). Afdeling 3.7.1 is tevens van toepassing op de ontbonden gemeenschap, tenzij daarvan in afdeling 3.7.2 wordt afgeweken (art. 3:189 lid 2 BW). Op de ontbonden gemeenschap zijn niet de artikelen 1:90 en 1:97 BW, maar is art. 3:170 BW van toepassing.

Gerechtigd tot de gemeenschapsgoederen is:
a. binnen het huwelijk of geregistreerd partnerschap:
ieder voor het geheel (art. 1:94 lid 1 en 1:80b BW);
b. binnen een eenvoudige gemeenschap, een samenlevingsvorm zonder huwelijk of geregistreerd partnerschap:
iedere deelgenoot gelijkelijk (ieder voor de helft) (art. 3:166 lid 2 BW);
c. binnen een bijzondere gemeenschap, nl. na ontbinding van het huwelijk of geregistreerd partnerschap:
ieder voor de helft (art. 3:189 lid 2 jo. 3:166 lid 2 BW).

Bevoegd tot het bestuur van de gemeenschapsgoederen is:
a. binnen het huwelijk of geregistreerd partnerschap:
privatief of cumulatief (art. 1:97 lid 1 en 1:80b BW);
b. binnen een eenvoudige gemeenschap, een samenlevingsvorm zonder huwelijk of geregistreerd partnerschap:
- gewoon beheer: deelgenoten cumulatief bevoegd (art. 3:170 lid 1 BW);
- overig beheer: deelgenoten alleen gezamenlijk bevoegd (art. 3:170 lid 2 BW);
- andere handelingen, waaronder beschikking: deelgenoten alleen gezamenlijk bevoegd (art. 3:170 lid 3 BW);
c. binnen een bijzondere gemeenschap, na ontbinding van het huwelijk of geregistreerd partnerschap:
- gewoon beheer: deelgenoten cumulatief bevoegd (art. 3:189 lid 2 jo. 3:170 lid 1 BW);
- overig beheer: deelgenoten alleen gezamenlijk bevoegd (art. 3:189 lid 2 jo. 3:170 lid 2 BW);
- andere handelingen, waaronder beschikking: deelgenoten alleen gezamenlijk bevoegd (art. 3:189 lid 2 jo. 3:170 lid 3 BW).

1.1 Bestuursbevoegdheid
Een echtgenoot is bevoegd tot het bestuur van zijn eigen goederen (art. 1:90 lid 1 BW) en tot het bestuur van de gemeenschapsgoederen (art. 1:90 lid 1 i.v.m. art. 1:97 BW). Het bestuur van een echtgenoot over een goed omvat de uitoefening van de daaraan verbonden bevoegdheden, daaronder begrepen beschikking, beheer en de bevoegdheid om ten aanzien van het goed feitelijke handelingen te verrichten en toe te laten, onverminderd de bevoegdheden tot genot en gebruik die de andere echtgenoot overeenkomstig de huwelijksverhouding toekomen (art. 1:90 lid 2 BW). De laatste zin van art. 1:90 lid 2 BW brengt mee dat iedere echtgenoot bevoegd is tot het gebruik van goederen die ingevolge art. 1:94 lid 1 BW onder de huwelijksgemeenschap vallen. Het bestuur en gebruik van goederen door de andere echtgenoot kan bij huwelijkse voorwaarden of op grond van wettelijke beperkingen van de gemeenschap worden uitgesloten, waarover later meer.

Beschikkingsbevoegdheid is de bevoegdheid tot het verrichten van goederenrechtelijke rechtshandelingen, waaronder overdracht (art. 3:84 BW) en de vestiging van beperkte rechten (art. 3:98 BW). Wat beheersbevoegdheid inhoudt, wordt niet nader uitgewerkt in art. 1:90 lid 2 BW. De definitie van beheer in gemeenschappelijke betrekkingen is te vinden in art. 3:170 lid 2; wat onder "gewoon beheer" moet worden verstaan, kan worden opgemaakt uit art. 3:170 lid 1 BW.

1.2 Bestuursverdeling
Een goed dat op naam van een echtgenoot staat of dat hij krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift heeft verkregen, staat onder diens bestuur (privatief bestuur). Voor het overige is ieder van de echtgenoten bevoegd over het bestuur van de gemeenschapsgoederen (cumulatief bestuur) (art. 1:97 lid 1 BW). Op grond van art. 3:170 lid 1 BW is ieder van de echtgenoten cumulatief bevoegd tot het verrichten van handelingen dienende tot gewoon onderhoud of behoud van de gemeenschapsgoederen (art. 1:97 lid 1 laatste volzin BW).

De regeling inzake beheersbevoegdheden ten aanzien van de gemeenschap van goederen op grond van art. 1:97 BW is bijzonder ten opzichte van afdeling 3.7.1. Op grond van afdeling 3.7.1 zijn deelgenoten namelijk slechts gezamenlijk bevoegd tot het beheer van goederen (art. 3:170 leden 2 en 3 BW), terwijl echtgenoten op grond van art. 1:97 BW cumulatief bevoegd zijn.

Voor de volledigheid moet hier worden opgemerkt dat onder "goederen op naam" moeten worden verstaan aandelen op naam, registergoederen, aandelen in een BV, vorderingen op naam, aandelen op naam in een NV en een bankrekening op naam. Roerende zaken die geen registergoederen zijn en rechten aan toonder vallen onder "voor het overige" in art. 1:97 lid 1, tweede volzin (cumulatieve bevoegdheid). 

1.3 Obligatoire overeenkomsten en goederenrechtelijke rechtshandelingen
Het aangaan van obligatoire overeenkomsten wordt niet bestreken door de bestuursbevoegdheidsregeling ex. art. 1:90 BW. Het algemene verbintenissenrecht staat er niet aan in de weg dat een beschikkingsonbevoegde het goed van een ander verkoopt. Echtgenoot A kan dus een verkoopovereenkomst sluiten ten aanzien van het privégoed van echtgenoot B. Problematisch wordt het pas, wanneer het goed moet worden overgedragen aan de koper. A is namelijk niet beschikkingsbevoegd in de zin van art. 1:84 lid 1 BW. De obligatoire overeenkomst wordt dus niet verhinderd door bestuursonbevoegdheid, maar de goederenrechtelijke rechtshandeling wel.

Hetzelfde geldt ten aanzien van de vestiging van beperkte rechten. Enigszins verwarring schept de nieuwe toevoeging van lid 3 onder b aan art. 1:94 BW. Op grond van art. 1:94 lid 2 onder a NBW (op 1 januari 2018 in werking getreden) vallen goederen die krachtens erfopvolging bij versterf zijn verkregen, niet in de gemeenschap van goederen, ongeacht de clausulering. Vervolgens bepaalt art. 1:94 lid 3 onder b NBW dat goederen die geërfd zijn met toepassing van een insluitingsclausule ('bij uiterste wilsbeschikking is bepaald dat zij in de gemeenschap vallen'), wel in de gemeenschap vallen.
De ongewijzigde artikelen 1:90 lid 2 en 1:97 lid 1 BW blijven onverkort gelden. De andere echtgenoot wordt dus niet beschikkingsbevoegd ten aanzien van het door erfopvolging verkregen goed dat op grond van een insluitingsclausule in de gemeenschap valt.

Een voorbeeld. Op 2 januari 2018 zijn Renate en Johan met elkaar getrouwd. Renate heeft op 28 februari 2018 de oldtimer van haar vader geërfd. Haar vader was erg gecharmeerd van Johan en heeft in het volste vertrouwen bij uiterste wilsbeschikking bepaald dat de auto in de gemeenschap van goederen van zijn dochter en schoonzoon zal vallen. Renate heeft evenmin huwelijkse voorwaarden bedongen ten aanzien van de oldtimer. Op grond van art. 1:94 lid 3 onder b NBW valt de oldtimer in de gemeenschap (art. 1:94 lid 2 onder a NBW vindt geen toepassing). Dat de auto in de huwelijksgemeenschap valt, brengt niet mee dat Johan bevoegd is om beperkte rechten op de auto te vestigen. Onder toepassing van art. 1:97 lid 1 i.v.m. art. 1:90 lid 2 BW is alleen Renate beschikkingsbevoegd, omdat de oldtimer krachtens erfopvolging van haar zijde in de gemeenschap valt.

1.4 Uitzonderingen 
1.4.1 Bestuursovereenkomst in huwelijkse voorwaarden
Bij huwelijkse voorwaarden kan worden afgeweken van de hoofdregel van de bestuursverdeling ingevolge art. 1:97 BW (art. 1:93 BW). Tijdens het huwelijk kan een bestuursovereenkomst worden overeengekomen (art. 1:114 BW).

1.4.2 Dienstbaarheid aan beroep of bedrijf
Is een goed der gemeenschap met toestemming van de echtgenoot onder wiens bestuur dat goed (mede) stond, dienstbaar gemaakt aan de uitoefening van het beroep of bedrijf van de andere echtgenoot, dan berust het privatief bestuur van het goed bij de echtgenoot die het beroep of bedrijf uitoefent, voor zover het handelingen betreft die als normale uitoefening van het beroep of bedrijf zijn te beschouwen. Voor het overige rust het bestuur in de zin van deelgenootschap (art. 3:170 leden 2 en 3 BW) bij de echtgenoten gezamenlijk (art. 1:97 lid 2 BW).

1.4.3 Overlaten van bestuur
Een echtgenoot kan het aan hem toekomend bestuur overlaten aan de andere echtgenoot (art. 1:90 lid 3 BW). In dat geval zijn tussen de echtgenoten de bepalingen omtrent opdracht van toepassing (titel 7.7). De andere echtgenoot dient in de rol van opdrachtnemer verantwoording af te leggen en rekening te doen (art. 7:403 lid 2 BW).

1.4.4 Rechterlijke bestuursopdracht
Een echtgenoot kan de rechtbank verzoeken om het bestuur, dat bij de andere echtgenoot rust, aan hem op te dragen. De bestuursopdracht kan worden verzocht, indien de bevoegde echtgenoot door afwezigheid of een andere oorzaak in de onmogelijkheid verkeert zijn goederen of de gemeenschapsgoederen te besturen, of in ernstige mate tekortschiet in zijn bestuur (art. 1:91 lid 1 BW). De echtgenoot aan wie het bestuur wordt opgedragen, is vertegenwoordigingsbevoegd bij andere handelingen dan bestuurshandelingen (art. 1:91 lid 4 BW). Aangezien het aangaan van obligatoire overeenkomsten niet door de bestuursregeling wordt bestreken, is de met de bestuursopdracht uitgeruste echtgenoot vertegenwoordigingsbevoegd met betrekking tot obligatoire overeenkomsten. De consequentie hiervan is dat de auto op grond van vertegenwoordigingsbevoegdheid verkocht kan worden en op grond van de bestuursopdracht  daadwerkelijk geleverd kan worden.

1.5 Bestuursonbevoegdheid: mogelijkheid tot toetreding door bevoegde echtgenoot
De echtgenoot die een goed bestuurt, kan als partij naast de andere echtgenoot toetreden tot de rechtshandeling die de de bestuursonbevoegde en daarmee beschikkingsonbevoegde echtgenoot met betrekking tot het goed heeft verricht (art. 1:90 lid 4 BW).

Treedt de bevoegde echtgenoot níet toe tot de rechtshandeling, dan kan de schuldeiser zich ingevolge art. 1:96 leden 1 en 2 BW op de privégoederen van de schuldenaar of op de gemeenschapsgoederen verhalen. De bestuursbevoegde echtgenoot kan regres nemen op de onbevoegde echtgenoot. 









woensdag 28 maart 2018

Huwelijksvermogensrecht: rechten en plichten van echtgenoten (I)

 Overzicht
1.      Algemeen kader huwelijksvermogensrecht: soorten vermogen;
2.      Vergoedingsplichten;
2.1    Vergoedingsplicht tussen privévermogens;
2.1.1 Nominaliteit en economische deelgerechtigdheid (derde tranche, 2012);
2.2    Vergoedingsplicht van privévermogens aan het huwelijksvermogen;
2.3    Vergoedingsplicht van huwelijksvermogen aan het privévermogen;
2.4    Regelend recht en schatting van de vergoedingswaarde

1. Algemeen kader huwelijksvermogensrecht: soorten vermogen
Het huwelijksvermogensrecht kent verschillende vermogens die naast elkaar bestaan. Beide echtgenoten hebben in de eerste plaats privévermogens; door vermenging van de boedel ontstaat vanaf de voltrekking van het huwelijk, een huwelijksgemeenschap (art. 1:94 lid 1 (N)BW). Ook onder de Wet tot beperking van de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen (2018) blijft de gemeenschap van goederen het uitgangspunt, zij het dat de gemeenschap vanaf 1 januari 2018 een aanzienlijk beperktere omvang heeft dan voordien.

Bij huwelijkse voorwaarden kunnen bepaalde goederen van de gemeenschap worden uitgesloten (art. 1:114 BW). Als iedere huwelijksgemeenschap wordt uitgesloten en evenmin een verrekenbeding is opgenomen (obligatoire overeenkomst), dan is sprake van een zogenoemde 'koude uitsluiting'. Een eenvoudige gemeenschap overeenkomstig afdeling 3.7.1 BW doet zich zowel voor bij echtgenoten die huwelijksgemeenschap uitsluiten bij huwelijkse voorwaarden als bij ongehuwde of niet-geregistreerde partners die wel gezamenlijk een goed in eigendom hebben.

Vergoedingsplichten
2.1 Vergoedingsplicht tussen privévermogens
Een vergoedingsplicht van de ene aan de andere echtgenoot ontstaat, wanneer een echtgenoot ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een goed dat tot zijn privévermogen zal behoren verkrijgt, of ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot een schuld wordt ter zake van een tot zijn eigen vermogen behorend goed wordt afgelost (art. 1:87 lid 1 BW). De term 'goederen' wordt strikt gehanteerd.

2.1.1 Nominaliteit en economische deelgerechtigdheid (derde tranche, 2012)
Vergoeding conform het nominaliteitsbeginsel houdt in dat de meerwaarde van een investering met het geld van de andere echtgenoot, in het vermogen van de echtgenoot valt die het goed heeft verkregen ten gunste van zijn privévermogen. Het nominaliteitsbeginsel is sinds de invoering van de derde tranche op 1 januari 2012 goeddeels verlaten, behoudens uitzonderingen, genoemd in art. 1:87 BW.

Het beginsel van de economische deelgerechtigdheid, leidend sinds 2012, houdt in dat de echtgenoot met wiens privévermogen de investering in een goed is gedaan, in beginsel participeert in een waardestijging van het verkregen goed (art. 1:87 leden 1 en 2 BW). Zie in het bijzonder art. 1:87 lid 2 onder a en b BW: de vergoeding beloopt een gedeelte van de waarde van het goed op het tijdstip waarop de vergoeding wordt voldaan. Dit gedeelte:
a. is in het geval van een verkrijging ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot, evenredig aan het uit diens vermogen afkomstige aandeel in de tegenprestatie voor het goed;
b. komt in het geval van een voldoening of aflossing ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot overeen met de verhouding tussen het uit diens vermogen voldane of afgeloste bedrag ten opzichte van de waarde van het goed op het tijdstip van die voldoening of aflossing.

Economische gerechtigdheid, voorbeeld 1. Een man heeft een woning in eigendom. Hij heeft de woning voor 1/2 uit eigen vermogen en voor 1/2 uit het vermogen van zijn vrouw gefinancierd. Op het moment van de verkrijging is de woning 200.000 Euro waard. Als het echtpaar vier jaar later de woning verkoopt, is de woning in waarde gestegen en bedraagt de waarde maar liefst 400.000 Euro. Hoewel de woning in het vermogen van de man valt, dient hij op grond van art. 1:87 leden 1 en 2 BW een vergoeding van 1/2 van de waarde van de woning aan de vrouw te voldoen. De vrouw krijgt 200.000 Euro, zij participeert namelijk in de waardestijging.

Economische gerechtigdheid, voorbeeld 2. A en B kopen samen een huis ter waarde van 300.000 Euro. De eigendom van de woning valt dus voor de ene helft in het privévermogen van A en voor de andere helft in het privévermogen van B. De investering is echter niet evenredig. A betaalt 100.000 Euro uit eigen middelen en voor de overige 200.000 Euro gaan A en B gezamenlijk een lening aan bij hun bank. Door A wordt 200.000 Euro (2/3) van de aankoopprijs (haar investering uit eigen middelen en de helft van de lening) gefinancierd, door B wordt 100.000 Euro (zijn helft van de lening) gefinancierd. Als de echtelijke woning bij verkoop 400.000 waard is geworden, krijgt A 2/3 van de waarde (ca. 270.000 Euro) en B 1/3 van de waarde (ca. 140.000 Euro).

Zoals gezegd, is het nominaliteitsbeginsel zeker niet verdwenen uit het huwelijksvermogensrecht. De vergoedingsplicht betreffende vermogensbestanddelen die géén goederen zijn, berust op nominaliteit. Heeft de ene echtgenoot voor de verkrijging van een privégoed, het privévermogen van de andere echtgenoot zonder diens toestemming aangewend, dan wordt de vergoeding bepaald op ten minste het nominale bedrag dat ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot is gekomen (art. 1:87 lid 3 onder a BW). Fluctuaties komen bij de verkrijgende echtgenoot te rusten. Hieruit volgt: toestemming van de ander impliceert een vergoeding zonder opvang van fluctuaties.

Gaat het om goederen die naar hun aard zijn bestemd om te worden verbruikt, dan beloopt de vergoeding ook minimaal de nominale waarde die ten laste is gekomen van het privévermogen van de andere echtgenoot (echtgenoot Y koopt zonder toestemming een auto met het geld van echtgenoot Z) (art. 1:87 lid 3 onder b BW). De waardevermindering blijft dus voor rekening van de echtgenoot die zonder toestemming een investering heeft gedaan met het geld van de andere echtgenoot.

2.2 Vergoedingsplicht van privévermogen aan het huwelijksvermogen
Indien een echtgenoot een goed anders dan om niet verkrijgt en de tegenprestatie ten laste van de gemeenschap komt, is de echtgenoot gehouden tot vergoeding aan de gemeenschap. De hoogte van de vergoeding wordt op grond van art. 1:87 leden 2 en 3 BW bepaald (art. 1:95 lid 1 BW).

Gaat het om een privéschuld die uit de goederen van de gemeenschap is voldaan, dan is de echtgenoot gehouden tot vergoeding aan de gemeenschap. Betreft het een schuld ter zaken van een tot zijn privévermogen behorend goed, dan wordt de hoogte van de vergoeding bepaald door art. 1:87 leden 2 en 3 BW (art. 1:96 lid 4 BW).

2.3 Vergoedingsplicht van huwelijksvermogen aan het privévermogen
Indien een goed tot de gemeenschap gaat behoren en een echtgenoot dit goed uit zijn privévermogen heeft voldaan, komt aan deze echtgenoot een vergoedingsvordering toe. Het beloop wordt door art. 1:87 leden 2 en 3 BW bepaald (art. 1:95 lid 2 BW).

De echtgenoot uit wiens privévermogen een gemeensschapsschuld is voldaan, heeft recht op vergoeding uit de goederen van de gemeenschap. Indien het een schuld ter zake van een tot de gemeenschap behorend goed, dan wordt de vergoeding bepaald overeenkomstig art. 1:87 leden 2 en 3 BW (art. 1:96 lid 3 BW).

2.4 Regelend recht en schatting van de vergoedingswaarde
Art. 1:87 BW is van regelend recht, zie art. 1:87 lid 4 BW. Hetzelfde artikellid bepaalt dat vorderingen van een echtgenoot tegen vorderingen op de andere echtgenoot kunnen worden weggestreept (art. 1:87 lid 4, laatste volzin BW). Kan op basis van art. 1:87 leden 1 tot en met 4 BW de vergoeding niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat (art. 1:87 lid 5 BW).

dinsdag 27 maart 2018

Het vernieuwde huwelijksvermogensrecht. Van algehele naar beperkte gemeenschap van goederen; aansprakelijkheid, verhaal en draagplicht

Inleiding: van algehele naar beperkte gemeenschap van goederen
Op 1 januari 2018 is de vierde en laatste tranche van de herziening van het huwelijksvermogensrecht ingevoerd. Het belangrijkste praktische gevolg van het van kracht worden van de Wet tot de beperking van de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen, is dat erfenisrechtelijke verkrijgen, schenkingen en de aanbreng van het privévermogen vanaf 1 januari 2018 niet langer in de wettelijke gemeenschap van goederen vallen (art. 1:94 lid 2 NBW). Voordien konden erfenisrechtelijke verkrijgingen bij huwelijkse voorwaarden of bij uiterste wilsbeschikking (uitsluitingsclausule) van de erflater van de gemeenschap van goederen worden uitgesloten (vgl. art. 1:94 lid 2 onder a BW (oud)).

Onder het nieuwe recht is een beperkte gemeenschap van goederen hoofdregel, in tegenstelling tot de algehele gemeenschap van goederen onder het oude huwelijksvermogensrecht van vóór 1 januari 2018. Uit de formulering van art. 1:94 lid 2 aanhef BW (oud) volgt, dat de wettelijke gemeenschap van goederen wat haar baten betreft alle goederen der echtgenoten, bij aanvang aanwezig of nadien verkregen, omvat. Hetzelfde geldt voor schulden: de gemeenschap omvat, wat haar lasten betreft, alle schulden van ieder der echtgenoten, met uitzondering van schulden betreffende van de gemeenschap uitgezonderde goederen (art. 1:94 lid 5 BW (oud).

De gemeenschap van goederen blijft weliswaar onder het nieuwe recht bestaan zolang géén huwelijkse voorwaarden zijn getroffen. De gemeenschap van goederen zal echter wat haar baten betreft, alleen de goederen omvatten die reeds vóór aanvang van de huwelijksgemeenschap (voltrekking van het huwelijk, art. 1:94 lid 1 BW) aan beide echtgenoten toebehoorden, evenals de door de echtgenoten tijdens het huwelijk verkregen goederen (art. 1:94 lid 2 aanhef NBW). Belangwekkend is de nieuwe bepaling omtrent de gemeenschappelijke schulden: de gemeenschap omvat alle vóór het bestaan van de huwelijksgemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden betreffende goederen die reeds vóór de aanvang van de huwelijksgemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden en alle tijdens het huwelijk ontstane schulden van ieder der echtgenoten (art. 1:94 lid 7 aanhef NBW). Nieuw is dat een schuld betreffende een nalatenschap waartoe één der echtgenoten is gerechtigd, van de gemeenschappelijke schuldenlast wordt uitgezonderd (art. 1:94 lid 7 onder b NBW). Uiteraard komen schulden die aan een goed zijn verbonden niet ten laste van de huwelijksgemeenschap, als het goed bij huwelijkse voorwaarden van de gemeenschappelijke boedel is uitgezonderd (art 1:94 lid 5 onder a BW (oud) en art. 1:94 lid 7 onder a NBW).

Aanstaande echtgenoten dienen erop bedacht te blijven dat de goederen die voordien gemeenschappelijk bezit waren, vanaf de huwelijksvoltrekking in evenredigheid in de boedel worden betrokken. A en B schaffen tijdens hun relatie gezamenlijk een klassieke auto, waarbij A 3/4 van de koopprijs voldoet en B 1/4 van de koopprijs bekostigt. Zij treden in het huwelijk, zonder daarbij huwelijkse voorwaarden aan te gaan. Als al na één jaar huwelijk het schip strandt, ziet A 1/4 van zijn bijdrage in rook opgaan, terwijl B met 1/4 wordt verrijkt. De auto valt namelijk naar evenredigheid in de boedel en zal eveneens naar evenredigheid worden verdeeld na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Dit voorbeeld toont aan dat de relevantie van huwelijkse voorwaarden onverminderd blijft.

Aansprakelijkheid, verhaal en draagplicht
1. Aansprakelijkheid
Ten behoeve van de gewone gang van de huishouding aangegane verbintenissen, met inbegrip van de arbeidsovereenkomst, is de ene echtgenoot naast de andere echtgenoot hoofdelijk aansprakelijk in de zin van art. 6:6 BW (art. 1:85 BW). Van de hoofdelijke aansprakelijkheid moet worden onderscheiden de draagplicht, die ziet op de vraag of een schuldvordering ten laste van de gemeenschap of het privévermogen van één van de echtgenoten dient te komen.

2. Verhaal 
Voor een schuld van één echtgenoot kunnen, ongeacht of deze in de gemeenschap is gevallen, zowel de goederen van de gemeenschap als zijn eigen goederen worden uitgewonnen (art. 1:96 lid 1 (N)BW). De aard van de wettelijke gemeenschap van goederen brengt immers mee dat schuldeisers zich ingevolge art. 1:94 lid 1 BW op alle tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen kunnen verhalen. Het tweede lid van art. 1:96 BW (oud) wordt aangevuld met een volzin die precies het tegenovergestelde van de eerste volzin weergeeft: voor een in de gemeenschap gevallen schuld van één echtgenoot kunnen de eigen goederen van deze echtgenoot niet worden uitgewonnen, indien hij goederen van de gemeenschap aanwijst, die voldoende verhaal bieden (art. 1:96 lid 2 NBW).

2.1 Doorbreking paritas creditorum
De schuldeiser die een vordering toekomt ten laste van de gemeenschap, prevaleert onder het nieuwe recht ten opzichte van de schuldeiser die een vordering heeft die niet ten laste van de gemeenschap, maar ten laste van het privévermogen van één echtgenoot komt. Het verhaal op de goederen van de gemeenschap voor een niet tot de gemeenschap behorende schuld (privéschuld) van één echtgenoot is beperkt tot de helft van de opbrengst van het uitgewonnen goed. De andere helft komt de andere echtgenoot toe en valt voortaan buiten de gemeenschap. Indien een schuldeiser ter zake van een privéschuld van een echtgenoot verhaal zoekt op een goed van de gemeenschap, is de andere echtgenoot bevoegd om het goed over te nemen tegen betaling van de helft van de waarde aan de schuldeiser uit het eigen vermogen. Vanaf dat moment valt het goed toe aan deze echtgenoot (art. 1:96 lid 3 NBW).

3. Draagplicht
Onder 'aansprakelijkheid' is al even aangestipt dat de draagplicht ziet op de vraag, of een schuldvordering voor rekening van het vermogen van de huwelijksgemeenschap of één der echtgenoten (het privévermogen) moet komen. Is voldaan aan het vereiste voor hoofdelijke aansprakelijkheid ex. art. 1:85 BW, dat de schuldverbintenis is aangegaan uit hoofde van de gewone gang van de huishouding, dan rust de draagplicht in de regel op de gemeenschap.

De wettelijke draagplicht die ziet op het aandeel van ieder van de echtgenoten na de ontbinding van de  huwelijksgemeenschap op grond van art. 1:99 BW (art. 1:100 BW) vermeldt de draagplicht expliciet. Voor zover bij de ontbinding de gemeenschapsgoederen niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze gedragen door beide echtgenoten, ieder voor een gelijk deel, tenzij uit de redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van de schulden, een andere draagplicht voortvloeit.

Impliciet in de wet geregeld is de interne draagplicht, de plicht tot vergoeding van een echtgenoot aan de gemeenschap of aan de andere echtgenoot. Een schuldvordering die onterecht ten laste is gebracht van de huwelijksgemeenschap, doet een vordering ontstaan ten laste van het privévermogen en ten gunste van de huwelijksgemeenschap.