vrijdag 6 augustus 2021

Het recht op persoonlijke vrijheid (art. 10 Grondwet en art. 8 EVRM) is nooit absoluut in een civiele samenleving. Over de open normen en reikwijdte van mensenrechten

De beoogde open normen van art. 10 Grondwet en art. 8 EVRM: omdat een absoluut recht op vrijheid niet kán bestaan in een civiele samenleving

Reikwijdte van de grondrechten moet per situatie worden beoordeeld

Met art. 10 lid 1 van de Grondwet heeft de wetgever open normen beoogd te stellen. Deze open normen zijn geschikt voor casuïstische interpretatie. Toekomstige onvoorziene omstandigheden en noodsituaties worden niet de pas afgesneden door legisme (een zéér letterlijke opvatting van de wettekst). Het legisme stelt de wet boven interpretatie, anders dan de in Nederland gebruikelijke rechtsvorming en wetsinterpretatie door middel van jurisprudentie.

De open normen en niet-absolute werking van de grondrechten maken dat de reikwijdte van de grondrechten per geval moet worden beoordeeld. De reikwijdte van een grondrecht moet redelijk worden uitgelegd; Algemeen Plaatselijke Verordeningen (APV's) die grenzen stellen (plaats- en tijdsbeperkingen) aan de absolute uitoefening van een grondrecht, brengen niet vanzelfsprekend een beperking van de persoonlijke levenssfeer mee. Bestuursorganen zijn bevoegd om binnen de door de wetgever (niet alleen landelijk, maar ook op lokaal niveau) gegeven kaders, besluiten te nemen en handelingen te verrichten die in het algemeen door het grondwetsartikel worden verboden (zie M.C.B. Burkens, Beperking van grondrechten, Deventer: Kluwer, 1972). Het recht mag daarbij niet van betekenis worden ontdaan.

Art. 10 Grondwet beoogt de burger te beschermen tegen overheidsinmenging zonder een voldoende wettelijke basis
Art. 10 Grondwet biedt bescherming tegen inmenging in de persoonlijke levenssfeer, indien de inmenging die door het overheidsoptreden wordt veroorzaakt, niet op een voldoende wettelijke basis is gebaseerd. Is de inmenging op een wet gebaseerd, dan treedt de rechter niet in de beoordeling van de proportionaliteit en subsidiariteit van de inmenging in het recht van art. 10 Grondwet. In de Parlementaire Geschiedenis is géén scherpe omlijning van het begrip "persoonlijke levenssfeer" ex. art. 10 Grondwet te vinden (Kamerstukken II 1975/76, 13872, nr. 6, p. 39-40). Het is uiteindelijk aan de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRVS) om een concreet oordeel te vellen.

Of de inmenging in het recht van art. 10 lid 1 Grondwet ook een inbreuk is, moet worden beoordeeld op grond van de ernst en duur van de inmenging, alsmede de regelgeving waarop de overheidsbevoegdheid wordt gebaseerd. Om het grondrecht op bescherming van de volksgezondheid (art. 22 Grondwet) te beschermen, kan inmenging in art. 10 lid 1 Grondwet rechtmatig worden geoordeeld. Andere wettelijke verplichtingen van de wetgever maken dat de vrijheid van burgers mag en móet worden ingeperkt omwille van de volksgezondheid. De overheid heeft op grond van art. 12 IVESCR de positieve verplichting om maatregelen te nemen om de volksgezondheid van de burgers te beschermen. Als partij bij de WHO Constitutie, heeft de wetgever de plicht op zich genomen om alle maatregelen te treffen om epidemieën uit te roeien en de overheidsorganen en -instanties op alle niveaus te betrekken bij deze doelstelling (art. 2 WHO).

Artikel 10-procedures
In artikel 10-procedures, waarbij in het merendeel van de zaken art. 10 Grondwet in samenhang wordt gelezen met art. 8 EVRM, gaat het in de regel om privacyschending: het binnentreden van een huis en de daaropvolgende ontruiming van een drugspand werd onrechtmatig geacht, omdat de bevoegdheid op een APV was gebaseerd, met art. 168 (oud) Gemeentewet als bevoegdheidsgrondslag. De formulering van art. 168 (oud) Gemeentewet was niet specifiek genoeg om een beperking van art. 10 Grondwet op te kunnen baseren (vgl. Voorlichting over grondwettelijke aspecten van (voor)genomen crisismaatregelen, document van de Raad van State, 25 mei 2020, W04.20.0139/I/Vo, p. 9) (ABRvS 28 augustus 1995, nr. H01950073 (Drugspand Venlo)). De uitleg die luidt dat de rechtsregel uit het arrest-Drugspand Venlo inhoudt dat een beperking van art. 10 Grondwet niet mag worden gebaseerd op een APV, getuigt van een verkeerde rechtsopvatting.

Dataveillance, het verzamelen en verwerken van persoonlijke data, kon niet worden gebaseerd op de algemene taakstelling van de Belastingdienst, omdat daarmee niet was voldaan aan de eis van een voldoende precieze wettelijke grondslag voor de inmenging in de persoonlijke levenssfeer (ECLI:NL:HR:2017:286 (ANPR), rechtsoverweging 2.3.4). Het stelselmatig monitoren, opslaan en verwerken van data grijpt in in de persoonlijke levenssfeer; zelfs met metadata kan de overheid een volledig beeld krijgen van het persoonlijke leven van burgers. Het is evident dat het recht van art. 10 lid 1 Grondwet daarbij moet worden gewaarborgd door middel van een duidelijke, formele wetsbasis.

De ratio is dat een formele wetsbasis het democratische wetgevingsproces heeft doorlopen. Het formele wetgevingsproces is ten aanzien van art. 10 Grondwet niet in alle gevallen beoogd door de wetgever, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis: noodtoestanden en andere onvoorziene omstandigheden moeten slagvaardig kunnen worden aangepakt (Kamerstukken II 1975/76, 13872, nr. 6, p. 39-40). De zinsnede "bij of krachtens de wet te stellen beperkingen" in art. 10 lid 1 Grondwet maakt duidelijk, dat delegatie mogelijk is (Van der Pot, Handboek van het Nederlandse Staatsrecht, 16e druk, Deventer: Kluwer, 2014, p. 277-282 en p. 400-408).

Een toegankelijke wettelijke basis en voorzienbaarheid van het overheidsoptreden
Zoals gezegd, bevindt art. 10 Grondwet zich niet in een vacuüm. Voor de nadere interpretatie wordt geput uit de jurisprudentie van het EHRM inzake art. 8 EVRM, dat het recht op eerbiediging van het privéleven, de woning, familie en correspondentie beschermt. Bij de interpretatie van art. 8 EVRM neemt het EHRM de grondwet van de nationale lidstaat tot uitgangspunt. Het EVRM moet worden beschouwd als een 'levend instrument dat moet worden geïnterpreteerd in het licht van hedendaagse omstandigheden' (EHRM 25 april 1978, Tyrer/Verenigd Koninkrijk, r.o. 31). Aan het begrip 'privéleven' moet géén beperkte uitleg worden gegeven (EHRM 21 juni 2011, 30194/09 (Shimovolos/Rusland), r.o. 64). Het concept 'privéleven' omvat meerdere aspecten van zowel de fysieke als sociale identiteit en integriteit van de persoon (EHRM 4 december 2008, 30562/04 en 30566/04 (S. en Marper/Verenigd Koninkrijk), r.o. 66).

De bevoegdheid voor overheidsoptreden dat een inmenging in de persoonlijke levenssfeer meebrengt, moet bij wet zijn voorzien (EHRM 26 april 1979, 6538/74 (Sunday Times/Verenigd Koninkrijk), r.o. 47-48). Het overheidsoptreden moet een wettelijke basis hebben, deze wettelijke basis moet toegankelijk zijn voor de betrokken burger en voor de betrokkene moet het overheidsoptreden voorzienbaar zijn (EHRM 4 december 2015, 47143/06 (Zakharov/Rusland), r.o. 228). Het EHRM legt de 'wettelijke basis' ruim uit: voldoende is dat de inmenging in de persoonlijke levenssfeer in ieder geval een basis heeft in de nationale wetgeving ('interference must have some basis in domestic law') (EHRM 26 maart 1987, 9248/81 (Leander/Zweden), r.o. 50).

Als een voldoende wettelijke basis bestaat als grondslag voor de inmenging in het privéleven, komt het EHRM toe aan de beoordeling van de proportionaliteit en subsidiariteit: is de inmenging in de persoonlijke levenssfeer noodzakelijk voor een legitiem doeleinde (art. 8 lid 2 EVRM)? Het beschermen van de volksgezondheid is een legitiem doeleinde, zoals expliciet wordt uitgedrukt in art. 8 lid 2 EVRM. De uitoefening van de overheidsbevoegdheid moet in verhouding staan tot dit doel (proportionaliteit) en de minst ingrijpende methode moet worden ingezet om dit doel te bereiken (subsidiariteit).

De 'fair balance'-test die vervolgens wordt toegepast, houdt in dat waarborgen moeten worden geboden tegen de inmenging in de persoonlijke levenssfeer ex. art. 8 EVRM en art. 10 Grondwet. Dat betekent: duidelijke, gedetailleerde wetgeving. Duidelijke, gedetailleerde wetgeving omschrijft onder welke omstandigheden, waar en wanneer (gedurende welke periode) de overheidsbevoegdheid mag worden uitgeoefend. Gaat het bijvoorbeeld om de verwerking van persoonsgegevens, dan moet er  onafhankelijk toezicht mogelijk zijn.



Toetsingskader EHRM voor de beoordeling van inmenging in het recht op eerbiediging van de privésfeer en lichamelijke integriteit (art. 8 EVRM)


De Nederlandse rechter over proportionaliteit en subsidiariteit
Hoe oordeelt de Nederlandse rechter over proportionaliteit en subsidiariteit van de inmenging in het privéleven van burgers? Om dit te illustreren roep ik de SyRI-zaak van februari 2020 in herinnering. SyRI, een Systeem Risico Indicatie (er zijn meerdere SyRI's), werd gebruikt om stelselmatig gegevens te verzamelen, verwerken en op te slaan van burgers die niet verdacht zijn, maar aanspraak maken op fiscale regelingen of sociale zekerheid. SyRI is, het woord zegt het al, een risicotaxatie om te beoordelen of een burger gaat frauderen. Deze wijze van dataveillance grijpt in in de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in art. 10 leden 1 en 2 Grondwet en art. 8 EVRM.

Ondanks de jarenlange inzet van SyRI heeft de overheid géén succes gehad bij het opsporen van fraudegevallen. SyRI is dus niet alleen bij voorbaat en zonder doeltreffendheid ingezet op onverdachte burgers, maar er zijn ook géén minder ingrijpende methoden dan SyRI ingezet (subsidiariteit). De overheid heeft in de SyRI-zaak niet aannemelijk gemaakt waarom de inzet van SyRI de minst ingrijpende methode zou zijn. Toch heeft de rechter geoordeeld dat de inzet van SyRI niet in strijd was met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. SyRI was dus rechtmatig (let op: veel juristen hebben het dictum verkeerd begrepen, zelfs de VN-rapporteur heeft ten onrechte doorgegeven dat SyRI buiten werking was gesteld). SyRI werd dus niet buiten werking gesteld en ook níet onrechtmatig geoordeeld.

Het was de rechtsbasis, SUWI, die moest worden hersteld om aan het formeelrechtelijke vereiste te voldoen en aldus de SyRI-systemen in het vervolg in te kunnen zetten. De basis in de SUWI-wetgeving werd door de rechter onvoldoende inzichtelijk en controleerbaar geacht (ECLI:NL:RBDHA:2020:865, r.o. 6.111). De rechter heeft de wetgever daarbij gewezen op de mogelijkheden voor reparatie.

Conclusie: de Nederlandse rechter oordeelt, evenals het EHRM, dat niet snel sprake zal zijn van een inbreuk in het privéleven en de lichamelijke onaantastbaarheid van de burger, mits het overheidsoptreden kenbaar is en gebaseerd is op een wettelijke basis. Het EHRM is daarin betrekkelijk soepel: zelfs als beleidsregels of algemene regelgeving niet is vastgesteld volgens de procedure van formeelwettelijke regelgeving (= vastgesteld door de wetgever), kan het overheidsoptreden de vrijheid van de burger legitiem beperken. Daarvoor is voldoende dat de regelgeving kenbaar is voor de burger en dat de vrijheidbeperkende maatregel op een of andere manier verbonden is met de formele rechtsbasis, ofwel de wet (EHRM 26 maart 1987, 9248/81 (Leander/Zweden), r.o. 50).