Posts tonen met het label competentie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label competentie. Alle posts tonen

donderdag 6 juli 2017

Een waardering van de Wet Nadeelcompensatie en Schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsbesluiten (deel IV)

Klik hier voor deel III

3.1  Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de procedurele aspecten van schadevergoeding voor de rechtmatige overheidsdaad. Daarbij wordt de betekenis van de formele rechtskracht besproken. Vervolgens wordt aandacht besteed aan de vraag, welke procedurele knelpunten er bestaan onder de huidige praktijk van schadevergoeding wegens de rechtmatige overheidsdaad.

3.2  Procedurele aspecten

3.2.1  Competentieverdeling
Ten aanzien van de competentieverdeling tussen de burgerlijke rechter en bestuursrechter kan het volgende worden gezegd. Zowel de burgerlijke rechter als de bestuursrechter is bevoegd in zaken waarin schadevergoeding op grond van schending van het evenredigheidsbeginsel in art. 3:4 lid 2 Awb wordt gevorderd.
            De vordering tot vergoeding van schade vanwege de rechtmatige overheidsdaad, kan door de burgerlijke rechter worden behandeld, mits deze vordering kan worden gefundeerd op schending van het evenredigheidsbeginsel van art. 3:4 lid 2 Awb. Succesvol procederen bij de burgerlijke rechter is slechts mogelijk, indien geen rechtsmiddelen open hebben gestaan tegen het schadeveroorzakende besluit. Heeft de burger geen rechtsmiddelen aangewend, dan verkrijgt het besluit formele rechtskracht; het gevolg is dat de burgelijke rechter aan moet nemen, dat het bestuursorgaan de betrokken belangen zorgvuldig heeft afgewogen.[1]
            In het arrest-Hagenaars/Noord-Brabant doorkruiste de formele rechtskracht het recht op schadevergoeding op grond van schending van het evenredigheidsbeginsel van art. 3:4 lid 2 Awb. De weg van nadeelcompensatie op grond van schending van het égalitébeginsel was daarmee niet vanzelfsprekend afgesloten; betrokkene heeft echter van de verkeerde rechtsgang gebruik gemaakt.[2]  Het égalitébeginsel kan uitsluitend voor de bestuursrechter worden ingeroepen; in overweging 2.19 van zijn conclusie onder Hagenaars, geeft A-G mr. Keus aan, dat het égalitébeginsel niet impliceert, dat de burger naar eigen inzicht tussen de civielrechtelijke en bestuursrechtelijke weg kan kiezen.

3.2.2   Zuivere en onzuivere schadebesluiten

Een vordering op grond van art. 3:4 lid 2 Awb is een zogeheten onzuiver schadebesluit;[3] het bestuursorgaan had bij het aangevochten besluit de schadeaspecten mee dienen te nemen in de belangenafweging. Voorwaarde voor het beroep op schending van art. 3:4 lid 2 Awb, is dat aan het bestuursorgaan discretionaire bevoegdheid met betrekking tot de belangenafweging toekomt.
            Het zuiver schadebesluit heeft betrekking op het schade als gevolg van de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden door het bestuursorgaan. Tot de inwerkingtreding van art. 4:126 Awb, wordt de grondslag voor zuivere schadebesluiten en nadeelcompensatie, gevonden in bijzondere wetten en buitenwettelijke regelingen.[4]   
            Wordt de vordering gebaseerd op schending van het égalitébeginsel, dan staat de weg van het zuiver schadebesluit open. Zoals onder 3.2.1 is aangehaald, kan bij een beroep op de burgerlijke rechter de formele rechtskracht van een besluit in de weg staan aan een succesvol beroep op grond van art. 3:4 lid 2 Awb. Het niet hebben gebruikt van rechtsmiddelen verhindert echter niet dat de burger een zuiver schadebesluit op de grondslag van het égalitébeginsel kan uitlokken. De competentieverdeling tussen de burgerlijke rechter en bestuursrechter brengt met zich, dat alleen de bestuursrechter bevoegd is om over schadevergoeding op basis van het égalitébeginsel te oordelen.[5]

3.3  Knelpunten
In de huidige situatie moet de burger een vordering tot vergoeding van schade, veroorzaakt door een appellabel besluit, indienen bij de bestuursrechter. Slechts als een appellabel besluit door de bestuursrechter is vernietigd, kan de civiele rechter over het schadeaspect oordelen.
            Een door het bestuursorgaan genomen schadebesluit is alleen appellabel, indien de schade is veroorzaakt door een appellabel besluit of op de grondslag van een wettelijk voorschrift of een behoorlijk bekendgemaakte beleidsregel.[6] Beslissingen op een verzoek om nadeelcompensatie op andere gronden, kunnen niet bij de bestuursrechter worden aangevochten. Een vordering tot vergoeding van schade, veroorzaakt door feitelijk handelen, kan slechts bij de burgerlijke rechter worden ingediend.[7]
            Het belangrijkste procedurele knelpunt vanuit het perspectief van de burger, is de onduidelijkheid over de competentieverdeling tussen de burgerlijke rechter en bestuursrechter.

3.4  Conclusie
De burgerlijke rechter is bevoegd om over een vordering op grond van art. 3:4 lid 2 Awb te oordelen. Heeft de burger geen openstaande rechtsmiddelen tegen een overheidsbesluit aangewend, dan moet de burgerlijke rechter aannemen dat het bestuursorgaan de betrokken belangen zorgvuldig heeft afgewogen. Een vordering tot schadevergoeding op grond van het égalitébeginsel is niet uitgesloten, maar de competentieverdeling maakt dat slechts de bestuursrechter over schadevergoeding op basis van het égalitébeginsel kan oordelen. De onduidelijkheid over de competentieverdeling tussen burgerlijke rechter en bestuursrechter, is voor de burger een belangrijk procedureel knelpunt.



[1] HR 6 december 2002, NJ 2003, 616, m.nt. M. van Scheltema (Hagenaars/Noord-Brabant), r.o. 3.3.
[2] HR 6 december 2002, NJ 2003, 616, m.nt. M. van Scheltema (Hagenaars/Noord-Brabant), r.o. 3.7.
[3] Kamerstukken I 2011/12, 32 621, B, p. 2.
[4] Voorbeelden: art. 7.14 Waterwet en art. 2 Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014.
[5] HR 28 maart 2008,  NJ 2008, 475, m.nt. M.R. Mok (Asha/Amersfoort), r.o. 3.4.2.
[6] Kamerstukken II 2010/11, 32 621, nr. 3, p. 10-11.
[7] Kamerstukken II 2010/11, 32 621, nr. 3, p. 11.

dinsdag 23 mei 2017

Burgerlijk procesrecht (BPR): competentie van de rechter in eerste aanleg; rechtsmacht bij internationale geschillen (EEX-Vo en Brussel I-Bis)

Overzicht
1. Absolute competentie;
2. Relatieve competentie;
3. Onbevoegdheid en verwijzing in eerste aanleg;
4. Verwijzing ex. art. 71 Rv (interne competentie);
5. Waardevorderingen en betwisting van de titel;
6. Hoofdregels verwijzing in eerste aanleg;
7. Objectieve en subjectieve cumulatie;
8. Rechtsmacht bij internationale geschillen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Vo en Brussel I-Bis)

1. Absolute competentie
Art. 42 RO bepaalt als volgt: "De rechtbanken in eerste aanleg nemen kennis van alle burgerlijke zaken, behoudens bij de wet bepaalde uitzonderingen". Deze hoofdregel geldt voor de dagvaardingsprocedure (Tweede titel Eerste Boek Rv, art. 78 e.v.) en de verzoekschriftprocedure (Derde titel Eerste Boek Rv, art. 261 e.v.).

1.1. Competentie van de kantonrechter
De competentie van de kantonrechter wordt geregeld in art. 93-98 Rv. Artikel 93 sub a-d Rv bepaalt dat de kantonrechter bevoegd is in:

a. zaken betreffende vorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000, inclusief de tot aan de dag van dagvaarding verschenen rente, tenzij de rechtstitel dat bedrag te boven gaat en de rechtstitel wordt betwist;
b. zaken betreffende vorderingen van onbepaalde waarde, indien duidelijk aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000;
c. zaken betreffende een arbeidsovereenkomst, een collectieve arbeidsovereenkomst, algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst, een vut-overeenkomst als bedoeld in de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel, een consumentenkredietovereenkomst met een kredietsom van ten hoogste € 40.000 of een agentuur-, huur-, huurkoop- of consumentenkoopovereenkomst, ongeacht het beloop of de waarde van de vordering;d. zaken ten aanzien waarvan de wet dit bepaalt.

In alle zaken die slechts rechtsgevolgen betreffen die ter vrije bepaling van partijen staan, kunnen partijen zich samen tot de kantonrechter van hun keuze wenden, art. 96 Rv.
Uit sub a volgt dat de kantonrechter niet bevoegd is om kennis te nemen van zaken, betreffende vorderingen die op grond van de rechtstitel een werkelijke waarde van méér dan 25.000 Euro vertegenwoordigen.

2. Relatieve competentie
Toegespitst op de dagvaardingsprocedure, geven artt. 99-110 Rv de regels met betrekking tot de relatieve competentie van de rechtbank.
In beginsel is de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd, tenzij de wet anders bepaalt, art. 99 lid 1 Rv.

Let op de verhouding tussen art. 99 Rv en de artikelen 100-106 Rv. Zo is in zaken, betreffende een overeenkomst tussen een partij die handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf en een natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf (consument), de rechter van de woonplaats of werkelijk verblijf van de natuurlijke persoon, mede bevoegd, zie art. 101 Rv.

De zinsnede "mede bevoegd" impliceert dat art. 99 lid 1 Rv kan worden aangehouden. Uitgangspunt van art. 101 Rv is de versterking van de positie van de consument als partij bij een overeenkomst tussen ongelijke partijen. Art. 101 Rv verschilt daarin van art. 99 Rv, dat de rechter van de woonplaats van de consument óók bevoegd is, als de consument eiser is in het proces.

2.1. Gezamenlijke behandeling (meerdere gedaagden)
Worden meerdere gedaagden gedagvaard door eiser, dan geldt: is de rechter ten aanzien van één van de gezamenlijk in het geding betrokken gedaagden bevoegd, dan is die rechter ook ten aanzien van de andere gedaagden bevoegd, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen, art. 107 Rv; zie de verwijzing naar art. 7 Rv.

Ontbreekt een voldoende samenhang als bedoeld in art. 107 Rv (en art. 7 Rv), dan kan het geding worden gesplitst; indien de rechter beslist dat een andere rechter relatief bevoegd is, dan kan de zaak op de voet van art. 110 lid 2 Rv worden verwezen.

2.2. Forumkeuzebeding
Partijen kunnen een forumkeuzebeding overeenkomen; wordt een rechter aangewezen voor de kennisneming van geschillen die zijn ontstaan of zullen ontstaan naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking die tot hun vrije beschikking staat, dan is die rechter bij uitsluiting bevoegd (art. 108 lid 1 Rv).

Het forumkeuzebeding heeft géén gevolg in de gevallen, genoemd in lid 2 van art. 108 Rv:
1. De vordering beloopt ten hoogste € 25.000;
2. Het betreft een individuele arbeidsovereenkomst;
3. Het betreft een zaak als bedoeld in art. 101 Rv (consumentenkoop);
4. Het betreft een zaak als bedoeld in art. 103 tweede zin Rv.

De uitzonderingen op de hoofdregel zijn te vinden onder sub a en b:
a. het forumkeuzebeding is aangegaan ná het ontstaan van het geschil;
b. de werknemer, de partij die biet handelt in de uitoefening van bedrijf of beroep, dan wel de huurder, wendt zich tot de in het forumkeuzebeding aangewezen rechter.

2.3. Exceptie relatieve onbevoegdheid en ambtshalve beoordeling competentie
Het verweer dat de rechter niet relatief bevoegd is, wordt op straffe van verval van het recht daartoe, gevoerd vóór alle weren ten gronde, art. 110 lid 1 Rv.

In zaken als bedoeld in art. 108 lid 2 Rv beoordeelt de rechter ook zonder daartoe strekkend verweer, of hij relatief bevoegd is.

3. Onbevoegdheid en verwijzing in eerste aanleg
De artikelen 72-74 Rv geven algemene regels voor zowel de dagvaardings- als verzoekschriftprocedure; art. 110 Rv heeft slechts betrekking op de dagvaardingsprocedure.
Behoort een zaak niet tot de absolute bevoegdheid van de rechter, dan verklaart deze zich ambtshalve onbevoegd, art. 72 Rv; doet de verweerder een beroep op de absolute onbevoegdheid van de rechter, dan wordt de onbevoegdheid op deze exceptie uitgesproken.

Verklaart de rechter zich onbevoegd en is een andere rechter wel bevoegd, dan verwijst hij de zaak naar deze rechter, met inachtneming van art. 71 lid 4 Rv, eerste zin en art. 74 Rv (art. 73 Rv).

Ten aanzien van de relatieve onbevoegdheid geldt het volgende. De exceptie van de relatieve onbevoegdheid wordt, op straffe van verval van de exceptie, ingeroepen vóór alle weren ten gronde, art. 110 lid 1 Rv. Beslist de rechter dat niet hij, maar een andere rechter relatief bevoegd is, dan verwijst hij de zaak op de voet van art. 110 lid 2 Rv, met toepassing van art. 74 lid 1 en lid 3 Rv, eerste zin.

4. Verwijzing ex. art. 71 Rv
Verwijzing op de voet van art. 71 lid 1 en 2 Rv is specifiek: deze artikelleden hebben geen betrekking op de absolute of relatieve competentie, maar op de vraag, door welke kamer de zaak dient te worden behandeld. Met andere woorden: art. 71 Rv ziet op de interne competentie van de rechtbank. Is het onderwerp van geschil bepalend voor de vraag of verwijzing nodig is, dan beoordeelt de rechter de competentie aan de hand van zijn voorlopig oordeel over het onderwerp van geschil (de aard van de zaak), art. 71 lid 3 Rv.

Tegen een verwijzing en tegen het achterwege laten van verwijzing staat geen voorziening open. De rechter naar wie de zaak is verwezen, is aan de verwijzing gebonden, art. 71 lid 5 Rv. Binding aan de verwijzing impliceert echter niet, dat de rechter bij de behandeling van de hoofdzaak aan het voorlopig oordeel van de verwijzende rechter is gebonden.

5. Waardevorderingen en betwisting van de rechtstitel
5.1. Uitzonderingen op art. 93 sub a Rv: wijziging van de rechtstitel door cessie, aflossing en afstand

Zoals opgemerkt onder 1.1, is de kantonrechter bevoegd om kennis te nemen van waardevorderingen die ten hoogste 25.000 Euro belopen, tenzij de rechtstitel een hogere waarde vertegenwoordigt en de rechtstitel wordt betwist (art. 93 sub a Rv).

De waardevordering kan in rechte niet kunstmatig worden verlaagd of gesplitst om te bereiken dat de kantonrechter bevoegd is om kennis te nemen van de zaak, aangezien de rechtstitel van doorslaggevende betekenis is. Wijziging van de rechtstitel maakt dat de kantonrechter wel bevoegd kan zijn in zaken waarin de oorspronkelijke waardevordering(en) meer dan 25.000 beliep(en).
De rechtstitel (en daarmee de waardevordering) kan worden gewijzigd door rechtshandelingen als aflossing, cessie en afstand van recht door de eiser.

Beloopt de waardevordering na aflossing ten hoogste 25.000 Euro, dan kan de zaak door de kantonrechter worden behandeld. Aflossing bewerkstelligt immers dat de rechtstitel de resterende vordering vertegenwoordigt.

Cessie van de oorspronkelijke vordering, doet meerdere vorderingen ontstaan; de oorspronkelijke vordering houdt op te bestaan. De kantonrechter is bevoegd in zaken waarin één van de nieuwe vorderingen minder dan 25.000 Euro beloopt. Betwisting van de rechtstitel als bedoeld in art. 93 sub a Rv, laatste volzin, is dan zonder gevolg.

Daarentegen heeft betwisting van de rechtstitel door de gedaagde wél gevolg voor de competentie van de kantonrechter, als de eiser zich beroept op een voorbehoud, gemaakt ten aanzien van het meerdere bij vorderingen die de 25.000 Euro te boven gaan. Het voorbehoud door de eiser mist immers doel als de gedaagde het voorbehoud in rechte niet aanvaardt. Voert de gedaagde verweer, dan is aan de rechtstitel in het geheel niets gewijzigd en geldt sub a van art. 93 Rv onverkort.

6. Hoofdregels verwijzing (in eerste aanleg)

Voor alle duidelijkheid volgt hier een kort overzicht van de regels omtrent verwijzing in eerste aanleg:

1. Behoort de zaak tot de bevoegdheid van een andere kamer dan de kamer voor kantonzaken, dan wordt de zaak op verlangen van één der partijen (bijvoorbeeld bij betwisting van de rechtstitel, art. 93 sub a Rv) of ambtshalve naar een zodanige kamer verwezen (art. 71 lid 1 Rv);

2. In het omgekeerde geval moet de zaak worden verwezen naar de kamer voor kantonzaken, dus vindt verwijzing eveneens plaats op verlangen van één der partijen of ambtshalve (art. 71 lid 2 Rv);

3. Beslist de rechter ambtshalve dat een andere rechter relatief bevoegd is, dan verwijst hij de zaak naar deze rechter (art. 110 lid 2 Rv);

4. Behoort de zaak niet tot de absolute bevoegdheid van de rechter (art. 72 Rv), dan verklaart deze zich, zo nodig ambtshalve, onbevoegd. Verklaart de rechter zich onbevoegd en is een andere gewone rechter wel bevoegd, dan verwijst hij de zaak op de voet van art. 73 Rv.

7. Objectieve en subjectieve cumulatie

Uitgangspunt is dat de kantonrechter bevoegd is om kennis te nemen van zaken, betreffende waardevorderingen met een beloop van ten hoogste 25.000 Euro, art. 93 onder a Rv, waardevorderingen als bedoeld onder b of aardvorderingen als bedoeld onder c en d van art. 93 Rv.

7.1. Objectieve cumulatie
7.1.1. Waardevorderingen: optelregel

Stelt eiser bij één dagvaarding meerdere vorderingen in tegen gedaagde, dan is er sprake van objectieve cumulatie. Het onderscheid tussen waarde- en aardvorderingen is bepalend voor de competentie van de kantonrechter. Ten aanzien van de vorderingen op grond van art. 93 onder a en b Rv geldt de optelregel: als het totaal van de vorderingen ten hoogste 25.000 Euro beloopt, is de kantonrechter bevoegd (art. 94 lid 1 Rv).

7.1.2. Cumulatie aardvorderingen en waardevorderingen
Ten aanzien van de aardvorderingen op grond van art. 93 onder c en d Rv geldt de optelregel niet. Is tenminste één van de vorderingen een aardvordering, dan worden deze vorderingen door de kantonrechter behandeld, voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet, ongeacht het beloop van de waardevordering (art. 94 lid 2 Rv).

Het tweede lid van art. 94 Rv is van overeenkomstige toepassing op zaken in conventie en in reconventie (art. 136 Rv), waarvan er tenminste één een aardvordering betreft als bedoeld in art. 93 onder c of d Rv. Hetzelfde geldt in het geval van een hoofdzaak en zaak in vrijwaring (art. 210 Rv), waarin één van de vorderingen een aardvordering betreft (art. 94 lid 4 Rv).

7.2. Subjectieve cumulatie
Een optelregel ontbreekt wanneer meerdere eisers bij één dagvaarding vorderingen instellen of  wanneer bij één dagvaarding tegen meerdere gedaagden vorderingen worden ingesteld. Leidend is de algemene bepaling in art. 107 Rv: is de rechter ten aanzien van een van de gezamenlijk in het geding betrokken gedaagden (relatief) bevoegd, dan is die rechter ook ten aanzien van de overige gedaagden bevoegd, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.

Vordert iedere eiser ten hoogste 25.000 Euro of beloopt de vordering ten aanzien van iedere gedaagde ten hoogste 25.000 Euro, dan is de kantonrechter ten aanzien van de vorderingen bevoegd om kennis te nemen van de zaak.

8. Rechtsmacht bij internationale geschillen in burgerlijke en handelszaken (EEX)
Sinds 2015 geldt Verordening (EU) Nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Deze zogenoemde herschikking van de sinds 2002 geldende EEX-Vo 44/2001 (Brussel I) wordt aangeduid als "Brussel I-Bis".

8.1. Werkingssfeer Brussel I-Bis (materiële toepassingsgebied)
De herschikte EEX-Vo Brussel I-Bis wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht.  De toepassing ervan wordt uitgesloten in fiscale zaken, douanezaken en administratiefrechtelijke zaken, evenals in zaken betreffende de aansprakelijkheid van de staat wegens handelen of nalaten bij acta iure imperii (art. 1 lid 1 Brussel I-Bis).

De verordening is ook niet van toepassing op de staat en bevoegdheid van natuurlijke personen, huwelijkvermogensrecht, arbitrage, faillissementen en akkoorden, sociale zekerheid, testamenten, onderhoudsverplichtingen en erfrecht (art. 1 lid 2 Brussel I-Bis).

Let op het onderscheid tussen het materiële en formele toepassingsgebied. Het materiële toepassingsgebied ziet niet op de bevoegdheid van het gerecht, maar op de toepassing van de herschikking van EEX-Vo op in de verordening bepaalde zaken. Het formele toepassingsgebied ziet daarentegen wél op de bevoegdheid van het gerecht.

8.2. Bevoegdheid gerecht (formele toepassingsgebied)
Hoofdregel is dat de verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht zijn nationaliteit, wordt opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat (art. 4 lid 1 Brussel I-Bis). Uitzonderingen op deze regel zijn mogelijk, krachtens de bepalingen in afdelingen 2 tot en met 7 van Hoofdstuk II Brussel I-Bis (art. 5 lid 1 Brussel I-Bis).

Heeft de verweerder geen woonplaats op het grondgebied van een lidstaat, dan wordt de bevoegdheid in elke lidstaat geregeld door de wetgeving van die lidstaat, onverminderd art. 18 lid 1, art. 21 lid 2 en artikelen 24 en 25 Brussel I-Bis (art. 6 Brussel I-Bis). De rechtsmacht van de Nederlandse rechter is neergelegd in art. 1 tot en met 14 Rv.

8.2.1. Het oproepen van een verweerder voor het gerecht in een andere lidstaat
(art. 7 Brussel I-Bis)

Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen (art. 7 Brussel I-Bis):

1. Ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst:
a. voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;
b. de plaats van de uitvoering van de overeenkomst is (tenzij anders is overeengekomen), voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden. Voor diensten geldt een overeenkomstige bepaling.
2. Ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.

8.2.2. Overige bevoegdheidsgrondslagen
Bevoegdheid in verzekeringszaken, art. 10-16 Brussel I-Bis;
Bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten, art. 17-19 Brussel I-Bis;
Bevoegdheid voor individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst, art. 20-23 Brussel I-Bis.

8.3. Verhouding forumkeuzebeding en exclusieve rechtsmacht (art. 24 en 25 Brussel I-Bis)
Afdeling 6 bepaalt de exclusieve rechtsmacht van gerechten in de gevallen, opgesomd in art. 24 Brussel I-Bis. Onder meer in zaken betreffende de (ver)huur van onroerende goederen is het gerecht van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is, exclusief bevoegd.

Op grond van art. 25 Brussel I-Bis kunnen partijen een forumkeuzebeding overeenkomen. Wordt in één van de gevallen, genoemd in art. 24 Brussel I-Bis, een forumkeuzebeding overeengekomen, dan mist het forumkeuzebeding echter rechtsgevolg (art. 25 lid 4 Brussel I-Bis).

vrijdag 25 november 2016

Bestuursrecht: het beroep op de bestuursrechter (2)

8 Termijn voor bezwaar en beroep

8.1. indieningstermijn

De indieningstermijn voor het bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken, ex. art. 6:7 awb, met inachtneming van het bepaalde in de Algemene termijnenwet. Wanneer de termijn ingaat, staat in art. 6:8 awb. Dit artikel verwijst naar de regels voor bekendmaking van besluiten in art. 3:35 en 3:41 tot en met 3:44 awb. Verzuimt het bestuursorgaan te voldoen aan art. 3:45 awb, dan verhindert dit de duur van de bezwaar- en beroepstermijn niet. Een en ander is wel voor doorslaggevende betekenis bij de vraag, of de indiener van bezwaar of insteller van beroep, niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens niet-tijdige indiening (verschoonbare termijnoverschrijding).

Nogmaals zij het opgemerkt, dat de regels over termijnen van openbare orde zijn; daarmee toetst de rechter ambtshalve en staat het de procespartijen niet vrij om ten aanzien van deze regels de omvang van het geding te bepalen (beperken). 

8.2. ontvankelijkheid te vroeg ingediend bezwaar of beroep
Art. 6:10 awb laat toe dat een te vroeg ingediend bezwaar of beroep toch ontvankelijk wordt verklaard, indien:
lid 1
a. het besluit ten tijde van de indiening wel reeds tot stand was gekomen;
b. het besluit ten tijde van de indiening níet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel het geval was;
lid 2: daarom kan de behandeling van het bezwaar of beroep worden aangehouden tot het begin van de termijn.

8.3. ontvangstbevestiging en doorzendplicht
Een bestuursorgaan kan zich er niet op beroepen dat een bezwaarschrift op de verkeerde afdeling is gearriveerd, om vervolgens achterover te leunen. Op het bestuursorgaan rust de doorzendplicht, ex. art. 6:15 awb. Het bestuursorgaan is ook verplicht om een ontvangstbevestiging aan de indiener van het bezwaar- of beroepschrift te zenden en het orgaan dat het bestreden besluit heeft genomen, op de hoogte te brengen van het beroepschrift, art. 6:14 awb. Bij vertegenwoordiging dient het bestuursorgaan stukken aan de gemachtigde te zenden, art. 6:17 awb.

9  Niet-ontvankelijkheid en uitsluiting
9.1. niet-ontvankelijkheid

Uit art. 6:6 awb blijkt dat het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard in de volgende gevallen:
a. er is niet voldaan aan de formele vereisten uit art. 6:5 awb, of enig ander bij de wet gesteld vereiste;
b. het bezwaar- of beroepschrift is geweigerd op grond van art. 2:15 awb én de indiener heeft de gelegenheid tot het herstellen van het verzuim, onbenut gelaten.

9.2. uitsluiting beroepsmogelijkheid
Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende die, ex. art. 6:13 awb:
a. verwijtbaar geen zienswijzen als bedoeld in art. 3:15 awb naar voren heeft gebracht;
b. geen bezwaar heeft gemaakt;
c. geen administratief beroep heeft ingesteld.

Natuurlijk behoudens de uitzonderingen in art. 7:1 en 1a awb, zie paragraaf 5.1.

10  Verschoonbare termijnoverschrijding
Zie nogmaals eerste alinea van paragraaf 8.1. Het bestuursorgaan is gehouden om bij het besluit een rechtsmiddelenverwijzing te vermelden, op grond van art. 3:45, 6:23, 7:12 lid 4 en 7:26 lid 5 awb. De termijnoverschrijding door belanghebbende is in beginsel verschoonbaar, indien het bestuursorgaan verzuimt om de rechtsmiddelenverwijzing te geven.

Lees in dit verband ABRvS 21 september 2011, AB 2011, 299, Rechtsmiddelenverwijzing, r.o. 2.2.5: "De Afdeling is van oordeel dat, gelet op het door appellant gestelde [.. vanwege de onduidelijkheid van de brief van het bestuursorgaan, die niet de vermelding bevat dat het verzoek wordt afgewezen en geen rechtsmiddelenverwijzing bevat, meent appellant dat er geen sprake is van een besluit, M.B.], gerede twijfel aan het besluitkarakter van de brief mogelijk was. Gelet hierop moet de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar worden geacht."

Het gevolg van het verzuim van het bestuursorgaan, is dat het beroep door appellant ontvankelijk wordt verklaard op grond van art. 6:11 awb; tevens wordt het besluit van het dagelijks bestuur vernietigd door de ABRvS.

11 Rechtmatigheidstoetsing en besluitvorming hangende het proces

11.1. toetsing ex tunc

In beginsel vindt in het bestuursprocesrecht toetsing ex tunc plaats. Het toetsingsmoment is gesteld op de beslissing op bezwaar. Wat rechtsbescherming betreft ontstaat er geen onmogelijke situatie voor de belanghebbende. De behandeling door het bestuursorgaan van een nieuwe aanvraag is namelijk een beslissing ex nunc; de weigering op een aanvraag of op een bezwaarschrift vormt bij een eventueel beroep op de bestuursrechter wederom uitgangspunt voor de toetsing ex tunc, omdat de weigering om een besluit te nemen en goedkeuring van een besluit, appellabel zijn: zij worden immers gelijkgesteld met het "besluit" in de zin van art. 1:3 awb.

Is de bestuursprocesrechtelijke norm van toetsing ex tunc wel zuiver? Niet als men zich realiseert dat de bestuursrechter ambtshalve in de zaak kan voorzien en daarbij de feiten en omstandigheden hangende het beroep meeweegt. De definitieve geschilbeslechting in art. 8:41a awb geeft gerede twijfel aan de waarde van de toetsing ex tunc. Zie voorts paragraaf 11.3.

11.2. geen schorsende werking bezwaar of beroep
Het beroep op de bestuursrechter schorst niet de werking van het besluit, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald, art. 6:16 awb. Uiteraard heeft de voorlopige voorziening ex. art. 8:81 awb schorsende werking.

11.3. beslissingsbevoegdheid hangende het beroep op de bestuursrechter
Het bestuursorgaan blijft bevoegd om het bestreden besluit te wijzigen of in te trekken. Op grond van art. 6:19 lid 1 awb heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen onvoldoende (proces)belang hebben. De instellers van het beroep behoeven niet nogmaals bezwaar te maken tegen een gewijzigd besluit, aangezien het aanhangige beroep tegen het bestreden besluit, geacht wordt te zijn gericht tegen het gewijzigde, ingetrokken, dan wel vervangende besluit.

Overigens staat niet op voorhand vast, wanneer er sprake is van een wijziging, intrekking of vervanging in de zin van art. 6:19 awb. Besluiten die als nieuwe besluiten worden aangemerkt, vallen niet onder het bereik van dit artikel.

11.4. formele rechtskracht
In het bestuursrecht is het uitgangspunt: heeft het besluit formele rechtskracht verkregen, dan dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Op dit uitgangspunt zijn weer uitzonderingen, namelijk het beroep op de burgerlijke rechter inzake schadevergoeding, of een procedure anderszins, waarin de rechtmatigheid van een in rechte onaantastbaar geworden besluit, als voorvraag behandeld dient te worden. "In rechte onaantastbaar" blijkt dus weer een relatief begrip te zijn. Terecht, als er sprake is van prangende omstandigheden, óf wanneer er geen grond is om aan te nemen dat de formele rechtskracht aan toetsing van het besluit in een andere procedure in de weg behoort te staan.

11.5. besluit hangende het proces tegen niet-tijdig genomen besluit
Het bestuursorgaan is gehouden alsnog een besluit te nemen hangende het beroep tegen het niet tijdig genomen besluit, art. 6:20 lid 1 awb, tenzij de belanghebbende daarbij als gevolg van de beslissing op het beroep, geen belang meer heeft. Het beroep wordt geacht te zijn gericht tegen het alsnog genomen besluit, art. 6:20 lid 3 awb.  Dit is alleen anders, als het besluit tegemoet komt aan het beroep door belanghebbende.

Het verlate besluit van het bestuursorgaan ten spijt, kan het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog gegrond worden verklaard, indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft, blijkens lid 5. Dat is het risico dat voor rekening van het verzuimende bestuursorgaan behoort te komen. Wanneer is een besluit niet tijdig genomen? Art. 4:13 awb is duidelijk als het om beschikkingen gaat; gaat het om besluiten in andere zin, dan worden art. 6:10 en 6:12 lid 1 awb in aanmerking genomen.

11.5.1. besluit hangende het hoger beroep
Het beroep heeft van rechtswege ook mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging hangende het hoger beroep, zelfs indien dit besluit wordt genomen ter uitvoering van het uitspraak van de eerdere aanleg. Hangende het hoger beroep dient een beroepschrift, ingediend tegen de beslissing op het bezwaar, te worden doorgezonden aan de instantie die het hoger beroep behandeld, art. 6:19 lid 4 awb. De bestuursrechter (in dit geval in hoger beroep) kan het beroep tegen het nieuwe besluit, verwijzen naar een ander orgaan, ex. art. 6:19 lid 5 awb.

11.6. verwijzing
De beslissing op het beroep kan worden verwezen naar een ander orgaan dan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is, art. 6:20 lid 4 awb. Gelet op het feit dat belanghebbende rechtstreeks beroep op de bestuursrechter toekomt, ex. art. 6:12 jo. 7:1 lid 1 onder f awb, zal zulks het geval zijn, als de bestuursrechter van oordeel is dat het bestuursorgaan of een ander orgaan, in staat is om alsnog een besluit te nemen.

donderdag 24 november 2016

Bestuursrecht: het beroep op de bestuursrechter (1)

6 Bestuursrechter

6.1. instantie
Het lijkt voor zich te spreken wat het begrip "bestuursrechtspraak" inhoudt, maar het is niet vanzelfsprekend dat de bestuursrechter een instantie van de rechterlijke macht is.
Kijk naar art. 1:4 awb: de bestuursrechter is een onafhankelijk, bij wet ingesteld orgaan (lid 1); een tot de rechterlijke macht behorend gerecht wordt als bestuursrechter aangemerkt voor zover hoofdstuk 8 van de awb van toepassing is (lid 3).

6.2. object van het geding en omvang geschil
Zoals gezegd, bepalen procespartijen in beginsel de omvang van het geschil, ex. art. 8:69 lid 1 awb. Object van het geschil is altijd een besluit in de zin van art. 1:3 awb. Het bestuursprocesrecht kent een belangrijke begrenzing van de omvang van het verschil: het staat partijen niet vrij om de toepassing van regels inzake bevoegdheid en ontvankelijkheid, als zijnde regels van openbare orde, te beperken.

De wetgever bepaalt wanneer kan worden geageerd; er is een gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Dit in tegenstelling tot het burgerlijk procesrecht, waarbij een ieder die is getroffen in zijn subjectief recht, actie in kan stellen. In het bestuursrecht is het subjectief recht aldus losgekoppeld van het actierecht.

7 Competentie bestuursrechter

7.1. beroep tegen besluiten en gelijkgestelde handelingen
Uit art. 8:1 awb blijkt dat een belanghebbende beroep in kan stellen tegen een besluit. Besluiten van algemene strekking kunnen vatbaar zijn voor beroep, voor zover zij geen algemeen verbindende voorschriften zijn. Met een besluit in de zin van art. 1:3 awb worden gelijkgesteld, aldus art. 6:2 lid 1 en 2 awb, de schriftelijke weigering om een besluit te nemen (1) en het niet tijdig nemen van een besluit (2).

7.2. weigering of goedkeuring van een voorbereidingshandeling is appellabel 
Art. 8:2 awb somt een aantal gevallen op die worden gelijkgesteld met een besluit.  Let op lid 2 onder a van dit artikel, gelijkgesteld met een besluit worden:
1. de weigering van de goedkeuring van een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift  of een beleidsregel;
2. de intrekking of vaststelling van de inwerkingtreding van een avv of een beleidsregel.

Terwijl art. 8:3 lid 2 awb het besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling uitzondert van beroep, geeft art. 8:2 lid 2 onder b  awb aan dat de weigering of goedkeuring van een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling, gelijkgesteld wordt met een besluit en derhalve vatbaar is voor beroep.

7.3. Niet vatbaar voor beroep
Een beslissing inzake de procedurele voorbereiding van een besluit is niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende rechtstreeks in zijn belang treft, zie art. 6:3 awb.
Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit, ex. art. 8:3 awb:
1
a. inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of beleidsregel;
b. inhoudende de intrekking of vaststelling van inwerkingtreding van een avv of beleidsregel;
c. inhoudende de goedkeuring van een besluit, inhoudende een avv of beleidsregel of de intrekking of vaststelling van inwerkingtreding van een avv of beleidsregel;
2  een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling.

Verder van beroep uitgesloten zijn de besluiten, opgesomd in art. 8:4 awb en art. 8:5 lid 1 awb.

Zoals gezegd, is de (schriftelijke) weigering of goedkeuring van een besluit in de zin van art. 8:2 lid 2 onder a en b awb, wél appellabel. Er dient dus altijd eerst beoordeeld te worden, welke uitzonderingen van toepassing zijn op art. 8:3 awb.

7.3.1. avv's en exceptieve toetsing

Dat een algemeen verbindend voorschrift en beleidsregel niet vatbaar zijn voor beroep, impliceert niet dat rechterlijke toetsing niet geschiedt; dat laatste is namelijk wel het geval. De rechtmatigheidstoetsing vindt plaats, waarbij een avv of beleidsregel niet voor vernietiging in aanmerking komt, maar wél buiten toepassing verklaard zal worden in het geval van onrechtmatigheid. De toetsing van de verbindendheid van een avv vindt plaats bij de beoordeling van het beroep tegen een uitvoeringsbesluit, uitgevaardigd op grond van een avv.

Exceptieve toetsing houdt in dat een beschikking waartegen bezwaar of beroep is gericht, wordt getoetst aan de beleidsregel of het avv die ten grondslag ligt aan het besluit. De beleidsregel of het avv wordt getoetst aan hogere wettelijke normen. Aan een avv kan verbindende kracht worden ontzegd, indien het in strijd is met indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, hetgeen vol wordt getoetst, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.

Voor de exceptieve toetsing binnen de bestuursrechtelijke rechtspraak is ABRvS 5 november 2014 (Zwarte Piet) van belang; voor de exceptieve toetsing binnen de burgerlijke rechtspraak is HR 16 mei 1986, AB 1986, 574 (Landbouwvliegers) van belang.