zaterdag 29 september 2018

Het verificatoir karakter van het onderzoek ter terechtzitting, bezien in het licht van de beginselen van het strafprocesrecht


1 Inleiding

De praktijk van het onderzoek ter terechtzitting in het Nederlandse straf(proces)recht wordt getypeerd als ‘verificatoir’: de eindzitting is gericht op verificatie van de resultaten uit het vooronderzoek, veeleer dan op de bewijsgaring. Het is niet nieuw dat de wenselijkheid van een meer actieve opstelling van de zittingsrechter in het kader van de bewijsgaring ter discussie wordt gesteld.[1] Het project Modernisering Strafvordering heeft de discussie over de voorkeur voor een verificatoir strafproces boven een door onmiddellijkheid gekenmerkte eindzitting weer een impuls gegeven; voor een weergave van het sectorbrede karakter van de discussie verwijs ik naar de discussiestukken behorende bij het Congres Modernisering Strafvordering van 19 juni 2014. 

Gelet op de letterlijk eeuwenlang voortdurende discussie over de wenselijkheid van een meer actieve rechter tijdens het onderzoek ter terechtzitting (het eindonderzoek) is het doel van deze bijdrage niet om er ‘een schepje bovenop’ te doen; het doel is om stelling in te nemen in de context van de beginselen van het Nederlandse strafprocesrecht. 

Ik formuleer een aantal stellingen om aan te geven waarom een meer op de bewijsgaring gericht onderzoek ter terechtzitting moet prevaleren boven een verificatoir eindonderzoek. Daarbij ga ik in op recente ontwikkelingen, waaronder de wettelijke verankering van de getuigenis de auditu en de versterking van de rol van de rechter-commissaris en de verschuiving van het zwaartepunt naar het vooronderzoek als uitdagingen voor de volledigheid van het onderzoek in totaliteit en de onafhankelijkheid van de zittingsrechter. 

Kernbegippen die aan bod komen, zijn het accusatoire karakter van het eindonderzoek, het onmiddellijkheidsbeginsel en het beginsel van de onschuldpresumptie. In mijn bespreking gaat in het bijzonder aandacht uit naar het recht in actie: hoe verhoudt de rechterlijke besluitvorming binnen de verificatoire eindzitting zich tot de rolopvatting van procesdeelnemers, beginselen als de onschuldpresumptie en democratische legitimiteit?

Relevantie
Het belang van de versterking van de bewijsgaring op het onderzoek ter terechtzitting is gelegen in de materiële juistheid van de bewezenverklaring, of, negatief geformuleerd, het zo mogelijk voorkomen van gerechtelijke dwaling. Het verband tussen rechterlijke dwaling en het verificatiekarakter van het eindonderzoek is een te weinig kritische blik. Een ander punt van relevantie is dat meer op de bewijsgaring gerichte handelingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting passend zijn bij het adversaire of meer accusatoire karakter van het eindonderzoek. Het is de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever om de rechten van de verdediging tijdens het eindonderzoek zo min mogelijk te beperken, bijvoorbeeld door het ondervragingsrecht ten volle te laten gelden.[2]

Achtergrond
Wat houdt het verificatoir karakter van het onderzoek ter terechtzitting in? Het betreft een product van de rechtspraktijk, niet een door de wetgever beoogde ontwikkeling, zoals impliciet blijkt uit de volgende omschrijving door de wetgever: ‘Velen hebben gewezen op het verschuiven van het accent bij het verzamelen van feiten met het oog op de beantwoording van de vragen van artikel 348-350 Sv van het eindonderzoek naar het voorbereidend onderzoek. Het onderzoek ter terechtzitting heeft meer het karakter gekregen van een verificatie van de in het voorbereidend onderzoek verzamelde feiten dan een gelegenheid waarbij het feitenmateriaal rechtstreeks op de terechtzitting wordt geproduceerd.[3]
            De wetgever stond oorspronkelijk een door onmiddellijkheid gekenmerkt onderzoek ter terechtzitting voor en heeft dit in de eerste plaats tot uitdrukking gebracht in art. 338 Sv: ‘Het bewijs dat de verdachte het telastegelegde feit heeft begaan, kan door den rechter slechts worden aangenomen indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting de overtuiging heeft benomen’. Ook de strikte lezing van art. 342 lid 1 Sv laat  geen misverstanden bestaan over het vereiste onmiddellijke karakter van de getuigenverklaring: een getuigenverklaring is een op het onderzoek ter terechtzitting gedane mededeling van feiten of omstandigheden die hij zelf heeft waargenomen. Het onmiddellijkheidsbeginsel klinkt duidelijk door in het ontwerp van de artikelen 287-298 Sv inzake het oproepen en horen van getuigen: alle getuigen zouden ter terechtzitting moeten worden gehoord.[4]
Het onmiddellijkheidsbeginsel heeft met de aanvaarding van het testimonium de auditu door de Hoge Raad (HR 20 december 1926, NJ 1927, p. 85 (Van hooren zeggen)) aan betekenis ingeboet. De wetgever stelt een gemotiveerde belangenafweging te hebben gemaakt alvorens groen licht te geven aan het voortzetten van de bestaande procestraditie die is ingezet met het de auditu-arrest.[5] Als doorslaggevende argumenten noemt de wetgever onder meer het feit dat een door een derde (relatant, M.Bouter) overgebrachte verklaring van wat een getuige heeft waargenomen als wettig bewijsmiddel aan de bewezenverklaring kan bijdragen, tot een sterk verminderde noodzaak om getuigen op te roepen heeft geleid; voorts geeft de wetgever aan het als een voordeel van de de auditu-procestraditie te beschouwen ‘..dat deze niet tegemoet komt aan verlangens van degenen die uit zijn op sensatie of spektakel’.[6] Ik heb de indruk dat de wetgever zich onder de noemer van een ‘gemotiveerde belangenafweging’ aan kritiekloze acceptatie van de de auditu-procestraditie waagt.
            Met de verschuiving van het accent van het onderzoek ter terechtzitting naar het vooronderzoek kan geconcludeerd worden dat het de auditu-arrest aan de wieg van het verificatoire eindonderzoek heeft gestaan. Het toestaan van inbreuken op het onmiddellijkheidsbeginsel wordt het onderzoek ter terechtzitting sinds 1926 getypeerd als verificatieonderzoek: in beginsel kunnen zaken schriftelijk worden afgedaan op de (schriftelijke) stukken, de verdachte gehoord.[7]
            De aanvaarding van de de auditu-procestraditie de wetgever en de praktijk van het verificatoire eindonderzoek zijn niet alleen in strijd met het onmiddellijkheidsbeginsel als grondslag van het Wetboek van Strafvordering; het verificatoir karakter van de eindzitting is in strijd met het uitgangspunt van het EHRM, dat alle bewijsgaring in beginsel plaats moet vinden tijdens het openbare onderzoek ter terechtzitting, in aanwezigheid van de verdediging, met het oog op het recht van de verdediging op een proces op tegenspraak.[8]
Tegen deze achtergrond presenteer ik hierna mijn stellingen ter onderbouwing van mijn standpunt, dat de praktijk van het verificatoire eindonderzoek plaats moet maken voor een onderzoek ter terechtzitting, gericht op de bewijsgaring.


[1] W.P.J. Pompe, ‘Vooronderzoek of eindonderzoek beslissend?’, in: W.P.J. Pompe (red.), Vijf opstellen van Pompe, Zwolle: Tjeenk Willink 1975, p. 55-64; Discussiestuk ‘Het onderzoek ter terechtzitting (boek 4)’voor het Congres Modernisering Strafvordering 19 juni 2014, p. 9 en 17; M.J. Dubelaar, ‘Waarheen met het strafrechtelijk bewijsstelsel?’, in: Meijers-reeks, Den Haag: Boom juridisch 2017, p. 69-86.
[2] Kamerstukken II 1995/96, 24 692, nr. 3, p. 4.
[3] Kamerstukken II 1995/96, 24 692, nr. 3, p. 3.
[4] Zoals ten overvloede wordt bevestigd in Kamerstukken II 1995/96, 24 692, nr. 3, p. 4.
[5] Strafvordering in balans, een notitie over de stand van wetgeving ter herziening van het Wetboek van Strafvordering, Kamerstukken II 1993/94, 23 672, nr. 1, p. 14–16.
[6] Kamerstukken II 1995/96, 24 692, nr. 3, p. 7.
[7] Kamerstukken II 1995/96, 24 692, nr. 3, p. 7.
[8] EHRM 23 april 1997, NJ 1997/635 (Van Mechelen/c.s.), overweging 51.